Einde inhoudsopgave
De cyberverzekering vanuit civielrechtelijk perspectief (O&R nr. 129) 2021/IV.4.2.2
IV.4.2.2 Verhouding tot algemene voorzorgsmaatregelen
mr. N.M. Brouwer, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. N.M. Brouwer
- JCDI
JCDI:ADS278856:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht / ICT
Verzekeringsrecht / Schadeverzekering
Voetnoten
Voetnoten
Dit kan met de in de polisvoorwaarden opgenomen schuldgradatie te maken hebben. Indien dat het wettelijk opzetcriterium ex artikel 7:952 BW is geweest, dan zou een beroep daarop weinig kans van slagen hebben gehad.
Zie Krenning & Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woning in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 21-25.
Als een wankele schoorsteen niet wordt gerepareerd, ontstaat op een gegeven moment vanzelf de situatie dat de schoorsteen naar beneden komt (acute schadeoorzaak) of het onmiddellijk dreigende gevaar dat dit zal gebeuren, vgl. Stadermann, Enige vraagstukken van verzekeringsrecht, Zutphen: Paris 2011, p. 86.
Zie op dit punt ook Krenning & Vloemans 2008, p. 23. Vergelijk ook Hoge Raad 12 januari 2007, NJ 2007/371 (Eindhoven/Allianz).
Vgl. Wansink 2006, p. 306. Zie ook N. Vloemans, ‘De bereddingsplicht’, in: N. van Tiggele-van der Velde e.a. (reds.), Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 102-104. Zie ten aanzien van misbruik van verzekering HR 12 januari 2007, NJ 2007, 371, r.o. 4.1.2: “Bij een verzekering als hier in het geding is niet uitgesloten dat feiten en omstandigheden die niet toereikend zijn om een beroep op art. 7:952 BW of een opzetclausule als de onderhavige te doen slagen, niettemin van dien aard zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden dat de verzekerde aanspraak maakt op een uitkering onder de polis (art. 6:248 lid 2 BW).”
Er is ook een andere reden dat het onwenselijk kan zijn als de bereddingsplicht te ruim wordt toegepast. In een digitale context valt een complexe samenloopdiscussie te voorzien tussen het ontstaan van een onmiddellijk dreigend gevaar en de verplichting om algemene voorzorgsmaatregelen te treffen.
Een onmiddellijk dreigend gevaar kan min of meer spontaan ontstaan, maar kan ook te maken hebben met onvoldoende onderhoud of voorzorgsmaatregelen. Hiervoor noemde ik reeds het Staedion-arrest, waarin preventieve asbestsaneringskosten als bereddingskosten onder de AVB-verzekering werden gebracht. De Hoge Raad passeerde daarbij het verweer van de verzekeraars dat Staedion al jarenlang wist dat asbest gevaarlijk kon zijn en dat in de woningen die zij als woningcorporatie verhuurde asbest was verwerkt. Staedion had het op een acuut gevaar laten aankomen, aldus verzekeraars. Een specifiek beroep op eigen schuld komt echter niet helder naar voren.1 A-G Wuisman verwerpt dit verweer onder verwijzing naar het advies dat de deskundige aan Staedion had uitgebracht. De Hoge Raad laat zich hier verder niet over uit.
De kosten van normaal onderhoud lijken in dit arrest iets te gemakkelijk te zijn afgewenteld op de aansprakelijkheidsverzekeraar.2 Indien een verzekerde immers lang genoeg geen algemene voorzorgsmaatregelen treft, krijgt zij vanzelf te maken met een onmiddellijk dreigend gevaar op schade.3 Het is onwenselijk en ook onjuist als een verzekerde die zijn algemene onderhoudsplicht verzaakt, de kosten voor de noodmaatregelen kan claimen bij haar verzekeraar.4 Dit kan strijdig zijn met het indemniteitsbeginsel en/of het vereiste van onzekerheid (artikel 7:925 BW), of zelfs misbruik van verzekering (artikel 6:248 lid 2 BW) opleveren.5
Specifiek bij de cyberverzekering zou de verzekeraar zich in dat geval wellicht kunnen beroepen op de eigen schuld van de verzekerde wegens de schending van de verplichting om redelijke voorzorgsmaatregelen te treffen. De verzekerde organisaties weten immers dat digitale processen risico’s meebrengen en dat slecht onderhoud tot verwezenlijking van die risico’s kan leiden. Vrijwel alle cyberverzekeraars leggen de verzekerden daarbij bovendien expliciet een ‘voorzorgverplichting’ op.
Gezien de huidige lijn in de jurisprudentie zal een succesvol beroep op de schending van de algemene ‘voorzorgsverplichting’ evenwel niet gemakkelijk zijn. Bij gebrek aan duidelijkheid over de invulling van de ‘voorzorgverplichting’ van de verzekerde is lastig te onderbouwen dat daaraan niet is voldaan. Zoals ook in Staedion zal het advies van de deskundige daaraan in de weg kunnen staan, zeker nu er geen standaarden bestaan waaraan verzekerden zelf kunnen toetsen en het kennisniveau zodanig is dat verzekerden veelal vertrouwen op extern advies. Dit laat hen een grote beoordelingsvrijheid bij de inschatting van het gevaar. Door de voorzorgsverplichtingen concreter te beschrijven in de polisvoorwaarden en waar mogelijk expliciete uitsluitingen op te nemen, kunnen verzekeraars die beoordelingsvrijheid verkleinen en ongewenste situaties voorkomen.