Lexplicatie, commentaar op art. 24 VWEU:Bronnen en citaten
Lexplicatie, commentaar op art. 24 VWEU
Bronnen en citaten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zie Goedkeuring van het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen (Trb. 2008, 11), Kamerstukken 31 384 (R 1850), nr. 3, Memorie van Toelichting:
“Een verdrag dat het democratische gehalte van Europa vergroot
De democratische innovaties van het Grondwettelijk Verdrag, zoals het burgerinitiatief, de versterking van de rol van de nationale parlementen, de transparantie en de verheldering van de wetgevingsprocedure, moesten behouden blijven. Er zou naar gestreefd moeten worden de positie van de nationale parlementen verder te versterken, in het bijzonder bij het toetsen van nieuwe Europese wetgevingsvoorstellen.”
Het burgerschap van de Unie is geïntroduceerd bij het Verdrag van Maastricht. Doel van de notie van het burgerschap van de Unie is het scheppen van een nauwere band tussen de Unie en haar burgers. De democratische beginselen waarop de Unie is gegrondvest worden in een nieuwe titel II van het EU-Verdrag uiteen gezet (titel II, VEU). Het gaat in deze nieuwe titel om de transparantie van het wetgevingsproces in de Unie en het nader tot de burgers brengen van de Unie. In het Werkingsverdrag is in het kader van de titel betreffende non-discriminatie en burgerschap een aantal rechten en plichten voor burgers vastgelegd. Deze zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen uit het EG-Verdrag, maar nieuw daarbij is dat de rol van het Europees Parlement wordt versterkt en de bevoegdheid van de Unie om maatregelen te treffen ter uitwerking van het burgerschap zijn uitgebreid.
In het Verdrag van Lissabon wordt het belang van de positie burger in de Unie onderstreept en vergroot. Het Verdrag onderkent de belangrijke plaats van de burger als onderdeel van de Unie, naast de lidstaten van de Unie. De verdere ontwikkeling van het burgerschap staat naar de mening van de regering in functie van de doelstellingen en bevoegdheden van de Unie. De materiële inhoud van het burgerschap kan in dit licht meebewegen, zowel middels wetgevende en beleidsmatige initiatieven als via jurisprudentie van het Hof van Justitie.”
Voorts is de regering verheugd met de introductie van het burgerinitiatief dat kan bijdragen aan het betrekken van de burger bij het functioneren van de Unie (artikel 8 B, vierde lid (artikel 11, vierde lid, VEU)). De regering is van mening dat met het burgerinitiatief het beginsel van de «participerende democratie» verder wordt versterkt. Daarbij neemt zij als uitgangspunt dat de instellingen van de Unie de burgers en «representatieve organisaties» de nodige middelen ten dienste moeten stellen om hun mening op alle beleidsterreinen van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te kunnen treden. Het burgerinitiatief is daarbij een innovatief en effectief instrument. Voor het eerst zullen Europese burgers de Commissie kunnen verzoeken binnen het kader van haar bevoegdheden een voorstel in te dienen met betrekking tot een aangelegenheid waarvoor een rechtshandeling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Verdragen. Voor een dergelijk initiatief geldt een drempel van ten minste één miljoen burgers van de Unie, die afkomstig moeten zijn uit een significant aantal lidstaten. Op een totale bevolking van bijna 500 miljoen mensen is het halen van een drempel van ten minste 1 miljoen relatief eenvoudig. Hoewel het recht van initiatief bij de Commissie blijft berusten zal de Commissie met burgerinitiatieven – gezien het politieke feit van een dergelijk initiatief – terdege rekening moeten houden. De procedures en voorwaarden voor het indienen van een dergelijk initiatief, zoals het precieze aantal lidstaten waaruit de verzoeken dienen te komen, dienen nader te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 21 van het Werkingsverdrag (artikel 24 VWEU). De regering zal in discussie over de nadere uitwerking van de procedures en voorwaarden het standpunt innemen dat het instrument van het burgerinitiatief zo uitvoerbaar en zo simpel als mogelijk dient te zijn.”
Het EU-Verdrag en het VWEU geven aanleiding tot een uitgebreide jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht EU (voorheen Gerecht van Eerste Aanleg).
