Oorspronkelijke taal: Frans.
HvJ EU, 04-06-2026, nr. C-41/25
ECLI:EU:C:2026:456
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-06-2026
- Zaaknummer
C-41/25
- Conclusie
R. Norkus
- Roepnaam
Orsay
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:456, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑06‑2026
Conclusie 04‑06‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) 2015/848 — Insolventieprocedures — Artikel 6, lid 1 — Internationale bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend — Vordering tot nietigverklaring — Vordering ingesteld tegen de belastingdienst van een andere lidstaat — Beginsel van de immuniteit van rechtsmacht van staten
R. Norkus
Partij(en)
Zaak C-41/25 1.
HX, als curator van Orsay GmbH,
tegen
Skarb Państwa, Naczelnik II Urzėdu Skarbowego Warszawa-Śródmieście
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inhoud
- I.
Inleiding
- II.
Toepasselijke bepalingen
- A.
Internationaal recht
- B.
Unierecht
- C.
Duits recht
- III.
Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
- IV.
Analyse
- A.
Materieel toepassingsgebied van verordening 2015/848
- 1.
Verhouding tussen verordening 2015/848 en verordening nr. 1215/2012
- 2.
Toepassing van verordening 2015/848 op een vordering tot nietigverklaring die betrekking heeft op betalingen die op grond van een belastingwet aan een belastingautoriteit zijn verricht
- 3.
Voorlopige conclusie
- B.
Gevolgen van het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht, ingeroepen tegen een vordering tot nietigverklaring, voor de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid van een lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend
- 1.
Overwegingen vooraf
- a)
Verhouding tussen het Unierecht en het internationaal recht
- b)
Kwalificatie van de handeling die ten grondslag ligt aan de betalingen waarop de vordering tot nietigverklaring betrekking heeft, als een overheidshandeling
- 2.
Bestaan van regelingen inzake de immuniteit van rechtsmacht binnen de rechtsorde van de Unie
- 3.
Toepassing van regelingen inzake de immuniteit van rechtsmacht binnen de rechtsorde van de Unie
- a)
Redenen ontleend aan verordening 2015/848
- b)
Redenen ontleend aan het primaire recht van de Unie
- 4.
Slotoverwegingen
- 5.
Voorgesteld antwoord
- V.
Conclusie
I. Inleiding
1.
‘Par in parem non habet imperium’, of ‘gelijken hebben geen gezag over elkaar’, is de uitdrukking van een beginsel van het internationaal gewoonterecht inzake de immuniteit van rechtsmacht. Kan dit beginsel worden ingeroepen om zich te verzetten tegen de toepassing van het Unierecht? Kan genoemd beginsel met name worden ingeroepen tegen de toepassing van het afgeleide recht van de Unie, zoals dit blijkt uit verordening (EU) 2015/8482. betreffende de internationale bevoegdheid in het kader van insolventieprocedures, en dit ook voor vorderingen die worden ingesteld tegen overheidsinstanties van een andere lidstaat dan die waar de insolventieprocedure is geopend? Zo kan de onderhavige zaak die aan het Hof is voorgelegd, worden samengevat.
2.
In deze zaak wordt het Hof dus verzocht nadere toelichting te geven over de verhouding tussen een beginsel van internationaal gewoonterecht betreffende de immuniteit van rechtsmacht en een instrument van het internationale privaatrecht van de Unie dat van toepassing is in grensoverschrijdende insolventieprocedures, alsmede, in het algemeen, zich te buigen over de reikwijdte van de bevoegdheden die de lidstaten aan de Unie hebben overgedragen, met name op het gebied van haar beleid ter verwezenlijking van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
3.
In het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt verwezen naar het Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van staten3.. Sommige belanghebbenden verwijzen eveneens naar het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen4., waarvan voor deze analyse de artikelen 5 tot en met 8 van belang zijn.5.
B. Unierecht
4.
Voor deze analyse zijn de volgende bepalingen van verordening 2015/848 relevant: de overwegingen 2 tot en met 5, 8, 35, 63 en 66, artikel 2, punt 12, artikel 3, leden 1 en 2, artikel 6, leden 1 en 2, artikel 7, lid 1 en lid 2, onder m), artikel 16, artikel 53, artikel 54, lid 1, en artikel 55, lid 1.
C. Duits recht
5.
§ 129 (‘Beginsel’) van de Insolvenzordnung (insolventiewet) bepaalt:
- ‘(1)
De ‘Insolvenzverwalter’ (curator) kan, overeenkomstig de §§ 130 tot en met 146, opkomen tegen rechtshandelingen die vóór de opening van de faillissementsprocedure zijn verricht en die nadelig zijn voor de schuldeisers.’
- (2)
Een nalatigheid wordt gelijkgesteld met een rechtshandeling.’
6.
§ 130 (‘Conforme dekking’) van de insolventiewet luidt:
- ‘(1)
Elke rechtshandeling waardoor een schuldeiser in een insolventieprocedure een zekerheid of een voldoening heeft verkregen, of waardoor dit mogelijk is gemaakt, is vatbaar voor beroep, indien deze handeling:
- 1.
is verricht in de drie maanden voorafgaand aan het verzoek tot opening van de insolventieprocedure, en de schuldenaar insolvent was en de schuldeiser op de hoogte was van de insolventie op het moment van genoemde handeling, of
- 2.
is verricht na het verzoek tot opening en de schuldeiser op het moment van diezelfde handeling op de hoogte was van de insolventie of van het verzoek tot opening.
[…]’
- (2)
Kennis van de insolventie of van het verzoek tot opening staat gelijk aan kennis van omstandigheden die noodzakelijkerwijs tot de conclusie leiden dat er sprake is van insolventie of van een verzoek tot opening.
- (3)
Een persoon die op het moment van de handeling nauw verbonden was met de schuldenaar (§ 138) wordt geacht kennis te hebben gehad van de insolventie of van het verzoek tot opening.’
III. Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
7.
Orsay GmbH, een vennootschap met zetel in Duitsland, heeft op 25 november 2021 bij het Amtsgericht Offenburg (rechter in eerste aanleg Offenburg, Duitsland) een verzoek ingediend om een insolventieprocedure te openen. Bij brief van 29 november 2021 heeft Orsay de Poolse belastingdienst van dit verzoek in kennis gesteld.
8.
Op 17 en 24 december 2021 heeft Orsay aan de Poolse belastingdienst bedragen overgemaakt van respectievelijk 2 773 179 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 590 000 EUR) en 3 557 487 PLN (ongeveer 768 000 EUR). Deze bedragen waren verschuldigd uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor de maanden oktober en november 2021 met betrekking tot goederen die vanuit derde landen in Polen waren ingevoerd.
9.
Op 26 januari 2022 heeft het Amtsgericht Offenburg de insolventieprocedure ten aanzien van Orsay geopend. Op 1 november 2022 heeft deze rechter het beheer van Orsay toevertrouwd aan HX als curator.
10.
HX heeft bij de Duitse rechter in eerste aanleg beroep ingesteld tegen de Poolse schatkist met het oog op de gedeeltelijke terugbetaling van de bedragen die na het verzoek tot opening van de insolventieprocedure aan btw waren betaald. Volgens HX hebben deze betalingen de insolvente boedel verminderd ten nadele van de andere schuldeisers van Orsay. De betaalde bedragen moeten derhalve worden terugbetaald en weer aan deze boedel worden toegevoegd.
11.
De rechters in eerste aanleg en in hoger beroep hebben echter, in het licht van de door de Poolse schatkist voor hen aangevoerde exceptie van de immuniteit van rechtsmacht, geoordeeld dat het beroep niet ontvankelijk was op grond dat de Duitse rechters niet bevoegd waren om erover te beslissen vanwege de immuniteit van rechtsmacht die de Poolse schatkist genoot. HX heeft beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
12.
Deze rechter stelt zich de vraag of hij bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring die tegen een Poolse belastingautoriteit is ingesteld. Hij herinnert met name aan het beginsel van het internationaal gewoonterecht volgens hetwelk een staat niet onderworpen is aan de bevoegdheid van een rechterlijke instantie van een andere staat, met name wanneer het gaat om acta jure imperii die onder de soevereiniteit van een andere staat vallen. De verwijzende rechter herinnert er verder aan dat, overeenkomstig zijn rechtspraak, afstand van de immuniteit van rechtsmacht kan worden gedaan door middel van een internationaal verdrag, een privaatrechtelijke overeenkomst of een uitdrukkelijke verklaring in het kader van een specifieke gerechtelijke procedure voor de rechter. Verordening 2015/848 heeft geen voorrang boven deze algemene regels van internationaal recht. Hij vraagt zich dan ook af of artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 voorziet in een impliciete afstand door de lidstaten van hun de immuniteit van rechtsmacht in het kader van insolventieprocedures en nauw daarmee samenhangende procedures, zoals de vordering tot nietigverklaring.
13.
In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 6, lid 1, van verordening [2015/848] aldus worden uitgelegd dat het, gezien de erkenning van buitenlandse insolventieprocedures, inhoudt dat de lidstaten […] afstand doen van het beginsel van [de immuniteit van rechtsmacht van de staat] met betrekking tot rechtsvorderingen waarbij de insolventiefunctionaris op grond van het toepasselijke insolventierecht aanvoert dat rechtshandelingen jegens een lidstaat nietig kunnen worden verklaard omdat zij voor de gezamenlijke schuldeisers nadelig zijn?’
14.
De verwijzingsbeslissing is op 23 januari 2025 ingekomen ter griffie van het Hof. De Oostenrijkse, de Italiaanse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 9 februari 2026 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt namens deze belanghebbenden, de Commissie alsook de Spaanse en de Franse regering.
IV. Analyse
15.
Met de ene vraag die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak aan het Hof heeft voorgelegd, wenst hij in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat het inhoudt dat de lidstaten impliciet afstand doen van het beginsel van hun immuniteit van rechtsmacht ten aanzien van vorderingen zoals de vordering tot nietigverklaring.
16.
In hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen verschillen de belanghebbenden en de Commissie van mening over het antwoord op de prejudiciële vraag.
17.
Alvorens de in de onderhavige zaak gestelde vraag te analyseren, wil ik erop wijzen dat het bijzondere karakter ervan ligt in de omstandigheden die verband houden met de grondslag van de vordering die de schuldenaar na de indiening van het verzoek tot opening van de insolventieprocedure heeft voldaan, namelijk de belastingvordering, en met de hoedanigheid van de schuldeiser, die de verweerder in het hoofdgeding is geworden, namelijk een belastingautoriteit van een andere lidstaat dan die waarin de insolventieprocedure is geopend.6.
18.
Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven zal ik eerst alle onduidelijkheden wegnemen met betrekking tot de toepassing van verordening 2015/848 op een vordering tot nietigverklaring die is ingesteld tegen een belastingautoriteit van een andere lidstaat dan die waarin de insolventieprocedure is geopend. Met name zal ik aantonen dat artikel 6, lid 1, van deze verordening wel degelijk op deze vordering van toepassing is. Vervolgens zal ik de gevolgen onderzoeken van de inroeping van het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht tegen een vordering tot nietigverklaring, voor de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend. Ik zal met name wijzen op de verhouding tussen het Unierecht en het internationaal recht en bevestigen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering tot nietigverklaring betrekking heeft op betalingen die zijn verricht krachtens een overheidshandeling. Zo zal ik niet alleen de redenen uiteenzetten waarom ik van mening ben dat het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht in de rechtsorde van de Unie kan worden ingepast, maar ook de redenen die mij ertoe brengen te concluderen dat een dergelijke inpassing in het kader van verordening 2015/848 bestaat.
A. Materieel toepassingsgebied van verordening 2015/848
19.
