Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.3:4.4.3 De wetgever in 1926 over flessentrekkerij
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.3
4.4.3 De wetgever in 1926 over flessentrekkerij
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS344876:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Schaik 1946, p. 6.
Bijlagen Kamerstukken II 1904/05, nr. 80, 3, p. 33-34.
Bijlagen Kamerstukken II 1904/05, nr. 80, 3, p. 9.
Bijlagen Kamerstukken II 1926/27, nr. 261, opgenomen in W. 1927, nr. 11608, p. 1.
Deze constatering doet Van den Hout op grond van de wetsgeschiedenis, Van den Hout 1993, p. 62.
W. 1927, nr. 11608, p. 1.
MvT, W. 1927, nr. 11608, p. 2.
W. 1927, nr. 11682, p.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Wetboek van Strafrecht zoals het in 1886 werd ingevoerd, bevatte geen bepaling over flessentrekkerij. De regeling van flessentrekkerij, zoals deze thans is neergelegd in art. 326a Sr, werd eerst in 1928 ingevoerd. Hiervoor waren er pogingen gedaan om in de titel over bedrog een voorziening te treffen voor flessentrekkerij, maar de voorstellen tot wijziging van het wetboek van strafrecht waren gestrand omdat de urgentie van een wijziging volgens de Tweede Kamer ontbrak.1 De eerdere voorstellen zijn niettemin de moeite van het bespreken waard aangezien de voorgestelde wijzigingen onder meer een toevoeging aan art. 326 Sr bevatten die gezien de gekozen redactie specifiek zag op de in dit hoofdstuk behandelde materie.
Zowel in 1900 als in 1904 werden voorstellen tot wijziging van art. 326 Sr ingediend die betrekking hadden op gevallen van flessentrekkerij. Uit de memorie van toelichting blijkt dat een wijziging noodzakelijk werd geacht omdat in de praktijk behoefte bleek aan strafrechtelijke bescherming in gevallen waarin ‘ook zonder gebruikmaking van een der middelen in art. 326 Sr genoemd, iemand wordt bewogen tot afgifte van eenig goed, hetzij koopwaar of geld, op eene wijze die ook den normaal nadenkenden mensch daartoe leidt’. Er werd geconstateerd dat die gevallen veelvuldig voorkwamen waardoor de wens was ontstaan daar ten behoeve van de handel paal en perk aan te stellen. Meer specifiek zou het gaan om situaties waarin ‘meermalen (…) tot handelsoperatien [werd] overgegaan, die in de gegeven omstandigheden niet lichtvaardig mogen heeten maar toch door de niet-credietwaardigheid van eene der partijen tot schade van de andere uitloopen’. Het ging, met andere woorden, om situaties waarin een der (contracts)partijen had verzwegen dat hij zijn verplichtingen uit de gesloten overeenkomst vanwege de slechte financiële toestand niet zou en kon nakomen. De reden waarom de strafwet moest voorzien in deze gevallen was in de eerste plaats de (vermogensrechtelijke) bescherming van degene die in zee ging met de flessentrekker, maar in meer abstracte zin ging het er de minister om dat het uitblijven van bescherming voordelige handelstransacties in de weg zou staan. De redenering was dat het ontbreken van een strafrechtelijke bepaling die dergelijk gedrag reguleerde, ervoor zorgde dat contractspartijen ter veiligstelling van hun positie diepgaande controle zouden uitvoeren naar elkaars kredietwaardigheid voordat het contract zou worden beklonken. Het daarmee gemoeide tijdsverloop zou nadelig zijn voor een vlot verlopend handelsverkeer.2 Daarom werd voorgesteld de oplichtingsmiddelen aan te vullen met ‘het verzwijgen van een waren naam of eene ware hoedanigheid’ en ‘het wekken van het vermoeden van eener niet bestaande credietwaardigheid’.3 Zoals hiervoor aangegeven, is dit voorstel nooit wet geworden. Wel biedt het inzichten over het onderkennen van het belang van strafrechtelijke bescherming in gevallen waarin een partij in een rechtsverhouding wordt betrokken waarvan iemand op voorhand weet deze niet te zullen en/of te kunnen uitvoeren. Het belang van het handelsverkeer, dat de grondslag vormde voor de meerdere malen uitgesproken opvatting van de wetgever dat de enkele leugen niet onder het bereik van het strafrecht moest komen, fungeerde dus tevens als ondergrond voor de stelling dat het verzwijgen van een slechte kredietwaardigheid onder omstandigheden (tevens) strafrechtelijk moest worden bestreden.
