Zie proces-verbaal van bevindingen nr. PL 1511/2006/52092-7 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 4 oktober 2006.
HR, 27-10-2009, nr. 09/00550 H
ECLI:NL:HR:2009:BJ8718
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
27-10-2009
- Zaaknummer
09/00550 H
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BJ8718
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ8718, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 27‑10‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8718
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8718, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8718
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑10‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvraag gegrond.
27 oktober 2009
Strafkamer
nr. 09/00550 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 15 januari 2007, nummer 09/925884-06, ingediend door mr. F.A.M. Engels, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 2. en 3. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 4. "schuldheling" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 8 september 2009 heeft de raadsvrouwe de aanvrage mondeling toegelicht.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv, is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 5 genoemde gronden moeten de door de aanvrager gestelde omstandigheden worden aangemerkt als omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is dus gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van
15 januari 2007;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 27 oktober 2009.
Conclusie 22‑09‑2009
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
Aanvrager van herziening is bij vonnis van de politierechter te 's‑Gravenhage van 15 januari 2007 voor 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, 2. en 3. ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en 4. ‘schuldheling’ veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van 2 jaren. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld, als gevolg waarvan het vonnis onherroepelijk is geworden.
2.
Namens aanvrager heeft mr. F.A.M. Engels, advocaat te 's‑Gravenhage, herziening gevraagd van het onherroepelijke vonnis van de politierechter.
3.
De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Aangevoerd wordt dat een ander bij zijn aanhouding de persoonsgegevens van aanvrager heeft opgegeven.
4.
Uit de stukken van het geding (proces-verbaal 1511/2006/52092) blijkt dat verbalisanten belast met een onopvallende surveillance op 3 oktober 2006 twee mannen bij een telefooncel zagen telefoneren waarvan hun ambtshalve bekend was dat van deze telefooncel gebruik wordt gemaakt door harddrugsgebruikers ter bestelling van verdovende middelen. Een van de mannen werd herkend als een harddrugsgebruiker. Nadat deze mannen in afwachting van de dealer enige tijd waren gevolgd zagen de verbalisanten de mannen het pand met adres [a-straat 1] binnen gaan. Even later zagen de verbalisanten een zwarte personenauto van het merk Renault, type Clio, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], door de [a-straat] rijden. Enkele seconden later zagen zij een man de [a-straat 1] binnen gaan die, na even binnen te zijn geweest, weer naar buiten kwam en aanstalten maakte om in de zwarte Renault Clio te stappen. Deze persoon werd aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet waarna bij de fouillering van de verdachte cocaïne en heroïne werd aangetroffen. Ten overstaan van de hulpofficier van justitie verklaarde deze verdachte [aanvrager] —aanvrager van herziening— genaamd zijn. Nog dezelfde dag, 3 oktober 2006, is een onderzoek in een woning gedaan, waarvan aanvrager had verklaard dat het zijn woning was, waarbij in een grote bruine bloempot verdovende middelen (heroïne en cocaïne), een weegschaal, een rol boterhamzakjes, een aardappelschilmesje en een aantal lege, ongebruikte ponypack verpakkingen werden aangetroffen. Tevens troffen de verbalisanten twee digitale camera's, een MP3 speler en een mobiele telefoon aan. Op 11 oktober 2006 zijn vingerafdrukken van de in verzekering gestelde verdachte afgenomen en is van hem een politiefoto genomen. Naar aanleiding hiervan is aanvrager op 15 januari 2007 door de politierechter voor bovengenoemde feiten veroordeeld. Ter terechtzitting is verdachte niet verschenen, wel een gemachtigd advocaat.
5.
Aanvrager heeft gegronde vrees dat zijn broer, [betrokkene 1], zich voor hem heeft uitgegeven en op zijn naam is veroordeeld. Ter staving van deze stelling wordt onder meer verwezen naar het volgende:
- (i)
een proces-verbaal van aanhouding (nr. PL 1595/2007/2689-41) en een proces-verbaal van inverzekeringstelling (nr. PL 1595/2007/2689-2) op naam van aanvrager d.d. 12 juli 2007, naar aanleiding van een nieuwe verdenking van overtreding van de Opiumwet en een proces-verbaal in bovengenoemd proces (nr. PL 1595/2007/2689-39), waarin onder ‘noot verbalisant 1’ staat vermeld dat verdachte [betrokkene 1] een valse naam heeft opgegeven, waardoor in het proces-verbaal van aanhouding en inverzekeringstelling de personalia van aanvrager staan;
- (ii)
een proces-verbaal van bevindingen in bovengenoemd proces (nr. PL 1595/2007/2689-60), houdende de vaststellingen van de verbalisant:
- —