De Italiaanse regering stelt in wezen, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, dat een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder het toepassingsgebied van verordening 2015/848 valt, omdat deze botst tegen de in verordening (EU) nr. 1215/20127. vastgestelde grenzen, die van toepassing zijn op verordening 2015/848, daar verordening nr. 1215/2012 een algemene verordening is. Bovendien zijn de belastingautoriteiten slechts bij insolventieprocedures betrokken voor zover hun actieve rol als schuldeisers in aanmerking wordt genomen.
20.
In dit verband dient eerst de verhouding tussen verordening 2015/848 en verordening nr. 1215/2012 te worden onderzocht, en met name de vraag of de in verordening nr. 1215/2012 vastgestelde grenzen van het toepassingsgebied van toepassing zijn op verordening 2015/848, en pas daarna de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder het toepassingsgebied van deze laatste verordening valt.
1. Verhouding tussen verordening 2015/848 en verordening nr. 1215/2012
21.
Het spreekt voor zich dat, indien verordening 2015/848, met betrekking waartoe de verwijzende rechter ons om uitlegging verzoekt, niet van toepassing is op de vordering tot nietigverklaring die een curator in de lidstaat waar de procedure is geopend, heeft ingesteld tegen de belastingdienst van een andere lidstaat, niet hoeft te worden onderzocht of deze belastingdienst de immuniteit van rechtsmacht kan doen gelden tegen de uitoefening van de internationale bevoegdheid door de verwijzende rechter. Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, deel ik echter niet de bedenkingen van de Italiaanse regering tegen de niet-toepasselijkheid van verordening 2015/848 op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie.
22.
De kwestie van de verhouding tussen verordening 2015/848 en verordening nr. 1215/2012 lijkt mij uitdrukkelijk te worden geregeld door deze verordeningen en door de jurisprudentie ter zake. Ik herinner eraan dat verordening nr. 1215/2012 volgens artikel 1, lid 1, ervan wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken. Fiscale, administratiefrechtelijke en douanezaken worden door deze bepaling uit het toepassingsgebied van deze verordening uitgesloten, evenals de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii). Bovendien worden door artikel 1, lid 2, onder b), van genoemde verordening faillissementen, akkoorden en andere soortgelijke procedures uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied ervan uitgesloten. Deze procedures vallen daarentegen wel onder het toepassingsgebied van verordening 2015/848, zoals bepaald in artikel 1 (‘Toepassingsgebied’), lid 1, ervan.
23.
In dit verband zij eraan herinnerd dat deze uitsluiting, wat deze zaken betreft, reeds voortvloeide uit het Verdrag van Brussel8. en de latere verordeningen die daarop volgden, namelijk verordening (EG) nr. 44/20019. en verordening nr. 1215/2012, die momenteel van kracht is, en, wat insolventieprocedures betreft, uit verordening (EG) nr. 1346/200010., die is vervangen en ingetrokken door verordening 2015/848.
24.
Bovendien wordt in het toelichtende verslag van Virgós en Schmit11. benadrukt dat een insolventieprocedure, die een collectieve maatregel is, vereist dat de juridische situaties duidelijk worden bepaald, wat alleen kan worden bereikt door een rechtsinstrument dat door de verdragsluitende lidstaten wordt vastgesteld.12. Gelet op het specifieke en afwijkende karakter van de insolventieregels vergeleken met de gemeenschappelijke regels van het burgerlijke recht en het handelsrecht, is het volkomen gerechtvaardigd dat de regels inzake internationale bevoegdheid voor insolventieprocedures en die voor burgerlijke en handelszaken duidelijk worden afgebakend.
25.
Zo blijkt uit de rechtspraak van het Hof in wezen dat de rechtsinstrumenten inzake de vaststelling van de internationale bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken enerzijds en in insolventieprocedures anderzijds zodanig moeten worden uitgelegd dat elke overlapping tussen de rechtsregels in deze teksten en elke rechtsleemte worden vermeden.13. De vorderingen die krachtens de verordening betreffende de internationale bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken zijn uitgesloten, vallen onder het toepassingsgebied van de verordening betreffende de internationale bevoegdheid in insolventieprocedures. Omgekeerd vallen vorderingen die niet onder het toepassingsgebied van laatstgenoemde verordening vallen, onder het toepassingsgebied van de verordening betreffende burgerlijke en handelszaken14., mits deze van toepassing is15..
26.
Deze oplossing is gecodificeerd bij de herschikking door verordening 2015/848, die niet alleen de toepassingsgebieden van de regelgeving inzake insolventieprocedures enerzijds en burgerlijke en handelszaken anderzijds afbakent, maar voortaan ook expliciet bepaalt dat de uitlegging van verordening 2015/848 zo veel mogelijk de regelgevingslacunes tussen deze verordening en verordening nr. 1215/2012 moet opvullen.16. Logischerwijs zouden de beperkingen met betrekking tot de zaken die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012, zoals opgesomd in punt 22 van deze conclusie, dus niet mogen worden overgenomen in het kader van de toepassing van verordening 2015/848.
27.
Dit neemt echter niet weg dat, om de voorgaande conclusie te kunnen toepassen, moet worden geverifieerd of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie daadwerkelijk onder het materiële toepassingsgebied van verordening 2015/848 valt.
2. Toepassing van verordening 2015/848 op een vordering tot nietigverklaring die betrekking heeft op betalingen die aan een belastingautoriteit zijn verricht op grond van een belastingwet
28.
Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848, betreffende de bevoegdheid van de rechters van de staat waar de procedure is geopend, om kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring, zijn de twee relevante criteria om te concluderen dat deze vordering onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, de rechtsgrondslag van genoemde vordering en de intensiteit van het verband tussen een vordering in rechte en de insolventieprocedure, zodat deze rechters bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure en er nauw verband mee houdt.17.
29.
Met andere woorden, uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van deze verordening blijkt nergens dat, voor de vaststelling van het toepassingsgebied ervan, de contextuele omstandigheden zoals die van de zaak in het hoofdgeding, namelijk die welke verband houden met de grondslag van de voldane vordering (een belastingvordering) of de hoedanigheid van de schuldeiser (een belastingautoriteit, verweerster in het hoofdgeding), relevant zijn.18. Vast staat dat het hoofdgeding betrekking heeft op een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure, waarbij de vordering tot nietigverklaring overigens het enige voorbeeld is van een dergelijke vordering dat in artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 wordt genoemd. Bijgevolg valt deze vordering onder het toepassingsgebied van deze verordening.
30.
Deze conclusie lijkt mij te worden ondersteund door de context en de doelstellingen van verordening 2015/848.
31.
Zoals bekend omvatten de zogenoemde vorderingen ‘tot nietigverklaring’ een breed scala aan vorderingen die, op grond van de insolventie van de schuldenaar, tot doel hebben om de door en ten gunste van deze laatste uitgevoerde transacties en verrichtingen ongeldig te verklaren. Het is juist dat deze transacties en verrichtingen, van burgerlijke of commerciële aard, een belangrijke plaats in het leven van de schuldenaar innemen, waardoor zij zijn geldmiddelen beïnvloeden en mogelijk gevolgen hebben wanneer hij met insolventie wordt geconfronteerd. Niettemin zijn schuldenaren, voor zover zij burgerlijke en commerciële activiteiten uitoefenen, ook onderworpen aan een breder scala aan verplichtingen, met name van fiscale aard. Het lijkt dan ook heel goed denkbaar dat, naast de vorderingen die verband houden met transacties en verrichtingen op burgerlijk en commercieel gebied, ook vorderingen die hun grondslag vinden in andere verplichtingen, met name van fiscale aard, onder het toepassingsgebied van verordening 2015/848 vallen zodra zij het voorwerp uitmaken van een vordering tot nietigverklaring.
32.
In dit verband bepaalt artikel 2, punt 12, van verordening 2015/848, betreffende de definitie van ‘buitenlandse schuldeiser’, uitdrukkelijk dat dit begrip de belastingautoriteiten omvat van andere lidstaten dan die waar de insolventieprocedure is geopend. Het is waar dat deze definitie in deze verordening wordt gebruikt voor bepalingen die met name betrekking hebben op het recht om vorderingen in te dienen en dus op situaties die tegengesteld zijn aan die waarin de Poolse belastingdienst zich in de zaak in het hoofdgeding bevindt. Ik ben echter niet de mening toegedaan dat het een relevant criterium is om de toepassing van de bevoegdheidsregels inzake insolventieprocedures te differentiëren naargelang de hoedanigheid van de buitenlandse schuldeisers in de procedure voor een rechter, of naargelang het recht dat deze buitenlandse schuldeisers uitoefenen, namelijk het recht om vorderingen in te dienen of het recht op verweer wanneer hun wordt verzocht om de door de betrokken schuldenaar betaalde vorderingen terug te betalen.19.
33.
Bovendien komt het mij voor dat de doelstellingen van verordening 2015/848 zich ertegen verzetten dat de toepassing van artikel 6, lid 1, ervan wordt uitgesloten in het geval van een vordering tot nietigverklaring die is gericht tegen een belastingautoriteit met het oog op de terugvordering van btw-betalingen, in die zin dat deze toepassing zou afhangen van het criterium betreffende de hoedanigheid van de buitenlandse schuldeisers of het door hen uitgeoefende recht. Deze verordening heeft immers tot doel om ervoor te zorgen dat insolventieprocedures efficiënt kunnen worden uitgevoerd20., waarbij voorrang wordt gegeven aan de gezamenlijke schuldeisers21., en zij bevordert het beginsel van de gelijke behandeling van schuldeisers22.. Deze doelstellingen kunnen echter niet worden bereikt indien de toepasselijke rechtsregeling wordt bepaald op basis van het bovengenoemde criterium.
34.
Ten slotte pleiten de doelstellingen van voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid op het gebied van insolventie en dus van rechtszekerheid voor een uitlegging volgens welke verordening 2015/848 van toepassing is wanneer een vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op insolventie en is gericht tegen een verweerder die de status heeft van belastingautoriteit van een andere lidstaat dan die waar de insolventieprocedure is geopend. Een harmonisatie binnen de Unie van de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid voor vorderingen tot nietigverklaring op grond van insolventie draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen23., die zou kunnen worden belemmerd indien de toepassing van de in deze verordening vastgestelde rechtsregeling zou worden gedifferentieerd op basis van de aard van de belastingvordering en de hoedanigheid van de schuldeiser.
35.
Hieruit volgt dat, wanneer een vordering tot nietigverklaring die is ingesteld tegen een belastingautoriteit van een andere lidstaat dan die waar de procedure is geopend, zou worden uitgesloten uit het toepassingsgebied van verordening 2015/848, dit zou neerkomen op een ongerechtvaardigde beperking van de reikwijdte van deze verordening en in strijd zou zijn met de doelstellingen ervan.
3. Voorlopige conclusie
36.
In het licht van al het voorgaande ben ik van mening dat de in verordening nr. 1215/2012 vastgestelde beperkingen niet van toepassing zijn op de in verordening 2015/848 bedoelde insolventieprocedures, die onder regels vallen die afwijken van die welke gelden op het gebied van burgerlijke en handelszaken. Verder is artikel 6, lid 1, van deze laatste verordening van toepassing wanneer de vordering tot nietigverklaring is gericht tegen een betaling die is verricht aan een belastingautoriteit van een andere lidstaat dan die waar de insolventieprocedure is geopend.
37.
Gelet op de voorgaande conclusie zal ik hieronder de reikwijdte van de immuniteit van rechtsmacht in de rechtsorde van de Unie en de verhouding ervan tot artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 onderzoeken teneinde te bepalen of de immuniteit van rechtsmacht zich verzet tegen de uitoefening, door de verwijzende rechter, van de rechterlijke bevoegdheid waarin deze verordening voorziet.
B. Gevolgen van het tegen een vordering tot nietigverklaring ingeroepen beginsel van de immuniteit van rechtsmacht voor de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid van een lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend
38.
