Erfbelasting wordt geheven over verkrijgingen krachtens erfrecht (fictieve erfrechtelijke verkrijgingen daaronder begrepen). Niet iedere verkrijging wordt belast. De Successiewet 1956 bevat namelijk een vrijstellingen van erfbelasting. Deze zijn opgenomen in artikel 32. Het tarief van de erfbelasting is opgenomen in artikel 24 van de SW 1956.
Artikel 32 bevat vrijstellingen voor de erfbelasting:
⁃
door de Staat (eerste lid, onder 1);
⁃
door een provincie, gemeente of een van de BES eilanden (eerste lid, onder 2);
⁃
door een algemeen nut beogende instelling (eerste lid, onder 3);
⁃
door een partner, kind, kleinkind, ouder en door overige verkrijgers (eerste lid, onder 4);
⁃
van pensioenen en lijfrenten (eerste lid, onder 5);
⁃
door een sociaal belang behartigende instelling (eerste lid, onder 8);
⁃
door een steunstichting SBBI (eerste lid, onder 9);
⁃
door een werknemer van de erflater of zijn partner of door een nabestaande van zodanige werknemer (eerste lid, onder 10);
⁃
van nog niet vorderbare termijnen van renten, uitkeringen, bezoldigingen en van andere inkomsten (eerste lid, onder 11).
In deze aantekening wordt een overzicht gegeven van de vrijstellingen en wordt verder op de vrijstellingen in algemene zin ingegaan.
De vrijstellingen erfbelasting worden afzonderlijk per onderdeel van commentaar voorzien. Voor diepgaander commentaar op de vrijstellingen wordt derhalve verwezen naar het specifieke commentaar per vrijstelling.
In het tweede tot en met vierde lid zijn achtereenvolgens een pensioenimputatieregeling en definities van de begrippen pensioenregeling en lijfrenten opgenomen. Ook deze worden afzonderlijk per lid becommentarieerd.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 32 (aant. 1.2 tot en met 1.4)
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van de vrijstellingen erfbelasting. Daarbij wordt ingegaan op de historie van de vrijstelling en de parlementaire behandeling (aant. 1.2) en de bedoeling van de vrijstellingen (aant. 1.4). Een overzicht van de verschenen literatuur over deze vrijstellingen is opgenomen in aant. 1.3.
2. Op welk tijdstip vindt de beoordeling van de toepasselijkheid van de vrijstelling plaats? (aant. 1.5)
Op het moment van de verkrijging moet aan alle voorwaarden voor toepassing van een van de vrijstellingen van artikel 32 zijn voldaan. De beoordeling vindt dus plaats naar het moment van de verkrijging.
3. Mogelijke samenloop tussen de verschillende vrijstellingen onderling en samenloop tussen erfbelasting en inkomstenbelasting (aant. 1.6)
Het is niet geheel duidelijk in hoeverre de verschillende vrijstellingen van artikel 32 naast elkaar kunnen worden toegepast. Wel is duidelijk dat zich een samenloop kan voordoen tussen de heffing van erfbelasting en inkomstenbelasting. Dit probleem is door de wetgever onderkend, maar hij heeft geen algemene regeling hiervoor getroffen. De wetgever heeft wel enkele incidentele voorzieningen in de wet opgenomen en in de uitvoeringssfeer is hiervoor begunstigend beleid geformuleerd.
4. Vrijstellingen erfbelasting die niet in art. 32 zijn opgenomen (aant. 1.7 tot en met 1.11)
Er zijn ook vrijstellingen erfbelasting, of regelingen die materieel gelijk zijn aan een vrijstelling, die niet in artikel 32 zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan verkrijgingen door de Koning en door buitenlandse diplomaten en consuls, een vrijstelling bij bedrijfsopvolging, kwijtscheldingsregelingen en een regeling voor opeenvolgende overlijdens binnen dertig dagen.
5. Verkrijgingen op verschillende tijdstippen uit dezelfde erfenis (aant. 1.12)
De vraag kan opkomen hoe de erfbelasting moet worden berekend als een persoon op verschillende tijdstippen verkrijgingen ontvangt uit een en dezelfde nalatenschap. Dit is een lastige vraag, waarop in aant. 1.12 wordt ingegaan.
