De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.6.1
4.6.1 Canonherziening bij bestemmingswijziging
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391972:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 1984a, p. 254-255. De besproken uitspraken zijn Rb. Rotterdam 1 juni 1973, nr. 3006/70 (Schiedam/Centro) en Rb. Amsterdam 1 november 1978, nr. 76.4014 (Amsterdam/Van Veeren), inmiddels kenbaar uit Hof Amsterdam 7 mei 1992, ECLI:NL:GHAMS:1992:AS6637, BR 1994, p. 861, m.nt. J. de Jong, (Amsterdam/Göbel-Van Veeren).
Reeds volgens Bloembergen 1972, p. 28 diende de overheid bij het verlenen van privaatrechtelijke toestemming de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.
HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5565,NJ 1987/727, m.nt. M. Scheltema (Amsterdam/Ikon). Het arrest is vooral bekend vanwege het oordeel dat een overheidsinstantie zich bij privaatrechtelijk handelen dient te houden aan de (publiekrechtelijke) algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hof Amsterdam 7 mei 1992, ECLI:NL:GHAMS:1992:AS6637, BR 1994, p. 861, m.nt. J. de Jong (Amsterdam/Göbel-Van Veeren), r.o. 4.4. Art. 9 aanhef en sub a AB 1915 luidde: “Het is den erfpachter niet veroorloofd: a de bestemming van den grond en van den daarop te stichten opstal te veranderen zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, welke vergunning ook voor bepaalden tijd of tot wederopzeggens toe kan worden verleend.”
Hof Amsterdam 7 mei 1992, BR 1994, p. 861, r.o. 4.5 en 4.11.
Hof Amsterdam 7 mei 1992, BR 1994, p. 861, r.o. 4.6-4.7. Nadruk toegevoegd.
Hof Amsterdam 7 mei 1992, BR 1994, p. 861, r.o. 4.8. Het hof achtte de gebruikte formule voor het berekenen van de canonherziening eveneens redelijk.
De noot van De Jong in BR 1994, p. 861 geeft tevens enige details van de berekeningssystematiek.
Art. 3:38 BW: “1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht. 2. De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.” Voor erfpachtvoorwaarden is dit uitdrukkelijk vastgesteld in PG Boek 5 BW, p. 314.
Noot De Jong in BR 1994, p. 861: “Het Hof acht in dit kader de vergelijking met de in de Algemene bepalingen uitvoerig geregelde herziening van de canon na ommekomst van een tijdvak, vanwege het verschil in de feiten die aanleiding vormen tot de canonherziening onjuist. Door deze opstelling schept het Hof de ruimte om de door de gemeente Amsterdam in deze sedert de jaren zestig ingezette beleidswijziging te sanctioneren. Wel wordt dit beleid door Hof en Rechtbank getoetst aan de redelijkheid en ingevolge het Ikon-arrest (HR 27 maart 1987 BR 1987, p. 533, m.nt. P. de HaanNJ 1986/727, m.nt. MS) en art. 3:14 BW – ook aan de beginselen van behoorlijk bestuur.”
Uit de noot van De Jong in BR 1994, p. 861 bleek dat de vier grote steden hun algemene erfpachtvoorwaarden hadden aangepast aan het nieuwe BW: “De voorwaarden bevatten thans alle een aparte regeling omtrent de mogelijkheid tot het opleggen van een financiële voorwaarde bijv. bij wijziging van het gebruik of de bestemming van de grond en opstallen die een economische meerwaarde oplevert. Deze kan de vorm aannemen van een verhoging van de canon, maar ook – nu de canon geen essentiale meer is van het erfpachtsrecht – de betaling van een bedrag ineens.”
Zie bijvoorbeeld art. 12.1 AB 1986/1993/2008 ’s-Gravenhage: “Herziening van de grondwaarde en als gevolg daarvan de canon geschiedt uitsluitend naar aanleiding van een door de erfpachter voorgenomen en door burgemeester en wethouders krachtens artikel 16, 17 en 20 goedgekeurde wijziging van het gebruik van de grond en/of de opstallen die een economische meerwaarde van de grond oplevert.” Zo ook art. 7.1 AB 1989 Utrecht: “Naar aanleiding van een door de erfpachter voorgenomen en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurde wijziging van het gebruik van het perceel grond en/of een wijziging van de opstallen, is de gemeente gerechtigd van de erfpachter de betaling te vorderen van de uit die wijziging voortvloeiende economische meerwaarde van het erfpachtrecht.” In gelijke zin art. 20 lid 3 AB 2016 Amsterdam: “De gemeente kan de canon, of de betaalde afkoopsom als de canon eeuwigdurend is afgekocht, herzien als de waarde van het erfpachtrecht verandert als gevolg van de wijziging waarvoor de erfpachter op grond van deze Algemene Bepalingen vrijstelling of toestemming verzoekt.”
