Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/6.2.1
6.2.1 Een rechterlijke instantie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301319:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kuijer (2004), p. 173.
Opinie ECRM opgenomen in EHRM 22 oktober 1984, Sramek, serie A, vol 84, p. 31, § 71.
EHRM 22 oktober 1984, Sramek, serie A, vol 84, § 36. Men zie ook EHRM 30 november 1987, H/ België, serie A, vol 127, § 50; EHRM 29 april 1988, Belilos, serie A, vol 132, § 64 en EHRM 27 augustus 1991, Demicoli, serie A, vol 210, § 39.
EHRM 28 juni 1984, Campbell en Fell, serie A, vol 80, § 76.
Zie ECRM 12 oktober 1982, Bramelid en Malmstrëmgweden, 85888589179, DR 29, p. 74, EHRM 8 juli 1986, Lithgow, serie A, vol 102, § 201 en EHRM 30 november 1987, H/België, serie A, vol 127, § 50.
Zie o.a. EHRM 7 juli 1989, Tre Traktërer AB, serie A, vol 159, § 47-49; EHRM 25 oktober 1989, Allan Jacobsson, serie A, vol 163, § 75-76; EHRM 21 februari 1990, Håkansson en Sturesson, serie A, vol 171, § 62-63; EHRM 28 juni 1990, Obermeier, serie A, vol 179, § 70 en de opinie van de ECRM opgenomen in EHRM 28 juni 1990, Skárby, serie A, vol 180-b, p. 48, § 90.
EHRM 23 oktober 1985, Benthem, serie A, vol 97, § 40.
EHRM 19 april 1994, serie A, vol 288. Alkema in zijn noot onder dit arrest in NJ 1995, 462, concludeert terecht dat het Hof de onaantastbaarheid van het rechterlijk oordeel centraal stelt. Men kan ook spreken van het verbod van schending van het gezag van gewijsde; vgl. Wagner (2001), p. 9. Die onaantastbaarheid van buitenaf komt ook terug in de hierna te memoreren aanbeveling R(94)12 onder principle I onder 2 onder a: 'decisions of judges should not be the subject of any revision outside any appeals procedures as provided for by law', en 'with the exception of decisions on amnesty, pardon or similar, the government or the administration should not be able to take any decision which invalidates judicial decisions retroactively'.
EHRM 19 maart 1997, Hornsby, Reports 1997-11, § 40 e.v.. Heringa in EVRM R&C (2004), nr. 3.5.6, p. 15, stelt terecht dat de eis dat een rechter bindend geschillen beslecht kortom ook consequenties heeft voor de daarna gelegen fase van de naleving van een rechterlijk oordeel.
Zie EHRM 28 november 1999, Brumarescu, 28342/95, Reports 1999-V11, § 59-62 en EHRM 16 juli 2002, Ciobanu, 29053/95.
EHRM 7 november 2000, Anagnostopoulos, 39374/98, Reports 2000-X1.
Heringa in EVRM R&C (2004), nr. 3.5.6, p. 14 en 15, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie van het Hof, te beginnen met EHRM 27 november 1991, Oerlemans, serie A, vol 219, § 56 en EHRM 24 november 1994, Beaumartin, serie A, vol 296-b, § 38. Gewezen kan ook worden op EHRM 26 oktober 1984, De Cubber, NJ 1988, 744, § 31. De marginale toetsing van de Nederlandse burgerlijke rechter in het kader van een verzochte vernietiging van een bindend advies op grond van art. 7: 904 BW komt hiermee niet in strijd. Bij die toetsing neemt de rechter immers kennis van het volledige bindend advies en de feitelijke en juridische standpunten van partijen die daarop betrekking hebben. Blijkt een (feitelijk of juridisch) standpunt niet voldoende verdisconteerd, dan is dat reden voor vernietiging.
