Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/7.3.2
7.3.2 Beginselen, regels en eisen
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS375024:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 mei 2003, JOL 2003, 259.
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432.
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (CJHB).
HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459.
Zie over de aanvaarding van normatieve uitspraken als rechtsbeginselen Dworkin 1977, p. 40.
Nu over de vraag of bepaalde eisen als beginselen gelden, veelal, enkele eisen waaronder bijvoorbeeld de eis van hoor en wederhoor uitgezonderd, onduidelijkheid of onenigheid bestaat, kan men, uitgaande van de hiervoor genoemde kenmerken van beginselen en regels, ook spreken van normen die in meerdere of mindere mate de kenmerken van een regel of een beginsel hebben.
HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 (DWFV).
HR 21 februari 1997, NJ 1998, 4 (HJS). Vgl. HR 21 december 2001 (Panama Caribic/Town House), NJ 2004, 34 (DA).
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3 (MvT), p. 109.
HR 5 november 1993, NJ 1994, 154 (PAS).
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (CJHB), herhaald in o.m. HR 14 januari 1983 (Hajziani/Van Woerden), NJ 1983, 457 (PAS) en HR 30 januari 2004 (Parallel Entry/KLM), RvdW2004, 26.
HR 29 juni 2001, NJ 2001, 494.
Zie bijv. HR 4 juni 1993 (Vredo/Veenhuis), NJ 1993, 659 (DWFV) en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.
Zie daarover infra, par. 73.9.
Zie Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 54. Hl Snijders 1978, p. 68 en 72-74, schaart het beroep op de goede procesorde onder de noemer 'impliciet beroep op andere rechtsbeginselen' (dan de rechtszekerheid). Zie ook Ten Berg-Koolen 1986, die spreekt van 'algemene normen' die achter de goede procesorde schuilgaan.
Hugenholtz/Heemskerk, 2002, nr. 5.
Zo bijv. HR 27 februari 2004 (Tuinders/De Staat/De Ontvanger), NJ 2004, 239.
Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nrs. 28-53.
HR 31 januari 2003 (Z/StichtingJeugdzorg), NJ 2004, 48 (DA).
419. Verwijst de Hoge Raad naar een goede procesorde, dan verwijst hij in veel gevallen in het bijzonder naar de 'eisen' of - minder vaak - naar de 'beginselen' of 'regels' daarvan. In een groot aantal gevallen volstaat de Hoge Raad echter met enkel een verwijzing naar de goede procesorde, rechtspleging of procesvoering.
Zo sprak de Hoge Raad in het arrest Transautex/De Staat1 uit dat het in het algemeen in strijd is met een goede procesorde dat partijen zich nog door middel van conclusies of akten in een procedure uitlaten, als een zaak eenmaal in staat van wijzen is. In het arrest Interfood/Lyclama Ć Nijeholt2 oordeelde hij dat de eisen van een goede procesorde zich ertegen verzetten, dat een tussenarrest waartegen tussentijds beroep in cassatie is ingesteld, nadat dit beroep is verworpen, opnieuw aan het oordeel van de Hoge Raad wordt onderworpen. In het arrest Reuvers/Gem. Zwolle3sprak de Hoge Raad uit dat regels van een goede procesorde meebrengen dat de rechter eerst bij pleidooi gestelde feiten op bepaalde gronden ter zijde kan laten. In het arrest Interforce/Rogier4 overwoog hij dat ook de beginselen van een goede procesorde het hof in die zaak niet ertoe noopten gevolg te geven aan het door de koper bij pleidooi na enquĆŖte gedane verzoek om de verkoper te bevelen (een afschrift van) de koopovereenkomst over te leggen. In het arrest De Nieuw Woning/De Staat5 baseerde de Hoge Raad de binding van de rechter aan zijn rolrichtlijnen op algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging.