Het Hof verzorgt een uitgebreid en geactualiseerd repertorium: https://curia.europa.eu (>rechtspraak > repertorium op de rechtspraak). Hierbij zijn de rechtspraak van voor en na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) opgenomen.
Het Hof van Justitie publiceert alle jurisprudentie op zijn website https://curia.europa.eu met zoekformulier.
Het Hof verzorgt een uitgebreid en geactualiseerd repertorium: https://curia.europa.eu (>rechtspraak > repertorium op de rechtspraak). Hierbij zijn de rechtspraak van voor en na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) opgenomen.
Deze bepaling is enige malen hernummerd (zie de aantekeningen bij de aanhef) en voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon was deze bepaling genummerd artikel 21 EG (als gewijzigd; het burgerinitiatief is sedert het Verdrag van Lissabon ingevoerd)
In het repertorium is de rechtspraak van voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon opgenomen in rubriek A onder 'non-discrimination'; de rechtspraak na de inwerkingtreding van dit verdrag in rubriek 1 onder dezelfde kop.
Hieronder wordt slechts richtinggevende en recentere rechtspraak opgenomen
“25 In dit verband moet worden opgemerkt dat in casu het feit dat het voorgestelde EBI niet is geregistreerd, afbreuk kan doen aan de doeltreffendheid op zich van het in artikel 24, eerste alinea, VWEU vervatte recht van de burgers om een burgerinitiatief in te dienen. Bijgevolg moet een dergelijk besluit de redenen die deze weigering rechtvaardigen, duidelijk tot uiting brengen.”
Gerecht EU, nr. T-450/12, ECLI:EU:T:2015:739 (Anagnostakis/Commissie).
In dezelfde zin Gerecht EU, nr. T‑646/13, ECLI:EU:T:2017:59 (Bürgerinitiative Minority SafePack/Commissie), punten 15-17, met overweging inzake motiveringsplicht onder artikel 296VWEU.
Zie voor deze arresten uitgebreid artikel 4 en bijlage II van Verordening (EU) nr. 211/2011.
De relatie tussen de artikelen 10 en 11 EU-Verdrag enerzijds en de artikelen 20, 22 en 24 VwEU-Verdrag anderzijds
"88 Vervolgens hebben de burgers van de Unie politieke rechten die hun deelname aan het democratisch bestel van de Unie verzekeren. Deze rechten zijn vermeld in de artikelen 10 en 11 VEU en worden nader uitgewerkt in de artikelen 20, 22 en 24 VWEU. Het gaat daarbij met name om het recht om een burgerinitiatief in te dienen, het recht om verzoekschriften tot het Parlement te richten, het recht om zich tot de ombudsman te wenden, het recht om zich tot de instellingen en adviesorganen van de Unie te wenden in een van de officiële talen van de Unie, alsook het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar de burgers verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
89 In dit verband nemen de burgers van de Unie, door de uitoefening van de hun door de artikelen 10 en 11 VEU verleende politieke rechten, rechtstreeks deel aan het democratische leven van de Unie. De werking van de Unie is namelijk gegrond op de representatieve democratie, die concreet vorm geeft aan de democratie als waarde, die volgens artikel 2 VEU een van de waarden is waarop de Unie berust [zie in die zin arresten van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C‑418/18 P, EU:C:2019:1113, punt 65; 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij), C‑808/21, EU:C:2024:962, punten 114 en 115, en 19 november 2024, Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij), C‑814/21, EU:C:2024:963, punten 112 en 113]. Daaruit volgt dat de uitoefening door de lidstaten van hun bevoegdheid om de voorwaarden voor de toekenning van hun nationaliteit vast te stellen, gevolgen heeft voor de werking van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde."
