In de bijlage bij het arrest abusievelijk ook als “3.” aangeduid. Ik heb dit bewijsmiddel, evenals de hiernavolgende bewijsmiddelen, van de juiste nummering voorzien.
HR, 17-02-2015, nr. 14/03187
ECLI:NL:HR:2015:347
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-02-2015
- Zaaknummer
14/03187
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:347, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑02‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2894, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:2894, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑12‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:347, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2014
- Vindplaatsen
NJ 2015/117 met annotatie van
SR-Updates.nl 2015-0082
Uitspraak 17‑02‑2015
Inhoudsindicatie
Voorwaardelijk opzet doodslag, art. 287 Sr. Met zijn overweging dat “verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het so. op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het so. zich niet meer voor de vrachtwagen bevond” heeft het Hof, dat heeft vastgesteld dat verdachte reeds na een seconde is doorgereden, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van verdachte dat hij “dacht dat het so. in de berm zou staan” niet aannemelijk is. Daarvan uitgaande en mede in aanmerking genomen dat verdachte het so. in het zicht heeft gehad toen deze aan de vrachtwagen hing, hij door telkens te remmen en weer langzaam op te trekken heeft geprobeerd het so. ertoe te bewegen de vrachtauto los te laten, en hij op een gegeven moment het so. niet meer zag, geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte door verder te rijden met de vrachtauto, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het so. zou komen te vallen en zou komen te overlijden door onder de rijdende vrachtauto te komen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
Partij(en)
17 februari 2015
Strafkamer
nr. 14/03187
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 november 2013, nummer 22/005231-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet van de verdachte uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 08 april 2011 te Barendrecht, op de openbare weg (te weten de rotonde van de Henri Dunantlaan met de Dudokdreef), opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte daar opzettelijk met een vrachtwagen tegen [slachtoffer] aangereden en over [slachtoffer] heengereden, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Op 8 april 2011 ging ik met de trekker naar het transportbedrijf [A] van [slachtoffer] in Barendrecht om met [slachtoffer] te praten.
[slachtoffer] en ik zijn samen zijn kantoor binnengegaan en daar is een discussie ontstaan tussen ons.
Na het gesprek met [slachtoffer] ben ik het bedrijf uit gelopen en ben ik in de cabine van de trekker gestapt. Ik heb vervolgens mijn vrouw gebeld. Ik ben weggereden en heb 112 gebeld toen ik [slachtoffer] buiten zag.
Op enig moment had [slachtoffer] de trekker vooraan bij het raam vast. Daar hangen drie handgrepen.
Ik had hem eerst in het zicht. Op een gegeven moment zag ik hem niet meer en ben ik doorgereden.
Indien een persoon binnen een meter afstand van mijn cabine staat, dan kan ik hem niet meer met het blote oog waarnemen.
Als een persoon voor de wagen staat en je rijdt door, ben je je ervan bewust dat je die persoon kan overrijden.
2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 oktober 2011 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik heb hem (het hof begrijpt: [slachtoffer]) altijd in het zicht gehad toen hij er aan hing (het hof begrijpt: aan de vrachtwagen). Op een gegeven moment is hij er af gegaan. Ik keek naar links, naar rechts en voor mij en ik zag hem niet meer. Toen heb ik mijn weg vervolgd. Het moment tussen het hem niet meer zien en het doorrijden heeft een seconde geduurd.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-43. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 15 april 2011 afgelegde verklaring van [verdachte]:
Ik zag dat [slachtoffer] voor mijn vrachtwagen ging staan. Ik heb toen lang getoeterd, maar [slachtoffer] bleef voor mijn vrachtwagen staan. Ik zag dat [slachtoffer] zelfs aan de vrachtwagen ging hangen. Halverwege de rotonde kwam er een moment dat ik [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) helemaal niet meer zag.
4. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2011.04.08.124, d.d. 9 september 2011, opgemaakt en ondertekend door de deskundige P.M.I. van Driessche, arts en patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze deskundige:
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard aan de hand van algemene weefselschade opgelopen door fors bloedverlies in combinatie met secundaire belemmering van de ademhaling (ten gevolge van een overrijding).
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2011 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17J0 2011107252-46. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op maandag 18 april 2011 werden door mij, verbalisant, een achttal fotoprints gemaakt van de videobewakingsbeelden van de camera die zicht biedt op het Bijdorpplein en de rotonde op de Henry Dunantlaan in de gemeente Barendrecht. De fotoprints hebben betrekking op de periode gelegen tussen vrijdag 8 april 2011 tussen 11.49.55 uur en 11.50.30 uur.