420. Het is hier niet de plaats uitgebreid in te gaan op het verschil tussen beginselen, regels en eisen. In deze studie zal word ervan uitgegaan dat rechtsbeginselen zich laten omschrijven als die eisen, die in een rechtsgemeenschap zo belangrijk worden geacht, zo zeer worden gewaardeerd, dat zij bij de vorming of toepassing van andere normen als uitgangspunt gelden. Of een eis in de praktijk van het recht als beginsel geldt, hangt in deze optiek derhalve uiteindelijk af van de vraag of er onder deelnemers aan de rechtspraktijk consensus over bestaat, dat die eis als beginsel geldt.6 Regels zijn dan alle algemene en abstracte normen die in de rechtspraktijk niet als beginsel gelden.7 Daarnaast bestaan ten slotte eisen - geboden of verboden - die zelf geen beginsel zijn, maar die uit zowel regels als beginselen kunnen voortvloeien.
Zo beschouwd houdt een verwijzing naar 'de eisen van een goede procesorde' een verwijzing in naar het gehele complex van normen - beginselen en regels - dat deel uitmaakt van een goede procesorde. Datzelfde is het geval indien de rechter kortweg enkel verwijst naar 'een goede procesorde'. Een goede procesorde is immers het resultaat van een inachtneming van alle eisen van een goede procesorde.
421. Vaak is onduidelijk welke specifieke eisen, beginselen of regels achter een verwijzing naar de eisen, beginselen of regels van een goede procesorde schuilgaan. In enkele van de onderzochte uitspraken verwijst de Hoge Raad echter niet naar (verder niet nader aangeduide) beginselen van een goede procesorde, maar naar een specifiek daartoe behorend beginsel.
Zo oordeelde de Hoge Raad in het arrest VredolVeenhuis8 dat het hof in strijd had gehandeld met een 'grondbeginsel van een goede procesorde', door zijn beslissing niet zodanig te motiveren dat deze voldoende inzicht gaf in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. In datzelfde arrest oordeelde de Hoge Raad dat het hof tevens in strijd had gehandeld met een ander 'beginsel van een goede procesorde', door zelf feiten bij te brengen. In een andere uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat de lagere rechter in strijd had gehandeld met het 'fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging' volgens hetwelk de rechter zich bij zijn oordeel alleen mag baseren op die gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten proces-se ter discussie hebben kunnen stellen.9
Voorts bleek uit de wetsgeschiedenis van art. 130 Rv dat met de verwijzing in lid 1 van dat artikel naar de eisen van een goede procesorde wordt gedoeld op de eis dat gedaagde door een verandering of vermeerdering van eis niet onredelijk in zijn verdediging wordt bemoeilijkt en op de eis dat het geding door een dergelijke wijziging van eis niet onredelijk wordt vertraagd.10
In die gevallen waarin niet duidelijk is naar welke specifieke eisen wordt verwezen, is ook onduidelijk waarom soms naar regels of beginselen wordt verwezen, en niet naar eisen.
In het arrest De Wit/Van den Berg11 oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld dat niet zonder meer gezegd kon worden dat de 'beginselen van een goede procesorde' Van den Berg ertoe verplichtten om in een eerder tussen partijen gevoerde procedure bepaalde feiten te melden. Om welke specifieke beginselen van een goede procesorde het hier gaat, maakt de Hoge Raad niet expliciet. Ook is niet duidelijk waarom hij verwijst naar beginselen en niet naar de meer normen omvattende eisen van een goede procesorde. In het arrest Reuvers/Gem. Zwolle12 formuleerde de Hoge Raad voor het eerst de nadien vele malen herhaalde regel dat de 'regels van een goede procesorde kunnen meebrengen dat de rechter eerst bij pleidooi gestelde feiten ter zijde kan laten op de grond dat de tegenpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of dat zij een nader onderzoek nodig zouden maken waarvoor het betreffende geding geen gelegenheid meer biedt'. Waarom de Hoge Raad in dit arrest en daaropvolgende arresten ter beslissing van soortgelijke gevallen consequent verwijst naar de regels van een goede procesorde en niet naar de eisen of beginselen van een goede procesorde, is moeilijk te zeggen. Duidelijk is wel dat het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van een berechting binnen een redelijke termijn, zo men wil het decisiebeginsel, hier een rol spelen. Een verwijzing naar de beginselen van een goede procesorde zou dan ook niet misstaan.