Een voorbeeld van een dakopbouw zaak vormde Rb. Amsterdam 5 december 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC7678 (erfpachters/Amsterdam).
Hof Amsterdam 9 juni 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:BX8554 (Amsterdam/erfpachters).
Rb. Amsterdam 24 december 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BH5471 (erfpachters/erfverpachter). Zie voor een vergelijkbaar geval Rb. Amsterdam 31 juli 2002, JBN 2004/59 (Amsterdam/erfpachter).
Rb. Amsterdam 24 december 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BH1381 (erfpachters/Amsterdam) en Rb. Amsterdam 21 oktober 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1000 (erfpachter/Amsterdam).
Wanneer bij een woning de uitbreiding binnen de bestaande bebouwing valt wordt in het lopende erfpachttijdvak geen canonverhoging in rekening gebracht. Bij het begin van een nieuw tijdvak wordt de uitgebreide bebouwing wel meegewogen. Vgl. Rb. Amsterdam 5 december 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC7678, r.o. 2.16 en ‘Erfpachtbeleid inzake bebouwingswijziging’ (B&W-besluit 29 juni 2010), Gemeenteblad Amsterdam 2010, 3B, 114. Aan de toestemming van de erfverpachter is de voorwaarde verbonden dat de erfpachter de ‘aanbieding’ van de gemeente aanvaardt. In die aanbieding is onder meer de canonverhoging opgenomen en deze geldt als titel voor de notariële akte waarmee de bebouwingswijziging wordt vastgelegd en ingeschreven.
Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10344 (erfpachter/De Fryske Marren).
Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10344, r.o. 4.25: “Het hof stelt vast dat op grond van artikel 9 van de erfpachtsvoorwaarden de erfpachter de opstal op zijn perceel naar haar uiterlijke gedaante niet mag wijzigen zonder voorafgaande toestemming van burgemeester en wethouders. Dat betekent dat burgemeester en wethouders bij het beoordelen van de vraag of een wijziging van de opstal kan worden toegestaan niet vrij zijn in het stellen van voorwaarden. Zij mogen uitsluitend voorwaarden stellen die betrekking hebben op de uiterlijke gedaante van de opstal. Ook aan artikel 8 van de erfpachtsvoorwaarden kan, anders dan door de Gemeente bij pleidooi is betoogd, de bevoegdheid tot het stellen van een financiële voorwaarde als de onderhavige niet worden ontleend. De vereiste toestemming van burgemeester en wethouders in deze bepaling ziet op ‘andere opstallen of getimmerten’ en niet op de vakantiewoning zelf, nog daargelaten of aan het oprichten van genoemde bouwwerken wel een financiële voorwaarde mag worden verbonden. Verder is gesteld, noch gebleken dat de erfpachtsovereenkomst zoals vervat in de notariële akte van 20 juli 1959 anderszins een grondslag biedt voor het stellen van een financiële voorwaarde. Door aan hun toestemming de voorwaarde tot verhoging van de canon te verbinden hebben burgemeester en wethouders misbruik van hun bevoegdheid gemaakt en daarmee onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [appellante]. Dit onrechtmatig handelen van de Gemeente kan haar ook worden toegerekend.” Nadruk toegevoegd.
Rb. Amsterdam 17 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8289 (Amsterdam/Wibautstraat) en Hof Amsterdam 6 november 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3243 (Amsterdam/Wibautstraat).
Rb. Amsterdam 17 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8289, r.o. 6.16 en 6.22.
Hof Amsterdam 6 november 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3243, r.o. 3.7.3 en 3.8.1-3.8.6.