dat [betrokkene 1] heeft medegedeeld een valse naam, te weten de naam van zijn broer [aanvrager], te hebben opgegeven hetgeen hij in het verleden vaker zou hebben gedaan, waaronder in 2006 toen hij was aangehouden voor handel in verdovende middelen en de woning van zijn broer zou zijn doorzocht;
- —
dat aanvrager hiervan niet op de hoogte was, maar naar eigen zeggen bekeuringen heeft ontvangen waar hij zelf niks vanaf wist, vermoedelijk afkomstig van zijn broertje [betrokkene 1];
- —
dat hij beschikt over een kopie van het verblijfsdocument van aanvrager;
- —
dat hij de persoon op de opgevraagde politiefoto (nr. PL 1510/06/01018) van de zaak uit 2006 (nr. 1511/2006/52092) heeft herkend als zijnde [betrokkene 1] en niet aanvrager;
- (iii)
een proces-verbaal (nr. PL 1595/2007/2689-55), waarin onder ‘noot verbalisant 3’ is gesteld dat de bovengenoemde politiefoto van de zaak uit 2006 en de foto op het bovengenoemde verblijfsdocument van aanvrager niet overeenkomen;
- (iv)
een dagvaarding om op 17 juli 2008 voor de politierechter te 's‑Gravenhage te verschijnen naar aanleiding van het in of omstreeks de periode van 26 januari 2007 tot en met 12 juli 2007 te 's‑Gravenhage voorhanden hebben van een laptop die van misdrijf afkomstig is — kennelijk betreft dit bovenstaande zaak waarin [betrokkene 1] op 12 juli 2007 verklaarde een valse naam te hebben opgegeven —, alsmede een vordering tenuitvoerlegging op grond van de uitspraak van de politierechter in de rechtbank 's‑Gravenhage d.d. 15 juli 2007, naar aanleiding waarvan aanvrager bekend raakte met de veroordeling d.d. 15 januari 2007: bij mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank 's‑Gravenhage d.d. 17 juli 2008 is aanvrager hiervan vrijgesproken en is de vordering tenuitvoerlegging op grond van de uitspraak van de politierechter in de rechtbank 's‑Gravenhage d.d. 15 januari 2007 afgewezen.
7.
Uit al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien volgt mijns inziens dat er voldoende aanknopingspunten voor een ernstig vermoeden dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling. De verklaring van [betrokkene 1] dat hij in 2006 toen hij was aangehouden voor handel in verdovende middelen de naam van zijn broer heeft opgegeven, wordt ondersteund door de herkenning van de verbalisant van de persoon op de destijds gemaakte politiefoto als zijnde [betrokkene 1] en de vaststelling dat de foto op het verblijfsdocument van aanvrager niet overeenkomt met de politiefoto uit 2006. Een en ander wijst erop dat niet aanvrager, maar diens broer [betrokkene 1] de persoon is geweest die door de politie op 3 oktober 2006 is aangehouden.
8.
Maar uit het dossier blijkt meer. Zo reed de aangehouden verdachte in een Renault Clio die op naam stond van aanvrager (blz. 156) en heeft de op 3 oktober 2006 aangehouden verdachte telkens opgegeven te zijn genaamd [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1979, wonende [b-straat 1] te [0000 AA] [woonplaats]. Telkens is bij deze gegevens een GBA-nummer ([001]) vermeld. Ik maak daaruit op dat de opgegeven personalia en ook het adres zijn gecontroleerd aan de hand van de GBA-gegevens. Bij de door de aangehouden verdachte opgegeven naam en geboortedatum hoort dus dat GBA-adres, terwijl dat het adres van aanvrager betreft. Op 3 oktober 2006 is naar aanleiding van de eerder op die dag verrichte aanhouding terzake van handel in verdovende middelen in deze woning een onderzoek gedaan, waarbij — anders dan de raadsvrouwe tijdens de mondelinge toelichting d.d. 8 september 2009 op dit punt heeft aangevoerd: namelijk dat aanvrager uitsluitend is vervolgd wegens heling van een computer waarvan hij is vrijgesproken en nooit is vervolgd voor het aantreffen van verdovende middelen in zijn woning — verdovende middelen en digitale camera's zijn aangetroffen.1. Dit betreft respectievelijk de feiten 2 en 3 (aanwezig hebben van verdovende middelen) en 4 (schuldheling van de digitale camera's) van het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd.2. Het opgeven van aanvragers naam op 3 oktober 2006 lijkt er dus niet aan af te doen dat in de woning van aanvrager cocaïne, heroïne en camera's zijn aangetroffen, op grond waarvan de persoonsverwisseling op het eerste gezicht dan ook alleen voor feit 1 en voor feit 3 (aanwezigheid van drugs bij aanhouding) relevant lijkt te zijn. In de aanvrage worden geen omstandigheden genoemd waaruit een ernstig vermoeden zou zijn af te leiden dat aanvrager vanwege de persoonsverwisseling ook niet zou zijn veroordeeld voor de feiten 2 en 4 als de politierechter indertijd met deze persoonsverwisseling bekend was geweest. Een aanwijzing kan echter wel worden afgeleid uit het verhandelde tijdens de mondelinge toelichting d.d. 8 september 2009: hieruit volgt immers dat de broer van aanvrager destijds geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had en zo nu en dan in het huis van aanvrager verbleef. Gezien in de context van het eerste feit, brengt dit mijns inziens met zich mee dat de aanvrage ook ten aanzien van de overige feiten gegrond moet worden verklaard.
9.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv, is voorzien.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑09‑2009
Kennelijk heeft de raadsvrouwe tijdens de mondelinge toelichting van 8 september 2009 bedoeld te stellen dat aanvrager, afgezien van de veroordeling waarvan herziening wordt gevraagd, nooit is veroordeeld voor drugsgerelateerde delicten en vermogensdelicten.