De beantwoording van de door de verwijzende rechter in de onderhavige zaak gestelde prejudiciële vraag brengt mij tot het onderzoek van de vraag of er binnen de rechtsorde van de Unie een regeling bestaat inzake het afstand doen van de immuniteit van rechtsmacht en de gevolgen hiervan. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met verschillende aspecten van het Unierecht, die zowel aan het primaire recht als aan verordening 2015/848 zijn ontleend. Ik wil echter beginnen met enkele voorafgaande overwegingen.
1. Overwegingen vooraf
39.
In dit kader dient eerst te worden herinnerd aan de wijze waarop het Unierecht het algemeen internationaal recht, in zijn gewoonterechtelijke vorm24., benadert, alsook aan de specifieke kenmerken van het Unierecht. Vervolgens dient nader te worden ingegaan op de kwalificatie van de handeling die ten grondslag ligt aan de betalingen die de curator via de vordering tot nietigverklaring wil terugvorderen.
a) Verhouding tussen het Unierecht en het internationaal recht
40.
Opgemerkt zij dat de Unie een subject van internationaal recht is en als zodanig houder is van internationale rechten en onderworpen is aan internationale verplichtingen. Zij is met name gehouden tot naleving van het algemeen internationaal recht, waarvan zij deel uitmaakt. Bovendien moet zij haar lidstaten garanderen dat de internationale regels worden nageleefd, zodat zij niet worden gedwongen de verplichtingen te schenden die voortvloeien uit de codificatie-instrumenten waaraan zij deelnemen.25.
41.
In dit verband bepaalt artikel 3, lid 5, VEU, dat thans de rechtspraak van het Hof codificeert26., dat de Unie in haar betrekkingen met de rest van de wereld bijdraagt tot de strikte eerbiediging en de ontwikkeling van het internationaal recht. Wanneer zij een handeling vaststelt, is zij dus gehouden het gehele internationale recht in acht te nemen, daaronder begrepen het internationale gewoonterecht dat de instellingen van de Unie bindt.27.
42.
Dit gezegd zijnde, is de Unie, die weliswaar de ‘genetica’ van internationale organisaties deelt door haar verdragsmatige oprichting, haar internationale rechtspersoonlijkheid, haar samenstelling uit staten, de omschrijving van haar bevoegdheden of haar internationaal optreden, een uniek subject van internationaal recht dat wordt gekenmerkt door een eigenheid waardoor het niet kan worden herleid tot een gewone internationale organisatie, zonder evenwel een staat te vormen.28.
43.
Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de oprichtingsverdragen van de Unie29. haar een nieuwe, autonome rechtsorde hebben gegeven, waarvan zij de naleving moet waarborgen30.. Deze autonomie van het Unierecht ten aanzien van zowel het recht van de lidstaten als het internationaal recht is gerechtvaardigd op grond van de essentiële kenmerken van de Unie en het Unierecht, welke kenmerken met name betrekking hebben op de constitutionele structuur van de Unie en de aard van dat recht. Het Unierecht wordt immers hierdoor gekenmerkt dat het zijn oorsprong vindt in een autonome rechtsbron, namelijk de Verdragen, dat het voorrang heeft boven het recht van de lidstaten en dat een hele reeks op de onderdanen van de lidstaten en op de lidstaten zelf toepasselijke bepalingen rechtstreekse werking heeft. Dergelijke kenmerken hebben geleid tot een gestructureerd netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling. 31.
44.
Deze autonomie, die bovenal kenmerkend is voor de verhouding tussen het Unierecht en het recht van de lidstaten32., heeft ook een belangrijke invloed op de opvatting over de rechtsbetrekkingen tussen de lidstaten binnen de Unie en, uiteindelijk, op de conclusie die moet worden getrokken wat betreft de gevolgen die de verhouding tussen het internationaal gewoonterecht en het Unierecht voor deze rechtsbetrekkingen heeft. De lidstaten van de Unie hebben immers verplichtingen vanuit zowel het oogpunt van de rechtsorde van de Unie als dit van het internationaal recht.
45.
In dit verband ben ik niet de eerste die erkent dat er een delicate verhouding bestaat tussen de verplichtingen van de Unie om enerzijds het internationaal recht na te leven en anderzijds haar autonomie te waarborgen, of dat het belangrijk is het evenwicht te handhaven tussen het behoud van de constitutionele identiteit van de Unie en de garantie dat het Unierecht niet tegen de internationale gemeenschap gekant raakt, maar er een actieve rol in speelt33.. Om ervoor te zorgen dat de verplichtingen en normen uit twee verschillende rechtsorden harmonieus naast elkaar kunnen bestaan, mogen noch het Unierecht, noch het internationaal recht, en met name het gewoonterecht, worden gebruikt om zich te onttrekken aan de verplichtingen krachtens de andere betrokken rechtsorde.
46.
Wat het internationaal gewoonterecht in het algemeen betreft, dit kan worden gedefinieerd als een ‘normatief proces dat leidt tot het ontstaan van een norm van internationaal recht, die aanvankelijk niet schriftelijk is vastgelegd. […] Het gewoonterecht is het resultaat van de combinatie van een daadwerkelijke praktijk en de erkenning door de staten van het juridische — en dus bindende — karakter van de gedragingen die een dergelijke praktijk vormen (opinio juris sive necessitatis)’34.. Het is dus een bijzondere creatie, aangezien het bestaan ervan niet afhankelijk is van de instemming van de adressaten.35. Afwijkingen van het internationale gewoonterecht zijn alleen mogelijk in het kader van de betrekkingen inter partes, aangezien dit gewoonterecht, dat universeel van toepassing is, altijd bindend is voor derden die de toepassing van een afzonderlijke regel van het internationale gewoonterecht niet hebben onderschreven. 36.
47.
Wat met name de immuniteit van rechtsmacht betreft, zoals vastgelegd in het internationaal gewoonterecht, moet eraan worden herinnerd dat zij staten beschermt tegen vervolging voor buitenlandse rechters. Deze immuniteit, die is gebaseerd op het beginsel ‘par in parem non habet imperium’, volgens hetwelk gelijken geen gezag hebben over elkaar, is door het Hof, in het licht van de internationale praktijk, geacht niet absoluut te gelden. Zij wordt immers erkend naargelang de aard van de verrichte handelingen. Met name kan zij worden uitgesloten indien de rechtsvordering betrekking heeft op handelingen die niet onder de openbare macht vallen, namelijk handelingen jure gestionis, terwijl zij doorgaans wordt erkend wanneer het geschil betrekking heeft op soevereine handelingen die jure imperii zijn verricht. Deze uitlegging van de reikwijdte van het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht vloeit voort uit vaste rechtspraak.37.
48.
Na deze precisering dient thans enige verduidelijking te worden verstrekt over de kwalificatie van de handeling die ten grondslag ligt aan de betalingen die de curator in het hoofdgeding tracht terug te vorderen, en over de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de behandeling van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde problematiek.
b) Kwalificatie van de handeling die ten grondslag ligt aan de betalingen waarop de vordering tot nietigverklaring betrekking heeft als een overheidshandeling
49.
Zoals reeds is opgemerkt, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de immuniteit van rechtsmacht slechts kan worden ingeroepen indien er sprake is van een overheidshandeling.
50.
In dit verband bestaat er geen twijfel over dat de vordering tot nietigverklaring en het in het kader hiervan uitgeoefende recht op teruggave onder de insolventieregels vallen. Evenmin bestaat er twijfel over dat de krachtens de btw verschuldigde bedragen die aan de belastingdienst zijn betaald en die door de curator worden teruggevorderd, hun grondslag vinden in een belastingwet van een andere lidstaat van de Unie dan die waar de insolventieprocedure is geopend. Het is echter duidelijk dat de bevoegdheid om btw op te leggen en te innen bij uitstek tot de regale bevoegdheden van een staat behoort. Dergelijke bevoegdheden komen toe aan de overheid met het oog op de organisatie van haar belastinginkomsten, waarvan meer in het algemeen de overheidsfinanciën afhankelijk zijn. Zo komen de twee rechtsbetrekkingen in het onderhavige geval samen, in die zin dat met de vordering tot nietigverklaring wordt getracht de betalingen terug te vorderen die zijn geïnd op grond van een overheidshandeling.
51.
De verwijzende rechter vestigt de aandacht van het Hof, ook al zou het zich hier niet bij aansluiten, op het standpunt van een deel van de Duitse rechtsleer dat suggereert dat, wanneer het gaat om een vordering tot nietigverklaring die is ingesteld tegen een betaling die op grond van het belastingrecht is verricht, zou kunnen worden geoordeeld dat er geen sprake is van een overheidshandeling. In wezen zou het recht op terugbetaling dat in het kader van de vordering tot nietigverklaring wordt uitgeoefend, niet voortvloeien uit de vroegere rechtsverhouding tussen de insolvente schuldenaar en de verweerder in de vordering tot nietigverklaring.
52.
Ik ben echter van mening dat een dergelijke conclusie niet standhoudt in het licht van de criteria die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof, zoals vermeld in punt 47 van deze conclusie. Het doorslaggevende criterium voor de kwalificatie van de handeling is immers de oorsprong van het vorderingsrecht van de eiser. Met name moet worden bepaald of dit vorderingsrecht zijn oorsprong vindt in een overheidshandeling. De aard van de door de eiser ingestelde vordering is daarentegen niet van belang voor deze kwalificatie. Zo werd een vordering tot het verkrijgen van een geldelijke vergoeding voor de aan de verzoekers toegebrachte materiële en immateriële schade — een civielrechtelijke vordering bij uitstek — geacht buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Brussel te vallen, juist omdat zij tegen een overheidshandeling was gericht.38.
53.
Ik ben van mening dat deze rechtspraak perfect toepasbaar is op de situatie in het hoofdgeding. Het is immers niet de aard van het recht dat in het kader van een procedure wordt uitgeoefend, noch die van een vordering die voor de nationale rechterlijke instanties wordt ingesteld, maar wel de aard van de handeling waarvan de herroeping wordt geëist, waarop men zich moet baseren om te bepalen of een handeling als jure imperii of jure gestionis moet worden aangemerkt.39.
54.
In dit verband moet worden benadrukt dat het bestaan van de belastingschuld en, meer in het algemeen, de bevoegdheid van de staat om het bedrag van deze schuld vast te stellen, niet worden beïnvloed door een vordering zoals die in het hoofdgeding. De rechterlijke instanties van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, hoeven immers de rechtmatigheid van de belasting niet te beoordelen, aangezien deze rechtmatigheid in het kader van een vordering tot nietigverklaring irrelevant is. De uitoefening van deze bevoegdheid hangt echter af van het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, dat dus bepaalt op welk ogenblik deze uitoefening effect kan sorteren. Alleen in die zin zou de belastingdienst van een andere lidstaat kunnen worden veroordeeld tot terugbetaling van bedragen die zijn geïnd bij de uitoefening van haar openbaar gezag.
55.
Het zou dan ook op zijn minst kunstmatig zijn om zich te concentreren op de aard van het recht dat in het kader van de vordering tot nietigverklaring wordt uitgeoefend of op de aard van deze vordering zelf teneinde de werkelijke aard van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt beoogd, in casu de inning van de btw, te neutraliseren. Het innemen van een ander standpunt zou ook zeer twijfelachtige gevolgen hebben voor de reikwijdte van het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht in de rechtsorde van de Unie.
56.
De kans zou bestaan dat het onderscheid zelf tussen handelingen jure imperii en jure gestionis zinloos wordt, doordat wordt uitgegaan van de aard van het uitgeoefende recht of van de vordering die tegen dergelijke handelingen wordt ingesteld. Met name zou, wanneer op volstrekt ongekende wijze binnen het kader van insolventieprocedures wordt afgeweken van de gevestigde praktijk met betrekking tot de kwalificatie van deze handelingen, vanuit juridisch oogpunt juist de staat zelf die zich op de immuniteit van rechtsmacht beroept, in de schaduw worden gesteld.40. Verder zou een dergelijke conclusie tot rechtsonzekerheid leiden, aangezien de kwalificatie van handelingen als jure imperii of jure gestionis zou kunnen variëren naargelang de betrokken materie.41.