Op genoemde prints werd door mij het navolgende waargenomen:
Foto 1: (08-04-11 11.49.55)
De blauwe trekker van verdachte rijdt op het Bijdorpplein in de richting van de Henry Dunantlaan.
[slachtoffer] houdt zich aan de voorzijde van het voertuig vast.
Foto 4: (08-04-11 11.50.14)
De blauwe trekker van de verdachte rijdt halverwege de rotonde van Henry Dunantlaan, [slachtoffer] staat voor de trekker en plaatst een gestrekte arm tegen de voorzijde van genoemd voertuig.
Foto 5: (08-04-11 11.50.21)
De blauwe trekker van de verdachte rijdt halverwege de rotonde op de Henry Dunantlaan, [slachtoffer] staat voor de trekker, [slachtoffer] wordt als het ware "opgeduwd" door de trekker.
Foto 6: (08-04-11 11.50.25)
De blauwe trekker van de verdachte rijdt op "driekwart" op de rotonde van de Henry Dunantlaan. [slachtoffer] wordt door de voorzijde van trekker over het wegdek meegesleurd.
Foto 7: (08-04-11 11.50.27)
De blauwe trekker van de verdachte voegt uit op de rotonde op de Henry Dunantlaan, [slachtoffer] bevindt zich onder het voertuig.
Foto 8: (08-04-11 11.50.30)
[slachtoffer] ligt op de rijbaan op de Henry Dunantlaan.
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2011 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 april 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Op een gegeven moment hoorde ik toeteren. Ik keek uit het raam en zag in de straat voor ons gebouw, dat is de Bijdorp Oost, een lichtblauwe trekker staan. Ik zag voor de trekker een man staan. Ik zag dat de man de trekker tegen probeerde te houden. Dat zag ik aan de manier waarop de man voor de trekker stond en aan de wijze waarop hij met zijn armen stond te zwaaien. Ik zag dat de bestuurder van de trekker steeds gas gaf en dan weer afremde. De man voor de trekker ging niet weg en bleef er maar voor staan en lopen. Dit herhaalde zich steeds weer. Ik zag dat de bestuurder van de trekker op een gegeven moment weer gas gaf en dat de man voor de trekker de voorkant van de trekker vastpakte en eraan ging hangen. Ik zag dat de trekker de rotonde opreed en dat de man nog steeds aan de voorzijde van de trekker hing.
Ik zag dat de bestuurder van de trekker duidelijk meer gas gaf met de man nog steeds aan de voorkant van de trekker hangend. Ik zag dat de bestuurder van de trekker hard af remde. Ik zag dat de man die aan de voorkant van de trekker hing er af viel en op de grond terecht kwam. Ik zag dat de trekker weer iets optrok en dat de man toen de bumper aan de voorkant van de trekker vastpakte. Ik zag dat de bestuurder van de trekker iets meer gas gaf en dat de man die op de grond terecht was gekomen een klein stukje aan de voorkant onder de trekker terecht kwam. Ik zag dat de bestuurder van de trekker stopte en tot stilstand kwam. Ik zag toen dat de bestuurder van de trekker gas gaf en toen over de man onder de trekker heen reed. Ik zag de trekker zelfs iets omhoog komen toen deze over de man heen reed.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2011 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 april 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Toen ik bij de rotonde kwam bij het bedrijventerrein Bijdorp Oost zag ik op een gegeven moment een lichtblauwe trekker rijden. Deze trekker reed zonder oplegger. Ik zag dat een man aan de voorkant van deze trekker hing. Ik zag dat de bestuurder van de trekker steeds een stukje optrok en dan weer afremde terwijl die man daar zo voor aan die trekker hing.
Ik zag dat de bestuurder van de trekker een aantal keren achter elkaar remde en dan weer gas gaf en een stukje optrok. Ik zag dat de trekker de rotonde opreed. Het was mij duidelijk dat de man voor die trekker wilde dat de bestuurder van de trekker stopte."
2.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Het hof gaat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 8 april 2011 is de verdachte met een vrachtwagen - die hij via het transportbedrijf van [slachtoffer] (het latere slachtoffer) leasede - naar het transportbedrijf [A] van [slachtoffer] in Barendrecht gereden.
Na aankomst aldaar heeft op het kantoor een discussie tussen de verdachte en het slachtoffer plaatsgevonden.