422. Dat niet al te veel betekenis moet worden gehecht aan het onderscheid tussen verwijzingen naar eisen en beginselen, moge blijken uit de beschikking waarin de Hoge Raad de motiveringsplicht van de rechter baseerde op de eisen van een behoorlijke rechtspleging13, terwijl hij deze motiveringsplicht in andere uitspraken afleidde uit een 'grondbeginsel' van een goede procesorde of rechtspleging.14
Enige praktische relevantie lijkt het onderscheid tussen verwijzingen naar eisen, beginselen of regels ook niet te hebben. Zo wordt het antwoord op de vraag of de rechter bepaalde, in de goede procesorde besloten liggende eisen ambtshalve dient toe te passen, niet bepaald door de kwalificatie van die eisen als beginselen of regels, maar door de vraag of die eisen normen van openbare orde zijn.15 In cassatie kan voorts over schending van alle eisen van een goede procesorde, rechtspleging of procesvoering worden geklaagd, ongeacht of de gestelde schending een schending van regels of beginselen betreft.
423. In de literatuur is wel gesteld dat de verwijzingen naar een goede procesorde, afgezien van de vraag of werd verwezen naar eisen, beginselen of regels daarvan, in wezen verwijzingen inhouden naar beginselen van procesrecht.16
Inderdaad kan, zoals bij de bespreking van de inhoudelijke betekenis van de eisen van een goede procesorde nog zal blijken, de verwijzing naar een goede procesorde in veel uitspraken worden vervangen door een verwijzing naar een of meer eisen die naar algemene opvattingen direct voortvloeien uit beginselen van procesrecht, zoals de eis van hoor en wederhoor of de eis van een berechting binnen een redelijke termijn.
Of nu echter de stelling opgaat, dat verwijzingen naar een goede procesorde uitsluitend op beginselen van procesrecht (kunnen) doelen, hangt af van de vraag welke uitspraken men als beginselen van procesrecht beschouwt. De juistheid van de stelling is daarom moeilijk toetsbaar. De vraag welke uitspraken beginselen zijn, kan immers uiteenlopend worden beantwoord. Juist uit rechtsbeslissingen gegrond op een verwijzing naar de goede procesorde, zouden beginselen van procesrecht kunnen worden afgeleid. Verdere discussie over de vraag of een verwijzing naar de eisen van een goede procesorde een verwijzing naar beginselen van procesrecht inhoudt, is daarom weinig vruchtbaar.
Uit de bestudeerde rechtspraak kan echter worden opgemaakt dat het beperkte aantal normatieve uitspraken waarvan duidelijk is dat zij in de huidige rechtspraktijk als beginsel van procesrecht gelden, niet volstaat om alle gevonden toepassingen van de eisen van een goede procesorde te verklaren.
Hugenholtz/Heemskerk beschouwt slechts het hoor en wederhoor, de onpartijdigheid van de rechter, de openbaarheid van behandeling en uitspraak, de motivering van de beslissing en de partijautonomie als (hoofd)-beginselen van procesrecht.17 Neemt men bijvoorbeeld het oordeel van de Hoge Raad dat een goede procesorde zich in het algemeen er tegen verzet dat beroep in cassatie tegen in verschillende gedingen gewezen uitspraken wordt ingesteld bij een en hetzelfde exploot van dagvaarding18, dan laat dat oordeel zich niet door een van deze beginselen verklaren. Evenmin lijkt een beginsel uit het veel grotere aantal door Snijders, Ynzonides en Meijer genoemde beginselen19, noch een combinatie van enkele van die beginselen in de plaats te kunnen worden gesteld van deze verwijzing naar de goede procesorde. Anderzijds is evident dat in sommige uitspraken, zoals de hiervoor genoemde uitspraken waarin 'naar regels van een goede procesorde' wordt verwezen ter beoordeling van de toelaatbaarheid van voor het eerst bij pleidooi gestelde feiten, onder meer wordt verwezen naar eisen die rechtstreeks verband houden met beginselen van procesrecht zijn te beschouwen. Meer expliciet blijkt dit bijvoorbeeld uit de uitspraak waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechter gehouden was bepaalde maatregelen te treffen ten einde 'de goede procesorde en in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor' te waarborgen.20