57.
Weliswaar moet worden vastgesteld dat, indien in de onderhavige zaak de praktijk zou worden gevolgd waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen handelingen jure imperii en handelingen jure gestionis, de analyse zou moeten leiden tot de conclusie dat de immuniteit van rechtsmacht zich verzet tegen de uitoefening, door de verwijzende rechter, van de in verordening 2015/848 vastgestelde rechterlijke bevoegdheid, aangezien de betalingen die de curator ten gunste van de insolvente boedel wil herroepen, zijn verricht op grond van een handeling jure imperii die is vastgesteld door een andere lidstaat dan die waar de procedure is geopend. Ik ben niettemin van mening dat, om de redenen die ik hieronder zal uiteenzetten, de situatie in het hoofdgeding kennelijk complexer is, zodat de kwalificatie van een handeling als jure imperii er niet automatisch toe mag leiden dat de uitoefening van de internationale bevoegdheid door de verwijzende rechter wordt uitgesloten.
58.
In de onderstaande analyse zal ik eerst nagaan of er binnen de rechtsorde van de Unie regelingen bestaan inzake de immuniteit van rechtsmacht, en vervolgens of deze regelingen in voorkomend geval van toepassing zijn op de situatie in het hoofdgeding.
2. Bestaan van regelingen inzake de immuniteit van rechtsmacht binnen de rechtsorde van de Unie
59.
Het staat vast dat er in het internationaal gewoonterecht drie vormen van uitdrukkelijke afstand van immuniteit bestaan, die kunnen voortvloeien uit een internationale overeenkomst, een schriftelijke overeenkomst, een verklaring voor de rechter of een mededeling in het kader van een bepaalde procedure. Eveneens staat vast dat, nog steeds in het kader van het internationaal gewoonterecht, een dergelijke afstand impliciet kan zijn indien hij kan worden afgeleid uit een internationale overeenkomst of een verdrag.
60.
Volgens de regeringen van de lidstaten, zoals zij ter terechtzitting hebben aangegeven, kan in de rechtsorde van de Unie alleen een uitdrukkelijke afstand van de immuniteit van rechtsmacht, uitgedrukt door de lidstaten zelf, geldig zijn. Een dergelijke afstand kan dus niet vervat zijn in een handeling van afgeleid recht, noch kan hij impliciet zijn. De Unie, die rechtspersoonlijkheid bezit, heeft niet de algemene bevoegdheid om in hun plaats afstand van deze immuniteit te doen.
61.
In dit verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat de Unie een creatie is van haar lidstaten. Zij vindt haar oorsprong in hun wil, zoals uitgedrukt in de door henzelf vastgestelde bindende verdragen, namelijk thans het VEU en het VWEU, waarin de door de Unie nagestreefde doelstellingen, de werkwijze van haar instellingen, de besluitvormingsprocessen en de betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten zijn vastgelegd.42. Op basis van deze wil van de lidstaten heeft de Unie overigens geleidelijk bevoegdheden verworven die de lidstaten aan haar hebben overgedragen, en heeft zij een rechtspersoonlijkheid gekregen die losstaat van die van haar leden.
62.
Zo hebben de lidstaten, nog steeds op basis van hun wil, ermee ingestemd om hun soevereine rechten te beperken ten gunste van de rechtsorde van de Unie, en dit op steeds bredere terreinen.43. Deze beperking van de soevereine rechten vloeit rechtstreeks voort uit de overdracht van bevoegdheden op de in de Verdragen genoemde gebieden, vanuit de interne rechtsorde van de lidstaten naar de rechtsorde van de Unie. Zo de beperking door de lidstaten van hun rechten, die zij niet teniet kunnen doen door een latere eenzijdige handeling die onverenigbaar is met het recht van Unie, definitief is, zij is evenwel vastgelegd in de Verdragen.
63.
Het is duidelijk dat de beperking van de soevereine rechten van de lidstaten ten gunste van de rechtsorde van de Unie, via de overdracht van bevoegdheden, noch deze Unie tot een staat maakt, noch de lidstaten op absolute wijze van hun soevereiniteit berooft. Deze staten worden geïntegreerd, in die zin dat zij zich hebben verbonden ‘in een proces van gezamenlijke uitoefening van soevereiniteit, ook op gebieden die tot de wezenlijke kenmerken hiervan behoren’44..
64.
Niettemin blijven de lidstaten ‘meesters van de Verdragen‘, aangezien zij als enigen bevoegd zijn om deze laatste te herzien45., en zijn zij meer in het algemeen soeverein in de klassieke zin, aangezien zij de bevoegdheid hebben om te beslissen over het lidmaatschap zelf van de Unie46.. Evenzo behouden de lidstaten hun soevereiniteit met name wat betreft ‘hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur […] [en] de essentiële staatsfuncties’47..
65.
Ongetwijfeld vormt de immuniteit van rechtsmacht in dit verband weliswaar een belangrijk aspect van de staatssoevereiniteit, zowel vanuit intern48. als vanuit extern oogpunt49., maar zij bevindt zich tussen deze beperking van de soevereine rechten door de overdracht van bepaalde bevoegdheden aan de Unie, en deze soevereiniteit die ‘blijft bestaan voor de lidstaat van de Unie’50.. Logischerwijs kan toetreding tot de Unie worden opgevat als de aanvaarding door de lidstaten van de beperking van hun interne soevereiniteit, of, met andere woorden, van de vrijheid van interne organisatie van de lidstaat, die voortaan afhankelijk is van een collectieve beslissing op de door de Verdragen bepaalde gebieden.
66.
Met name betekent het feit dat de Unie normatieve bevoegdheden in de plaats van haar lidstaten uitoefent, dat de bepalingen van de Verdragen haar op diverse domeinen van het beleid van de Unie machtigen om op te treden teneinde op basis van deze bevoegdheden materiële regels vast te stellen. Met andere woorden, opdat deze bepalingen inzake de bevoegdheden van de Unie effect sorteren, is de Unie bevoegd om handelingen van afgeleid recht vast te stellen.
67.
Stellig ontneemt de vaststelling van handelingen van afgeleid recht de lidstaten niet alle beslissingsbevoegdheid, noch doet zij deze lidstaten achter de Unie verdwijnen, in die zin dat deze vaststelling niet plaatsvindt zonder hun deelname. De ‘triangulaire’ institutionele structuur van de Unie51. en de procedures voor de vaststelling van handelingen van afgeleid recht zijn immers zodanig opgezet dat de juridische vaststelling van deze handelingen onmogelijk is zonder de institutionele deelname van de lidstaten. Deze deelname wordt met name gewaarborgd binnen de Raad.
68.
Zo het dus juist is dat de lidstaten inderdaad hun bevoegdheden aan de Unie hebben overgedragen opdat deze laatste handelingen van afgeleid recht zou vaststellen, zou het derhalve juridisch onjuist zijn te concluderen, zoals de regeringen van de lidstaten voor het Hof lijken te suggereren, dat de Unie bij de vaststelling van dergelijke handelingen volledig onafhankelijk van haar lidstaten, als een afzonderlijke rechtspersoon, handelt, en aldus uit te sluiten dat een afstand van de immuniteit van rechtsmacht niet alleen in de rechtsorde van de Unie kan bestaan, maar ook uit een handeling van afgeleid recht kan voortvloeien. Ik ben met name van mening dat het feit dat in een dergelijke afstand kan worden voorzien door een handeling van afgeleid recht, op zich geen belemmering vormt voor het rechtsgeldig bestaan ervan, aangezien de Unie handelt binnen de grenzen van de wil van haar lidstaten en volgens de besluitvormingsstructuur die met name aan deze staten een medebeslissingsbevoegdheid waarborgt.
69.
In de tweede plaats rijst dan de vraag of een impliciete afstand mogelijk is die uit een handeling van afgeleid recht zou kunnen worden afgeleid. In dit verband kan het vereiste van een uitsluitend uitdrukkelijke afwijking van de immuniteit van rechtsmacht ongeschikt blijken voor het Unierecht, dat bestaat uit een zeer omvangrijk geheel van regels dat niet kan worden gereduceerd tot één enkele bijzondere regeling met een beperkte materiële reikwijdte, namelijk een aantal internationale verdragen en een uitgebreid corpus van regels van afgeleid recht. Het zou dus wel eens onmogelijk kunnen blijken om categorisch te stellen dat een afwijking van het internationale gewoonterecht uitdrukkelijk moet zijn.52. Bovendien moet worden opgemerkt dat, gezien dit impliciete karakter, de wil om afstand te doen niet noodzakelijkerwijs rechtstreeks betrekking hoeft te hebben op de immuniteit zelf, maar ook kan blijken uit de bewoordingen of de logica van een rechtshandeling. Een dergelijke wil kan immers uit deze handeling of de logica ervan worden afgeleid, indien de toepassing ervan alleen effect heeft op voorwaarde dat er sprake is van afstand.
70.
Overeenkomstig de standpunten van de regeringen van de lidstaten staat het overigens vast dat de voorwaarde dat de afstand noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk moet zijn, evenmin in het internationaal recht geldt, aangezien stilzwijgende afstand van de immuniteit van rechtsmacht juridisch bestaat. In een situatie waarin de Unie optreedt binnen de grenzen van de in de Verdragen vastgestelde bevoegdheid, zie ik, anders dan de regeringen van de lidstaten, geen redenen om uit te sluiten dat, net als bij een internationale overeenkomst tussen twee of meer staten in het internationaal recht, er een stilzwijgende afstand kan bestaan in de rechtsorde van de Unie.
71.
Het argument dat is ontleend aan de rechtspersoonlijkheid van de Unie, die losstaat van die van haar leden, waarop de regeringen van de lidstaten zich ter terechtzitting hebben gebaseerd, laat die conclusie volgens mij onverlet. Deze rechtspersoonlijkheid komt tot uiting in de doelstellingen die zijn opgedragen aan de Unie, waarvan de bevoegdheden zijn geregeld bij de Verdragen. Zij stelt de Unie met name in staat om zowel op intern vlak (door het recht om overeenkomsten te sluiten, goederen te verwerven en te verkopen, en in rechte op te treden) als op internationaal vlak (met name door de bevoegdheid om internationale overeenkomsten te sluiten) op te treden. De toekenning van rechtspersoonlijkheid was dus gebaseerd op het idee om de Unie in staat te stellen op het internationale toneel ‘met één stem’ te spreken en een coherent en doeltreffend extern optreden te ontwikkelen53., maar sluit niet uit dat de bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de wil van de lidstaten, zodat deze lidstaten niet volledig verdwijnen achter de Unie, die rechtspersoonlijkheid heeft.
72.
Daarbij zij aangetekend dat in de rechtsorde van de Unie, die wordt gekenmerkt door de als ‘heringericht’54. te omschrijven soevereiniteit van haar lidstaten, de beperking van de soevereine rechten als gevolg van de toetreding tot de Unie, die tot uiting komt in die bevoegdheidsuitoefening, niet automatisch leidt tot het afstand doen van de immuniteit van rechtsmacht in het kader van de gehele rechtsorde van de Unie. Het op absolute wijze toepassen van een dergelijke conclusie op alle onder het Unierecht vallende gebieden, doordat de lidstaten de mogelijkheid zou worden ontnomen om zich te verzetten tegen berechting door de rechters van een andere lidstaat, mist immers elke rechtsgrondslag in de Verdragen en blijkt op zijn minst onevenredig.
73.