Hierop heeft de verdachte het pand verlaten en is hij naar zijn vrachtwagen gelopen. In de cabine van zijn vrachtauto heeft de verdachte met het alarmnummer 112 en zijn vrouw gebeld. De verdachte is met zijn vrachtwagen weggereden. Rijdend op de Bijdorp Oost in Barendrecht zag hij dat het slachtoffer voor zijn vrachtwagen ging staan. De verdachte heeft getoeterd, het slachtoffer bleef voor de vrachtwagen staan en ging aan de vrachtwagen hangen. Met het slachtoffer hangend aan handgrepen aan de voorzijde van zijn vrachtwagen, is de verdachte richting een nabijgelegen rotonde gereden. Op die rotonde heeft de verdachte - terwijl het slachtoffer zich aan de voorkant aan zijn vrachtwagen bevond - meermalen gas gegeven en geremd. Al die tijd bleef het slachtoffer vlak voor de vrachtwagen staan. Ongeveer halverwege de rotonde heeft de verdachte gas gegeven, is het slachtoffer gevallen en is de verdachte met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heengereden. Ten gevolge hiervan is het slachtoffer overleden.
(...)
Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het slachtoffer in het zicht heeft gehad toen het slachtoffer aan de wagen hing en dat hij op een gegeven moment het slachtoffer niet meer zag.
De verdachte zag het slachtoffer nergens staan en dacht dat het slachtoffer in de berm zou staan. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was, dat het moeilijk was om een persoon, die zich vlak voor de vrachtwagen bevond, vanuit de vrachtwagen te zien. Verder heeft hij verklaard dat hij zich ten tijde van het wegrijden van het feit bewust was dat, als het slachtoffer zich op dat moment vlak voor de vrachtwagen bevond, hij door weg te rijden met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heen zou kunnen rijden.
Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de vasthoudendheid van het slachtoffer dat zich reeds gedurende langere tijd bevond respectievelijk hangend aan de vrachtwagen en staande voor de vrachtwagen, de verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het slachtoffer op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het slachtoffer zich niet meer voor de vrachtwagen bevond.
Het is een algemene ervaringsregel dat wanneer iemand wordt overreden door een vrachtwagen als die welke door de verdachte werd bestuurd - ook met de snelheid waarmee de verdachte dat heeft gedaan - de kans aanmerkelijk is dat die persoon daardoor komt te overlijden.
De hiervoor weergegeven gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat derhalve het opzet van de verdachte in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband voor het overige naar voren is gebracht.
Gelet op het vorenstaande is het hof - evenals de advocaat-generaal - van oordeel dat het primair impliciet subsidiar ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen."
2.3.
Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer]. Met zijn overweging dat "de verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het slachtoffer op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het slachtoffer zich niet meer voor de vrachtwagen bevond" heeft het Hof, dat heeft vastgesteld dat de verdachte reeds na een seconde is doorgereden, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van de verdachte dat hij "dacht dat het slachtoffer in de berm zou staan" niet aannemelijk is.
Daarvan uitgaande en mede in aanmerking genomen dat de verdachte [slachtoffer] in het zicht heeft gehad toen deze aan de vrachtwagen hing, hij - in de woorden van de toelichting op het middel - door telkens te remmen en weer langzaam op te trekken heeft geprobeerd [slachtoffer] ertoe te bewegen de vrachtauto los te laten, en hij op een gegeven moment [slachtoffer] niet meer zag, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte door verder te rijden met de vrachtauto, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te vallen en zou komen te overlijden door onder de rijdende vrachtauto te komen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
2.4.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.
Conclusie 16‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Voorwaardelijk opzet doodslag, art. 287 Sr. Met zijn overweging dat “verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het so. op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het so. zich niet meer voor de vrachtwagen bevond” heeft het Hof, dat heeft vastgesteld dat verdachte reeds na een seconde is doorgereden, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van verdachte dat hij “dacht dat het so. in de berm zou staan” niet aannemelijk is. Daarvan uitgaande en mede in aanmerking genomen dat verdachte het so. in het zicht heeft gehad toen deze aan de vrachtwagen hing, hij door telkens te remmen en weer langzaam op te trekken heeft geprobeerd het so. ertoe te bewegen de vrachtauto los te laten, en hij op een gegeven moment het so. niet meer zag, geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte door verder te rijden met de vrachtauto, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het so. zou komen te vallen en zou komen te overlijden door onder de rijdende vrachtauto te komen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
Nr. 14/03187 Zitting: 16 december 2014 | Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte] |
1. Verzoeker is bij arrest van 15 november 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens primair impliciet subsidiair “Doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en heeft het een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat verzoeker voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].