Het Hof verwijst hiervoor speciaal naar de zaak De Wilde, Ooms en Versyp d.d. 18 juni 1971, serie A, vol 12, § 78. Daaraan zouden onder meer kunnen worden toegevoegd EHRM 16 juli 1971, Ringeisen, serie A, vol 13, § 95 en EHRM 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven en De Meyere, serie A, vol 43, § 55. In laatstgenoemde uitspraak overweegt het Hof met zoveel woorden dat het op zich niet voldoet dat een orgaan rechtsprekende functies vervult, maar dat de term 'tribunal' slechts toegekend kan worden aan een orgaan dat voldoet aan 'a series of further requirements several of which appear in the text of Article 6 itself. Kuijer vermeldt nog - onder verwijzing naar EHRM 6 september 2001, Mort, 44564/98 - dat ook slechts als 'tribunal' aangemerkt wordt een orgaan dat binnen de grenzen van haar eigen (materiële en territoriale) competentie beslissingen neemt.
De Werd (2002), p. 55, spreekt in dit verband van een conceptuele in plaats van een institutionele benadering: 'De vraag wie of wat precies een gerecht constitueert, wordt door het Verdrag (het EVRM, P.S.), en ook door de Straatsburgse jurisprudentie, in institutionele zin niet gedefinieerd. Veeleer is sprake van een - ondoorzichtig - materieel criterium.'
Zie Akkermans (1992), p. 1018.
Akkermans, a.w., p. 1019.
In het bijzonder zij op deze plaats reeds verwezen naar De Werd (2002), p. 51-56.
Aan het begrip rechterlijke instantie in art. 6 EVRM zou wellicht gemakkelijk voorbijgegaan kunnen worden. Het accent lijkt veel meer op de invulling van de overige elementen te liggen. Wat onder een rechterlijke instantie verstaan moet worden, lijkt wel duidelijk. Is het begrip echter wel zo eenduidig?
De ontstaansgeschiedenis van art. 6 EVRM geeft geen eenduidig beeld. Het woord 'tribunal' in de oorspronkelijke verdragstekst heeft in de Engelse en Franse context bovendien een verschillende betekenis. Moet in het Engelse recht het 'tribunal' als een informelere instantie met beslissingsbevoegdheid worden opgevat en geplaatst worden tegenover het 'court', in het Franse recht wordt tussen 'tribunaux judiciaires' (overeenkomend met wat wij onder de gewone rechterlijke macht zouden verstaan) en 'tribunaux administratifs' onderscheid gemaakt. Kuijer wijst er bovendien op dat het EVRM zelf het begrip 'tribunal' in meerdere van haar verdragsbepalingen, en in verschillende bewoordingen, laat terugkomen.1
Uit de Staatsburgse rechtspraak is evenwel een beeld te destilleren ten aanzien van het begrip 'tribunal'. In de zaak Sramek heeft de Europese Commissie zich in de volgende bewoordingen geuit:
'In this connection it must first be observed that it is not decisive for the qualification of a certain authority as a "tribunal" within the meaning of Article 6 § 1 how it is classified in the domestic legal system. The only thing which matters is that it fulfills the substantive requirements of a tribunal, being an authority with power to decide legal disputes with binding effects for the parties. Although the exercise of certain discretionary powers is not entirely extraneous to its functions it is nevertheless characteristic of a tribunal that its decisions are not primarily lelt to its discretion, but must be arrived at in orderly proceedings conducted on the basis of the rule of law, i.e. proceedings enabling it to establish the legally relevant facts, and to apply preexisting legal regulations or principles to these facts.'2
Wat een 'tribunal' is, wordt dus volgens de Commissie niet bepaald door de kwalificatie die in een nationaal stelsel aan een bepaalde instantie wordt gegeven. Het komt er veeleer op aan of de instantie de bevoegdheid heeft om (voor de partijen) bindende beslissingen te geven in juridische geschillen. Deze beslissingen dienen dan tot stand te komen op grond van procedures die op een voorgeschreven wijze zijn doorlopen en waarin de juridisch relevante feiten boven tafel kunnen komen, op welke feiten reeds bestaande rechtsregels en -principes toegepast worden. Een en ander sluit een zekere discretionaire bevoegdheid van de instantie bij het tot stand komen van de beslissing niet uit, doch deze vrijheid komt in beginsel op de tweede plaats.