HvJ EU 29 april 2025, C‑181/23 (Europese Commissie – Malta)
Literatuur
M. Geuens, 'Hof van Justitie oordeelt over bewijslast bij een Europees burgerinitiatief' - annotatie bij Zaak C-420/16 P, Balazs-Arpad ea, SEW 2019, afl. 10, p. 475.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Lexplicatie, commentaar op art. 24 VWEU
Bronnen en citaten
mr. E. Thomas, actueel t/m 26-05-2025
26-05-2025
01-12-2009 tot: -
mr. E. Thomas
Lexplicatie, commentaar op art. 24 VWEU
JCDI:ADS3123:1
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Rechtsbescherming
Staatsrecht / Grondrechten
Staatsrecht / Kiesrecht
Staatsrecht / Nationaliteitsrecht
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 24
Toelichting
Zie Goedkeuring van het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlagen (Trb. 2008, 11), Kamerstukken 31 384 (R 1850), nr. 3, Memorie van Toelichting:
“Een verdrag dat het democratische gehalte van Europa vergroot
De democratische innovaties van het Grondwettelijk Verdrag, zoals het burgerinitiatief, de versterking van de rol van de nationale parlementen, de transparantie en de verheldering van de wetgevingsprocedure, moesten behouden blijven. Er zou naar gestreefd moeten worden de positie van de nationale parlementen verder te versterken, in het bijzonder bij het toetsen van nieuwe Europese wetgevingsvoorstellen.”
Kamerstukken II 2007/08, 31 384 (R 1850), nr. 3 (MvT).
“3.4 Burgerschap en burgerinitiatief
Het burgerschap van de Unie is geïntroduceerd bij het Verdrag van Maastricht. Doel van de notie van het burgerschap van de Unie is het scheppen van een nauwere band tussen de Unie en haar burgers. De democratische beginselen waarop de Unie is gegrondvest worden in een nieuwe titel II van het EU-Verdrag uiteen gezet (titel II, VEU). Het gaat in deze nieuwe titel om de transparantie van het wetgevingsproces in de Unie en het nader tot de burgers brengen van de Unie. In het Werkingsverdrag is in het kader van de titel betreffende non-discriminatie en burgerschap een aantal rechten en plichten voor burgers vastgelegd. Deze zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen uit het EG-Verdrag, maar nieuw daarbij is dat de rol van het Europees Parlement wordt versterkt en de bevoegdheid van de Unie om maatregelen te treffen ter uitwerking van het burgerschap zijn uitgebreid.
In het Verdrag van Lissabon wordt het belang van de positie burger in de Unie onderstreept en vergroot. Het Verdrag onderkent de belangrijke plaats van de burger als onderdeel van de Unie, naast de lidstaten van de Unie. De verdere ontwikkeling van het burgerschap staat naar de mening van de regering in functie van de doelstellingen en bevoegdheden van de Unie. De materiële inhoud van het burgerschap kan in dit licht meebewegen, zowel middels wetgevende en beleidsmatige initiatieven als via jurisprudentie van het Hof van Justitie.”
Kamerstukken II 2007/08, 31 384 (R 1850), nr. 3 (MvT).
“Bepalingen inzake de democratische beginselen
(...)
Voorts is de regering verheugd met de introductie van het burgerinitiatief dat kan bijdragen aan het betrekken van de burger bij het functioneren van de Unie (artikel 8 B, vierde lid (artikel 11, vierde lid, VEU)). De regering is van mening dat met het burgerinitiatief het beginsel van de «participerende democratie» verder wordt versterkt. Daarbij neemt zij als uitgangspunt dat de instellingen van de Unie de burgers en «representatieve organisaties» de nodige middelen ten dienste moeten stellen om hun mening op alle beleidsterreinen van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te kunnen treden. Het burgerinitiatief is daarbij een innovatief en effectief instrument. Voor het eerst zullen Europese burgers de Commissie kunnen verzoeken binnen het kader van haar bevoegdheden een voorstel in te dienen met betrekking tot een aangelegenheid waarvoor een rechtshandeling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Verdragen. Voor een dergelijk initiatief geldt een drempel van ten minste één miljoen burgers van de Unie, die afkomstig moeten zijn uit een significant aantal lidstaten. Op een totale bevolking van bijna 500 miljoen mensen is het halen van een drempel van ten minste 1 miljoen relatief eenvoudig. Hoewel het recht van initiatief bij de Commissie blijft berusten zal de Commissie met burgerinitiatieven – gezien het politieke feit van een dergelijk initiatief – terdege rekening moeten houden. De procedures en voorwaarden voor het indienen van een dergelijk initiatief, zoals het precieze aantal lidstaten waaruit de verzoeken dienen te komen, dienen nader te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 21 van het Werkingsverdrag (artikel 24 VWEU). De regering zal in discussie over de nadere uitwerking van de procedures en voorwaarden het standpunt innemen dat het instrument van het burgerinitiatief zo uitvoerbaar en zo simpel als mogelijk dient te zijn.”