4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:
“hij op 08 april 2011 te Barendrecht, op de openbare weg (te weten de rotonde van de Henri Dunantlaan met de Dudokdreef), opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte daar opzettelijk met een vrachtwagen tegen [slachtoffer] aangereden en over [slachtoffer] heengereden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Op 8 april 2011 ging ik met de trekker naar het transportbedrijf [A] van [slachtoffer] in Barendrecht om met [slachtoffer] te praten.
[slachtoffer] en ik zijn samen zijn kantoor binnengegaan en daar is een discussie ontstaan tussen ons.
Na het gesprek met [slachtoffer] ben ik het bedrijf uitgelopen en ben ik in de cabine van de trekker gestapt. Ik heb vervolgens mijn vrouw gebeld. Ik ben weggereden en heb 112 gebeld toen ik [slachtoffer] buiten zag. Op enig moment had [slachtoffer] de trekker vooraan bij het raam vast. Daar hangen drie handgrepen.
Ik had hem eerst in het zicht. Op een gegeven moment zag ik hem niet meer en ben ik doorgereden.
Indien een persoon binnen een meter afstand van mijn cabine staat, dan kan ik hem niet meer met het blote oog waarnemen.
Als een persoon voor de wagen staat en je rijdt door, ben je je ervan bewust dat je die persoon kan overrijden.
2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 oktober 2011 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik heb hem (het hof begrijpt: [slachtoffer]) altijd in het zicht gehad toen hij er aan hing (het hof begrijpt: aan de vrachtwagen). Op een gegeven moment is hij er af gegaan. Ik keek naar links, naar rechts en voor mij en ik zag hem niet meer. Toen heb ik mijn weg vervolgd. Het moment tussen het hem niet meer zien en het doorrijden heeft een seconde geduurd.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-43. Dit proces-verbaal houdt onder meer i n - zakelijk weergegeven - :
als de op 15 april 2011 afgelegde verklaring van [verdachte]:
Ik zag dat [slachtoffer] voor mijn vrachtwagen ging staan. Ik heb toen lang getoeterd, maar [slachtoffer] bleef voor mijn vrachtwagen staan. Ik zag dat [slachtoffer] zelfs aan de vrachtwagen ging hangen. Halverwege de rotonde kwam er een moment dat ik [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) helemaal niet meer zag.
4.1.Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2011.04.08.124, d.d. 9 september 2011, opgemaakt en ondertekend door de deskundige P.M.I. van Driessche, arts en patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze deskundige:
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard aan de hand van algemene weefselschade opgelopen door fors bloedverlies in combinatie met secundaire belemmering van de ademhaling (ten gevolge van een overrijding).
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17J0 2011107252-46. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op maandag 18 april 2011 werden door mij, verbalisant, een achttal fotoprints gemaakt van de videobewakingsbeelden van de camera die zicht biedt op het Bijdorpplein en de rotonde op de Henry Dunantlaan in de gemeente Barendrecht.
De fotoprints hebben betrekking op de periode gelegen tussen vrijdag 8 april 2011 tussen 11.49.55 uur en 11.50.30 uur.
Op genoemde prints werd door mij het navolgende waargenomen:
Foto 1: (08-04-11 11.49.55)
De blauwe trekker van verdachte rijdt op het Bijdorpplein in de richting van de Henry Dunantlaan. [slachtoffer] houdt zich aan de voorzijde van het voertuig vast.
Foto 4: (08-04-11 11.50.14)
De blauwe trekker van de verdachte rijd halverwege de rotonde van Henry Dunantlaan, [slachtoffer] staat voor de trekker en plaatst een gestrekte arm tegen de voorzijde van genoemd voertuig.
Foto 5: (08-04-11 11.50.21)
De blauwe trekker van de verdachte rijdt halverwege de rotonde op de Henry Dunantlaan, [slachtoffer] staat voor de trekker, [slachtoffer] wordt als het ware "opgeduwd" door de trekker.
Foto 6: (08-04-11 11.50.25)
De blauwe trekker van de verdachte rijdt op "driekwart" op de rotonde van de Henry Dunantlaan. [slachtoffer] wordt door de voorzijde van trekker over het wegdek meegesleurd.
Foto 7: (08-04-11 11.50.27)
De blauwe trekker van de verdachte voegt uit op de rotonde op de Henry Dunantlaan, [slachtoffer] bevindt zich onder het voertuig.
Foto 8: (08-04-11 11.50.30)
[slachtoffer] ligt op de rijbaan op de Henry Dunantlaan.