Het Europees Hof maakt de opvatting van de Commissie enkele jaren later in dezelfde zaak tot de zijne.3
De uitspraken van Commissie en Hof in de zaak Sramek zijn in hun diverse elementen terug te vinden in andere Straatsburgse rechtspraak:
Het Hof verwijst zelf reeds naar de zaak Campbell en Fell4waarin werd overwogen dat de rechterlijke instantie in de zin van art. 6 EVRM niet slechts behoeft te zijn 'a court of law of the classic kind, integrated within the standard judicial machinery of the country'. Met name blijkt uit de Straatsburgse jurisprudentie dat ook een arbitraal college of een tuchtcollege kan voldoen aan de definitie van een 'tribunal'.5 Administratieve autoriteiten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.6
In de zaak Benthem7 wordt herhaald dat de 'power of decision' (de bevoegdheid tot het doen van een bindende uitspraak) inherent is aan het begrip 'tribunal' in de zin van het EVRM. In de zaak Van de Hurkpreciseert het Hof dat die uitspraak vervolgens niet gewijzigd moet kunnen worden door een niet-rechterlijk orgaan ten detrimente van een individuele partij.8 De lijn Van de Hurk is verder doorgetrokken in latere uitspraken waarin tot uitdrukking komt dat art. 6 EVRM geschonden is als de overheid feitelijk weigert een rechterlijke uitspraak na te komen9 c.q. in kracht van gewijsde gegane uitspraken annuleert.10 Retroactief mag een wetgever naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak uiteraard wel wetgeving aanbrengen, maar het mag niet zo zijn dat middels wetgeving getracht wordt in te grijpen in (de uitkomst) van een uitspraak.11 Heringa wijst er ten slotte op dat het Europees Hof afgezien van de 'power of decision' het dicht daar tegenaan liggende begrip van de 'full jurisdiction' heeft geïntroduceerd als een van de elementen waaraan een 'tribunal' moet voldoen. Daarmee wordt bedoeld dat de toetsingsmarge van de rechter niet een beperkte mag zijn; zijn bevoegdheid moet zich uitstrekken tot een beoordeling van alle relevante rechtsvragen en feitelijke vragen in een bepaald geschil.12
De eis van een behoorlijke procedure (orderly proceedings) lijkt een impliciete verwijzing te zijn naar de overige inhoud van art. 6 EVRM: het moet gaan om een eerlijke en openbare procedure voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, welke procedure binnen redelijke termijn wordt afgewikkeld. Een en ander wordt onder meer bevestigd in de Benthem-zaak In § 43 van die uitspraak wordt overwogen:
'by the word "tribunal", it (the Convention, P.S.) denotes "bodies which exhibit common fundamental features", of which the most important are independence and impartiality, and "the guarantees of judicial procedure—.
Volgens het Hof betreft het hier gevestigde rechtspraak.13
Het leidt geen twijfel dat de Nederlandse burgerlijke rechter als een rechterlijke instantie in de zin van art. 6 EVRM moet worden aangemerkt. Op alle fronten wordt voldaan aan de eisen gesteld in de Straatsburgse rechtspraak. Dit zal geen verwondering wekken. Deze rechtspraak is gericht op het vaststellen van de 'buitengrenzen' van het begrip rechterlijke instantie.14 De Nederlandse burgerlijke rechter zit ruim binnen die perken.
Niettemin is merkwaardig dat in het Nederlandse recht geen definitie is terug te vinden van bovengenoemd begrip. Art. 116 lid 1 Gw bepaalt dat de wet de gerechten aanwijst die behoren tot de rechterlijke macht. Volgens de regering moet de term 'rechterlijke macht' als aanduiding dienen voor alle rechterlijke instanties, die binnen de Nederlandse rechtsorde een duurzame rechterlijke taak vervullen.15 In eerste instantie wordt daarmee gedoeld op de 'gewone' rechterlijke macht, waartoe de burgerlijke rechter behoort: zie art. 112 lid 1 Gw en art. 1 Wet RO. Maar criteria om het begrip rechterlijke macht, laat staan rechterlijke instantie, inhoud te geven, reikt de Grondwet niet aan.16 Ook in de Wet RO zal men tevergeefs zoeken naar een definitie van het begrip 'gerecht'. In art. 14 Wet RO is slechts bepaald wie er bij een gerecht werkzaam zijn (namelijk rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, alsmede gerechtsambtenaren). Bij de bespreking van de onpartijdigheid zal blijken dat het gebrek aan een heldere definitie zich kan wreken.17