De wetgever koos er uiteindelijk voor de flessentrekkerij in een afzonderlijke bepaling op te nemen. In 1928 werd het huidige art. 326a Sr ingevoerd, dat aanvankelijk een strafbedreiging van drie jaar bevatte, die later werd verhoogd naar een gevangenisstraf van vier jaar. Uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat de eerder besproken toevoeging van het ‘lichtere’ oplichtingsmiddel van ‘het wekken van eener vermoeden van niet bestaande credietwaardigheid’ aan de bepaling over oplichting werd afgewezen omdat de flessentrekker in de ogen van de wetgever geen bedrieglijk middel nodig heeft voor het bereiken van zijn doel.4 Volgens de minister had de flessentrekker alsnog zijn gang kunnen gaan omdat het enkele bestellen van goederen die men niet kan betalen niet reeds het ‘wekken van eener vermoeden van niet bestaande credietwaardigheid’ zou opleveren. Het euvel dat bestreden moest worden, was de opzettelijke wanbetaling en daarom lag het meer voor de hand de strafbaarstelling ervan in een aparte bepaling vast te leggen.
Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever van oordeel was dat hoewel flessentrekkerij werd gekarakteriseerd als een vorm van bedrog, onder omstandigheden flessentrekkerij eerder kon worden aangenomen dan op grond van art. 326 Sr mogelijk was. Ten aanzien van het aspect van misleiding werd het, niettegenstaande de oorspronkelijk gelijke strafhoogte, gezien als een ‘lichtere’ variant van oplichting. De gedragingen van de flessentrekker, het zich voordoen als iemand die van plan is te betalen, konden volgens de wetgever immers geen oplichtingsmiddel opleveren.5 De verklaring voor die gelijkschakeling van de strafmaat moet klaarblijkelijk gezocht worden in het aspect van herhaling dat kenmerkend is voor het delict van flessentrekkerij. Artikel 326a Sr eist voor strafbaarheid namelijk dat degene die de kwestieuze gedragingen verricht daar zijn beroep of gewoonte van maakt. Deze eis werd door de minister ook aangevoerd als argument ter ondervanging van het bezwaar dat de strafbaarheid van het bloot kopen van goederen met de voorwetenschap van niet betaling onvoorzichtig verkopen in de hand zou werken en bovendien alle mogelijke wanbetalers aan bedreigingen met aangifte en strafvervolging zou blootstellen.6 Het aspect van herhaling wordt hieronder bij de toepassing van de strafbepaling nog aan de orde gesteld.
Omdat de gedragingen van de flessentrekker in de optiek van de wetgever niet binnen de grenzen van art. 326 vielen, rezen er vragen over de strafwaardigheid daar waar het inwinnen van informatie door de ‘bedrogene’ gemakkelijk was geweest. In antwoord op de vraag of de strafwet ook bescherming zou moeten verlenen aan degene die bewust afziet van controle en als gevolg daarvan ten prooi valt aan de praktijk van de flessentrekker, gaf de indiener van het wetsvoorstel, minister Donner, een beschouwing die inzichten biedt in de reikwijdte van art. 326a Sr:
‘Het is een feit, dat vele neringdoenden een moeilijk bestaan hebben, groote concurrentie ondervinden en mitsdien hoogst ongaarne zich klanten zien ontgaan. Inlichtingen inwinnen kost tijd en de scherpe concurrentie dwingt tot een vlotte behandeling van zaken. Men wil niet de kans loopen een goede relatie te verliezen en zich tot een concurrent te zien wenden, kortom, het behoeft in werkelijkheid niet te getuigen van abnormale zorgeloosheid en onnadenkendheid, als de neringdoende het er op waagt en op enkele bestelling – eventueel versterkt door een of meer leugens – goederen afgeeft. Dit behoeft nog niet te getuigen van een zoodanige mate van zorgeloosheid en onnadenkendheid, dat deze op bescherming van het strafrecht geen aanspraak zou mogen maken’.7
De bescherming van de middenstand tegen schade die uit het gebrek aan kredietwaardigheid van handelspartijen voortvloeit werd dus voor gevallen van het bewust afzien van gemakkelijk uit te voeren controle gerechtvaardigd door het belang van een vlot verlopend handelsverkeer. In lijn met voormeld uitgangspunt werd ook door andere leden van de commissie van rapporteurs opgemerkt dat enige schuld aan de zijde van de winkelier door onvoldoende voorzichtigheid niet behoeft af te doen aan het strafwaardige karakter van de gedragingen van de flessentrekker.8