Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.3.0
13.3.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS459003:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Deze dubbele belastingheffing treedt op doordat de overgang van de aanmerkelijkbelangsfeer naar de inkomstenuitvermogensfeer gepaard gaat met afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim (eventueel gecombineerd met doorschuiving op de voet van art. 20e. eerste lid, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.8), zonder dat dit leidt tot een vermindering van de winstreserves van de vennootschap. Wordt kort na de sfeerovergang dividend uitgekeerd, dan leidt dit tot belastingheffing op grond van art. 24 Wet IB, terwijl dezelfde winstreserves materieel reeds in de voorafgaande aanmerkelijkbelangheffing zijn betrokken. Zie over deze sfeerovergang uitgebreider hoofdstuk 4, onderdeel 4.6.2.
Zie bijvoorbeeld de artt. 25, derde lid, onderdeel d, achtste lid, onderdeel b, tiende lid, zestiende lid, onderdelen a en b en zeventiende lid, art. 31, derde lid, Wet IB, e.d.
Aangezien de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' sedert 1 januari 1997 als een afzonderlijke belastingheffing van aanmerkelijkbelanghouders is vormgegeven en aldus meer op zichzelf is komen te staan, is er vanuit de bron 'inkomsten uit vermogen' gedacht een extra sfeerovergang bij gekomen, nl. de overgang van de aandelen en winstbewijzen van en naar het aanmerkelijkbelangregime. Dit wordt versterkt door het feit dat de nieuwe aanmerkelijkbelangheffing in vergaande mate is gesubjectiveerd en uiteindelijk het subjectieve voordeel van de aanmerkelijkbelanghouder in de belastingheffing wordt betrokken. Met name speelt voor aanmerkelijkbelanghouders, afgezien van enkele onvolkomenheden in de categorie reguliere voordelen (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.5), het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal geen rol van betekenis meer. Dit betekent dat vanuit de basisconceptie die nog steeds aan de bron 'inkomsten uit vermogen' ten grondslag ligt (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.2.1), een inkomstenbelastingclaim op de winstreserves van de vennootschap verloren kan gaan als de aandelen en winstbewijzen op enig moment tot een aanmerkelijk belang gaan behoren. Alsdan wordt er immers overgestapt van een objectieve belastingheffing, beoordeeld vanuit de vennootschap, naar een gesubjectiveerde belastingheffing, beoordeeld vanuit de aandeel- resp. winstbewijshouder. Anderzijds kan de sfeerovergang van de aandelen en winstbewijzen van het aanmerkelijkbelangregime naar de bron 'inkomsten uit vermogen' tot dubbele belastingheffing leiden, aangezien alsdan in één klap op de winstreserves van de vennootschap een inkomstenbelastingclaim wordt gevestigd die voorheen in de aanmerkelijkbelangsfeer mogelijk niet aanwezig was.1 Naast de in de sfeer van de bron 'inkomsten uit vermogen' reeds bekende sfeerovergangen naar het buitenland en de winstsfeer2, is sedert 1 januari 1997 dus ook een sfeerovergang mogelijk naar de aanmerkelijkbelangsfeer. Dit heeft ertoe geleid dat aanvullende bepalingen noodzakelijk waren in de regeling van art. 27, tweede lid, Wet IB (schenking van losse dividendbewijzen) en de regeling van art. 31, derde lid, Wet IB (vervreemding van aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap). Hieronder wordt nader op deze regelingen ingegaan.