Met andere woorden, uit de beperking van de soevereine rechten van de lidstaten ten gunste van de rechtsorde van de Unie kan geen algemene afstand van de immuniteit van rechtsmacht van deze lidstaten worden afgeleid in die zin dat deze beperking van toepassing zou zijn op alle door de Verdragen bepaalde gebieden wat betreft de organisatie van bepaalde interne beleidsdomeinen van deze staten.
74.
Teneinde echter de door de Unie nagestreefde doelstellingen55. en haar autonomie te waarborgen alsmede haar gestructureerd netwerk van onderling afhankelijke rechtsbeginselen, regels en rechtsbetrekkingen te eerbiedigen die de Unie zelf en haar lidstaten alsook de lidstaten onderling56. wederzijds verbinden, mag worden geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht, voor zover dit laatste het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht betreft, binnen de rechtsorde van de Unie is ingepast. Met name kan niet worden uitgesloten dat het Unierecht in een specifieke afstand van de immuniteit van rechtsmacht kan voorzien en dat deze afstand niet alleen expliciet, maar ook, zoals door de in het internationaal recht toepasselijke modaliteiten inzake afstand is bepaald, impliciet kan zijn. Een dergelijke conclusie dringt zich des te meer op gezien de noodzaak om ervoor te zorgen dat de verplichtingen en normen uit twee verschillende rechtsorden harmonieus naast elkaar kunnen bestaan, zoals beschreven in punt 45 van deze conclusie.
3. Toepassing van regelingen inzake de immuniteit van rechtsmacht binnen de rechtsorde van de Unie
75.
Ik ben van mening dat zowel aan verordening 2015/848 als aan het primaire recht van de Unie redenen kunnen worden ontleend om aan te nemen dat uit deze verordening een specifieke en impliciete afstand van de immuniteit van rechtsmacht kan worden afgeleid, hetgeen hieronder nader zal worden onderzocht.
a) Redenen ontleend aan verordening 2015/848
76.
Vooraf moet worden opgemerkt dat noch artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van deze verordening, noch de genoemde verordening in haar geheel bezien een verwijzing bevat naar de uitdrukkelijke afstand van het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht door de lidstaten van de Unie wanneer een vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld tegen een belastingautoriteit van een andere lidstaat dan de staat waar de procedure is geopend. Ik ben evenwel van mening dat verschillende redenen die ten grondslag liggen aan de context en de doelstellingen van die verordening doen vermoeden dat deze afstand impliciet daaruit kan worden afgeleid.
77.
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de vereisten inzake de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid er volgens verordening 2015/848 in wezen hierin bestaan dat de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen, bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen57. en kennis te nemen van alle vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden, zoals vorderingen tot nietigverklaring58.. De insolventieprocedure en de gevolgen daarvan vallen onder het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend.59. Dit recht bepaalt de regels inzake de vorderingen die kunnen worden verhaald op de insolvente boedel van de schuldenaar en wat de gevolgen zijn ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan na de opening van de insolventieprocedure.60. Bovendien kan iedere schuldeiser zijn vordering indienen in de hoofdinsolventieprocedure en in elke secundaire insolventieprocedure61., met inbegrip van de belastingautoriteiten van de lidstaten62.. Deze verordening beoogt de gelijke behandeling van alle schuldeisers te garanderen.63.
78.
Indien het een belastingdienst, die overigens uitdrukkelijk wordt genoemd onder de buitenlandse schuldeisers in de zin van artikel 2, punt 12, van verordening 2015/848, zou worden toegestaan om zich in het kader van een geschil zoals dit in het hoofdgeding op zijn immuniteit van rechtsmacht te beroepen, zou dit juist tot gevolg hebben dat er ongelijkheid tussen de schuldeisers ontstaat, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van verordening 2015/848. De Poolse belastingdienst zou immers vóór de gezamenlijke schuldeisers het volledige bedrag van de vordering ontvangen, terwijl alle andere schuldeisers slechts recht zouden hebben op een betaling die evenredig is aan hun vordering en bovendien afhankelijk is van hun rangorde. Daarnaast is het duidelijk dat de nationale belastingautoriteiten, anders dan voor de Poolse belastingautoriteit het geval zou zijn, zich voor hun eigen nationale rechters niet op hun immuniteit zouden kunnen beroepen.64.
79.
Meer in het algemeen zou een dergelijke benadering afbreuk doen aan de uniforme en coherente toepassing van de bevoegdheidsregels van verordening 2015/848, aangezien de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid op grond van deze verordening zou variëren naargelang de hoedanigheid van de verweerder en de betrokken staat waar de procedure is geopend, terwijl niets in genoemde verordening een dergelijk verschil in behandeling op grond van deze hoedanigheid rechtvaardigt.65.
80.
In de tweede plaats blijkt uit verordening 2015/848 dat de vaststelling ervan noodzakelijk werd geacht om een efficiënte en doeltreffende werking van insolventieprocedures te verwezenlijken66. en om deze procedures, die grensoverschrijdende gevolgen hebben, te verbeteren en te versnellen67.. Gezien de grensoverschrijdende gevolgen van de activiteiten van ondernemingen, en dus ook van de daarmee samenhangende insolventieprocedures, benadrukt deze verordening immers dat het absoluut noodzakelijk is dat de met betrekking tot het vermogen van een insolvente schuldenaar te nemen maatregelen worden gecoördineerd. Met name werd het noodzakelijk geacht dat de bepalingen inzake de bevoegdheid, de erkenning en het toepasselijke recht op dit gebied werden opgenomen in een rechtshandeling van de Unie die bindend en rechtstreeks toepasselijk is in alle lidstaten.
81.
In dit verband is het duidelijk dat, indien een autoriteit van een andere lidstaat dan de staat waar de procedure is geopend, zich op haar de immuniteit van rechtsmacht zou kunnen beroepen, deze doeltreffendheid in gevaar zou kunnen komen. Dit verzet tegen de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid in het kader van verordening 2015/848 zou er immers toe leiden dat betalingen aan een buitenlandse schuldeiser, in dit geval een belastingdienst van een andere lidstaat, niet aan de insolvente boedel zouden worden gerestitueerd, hetgeen deze laatste zou benadelen.
82.
Overigens voorziet verordening 2015/848 in enkele afwijkingen van de daarin vastgestelde regels. Deze afwijkingen zijn echter van uitzonderlijke aard.68. Met name komt het mij voor dat uit deze verordening in haar geheel beschouwd de kennelijke wil van de Uniewetgever naar voren komt om elke belemmering van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in het kader van insolventieprocedures te vermijden, en dat zij de veronderstelling toelaat dat handelingen jure imperii geen invloed hebben op de uitoefening van de bevoegdheid in de zin van verordening 2015/848.
83.
Bovendien lijkt deze conclusie met betrekking tot het ontbreken van gevolgen van handelingen jure imperii voor deze uitoefening volgens mij te kunnen worden bevestigd gelet op andere rechtsinstrumenten betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, waarin de Uniewetgever ervoor heeft gezorgd dat vorderingen tegen een staat met het oog op de vaststelling van zijn aansprakelijkheid wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag, uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van deze instrumenten zijn uitgesloten.69. Ik ben dan ook van mening dat het ontbreken van een dergelijke uitdrukkelijke uitsluiting in verordening 2015/848 wijst op de wil om elk effect dat verbonden is aan handelingen van openbaar gezag buiten beschouwing te laten in het kader van de in deze verordening vastgestelde regels.
84.
Wat meer in het algemeen de zekerheid en de voorspelbaarheid van het Unierecht betreft, vraag ik mij af wat de logica is achter verordening 2015/848, als een handeling van afgeleid recht die tot doel heeft om de in artikel 81 VWEU vastgestelde doelstellingen ten uitvoer te leggen. Wat zou er met name overblijven van de beginselen die de conflicten inzake internationale bevoegdheid in insolventieprocedures regelen, indien het de lidstaten zou zijn toegestaan deze terzijde te schuiven, terwijl die verordening voor hen in al haar onderdelen bindend is, en zij in geen enkele afwijking van haar regels voorziet op grond van de publieke en buitenlandse hoedanigheid van de schuldeiser, waardoor deze zich op de immuniteit van rechtsmacht zou kunnen beroepen?
85.
In de derde en laatste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof het exclusieve karakter heeft bevestigd van de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden, zoals vorderingen tot nietigverklaring. 70.
86.
In dit verband stel ik mij vragen bij de eerbiediging van de effectieve rechterlijke bescherming. Indien de verwijzende rechter met name zijn bevoegdheid niet zou kunnen uitoefenen om kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring die is ingesteld tegen een belastingdienst van een andere lidstaat, zou de curator het risico lopen geen recht te hebben op toegang tot de rechter, dat een van de elementen vormt van het recht op effectieve rechterlijke bescherming zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’). Een vordering voor de Poolse rechters zou immers niet-ontvankelijk zijn wegens de exclusieve bevoegdheid. Het openen van een secundaire insolventieprocedure in een andere lidstaat dan de staat waar de hoofdprocedure is geopend, vormt echter een uitzondering en is verbonden aan de voorwaarde dat de schuldenaar in deze andere lidstaat71. een vestiging72. bezit.
87.
Naar mijn mening mag de mogelijkheid om zich op de immuniteit van rechtsmacht te beroepen in geen geval afhangen van het feit of er al dan niet een mogelijkheid bestaat om een secundaire procedure te openen. Bovendien zou, zelfs indien in de zaak in het hoofdgeding de mogelijkheid zou bestaan om een dergelijke procedure te openen, de opening van deze procedure met als enig doel een vordering tot nietigverklaring in te stellen, in strijd zijn met het doel ervan, dat in wezen erop is gericht is bij te dragen tot het efficiënte beheer van de insolvente boedel van de schuldenaar of tot de efficiënte afwikkeling van de volledige boedel73.. Bij afwezigheid van een vestiging zou de curator dus elk recht op een doeltreffende voorziening in rechte worden ontnomen. Een dergelijk gevolg kan echter niet worden gerechtvaardigd door de aard van de handeling van openbaar gezag waarop de betalingen zijn gebaseerd die deze curator terugvordert.
88.
In dit verband hebben sommige regeringen van de lidstaten zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om zich op de immuniteit van rechtsmacht te beroepen niet afhankelijk is van de vraag of het mogelijk is om een secundaire procedure of een ander rechtsmiddel in te stellen tegen handelingen van de belastingdienst van een andere lidstaat dan de staat waar de procedure is geopend. Anderen voeren aan dat er in het onderhavige geval geen sprake is van ontzegging van het recht op toegang tot de rechter, aangezien er weliswaar een bevoegde rechter zal worden aangewezen, maar hij de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.
89.
Deze argumenten van de regeringen van de lidstaten, die met name ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, overtuigen mij niet.
90.
In zaken waarin de immuniteit van rechtsmacht werd ingeroepen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verwijzende rechter zich ervan moeten vergewissen dat, indien hij de exceptie van de immuniteit van rechtsmacht toewijst, dit geen aantasting vormt van het recht van de justitiabelen op toegang tot de rechter, dat een van de elementen vormt van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op effectieve rechterlijke bescherming.74. De veronderstelling dat de toegang tot de rechter gewaarborgd zou zijn, terwijl het inroepen van de immuniteit van rechtsmacht de uitoefening van internationale rechterlijke bevoegdheid in de weg zou staan, roept bij mij met name vragen op over de reikwijdte van dit recht op effectieve rechterlijke bescherming, en met name over de vraag of genoemd recht door een dergelijke veronderstelling niet teniet zou worden gedaan. Naar mijn mening zou het volgen van het standpunt van de regeringen van de lidstaten het risico met zich meebrengen dat er een situatie ontstaat waarin de curator feitelijk geen recht op toegang tot de rechter heeft, zonder dat hij over een voorzienbaar alternatief beschikt om de vordering tot nietigverklaring tegen de Poolse belastingdienst in te stellen.
91.