Indien de erfpachter het gebruik of de bestemming van de onroerende zaak wijzigt door bijvoorbeeld zijn woning uit te breiden met een dakkapel of een woning met vergunning om te vormen tot kantoor, verandert daarmee dikwijls de waarde van het gebruik van de onroerende zaak. Zo heeft kantoorruimte doorgaans een hogere verhuurwaarde dan woonruimte. Op grond van art. 5:89 lid 2 BW is voor die wijziging toestemming van de erfverpachter vereist en deze bedingt bij die toestemming veelal dat de waarde van het recht opnieuw wordt vastgesteld en de canon aan die nieuwe waarde wordt aangepast. De gedachte hierachter is dat indien door toedoen van de erfpachter de waarde van het gebruiksrecht en daarmee de canongrondslag wijzigt, de erfverpachter recht heeft op een deel van de waardestijging die daarvan mogelijk het gevolg is. De canonherziening dient in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar te zijn en mag bovendien de bestaande afspraken niet doorkruisen. Indien de erfpachter bij wijziging van het gebruik blijft binnen de grenzen van zijn gebruiksrecht is canonherziening onredelijk. Een afweging die meespeelt is dat de erfpachter de bestemmingswijziging zelf in de hand heeft. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat de erfverpachter een financiële voorwaarde in de vorm van canonherziening aan zijn toestemming mag verbinden mits die voorwaarde van tevoren bekend is, niet in strijd is met andere erfpachtvoorwaarden en de verhoging redelijk is. Wat is redelijk?
Uit twee vroege en niet-gepubliceerde uitspraken kan worden afgeleid dat de voorwaarde canonherziening bij wijziging van de bestemming van de onroerende zaak in beginsel niet onredelijk is indien een gemeente als erfverpachter deze toestemming in de algemene erfpachtvoorwaarden heeft bedongen.1 Aan het verlenen van die toestemming mogen dan ook uit beleidsoverwegingen voorwaarden worden gesteld indien de gemeente dat nodig vindt. Bij de toetsing wordt sinds het arrest Amsterdam/Ikon aangehaakt bij het redelijkheidscriterium en/of de goede trouw.2 Dit arrest handelde over de weigering van de gemeente Amsterdam om op grond van de AB 1915 toestemming te verlenen voor het wijzigen van de bestemming van een pand van woning naar bedrijfsruimte.3 De gemeente beriep zich op haar beleid gericht op het versterken van de woonfunctie in de betreffende buurt en het tegengaan van de vestiging van kantoren en bedrijven. De erfpachter voerde een opsomming van gevallen aan waarin de toestemming wel was verleend en deed een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel:
“Een overheidslichaam behoort bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden uit een erfpachtsverhouding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve ook het gelijkheidsbeginsel als een van die beginselen – in acht te nemen.”4
Volgens A-G Franx toetste het hof het beroep van Ikon terecht aan de goede trouw en wel door middel van een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. Het maakt verschil of de erfverpachter een overheidsinstantie of een particulier is. Beide zijn weliswaar gebonden aan de privaatrechtelijke norm van de goede trouw of redelijkheid en billijkheid, maar bij overheden heeft deze norm een iets andere inhoud en dient de rechter marginaal in plaats van volledig te toetsen. De Hoge Raad casseerde op een technisch punt. Het is niet duidelijk of het hof met de vaststelling dat de gemeente voorheen ‘in gevallen als de onderhavige vergunning tot bestemmingswijziging placht te geven’ doelt op de toestemming tot woningonttrekking op grond van art. 56 Woningwet of op de toestemming tot bestemmingswijziging op grond van de erfpachtsverhouding.
Indien de erfverpachter toestemming voor bestemmingswijziging verleent is dat veelal onder de voorwaarde dat de erfpachtcanon zal worden herzien. De veronderstelling die daaraan ten grondslag ligt is dat het erfpachtrecht door de wijziging meer waard zal worden als gevolg waarvan de grondslag voor de canon zal wijzigen. De voorwaarde moet eerst en vooral blijken uit de geldende erfpachtvoorwaarden, de erfverpachter mag geen misbruik maken van zijn bevoegdheid de voorwaarde te stellen en daarnaast wordt de redelijkheidstoets van art. 5:91 lid 4 BW analoog toegepast bij de beoordeling of toestemming voor bestemmingswijziging is vereist.