Kamerstukken II 2007/08, 31 384 (R 1850), nr. 3 (MvT).
Jurisprudentie
Het EU-Verdrag en het VWEU geven aanleiding tot een uitgebreide jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Gerecht EU (voorheen Gerecht van Eerste Aanleg).
Het Hof verzorgt een uitgebreid en geactualiseerd repertorium: https://curia.europa.eu (>rechtspraak > repertorium op de rechtspraak). Hierbij zijn de rechtspraak van voor en na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) opgenomen.
Het Hof van Justitie publiceert alle jurisprudentie op zijn website https://curia.europa.eu met zoekformulier.
Het Hof verzorgt een uitgebreid en geactualiseerd repertorium: https://curia.europa.eu (>rechtspraak > repertorium op de rechtspraak). Hierbij zijn de rechtspraak van voor en na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) opgenomen.
Deze bepaling is enige malen hernummerd (zie de aantekeningen bij de aanhef) en voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon was deze bepaling genummerd artikel 21 EG (als gewijzigd; het burgerinitiatief is sedert het Verdrag van Lissabon ingevoerd)
In het repertorium is de rechtspraak van voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon opgenomen in rubriek A onder 'non-discrimination'; de rechtspraak na de inwerkingtreding van dit verdrag in rubriek 1 onder dezelfde kop.
Hieronder wordt slechts richtinggevende en recentere rechtspraak opgenomen
“25 In dit verband moet worden opgemerkt dat in casu het feit dat het voorgestelde EBI niet is geregistreerd, afbreuk kan doen aan de doeltreffendheid op zich van het in artikel 24, eerste alinea, VWEU vervatte recht van de burgers om een burgerinitiatief in te dienen. Bijgevolg moet een dergelijk besluit de redenen die deze weigering rechtvaardigen, duidelijk tot uiting brengen.”
Gerecht EU, nr. T-450/12, ECLI:EU:T:2015:739 (Anagnostakis/Commissie).
In dezelfde zin Gerecht EU, nr. T‑646/13, ECLI:EU:T:2017:59 (Bürgerinitiative Minority SafePack/Commissie), punten 15-17, met overweging inzake motiveringsplicht onder artikel 296VWEU.
Zie voor deze arresten uitgebreid artikel 4 en bijlage II van Verordening (EU) nr. 211/2011.
De relatie tussen de artikelen 10 en 11 EU-Verdrag enerzijds en de artikelen 20, 22 en 24 VwEU-Verdrag anderzijds
"88 Vervolgens hebben de burgers van de Unie politieke rechten die hun deelname aan het democratisch bestel van de Unie verzekeren. Deze rechten zijn vermeld in de artikelen 10 en 11 VEU en worden nader uitgewerkt in de artikelen 20, 22 en 24 VWEU. Het gaat daarbij met name om het recht om een burgerinitiatief in te dienen, het recht om verzoekschriften tot het Parlement te richten, het recht om zich tot de ombudsman te wenden, het recht om zich tot de instellingen en adviesorganen van de Unie te wenden in een van de officiële talen van de Unie, alsook het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Parlement en de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar de burgers verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
89 In dit verband nemen de burgers van de Unie, door de uitoefening van de hun door de artikelen 10 en 11 VEU verleende politieke rechten, rechtstreeks deel aan het democratische leven van de Unie. De werking van de Unie is namelijk gegrond op de representatieve democratie, die concreet vorm geeft aan de democratie als waarde, die volgens artikel 2 VEU een van de waarden is waarop de Unie berust [zie in die zin arresten van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C‑418/18 P, EU:C:2019:1113, punt 65; 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij), C‑808/21, EU:C:2024:962, punten 114 en 115, en 19 november 2024, Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij), C‑814/21, EU:C:2024:963, punten 112 en 113]. Daaruit volgt dat de uitoefening door de lidstaten van hun bevoegdheid om de voorwaarden voor de toekenning van hun nationaliteit vast te stellen, gevolgen heeft voor de werking van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde."
HvJ EU 29 april 2025, C‑181/23 (Europese Commissie – Malta)
Literatuur
M. Geuens, 'Hof van Justitie oordeelt over bewijslast bij een Europees burgerinitiatief' - annotatie bij Zaak C-420/16 P, Balazs-Arpad ea, SEW 2019, afl. 10, p. 475.