Alle overwegingen die aan verordening 2015/848 zijn ontleend, brengen mij tot de conclusie dat deze verordening impliciet een afstand van de immuniteit van rechtsmacht bevat. Deze conclusie met betrekking tot de impliciete afstand van de immuniteit van rechtsmacht in het kader van verordening 2015/848 als instrument van afgeleid recht, is eveneens in overeenstemming met het primaire recht, hetgeen getuigt van de duidelijke en ondubbelzinnige wil van de lidstaten om de beginselen te laten prevaleren die van toepassing zijn op bevoegdheidsconflicten die kunnen ontstaan gelet op de verschillende rechtsorden en de eigen respectievelijke bevoegdheidsregels hiervan op het gebied van insolventieprocedures met betrekking tot de immuniteit van rechtsmacht.
b) Redenen ontleend aan het primaire recht van de Unie
92.
Naar mijn mening is het bestaan van een impliciete afstand van de immuniteit van rechtsmacht in het kader van de toepassing van verordening 2015/848 niet alleen in overeenstemming met het primaire recht, zoals dit voortvloeit uit de wil van de lidstaten van de Unie, maar kan het ook worden gestaafd met de bepalingen daarvan.
93.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat er binnen de Unie reeds aanpassingen van de immuniteit van rechtsmacht bestaan. Alle lidstaten hebben immers, op bepaalde gebieden, de bindende bevoegdheid van het Hof aanvaard, ook voor geschillen waarvoor ze voor het Hof kunnen worden vervolgd.75. Zo wordt erkend dat, in bepaalde gevallen, dergelijke aanpassingen aan de immuniteit van rechtsmacht van staten worden doorgevoerd om zich te conformeren aan de specifieke kenmerken van de rechtsorde van de Unie.
94.
Nu dit is verduidelijkt moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat artikel 3, lid 2, VEU, betreffende de doelstellingen van de Unie, bepaalt dat de Unie haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht biedt. De totstandbrenging van deze ruimte is geregeld in titel V VWEU. Met name ontwikkelt de Unie, overeenkomstig artikel 81, lid 1, VWEU, dat de rechtsgrondslag van verordening 2015/848 vormt, ‘een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten omvatten.’ Deze materie valt onder het toepassingsgebied van de gedeelde bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten, zodat de lidstaten hun soevereine rechten beperken in de zin zoals beschreven in de punten 62 tot en met 66 van deze conclusie, voor zover de Unie haar bevoegdheid uitoefent.
95.
Door bij de ratificatie van de Verdragen in te stemmen met deelname aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, met de naleving van het Unierecht op dit gebied en met de toekenning van gedeelde bevoegdheden aan de Unie hebben de lidstaten derhalve ook aanvaard dat de handelingen van afgeleid recht die voor de ontwikkeling van deze ruimte zijn vastgesteld, met name overeenkomstig artikel 81, lid 2, VWEU, de beginselen vastleggen die van toepassing zijn op bevoegdheidsconflicten die kunnen ontstaan wegens de verschillende rechtsorden en de eigen respectievelijke bevoegdheidsregels hiervan.
96.
Hieruit moet worden afgeleid dat deze instemming zich derhalve, overeenkomstig de beginselen inzake bevoegdheidsconflicten die zijn neergelegd in de ter zake geldende rechtsinstrumenten, uitstrekt tot de acceptatie dat geschillen, die met name voortvloeien uit insolventieprocedures, worden beslecht door de rechters van andere lidstaten, met inbegrip van geschillen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden.
97.
In dit verband moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig Protocol nr. 21 bij de Verdragen van de Unie, dat met name betrekking heeft op Ierland76., deze lidstaat een afwijkende status geniet met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, in die zin dat de in het kader van deze ruimte vastgestelde maatregelen niet automatisch bindend zijn voor genoemde lidstaat en afhankelijk zijn van zijn vrijwillige deelname77.. Verder neemt het Koninkrijk Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende deze lidstaat, niet deel aan de maatregelen die in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht worden vastgesteld.78. Aan deze lidstaten kan dus geen verplichting op dit gebied worden opgelegd. Dit geldt echter niet voor de lidstaten die zonder voorbehoud aan deze ruimte deelnemen. Ervan uitgaan dat bij de toepassing van de verordening inzake internationale bevoegdheidsconflicten met betrekking tot insolventieprocedures een beroep kan worden gedaan op het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht uit het internationaal gewoonterecht, kan kennelijk onverenigbaar blijken met de verplichtingen die rusten op alle staten die onder dezelfde voorwaarden en zonder andere voorbehouden dan die welke in de aanvullende protocollen zijn neergelegd, tot de Verdragen zijn toegetreden.79.
98.
Deze conclusie betreffende het bestaan van een impliciete afwijking van de immuniteit van rechtsmacht op het gebied van insolventieprocedures, die door het primaire recht wordt bevestigd, geldt in de tweede plaats des te meer gelet op het beginsel van de gelijkheid van de lidstaten van de Unie ten aanzien van de Verdragen, waarvan de Unie de naleving waarborgt.80.
99.
Dit beginsel vindt zijn oorsprong in de rechtspraak van het Hof, nog voordat het in de Verdragen is vastgelegd.81. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het lidmaatschap van de Unie (voorheen van de Gemeenschappen) haar leden in staat stelt de voordelen hiervan te genieten, maar hun tevens verplichtingen oplegt. Met name werd gepreciseerd dat niet kan worden aanvaard dat een lidstaat de bepalingen van een verordening onvolledig of selectief toepast, teneinde ‘bepaalde elementen van de wetgeving [van de Unie] […] te omzeilen die [hij] in strijd acht met bepaalde nationale belangen […], terwijl hij zich ten koste van zijn partners een onrechtmatig voordeel toe-eigent’82..
100.
Indien in de onderhavige zaak zou worden toegestaan dat de Poolse belastingdienst zich op de immuniteit van rechtsmacht beroept en daarmee de uitoefening van de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter onmogelijk maakt vanwege de grondslag van de betalingen die de curator tracht te herroepen, namelijk een handeling van openbaar gezag, zou in de praktijk voorrang worden gegeven aan nationale belangen boven het Unierecht en zou de gelijkheid van de lidstaten ten aanzien van de uit dit recht voortvloeiende verplichtingen in het gedrang komen.
101.
Het beletten van de uitoefening van de internationale bevoegdheid krachtens verordening 2015/848, doordat wordt toegestaan dat de immuniteit van rechtsmacht wordt ingeroepen, zou dienaangaande kunnen worden opgevat als een verkapte manier om het nationale recht boven het Unierecht te laten prevaleren.
Een dergelijke voorrang kan echter niet worden gerechtvaardigd gelet op de beginselen die de rechtsorde van de Unie beheersen, zoals in punt 63 van deze conclusie is uiteengezet.
102.
Het is juist dat de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 2, VEU met name de essentiële staatsfuncties moet eerbiedigen en er bestaat geen twijfel over dat de heffing van btw onder dergelijke essentiële functies en zelfs onder de prerogatieven van de overheid valt. Zo de lidstaten altijd de zeggenschap over hun soevereine taken behouden, moeten zij deze echter uitoefenen met inachtneming van het Unierecht.83.
103.
Door hun lidmaatschap van de Unie verbinden de lidstaten zich er immers toe loyaal en solidair samen te werken, zelfs op gebieden die onder hun essentiële functies vallen, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, VEU. Dit beginsel geldt voor alle nationale instellingen. Hoewel genoemd beginsel in de rechtspraak vaak wordt gebruikt om de verplichtingen van de lidstaten en de instellingen van de Unie in hun samenwerking te ondersteunen84., is het belangrijkste idee erachter het garanderen van de reikwijdte en de doeltreffendheid van het Unierecht door middel van wederzijds respect en wederzijdse bijstand bij de vervulling van de taken die voortvloeien uit de Verdragen. Logischerwijs houdt het samenwerkingsbeginsel niet alleen positieve handelingen in (het nemen van maatregelen om de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen), maar ook negatieve handelingen (het nalaten maatregelen te nemen die in strijd zijn met deze doeltreffendheid, of zelfs met de doelstellingen van de Unie). Het is duidelijk dat het beroep op de immuniteit van rechtsmacht een negatieve handeling vormt die de uitoefening van de bevoegdheid van de Duitse rechter krachtens de regels van de Unie belemmert en daarmee de doeltreffendheid van deze regels in gevaar brengt via de uitoefening van de prerogatieven van de openbare macht.85.
104.
Ten slotte moet worden opgemerkt dat een dergelijk beroep op de immuniteit van rechtsmacht de kapitaalmarkt dreigt te belemmeren, een van de belangrijkste beleidsdomeinen die de Unie tot stand wil brengen om haar economische ontwikkeling, en daarmee ook die van haar lidstaten, te bevorderen. De onzekerheid over het lot van schuldvorderingen in geval van grensoverschrijdende insolventie, die ontstaat door de mogelijkheid om zich op de immuniteit van rechtsmacht te beroepen, dreigt immers investeringen te verzwakken en derhalve ook de doeltreffendheid van de eengemaakte markt in haar geheel te verminderen. Indien in het hoofdgeding de immuniteit van rechtsmacht van een lidstaat zou worden aanvaard, zou het belang van één lidstaat van de Unie dus voorrang krijgen ten koste van de collectieve belangen van alle lidstaten, waarbij laatstgenoemde belangen bovendien inherent zijn aan het begrip zelf van de Unie.
105.
Om alle bovengenoemde redenen ben ik van mening dat het primaire recht van de Unie, resulterend uit de wil van haar lidstaten, toestaat dat het beginsel van de immuniteit van rechtsmacht uit het internationaal gewoonterecht op ad-hocbasis en op impliciete wijze wordt bijgestuurd, in die zin dat moet worden geconcludeerd dat er in het kader van verordening 2015/848 sprake is van een stilzwijgende afstand van de immuniteit van rechtsmacht.86.
4. Slotoverwegingen
106.
Laten we na dit alles even veronderstellen dat het door de regeringen van de lidstaten voor het Hof verdedigde standpunt moet worden aanvaard, namelijk dat de immuniteit van rechtsmacht die door de Poolse belastingdienst wordt ingeroepen tegen een vordering tot nietigverklaring voor de Duitse rechters met het oog op de terugvordering van aan deze dienst betaalde btw, zich in wezen verzet tegen de uitoefening door de verwijzende rechter van de bij verordening 2015/848 vastgestelde rechterlijke bevoegdheid, aangezien deze verordening in geen mogelijkheid tot impliciete afstand zou voorzien.
107.
Afgezien van het feit dat een dergelijk standpunt niet standhoudt tegen de uit het primaire recht afgeleide redenen betreffende de doelstellingen en gedragsregels die de lidstaten binnen de rechtsorde van de Unie zichzelf hebben opgelegd, zou dit standpunt in de praktijk, indien het zou worden gevolgd, tot een paradoxaal resultaat leiden. De soevereiniteit van een andere lidstaat dan de staat waar de insolventieprocedure is geopend, zou immers worden beschermd ten koste van de soevereiniteit van laatstgenoemde lidstaat, aangezien de toepassing van diens materiële insolventierecht overeenkomstig de in verordening 2015/848 voor insolventieprocedures vastgestelde collisieregels zou worden verhinderd door de immuniteit van rechtsmacht van een andere lidstaat.
108.
Bovendien zij opgemerkt dat het insolventierecht, naast zijn financiële of boekhoudkundige dimensie, ook een maatschappelijke, meer menselijke en fundamentele dimensie heeft, aangezien het niet alleen tot doel heeft om bij te dragen tot de goede werking van de markt, de economische stabiliteit en het vertrouwen in krediet, maar ook de bescherming te waarborgen van de belangen die de lidstaten, in de uitoefening van hun soevereiniteit en door de vaststelling van materiële insolventieregels, als essentieel beschouwen. Deze regels geven dus uitdrukking aan sociale argumenten, met name die van werknemers en die op fiscaal, milieu- en ander gebied. Al deze aspecten komen met name tot uiting in de regeling inzake de rangorde van schuldeisers, zoals deze blijkt uit de regels van het materiële insolventierecht van de lidstaten van de Unie.