In een vroege Amsterdamse zaak, een uitgifte onder toepassing van de AB 1915, toetste het hof het beleid van de gemeente om bij bestemmingswijziging canonverhoging als voorwaarde te stellen. De rechtbank had geoordeeld dat de erfverpachter op grond van het erfpachtcontract aan de vergunning tot bestemmingswijziging de voorwaarde canonverhoging mocht verbinden en het hof bevestigde dat oordeel:
“De toepasselijke Algemene Bepalingen, met name artikel 9, aanhef en onder a, sluiten immers geenszins de mogelijkheid uit, dat de vergunning afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de erfpachter een verhoging van de canon aanvaardt, waarin voor het deel van het betrokken onroerend goed waarvan de bestemming wordt gewijzigd rekening wordt gehouden met de hogere gebruikswaarde en tevens met de geldontwaarding en de gestegen grondprijzen.”5
De bepaling uit de algemene erfpachtvoorwaarden sloot niet uit dat er voorwaarden aan de vergunning konden worden verbonden, bijvoorbeeld de voorwaarde canonverhoging. De gemeente stelde dat de verhoging van de canon niet alleen was gebaseerd op de hogere gebruikswaarde van de onroerende zaak die door de erfpachter was bewerkstelligd, een pand met uitsluitend de bestemming winkel was meer waard dan een pand waarin naast een winkel ook een woning was gevestigd, maar ook op de geldontwaarding en de gestegen grondprijzen. De gemeente verbond de voorwaarde canonverhoging sinds het midden van de zestiger jaren aan de vergunning tot bestemmingswijziging ‘wegens de voortgaande geldontwaarding en de stijging van de grondprijzen’ en berekende deze canonverhoging volgens een bepaalde formule waarvan de factoren berustten op economisch-statistisch onderzoek.6 Het hof velde een inhoudelijk oordeel over het beleid en de canonberekening en achtte dit redelijk en in het algemeen belang:
“4.6. Het hof is van oordeel dat deze beleidswijziging en de sedertdien gehanteerde formule de toets der redelijkheid kunnen doorstaan en geen inbreuk maken op het gelijkheidsbeginsel, noch op het vertrouwensbeginsel. Het nieuwe beleid dient tevens het algemeen belang dat zich ertegen verzet om de erfpachter een afwijking van de bestemming ingevolge het erfpachtcontract toe te staan teneinde de gebruikswaarde van onroerend goed op erfpachtgrond te verhogen zonder dat de Gemeente daarvoor een passende compensatie ontvangt, waarin tevens de gevolgen van de geldontwaarding en de gestegen grondprijzen zijn verwerkt.
4.7. Het hof neemt hierbij in aanmerking enerzijds dat een herziening van de canon als voorwaarde voor een vergunning tot wijziging van de bestemming de erfpachter de vrijheid laat die voorwaarde niet te aanvaarden en zijn verzoek hem deze vergunning te verlenen in te trekken en anderzijds dat het aanvragen van een vergunning voor een bestemmingswijziging tot op zekere hoogte het erfpachtcontract openbreekt en partijen brengt in een onderhandelingspositie die vergelijkbaar is met die bij de uitgifte van gronden in erfpacht, waarin de Gemeente in beginsel vrij is de canon vast te stellen, uitgaande van de actuele grondprijzen.”7
De gevraagde wijziging van het recht, een andere bestemming van de onroerende zaak dan afgesproken bij vestiging, brak ‘tot op zekere hoogte’ het erfpachtcontract open en het gevolg daarvan was dat partijen als het ware opnieuw onderhandelden over vestiging. In die situatie stond het de gemeente vrij een canon vast te stellen op basis van de actuele grondprijzen. De erfpachter had deze onderhandelingssituatie zelf bewerkstelligd, het hoger beroep van de gemeente was daarom gegrond en het was redelijk dat de erfpachter gebonden raakte aan de canonverhoging aan de hand van de inflatie en de grondprijzen.8 De Jong merkte in een noot onder het arrest op dat in andere gevallen van stedelijke erfpacht meestal niets geregeld was over canonverhoging bij bestemmingswijziging, laat staan hoe die berekend diende te worden.9 In het algemeen kunnen op grond van art. 3:38 BW aan toestemming voorwaarden