6. Hardheidsclausulebeleid (aant. 1.13)
Met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) kan een tegemoetkoming in de belastingheffing worden verleend als de toepassing van een wettelijke regeling tot een resultaat leidt dat de wetgever niet heeft beoogd of voorzien bij de totstandkoming van die regeling. Er bestaat nogal wat hardheidsclausulebeleid voor de erfbelasting dat materieel gezien tot eenzelfde resultaat leidt als een wettelijke vrijstelling. Een opsomming hiervan is opgenomen in aant. 1.13.
7. Indexatie (aant. 1.14)
Het bedrag van de vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd. Zie aant. 1.14.
8. Voetvrijstellingen (aant. 1.15)
Sinds 2010 zijn alle vrijstellingen voetvrijstellingen. Hierop wordt nader ingegaan in aant. 1.15.
9. De berekening van de erfbelasting (aant. 1.16)
Hoe het bedrag van de verschuldigde erfbelasting wordt berekend, is beschreven in aant. 1.16.
10. Vrijstelling voor aanspraken op kindgebonden budget (aant. 1.17)
In een afzonderlijke wet is een vrijstelling opgenomen voor bepaalde aanspraken op kindgebonden budget. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.17.
11. Individuele en buitensporige last (aant. 1.18)
Een aanslag erfbelasting kan in strijd zijn met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat die aanslag een individuele en buitensporige last vormt voor de belastingplichtige. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.18.
12. Ontwikkelingen op civielrechtelijk en fiscaal gebied (aant. 1.20)
In aant. 1.20 worden enkele ontwikkelingen geschetst op het gebied van het civiele en het fiscale recht die mogelijk gevolgen zullen hebben voor de reikwijdte van vrijstellingen erfbelasting in de toekomst.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Successiewet, art. 32 SW 1956, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 16-04-2026
16-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/15.28
01-01-2010 tot: -
Vakstudie Successiewet, art. 32 SW 1956, aant. 1.1
Schenk- en erfbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
vrijstelling erfbelasting
Successiewet 1956 artikel 32
Beschouwing
Erfbelasting wordt geheven over verkrijgingen krachtens erfrecht (fictieve erfrechtelijke verkrijgingen daaronder begrepen). Niet iedere verkrijging wordt belast. De Successiewet 1956 bevat namelijk een vrijstellingen van erfbelasting. Deze zijn opgenomen in artikel 32. Het tarief van de erfbelasting is opgenomen in artikel 24 van de SW 1956.
Artikel 32 bevat vrijstellingen voor de erfbelasting:
door de Staat (eerste lid, onder 1);
door een provincie, gemeente of een van de BES eilanden (eerste lid, onder 2);
door een algemeen nut beogende instelling (eerste lid, onder 3);
door een partner, kind, kleinkind, ouder en door overige verkrijgers (eerste lid, onder 4);
van pensioenen en lijfrenten (eerste lid, onder 5);
door een sociaal belang behartigende instelling (eerste lid, onder 8);
door een steunstichting SBBI (eerste lid, onder 9);
door een werknemer van de erflater of zijn partner of door een nabestaande van zodanige werknemer (eerste lid, onder 10);
van nog niet vorderbare termijnen van renten, uitkeringen, bezoldigingen en van andere inkomsten (eerste lid, onder 11).
In deze aantekening wordt een overzicht gegeven van de vrijstellingen en wordt verder op de vrijstellingen in algemene zin ingegaan.
De vrijstellingen erfbelasting worden afzonderlijk per onderdeel van commentaar voorzien. Voor diepgaander commentaar op de vrijstellingen wordt derhalve verwezen naar het specifieke commentaar per vrijstelling.