109.
Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat het aanvaarden van de immuniteit van rechtsmacht tegen een vordering tot nietigverklaring ertoe zou leiden dat zulks wordt opgevat als een ‘open uitnodiging’ om op te treden zoals de Poolse belastingdienst dat heeft gedaan. Indien deze dienst de belastingschuld zou mogen invorderen zonder rekening te houden met de rangorde van schuldeisers zoals vastgelegd in het Duitse recht en zonder daarbij enig risico te lopen op rechterlijke toetsing op grond van het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, waarom zouden de belastingdiensten van de andere lidstaten dan niet op dezelfde manier te werk gaan in alle andere grensoverschrijdende insolventieprocedures? De lidstaten zouden bijgevolg zeer verrast kunnen zijn wanneer zij worden geconfronteerd met niet alleen het omgooien van de bij verordening 2015/848 ingevoerde regeling voor het beheer van grensoverschrijdende insolventieprocedures, maar ook met het doorkruisen van al hun prioriteitsregels die in hun nationale insolventierecht zijn vastgelegd, aangezien de boedel zou kunnen verminderen door de uitoefening van de fiscale prerogatieven van een andere lidstaat ten nadele van de andere schuldeisers en zonder mogelijkheid tot rechterlijke toetsing door de rechters van de staat waar de procedure is geopend.
110.
Mijns inziens neutraliseert het door de regeringen van de lidstaten voor het Hof verdedigde standpunt alle aspecten van het insolventierecht ten gunste van de immuniteit van rechtsmacht als onderdeel van hun soevereiniteit. Hoe belangrijk dit element ook moge zijn, het levert een probleem op wat betreft de eerbiediging van de soevereiniteit van een andere lidstaat, waarvan het materiële recht wettelijk van toepassing zou moeten zijn en ten aanzien waarvan de burgers van deze staat legitieme verwachtingen mogen hebben.
5. In overweging gegeven antwoord
111.
Ik stel dan ook voor om de in de onderhavige zaak aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 12, en artikel 3, lid 1, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat hieruit het bestaan van een impliciete afstand van de immuniteit van rechtsmacht kan worden afgeleid wanneer de rechters van de staat waar de procedure is geopend volgens die verordening de internationale bevoegdheid hebben om kennis te nemen van tegen overheidsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie ingestelde vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden.
112.
Voor het geval dat het Hof mijn voorstel voor een antwoord op de prejudiciële vraag niet zou volgen, wil ik verder benadrukken dat dan, teneinde de toegang van de curator tot de rechter niet te belemmeren, zou moeten worden teruggekomen op het exclusieve karakter van de internationale bevoegdheid waarin de regels van verordening 2015/848 voorzien.
V. Conclusie
113.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 12, en artikel 3, lid 1, van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
het een impliciete afstand van de immuniteit van rechtsmacht inhoudt wanneer de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure is geopend, krachtens die verordening de internationale bevoegdheid hebben om kennis te nemen van tegen overheidsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie ingestelde vorderingen die rechtstreeks uit de insolventieprocedure voortvloeien en er nauw verband mee houden.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑06‑2026
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19).
Raad van Europa, European Treaty Series, nr. 74. Deze overeenkomst is opgesteld binnen de Raad van Europa en opengesteld voor ondertekening door de staten op 16 mei 1972 te Bazel (Zwitserland). Genoemde overeenkomst is door de Republiek Polen niet geratificeerd.
Dit verdrag, dat op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is vastgesteld en op 17 januari 2005 is opengesteld voor ondertekening door de staten, is tot op heden nog steeds niet in werking getreden.
De bepalingen van dit verdrag worden soms beschouwd als een weergave van de beginselen van het internationale gewoonterecht (zie Crawford, J., Brownlie's Principles of Public International Law, Oxford University Press, 9e druk, Oxford, 2019, blz. 473 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Voor alle duidelijkheid moet erop worden gewezen dat het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, van toepassing is op de insolventieprocedure in het hoofdgeding (artikel 7, lid 1, juncto overweging 66, van verordening 2015/848), namelijk het Duitse recht. Volgens de verwijzende rechter bepalen § 129, lid 1, en § 130, lid 1, eerste volzin, punt 2, van de Duitse insolventiewet dat een rechtshandeling die vóór de opening van de insolventieprocedure is verricht en nadelig is voor de schuldeisers, waarbij een schuldeiser een betaling heeft ontvangen, nietig kan worden verklaard wanneer deze handeling na het verzoek tot opening van de insolventieprocedure is verricht en de schuldeiser op het moment van deze handeling op de hoogte was van dit verzoek. Vast staat dat de Poolse belastingdienst op de hoogte was van genoemd verzoek en dat de betalingen aan deze belastingdienst zijn verricht in de periode tussen de indiening van het verzoek tot opening en de daadwerkelijke opening van de insolventieprocedure.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Verdrag van Brussel’).
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Verordening van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).
Zie het verslag van Virgós, M., en Schmit, E., van 8 juli 1996 over het Verdrag betreffende insolventieprocedures van 3 mei 1996, document van de Raad van de Europese Unie, 6500/96, DRS 8 (CFC) (hierna: ‘verslag Virgós/Schmit’).
Verordening nr. 1346/2000, vervangen en ingetrokken door verordening 2015/848, trad in de plaats van het Europees Verdrag betreffende insolventieprocedures (document van de Raad CONV/INSOL/X1), dat zelf het resultaat was van meer dan 25 jaar van debatten en onderhandelingen. Dit verdrag is niet in werking getreden, omdat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland het niet heeft ondertekend vóór de overeengekomen uiterste datum van 23 mei 1996. De tekst van de eerste van deze verordeningen, die in hoofdzaak in de tweede verordening is overgenomen, is echter in wezen identiek aan die van genoemd verdrag. In deze omstandigheden kan het verslag Virgós/Schmit nuttige aanwijzingen leveren voor de uitlegging van deze laatste verordening.
Ter aanvulling zij opgemerkt dat uit de rechtspraak volgt dat, in tegenstelling tot het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012, dit van verordening 2015/848 niet ruim mag worden uitgelegd (arrest van 6 februari 2019, NK, C-535/17, EU:C:2019:96, punten 24–26).
Arresten van 4 september 2014, Nickel & Goeldner Spedition (C-157/13, EU:C:2014:2145, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 11 juni 2015, Comité d'entreprise de Nortel Networks e.a. (C-649/13, EU:C:2015:384, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband wil ik erop wijzen dat de lessen die uit deze rechtspraak kunnen worden getrokken, in hun context moeten worden geplaatst. Ondanks het feit dat er zich desalniettemin praktische moeilijkheden kunnen voordoen, met name bij hybrideprocedures of procedures die voorafgaan aan insolventieprocedures (zie The Implementation of the New Insolvency Regulation, Recommendations and Guidelines, JUST/2013/JCIV/AG/4679, Max Planck Institute, blz. 36–40 en 63–65), is deze aanpak inzake de uitlegging van de verordeningen 2015/848 en nr. 1215/2012 alleen van toepassing indien men zich in een situatie bevindt die uitdrukkelijk wordt uitgesloten in laatstgenoemde verordening en uitdrukkelijk is opgenomen in eerstgenoemde verordening.
Overweging 7 van verordening 2015/848.
Zie in die zin arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau (C-641/16, EU:C:2017:847, punten 22 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het is immers op basis van de bron waarop een vordering is gebaseerd dat moet worden bepaald onder welk gebied deze vordering valt (zie in die zin arrest van 4 december 2014, H, C-295/13, EU:C:2014:2410, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Aanvullend moet worden opgemerkt dat deze omstandigheden weliswaar relevant kunnen zijn om te bepalen of een materie al dan niet onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012 valt, als elementen die de aard van de rechtsbetrekkingen tussen de procespartijen of het voorwerp van het geschil kenmerken (zie in die zin arrest van 7 mei 2020, Rina, C-641/18, EU:C:2020:349, punt 32; hierna: ‘arrest Rina’). Gezien de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van verordening 2015/848 en, zoals verderop zal blijken, de context en de doelstellingen van deze verordening zijn dergelijke elementen echter niet relevant voor de vaststelling van het toepassingsgebied van verordening 2015/848.
Overweging 1 van verordening 2015/848.
Overwegingen 41 en 48 van verordening 2015/848.
Overweging 63 van verordening 2015/848.
Arrest van 16 januari 2014, Schmid (C-328/12, EU:C:2014:6, punt 33).
In dit verband wijs ik erop dat de conclusies van mijn analyse uitsluitend betrekking hebben op het internationaal gewoonterecht.
Delile, J. F., ‘Les effets de la coutume internationale dans l'ordre juridique de l'Union européenne’, Cahiers de droit européen, 2017, blz. 159–192.
De rechtsleer benadrukt dat de rechtspraak van het Hof een ontwikkeling heeft doorgemaakt in het standpunt van het Hof ten aanzien van de opname van normen van internationaal recht in de rechtsorde van de Unie, waarbij drie ‘perioden’ kunnen worden onderscheiden. De eerste periode stond positief tegenover het internationaal recht, in die zin dat de Europese Gemeenschap in wezen gebonden was aan elke regel van algemeen internationaal recht waarvan haar lidstaten niet waren afgeweken, zodat het Hof, wanneer het geconfronteerd werd met een leemte in het gemeenschapsrecht, impliciet verplicht was de gewoonteregels van het internationaal recht toe te passen. De tweede periode onderscheidde zich van de eerste door een terughoudendheid ten aanzien van de toepassing van de regels van internationaal recht, wat leidde tot het claimen van de autonomie van het gemeenschapsrecht en de duidelijke scheiding daarvan ten opzichte van het internationaal recht, zeker wegens het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in de oprichtingsverdragen indertijd die de naleving van het internationaal recht oplegde, maar ook om nationale rechters aan te moedigen prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen, waarbij de voorkeur werd gegeven aan een benadering waarbij de bronnen van het gemeenschapsrecht eerder in de nationale rechtsstelsels dan in het internationaal recht worden gezocht. Ten slotte wordt de derde periode, die in de jaren negentig van de vorige eeuw is begonnen, gekenmerkt door de openstelling van het Unierecht voor het internationaal recht, zoals thans gecodificeerd in artikel 3, lid 5, VEU (Malenovský, J., ‘Le juge et la coutume internationale: perspective de l'Union européenne et de la Cour de justice’, The Law and Practice of International Courts and Tribunals, deel 12, 2013, blz. 218).
Arrest van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a. (C-366/10, EU:C:2011:864, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld Dubouis, L., ‘La nature de l'Union européenne’, Cohen-Jonathan, G., en Dutheil de la Rochère, J. (red.), Constitution européenne, démocratie et droits de l'homme, Bruylant, Brussel, 2003, blz. 84.
Voorheen van de Gemeenschappen.
Advies 1/91 (EER-Overeenkomst — I) van 14 december 1991 (EU:C:1991:490, punt 35).
Arrest van 10 december 2018, Wightman e.a. (C-621/18, EU:C:2018:999, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Standpuntbepaling van advocaat-generaal Kokott in adviesprocedure 2/13 [(Toetreding van de Unie tot het EVRM), EU:C:2014:2475, punt 159].
Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Rina (C-641/18, EU:C:2020:3, punt 141).
Salmon, J., (red.), Dictionnaire de droit international public, Bruylant, Brussel, 2001, blz. 283 en 284.
Soussan, A., ‘Droit international non conventionnel et ordre juridique de l'Union européenne’, Union européenne et droit international, en l'honneur de P. Daillier, Éditions A. Pedone, Parijs, 2012.