worden verbonden.10 Het is wel de vraag in hoeverre een verzoek om bestemmingswijziging partijen in een onderhandelingssituatie brengt die vergelijkbaar is met die bij uitgifte van gronden indien de erfverpachter zoals in dit geval de gemeente Amsterdam nauwkeurige regels heeft vastgesteld over de voorwaarden waaronder die toestemming zal worden verleend. Er valt dan niet veel te onderhandelen en de erfpachter heeft niet de keuze wel of niet met de uitgifte akkoord te gaan, hij bevindt zich juist in een gebonden situatie. Wel staat vast dat de bepalingen uit de algemene erfpachtvoorwaarden over canonherziening bij het einde van een tijdvak niet van toepassing zijn ‘vanwege het verschil in de feiten die de aanleiding vormen tot de canonherziening’. Het beleid diende in ieder geval te worden getoetst aan de redelijkheid en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.11 Canonverhoging als voorwaarde voor bestemmingswijziging was inmiddels staand beleid bij stedelijke erfpacht, aldus De Jong.12 Dit geldt nog steeds. Bij eeuwigdurende erfpacht zoals toegepast in Den Haag, Utrecht en Amsterdam kan de canon niet meer periodiek worden verhoogd, maar nog wel worden aangepast indien het gebruik of de bestemming van de onroerende zaak wijzigt indien als gevolg daarvan waardestijging optreedt.13
Wijziging van de bebouwing valt ook onder art. 5:89 lid 2 BW. In de zogenoemde Amsterdamse dakopbouwzaken over de uitbreiding van woningen werd primair getoetst aan de geldende erfpachtvoorwaarden en beoordeeld of de gemeente geen misbruik maakte van haar bevoegdheid voorwaarden aan toestemming te verbinden. Er was sprake van détournement de pouvoir indien de gemeente alleen bereid was de publiekrechtelijke bouwvergunning en de privaatrechtelijke toestemming voor de gebruikswijziging te verlenen indien de erfpachter akkoord ging met canonverhoging.14 Er moest sprake zijn van een aantoonbare waardestijging15 die hoger was dan de kosten van de verbouwing.16 Indien de erfpachter echter zonder noemenswaardige protesten meewerkte aan het tot stand komen van een nieuwe erfpachtovereenkomst, was er sprake van wilsovereenstemming ondanks dat de gemeente misbruik maakte van haar bevoegdheid en moest de canonverhoging betaald worden.17 De gestegen waarde van de onroerende zaak als gevolg van de inspanningen van de erfpachter diende dus ook aan de erfverpachter ten goede te komen via canonverhoging als voorwaarde voor toestemming. In 2005 heeft de gemeente Amsterdam haar beleid ten aanzien van woningverbetering en uitbreiding herzien waarna het aantal rechtszaken is afgenomen.18
Ook in Friesland deed zich een geval voor van een gemeente die als erfverpachter aan de privaatrechtelijke toestemming voor nieuwbouw op een in erfpacht uit te geven perceel de voorwaarde verbond dat de canon aanzienlijk zou worden verhoogd.19 Daarmee handelde de erfverpachter onrechtmatig jegens de erfpachter omdat voor deze canonverhoging geen grondslag in de erfpachtvoorwaarden bestond.20
Ook de bestemming van een bedrijfspand kan in de loop der tijd wijzigen.21 In een andere Amsterdamse zaak was toestemming voor bestemmingswijziging verleend zodat in het gebouw dat voorheen als garage en showroom was gebruikt voortaan ook horeca en andere activiteiten zouden kunnen plaatsvinden. Op grond van een objectieve uitleg van de algemene erfpachtvoorwaarden werd vastgesteld dat aan die bestemmingswijziging nadien geen canonverhoging kon worden verbonden nu die voorwaarde geen verband hield met de bestemmingswijziging. De bevoegdheid om al dan niet in te stemmen met een bestemmingswijziging heeft immers als doel te voorkomen dat de zaak een ongewenste bestemming zal krijgen, maar is niet bedoeld om ‘via een omweg’ de termijn waarvoor de erfpachtcanon vaststond te bekorten, aldus de rechtbank.22 Omdat de erfverpachter de toestemming voor bestemmingswijziging onvoorwaardelijk had verleend kon geen latere grondslag voor een eenzijdig opgelegde canonherziening worden vastgesteld.23