In het tweede tot en met vierde lid zijn achtereenvolgens een pensioenimputatieregeling en definities van de begrippen pensioenregeling en lijfrenten opgenomen. Ook deze worden afzonderlijk per lid becommentarieerd.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 32 (aant. 1.2 tot en met 1.4)
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van de vrijstellingen erfbelasting. Daarbij wordt ingegaan op de historie van de vrijstelling en de parlementaire behandeling (aant. 1.2) en de bedoeling van de vrijstellingen (aant. 1.4). Een overzicht van de verschenen literatuur over deze vrijstellingen is opgenomen in aant. 1.3.
2. Op welk tijdstip vindt de beoordeling van de toepasselijkheid van de vrijstelling plaats? (aant. 1.5)
Op het moment van de verkrijging moet aan alle voorwaarden voor toepassing van een van de vrijstellingen van artikel 32 zijn voldaan. De beoordeling vindt dus plaats naar het moment van de verkrijging.
3. Mogelijke samenloop tussen de verschillende vrijstellingen onderling en samenloop tussen erfbelasting en inkomstenbelasting (aant. 1.6)
Het is niet geheel duidelijk in hoeverre de verschillende vrijstellingen van artikel 32 naast elkaar kunnen worden toegepast. Wel is duidelijk dat zich een samenloop kan voordoen tussen de heffing van erfbelasting en inkomstenbelasting. Dit probleem is door de wetgever onderkend, maar hij heeft geen algemene regeling hiervoor getroffen. De wetgever heeft wel enkele incidentele voorzieningen in de wet opgenomen en in de uitvoeringssfeer is hiervoor begunstigend beleid geformuleerd.
4. Vrijstellingen erfbelasting die niet in art. 32 zijn opgenomen (aant. 1.7 tot en met 1.11)
Er zijn ook vrijstellingen erfbelasting, of regelingen die materieel gelijk zijn aan een vrijstelling, die niet in artikel 32 zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan verkrijgingen door de Koning en door buitenlandse diplomaten en consuls, een vrijstelling bij bedrijfsopvolging, kwijtscheldingsregelingen en een regeling voor opeenvolgende overlijdens binnen dertig dagen.
5. Verkrijgingen op verschillende tijdstippen uit dezelfde erfenis (aant. 1.12)
De vraag kan opkomen hoe de erfbelasting moet worden berekend als een persoon op verschillende tijdstippen verkrijgingen ontvangt uit een en dezelfde nalatenschap. Dit is een lastige vraag, waarop in aant. 1.12 wordt ingegaan.
6. Hardheidsclausulebeleid (aant. 1.13)
Met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) kan een tegemoetkoming in de belastingheffing worden verleend als de toepassing van een wettelijke regeling tot een resultaat leidt dat de wetgever niet heeft beoogd of voorzien bij de totstandkoming van die regeling. Er bestaat nogal wat hardheidsclausulebeleid voor de erfbelasting dat materieel gezien tot eenzelfde resultaat leidt als een wettelijke vrijstelling. Een opsomming hiervan is opgenomen in aant. 1.13.
7. Indexatie (aant. 1.14)
Het bedrag van de vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd. Zie aant. 1.14.
8. Voetvrijstellingen (aant. 1.15)
Sinds 2010 zijn alle vrijstellingen voetvrijstellingen. Hierop wordt nader ingegaan in aant. 1.15.
9. De berekening van de erfbelasting (aant. 1.16)
Hoe het bedrag van de verschuldigde erfbelasting wordt berekend, is beschreven in aant. 1.16.
10. Vrijstelling voor aanspraken op kindgebonden budget (aant. 1.17)
In een afzonderlijke wet is een vrijstelling opgenomen voor bepaalde aanspraken op kindgebonden budget. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.17.
11. Individuele en buitensporige last (aant. 1.18)
Een aanslag erfbelasting kan in strijd zijn met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat die aanslag een individuele en buitensporige last vormt voor de belastingplichtige. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.18.
12. Ontwikkelingen op civielrechtelijk en fiscaal gebied (aant. 1.20)
In aant. 1.20 worden enkele ontwikkelingen geschetst op het gebied van het civiele en het fiscale recht die mogelijk gevolgen zullen hebben voor de reikwijdte van vrijstellingen erfbelasting in de toekomst.