Leray, E., en Potteau, A, ‘L'intégration du droit international coutumier dans l'ordre juridique communautaire’, La Semaine juridique, algemene uitgave nr. 5, 3 februari 1999, II 10022, blz.5.
Zie met name arrest van 19 juli 2012, Mahamdia (C-154/11, EU:C:2012:491, punt 55); arrest Rina (punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 3 september 2020, Supreme Site Services e.a. (C-186/19, EU:C:2020:638, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 15 februari 2007, Lechouritou e.a. (C-292/05, EU:C:2007:102, punt 41). Evenzo heeft het Hof in het arrest Rina, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, niet op basis van de bij de nationale rechter ingestelde vordering tot schadevergoeding, maar op basis van de door de betrokken vennootschappen verrichte classificatie- en certificeringshandelingen geoordeeld dat deze handelingen niet in de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag waren verricht (punt 49 van dit arrest).
In dit verband zij opgemerkt dat de aard van de handelingen waarop de vordering tot nietigverklaring betrekking heeft niet verandert door de hoedanigheid van de persoon, namelijk een natuurlijke of rechtspersoon, die zijn verplichting nakomt, noch door het feit dat de belastingvorderingen niet door de belastingdienst zelf worden geïnd. De betaling van de belastingschuld houdt immers ook de aanvaarding van deze betaling door deze belastingdienst in. Bovendien kan niet-betaling leiden tot in de belastingwetgeving vastgelegde gevolgen die vreemd zijn aan privaatrechtelijke verhoudingen, zodat de betaling van belastingen onlosmakelijk verbonden is met de uitoefening van openbaar gezag.
Ter herinnering zij opgemerkt dat het onderscheid tussen handelingen jure gestionis en handelingen jure imperii berust op de vraag of de staat optreedt als particulier, in die zin dat de verrichting van de handeling geen uitoefening van openbaar gezag inhoudt, of, met andere woorden, dat deze handeling van dien aard is dat elke particulier deze had kunnen verrichten, dan wel of de handeling onder de uitoefening van het openbaar gezag valt.
Zoals blijkt uit de in punt 47 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak ligt het doorslaggevende criterium voor het karakteriseren van de toepassing van de soevereine immuniteit in de aard van de handeling waartegen een vordering is ingesteld. Naar mijn mening bestaat er geen objectieve reden om in het kader van insolventieprocedures, met het oog op de kwalificatie van de betrokken handeling, een nieuw criterium vast te stellen dat verband houdt met de aard van het uitgeoefende recht of van de tegen een dergelijke handeling ingestelde vordering.
Zie in die zin arrest van 5 februari 1963, van Gend & Loos (26/62, EU:C:1963:1), en advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 157).
Mouton, J.-D., ‘Vers la reconnaissance de droits fondamentaux aux États dans le système communautaire?’, Les dynamiques du droit européen en début de siècle. Mélanges en l'honneur de J.-C. Gautron, Parijs, Pedone, 2004, blz. 473.
Artikel 48 VEU.
Artikel 50 VEU.
Namelijk de exclusieve bevoegdheid van een staat over zijn grondgebied en zijn bevolking, die tot uiting komt in zijn onafhankelijkheid, het beginsel van niet-inmenging en zijn vrijheid van interne organisatie.
Namelijk dat de staten, als internationale subjecten, allemaal gelijk zijn, zonder dat de ene onderworpen is aan het gezag van de andere.
Gaudin, H., ‘L'identité de l'Union européenne au prisme de la souveraineté de ses États membres’, Revue générale du droit, Chronique de droit de l'Union, 2021.
In die zin dat de Raad toeziet op de belangen van de lidstaten, de Commissie op die van de Unie en het Parlement op die van de burgers.
Malenovský, J., ‘À la recherche d'une solution intersystémique aux rapports du droit international et du droit de l'Union européenne’, Annuaire français de droit international, deel 65, 2019, blz. 201–234.
Blin, O., ‘La personnalité juridique de l'Union européenne après Lisbonne: véritable acquisition ou simple reconnaissance?’, Bioy, X. (red.), La personnalité juridique. Traditions et évolutions, reeks ‘Les travaux de l'IFR Mutation des normes juridiques’, nr. 14, Presses de l'Université Toulouse 1 Capitole, LGDJ — Lextenso Éditions, Toulouse, 2013, blz. 131–142.
Gaudin, H., op. cit.
Opgemerkt zij dat het hier gaat om doelstellingen die de lidstaten zelf hebben vastgesteld.
Zie punt 43 van deze conclusie.
Overweging 63 van verordening 2015/848.
Het spreekt voor zich dat soevereine immuniteit alleen kan worden ingeroepen voor de rechters van een andere staat.
In dit verband wil ik erop wijzen dat de enige lidstaat die in het algemeen niet gebonden is aan de toepassing van deze verordening, het Koninkrijk Denemarken is, zoals blijkt uit overweging 88 van verordening 2015/848.
Overweging 3 van verordening 2015/848.
Overweging 8 van verordening 2015/848.
Onder deze afwijkingen zij gewezen op die welke voortvloeien uit een gecombineerde lezing van de artikelen 20 en 33 van verordening 2015/848 betreffende de gevolgen van de uitoefening van de internationale bevoegdheid krachtens deze verordening. In de onderhavige zaak verzet het beroep op de soevereine immuniteit zich tegen de uitoefening van de op grond van de genoemde verordening rechtsgeldig vastgestelde bevoegdheid, maar het gaat hier niet om een in deze verordening vastgestelde uitzondering.
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en artikel 2, lid 1, van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59). Het is duidelijk dat de kwestie van het toepassingsgebied van een rechtsinstrument van het Unierecht moet worden onderscheiden van die van de uitoefening van de bevoegdheid die aan een dergelijk instrument wordt ontleend. In de onderhavige zaak heeft dit voorbeeld dan ook uitsluitend betrekking op het ontbreken van gevolgen van handelingen jure imperii voor de uitoefening van de internationale bevoegdheid krachtens verordening 2015/848.
Arrest van 14 november 2018, Wiemer & Trachte (C-296/17, EU:C:2018:902, punt 36). Weliswaar ging het in dit arrest om de uitlegging van de reikwijdte van de internationale bevoegdheid in het kader van insolventieprocedures, die wordt geregeld bij verordening nr. 1346/2000, die in nagenoeg identieke bewoordingen is opgevolgd door verordening 2015/848, in artikel 3, lid 1, ervan. Ook al zou artikel 6, lid 1, van deze laatste verordening een aanvullende regel invoeren, ik ben van mening dat deze rechtspraak betreffende de reikwijdte van de internationale bevoegdheid in het kader van de oude verordening toepasbaar is, aangezien deze vorderingen, in de zin van verordening 2015/848, onder dezelfde internationale bevoegdheid vallen als de insolventieprocedures zelf.
Ter informatie, de curator in het hoofdgeding heeft ter terechtzitting, in antwoord op een vraag dienaangaande, verklaard dat het bestaan van een dergelijke vestiging niet kon worden vastgesteld.
Overweging 48 van verordening 2015/848.
Arrest Rina, punt 55.Volledigheidshalve wijs ik erop dat het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2025, Renouard tegen Frankrijk (CE:ECHR:2025:1127JUD004691121, §§ 53 en 54), waarop de Franse regering zich ter terechtzitting heeft beroepen, evenmin toestaat om tot een tegengestelde conclusie te komen. Uit dit arrest blijkt immers in wezen dat de toewijzing van de exceptie van soevereine immuniteit voor de Franse rechters niet werd beschouwd als een onevenredige beperking van het recht van de verzoeker op toegang tot een rechter, aangezien deze verzoeker over rechtsmiddelen beschikte voor de rechters van de Verenigde Arabische Emiraten. In de onderhavige zaak zou er daarentegen, indien de soevereine immuniteit de uitoefening van de rechterlijke bevoegdheid in de weg stond, geen enkel ander rechtsmiddel mogelijk zijn. Het is juist dat het Internationaal Gerechtshof (IGH), in een zaak betreffende de onafhankelijkheid van het beroep op soevereine immuniteit ten opzichte van het bestaan van andere rechtsmiddelen om vergoeding te verkrijgen, heeft geoordeeld dat de vraag of een staat immuniteit kan genieten voor de rechters van een andere staat, geheel losstaat van de vraag of de staat internationaal aansprakelijk is en of er een verplichting tot vergoeding op hem rust. Deze laatste zaak speelde zich echter af in een zeer specifieke context met betrekking tot vergoedingen voor slachtoffers van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, die tevens verband hield met de bijzondere omstandigheden van de onderhandelingen die hierover tussen de betrokken staten werden gevoerd (arrest van het IGH, Duitsland tegen Italië, Griekenland als interveniënt, ‘immuniteit van rechtsmacht van de staat’, I.C.J. Reports 2012, blz. 99–102).
Zie de artikelen 258–260 VWEU.
Hoewel dit protocol oorspronkelijk bindend was voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland, is dit sinds de Brexit niet langer het geval. Dit protocol is voortaan uitsluitend op Ierland van toepassing.
Overeenkomstig overweging 87 van verordening 2015/848 heeft Ierland niettemin te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze verordening wenst deel te nemen.
Overeenkomstig overweging 88 van verordening 2015/848 neemt het Koninkrijk Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.
Zie in die zin beschikking van 22 juni 965, Acciaierie San Michele/Hoge Autoriteit (9/65, EU:C:1965:63).
Arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië (39/72, EU:C:1973:13).
Zie met name de punten 20, 24 en 25 van het arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië (39/72, EU:C:1973:13). Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat de betrokken lidstaat de verplichtingen niet was nagekomen die hij op zich had genomen uit hoofde van zijn lidmaatschap van de Unie.
Zie met name, naar analogie, arrest van 13 april 2010, Bressol e.a. (C-73/08, EU:C:2010:181, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 27 juni 2000, Commissie/Portugal (C-404/97, EU:C:2000:345, punt 40), en beschikking van 6 december 1990, Zwartveld e.a. (C-2/88-IMM, EU:C:1990:440, punten 17–21). Overigens is deze laatste beschikking interessant vanuit het oogpunt van uitlegging door analogie. In deze beschikking heeft het Hof geoordeeld dat het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen in geen geval aldus mag worden uitgelegd dat het de communautaire instellingen toestaat de verplichting tot loyale samenwerking niet na te komen. Indien dit geldt voor de Unie, waarom zouden de lidstaten dan soevereine immuniteit mogen genieten om aan deze verplichting te ontkomen, zoals in het onderhavige geval bij de toepassing van de regels inzake rechterlijke bevoegdheid?
Een dergelijke conclusie dient uiteraard te gelden omdat er specifieke Unierechtelijke bepalingen bestaan met betrekking tot de internationale bevoegdheid inzake insolventieprocedures. Het is juist dat, indien het Unierecht op dit gebied geen enkele regeling zou bevatten, naar het nationale recht en de beginselen van het internationale recht zou moeten worden verwezen (zie naar analogie arrest van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 24).
Deze conclusie geldt vanzelfsprekend alleen ten aanzien van de lidstaten. De rechters van de staat waar de procedure is geopend zijn weliswaar ook bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tegen onderdanen van derde staten (zie arrest van 16 januari 2014, Schmid, C-328/12, EU:C:2014:6, punt 33 en dictum), maar deze laatsten nemen niet deel aan het Europees project en kunnen niet worden geacht afstand te hebben gedaan van hun soevereine immuniteit. Het is juist dat dit standpunt de gelijke behandeling van de belastingautoriteiten van een lidstaat en die van een derde staat doorbreekt. Het gaat echter om een gevolg dat inherent is aan de door deze verordening ingevoerde regeling. Aangezien derde staten niet gebonden zijn aan de bevoegdheidsregels van verordening 2015/848, zou in die staten overigens een vordering tot nietigverklaring kunnen worden ingesteld, waardoor de bedoelde ongelijke behandeling kan worden verholpen.