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 april 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Op een gegeven moment hoorde ik toeteren. Ik keek uit het raam en zag in de straat voor ons gebouw, dat is de Bijdorp Oost, een lichtblauwe trekker staan. Ik zag voor de trekker een man staan. Ik zag dat de man de trekker tegen probeerde te houden. Dat zag ik aan de manier waarop de man voor de trekker stond en aan de wijze waarop hij met zijn armen stond te zwaaien. Ik zag dat de bestuurder van de trekker steeds gas gaf en dan weer afremde. De man voor de trekker ging niet weg en bleef er maar voor staan en lopen. Dit herhaalde zich steeds weer.
Ik zag dat de bestuurder van de trekker op een gegeven moment weer gas gaf en dat de man voor de trekker de voorkant van de trekker vastpakte en eraan ging hangen. Ik zag dat de trekker de rotonde opreed en dat de man nog steeds aan de voorzijde van de trekker hing. Ik zag dat de bestuurder van de trekker duidelijk meer gas gaf met de man nog steeds aan de voorkant van de trekker hangend. Ik zag dat de bestuurder van de trekker hard af remde. Ik zag dat de man die aan de voorkant van de trekker hing er af viel en op de grond terecht kwam. Ik zag dat de trekker weer iets optrok en dat de man toen de bumper aan de voorkant van de trekker vastpakte. Ik zag dat de bestuurder van de trekker iets meer gas gaf en dat de man die op de grond terecht was gekomen een klein stukje aan de voorkant onder de trekker terecht kwam. Ik zag dat de bestuurder van de trekker stopte en tot stilstand kwam. Ik zag toen dat de bestuurder van de trekker gas gaf en toen over de man onder de trekker heen reed. Ik zag de trekker zelfs iets omhoog komen toen deze over de man heen reed.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. P117J0 2011107252-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als de op 8 april 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
Toen ik bij de rotonde kwam bij het bedrijventerrein Bijdorp Oost zag ik op een gegeven moment een lichtblauwe trekker rijden. Deze trekker reed zonder oplegger. Ik zag dat een man aan de voorkant van deze trekker hing. Ik zag dat de bestuurder van de trekker steeds een stukje optrok en dan weer afremde terwijl die man daar zo voor aan die trekker hing.
Ik zag dat de bestuurder van de trekker een aantal keren achter elkaar remde en dan weer gas gaf en een stukje optrok. Ik zag dat de trekker de rotonde opreed. Het was mij duidelijk dat de man voor die trekker wilde dat de bestuurder van de trekker stopte.”
6. Voorts heeft het Hof nog het volgende overwogen ten aanzien van het opzet:
“Overwegingen omtrent hetgeen is ten laste gelegd
Het hof gaat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 8 april 2011 is de verdachte met een vrachtwagen – die hij via het transportbedrijf van [slachtoffer] (het latere slachtoffer) leasede - naar het transportbedrijf [A] van [slachtoffer] in Barendrecht gereden.
Na aankomst aldaar heeft op het kantoor een discussie tussen de verdachte en het slachtoffer plaatsgevonden.
Hierop heeft de verdachte het pand verlaten en is hij naar zijn vrachtwagen gelopen. In de cabine van zijn vrachtauto heeft de verdachte met het alarmnummer 112 en zijn vrouw gebeld. De verdachte is met zijn vrachtwagen weggereden. Rijdend op de Bijdorp Oost in Barendrecht zag hij dat het slachtoffer voor zijn vrachtwagen ging staan. De verdachte heeft getoeterd, het slachtoffer bleef voor de vrachtwagen staan en ging aan de vrachtwagen hangen. Met het slachtoffer hangend aan handgrepen aan de voorzijde van zijn vrachtwagen, is de verdachte richting een nabijgelegen rotonde gereden. Op die rotonde heeft de verdachte - terwijl het slachtoffer zich aan de voorkant aan zijn vrachtwagen bevond - meermalen gas gegeven en geremd. Al die tijd bleef het slachtoffer vlak voor de vrachtwagen staan. Ongeveer halverwege de rotonde heeft de verdachte gas gegeven, is het slachtoffer gevallen en is de verdachte met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heengereden. Ten gevolge hiervan is het slachtoffer overleden.
(…)
Met betrekking tot het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde
“Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het slachtoffer in het zicht heeft gehad toen het slachtoffer aan de wagen hing en dat hij op een gegeven moment het slachtoffer niet meer zag.
De verdachte zag het slachtoffer nergens staan en dacht dat het slachtoffer in de berm zou staan. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was, dat het moeilijk was om een persoon, die zich vlak voor de vrachtwagen bevond, vanuit de vrachtwagen te zien. Verder heeft hij verklaard dat hij zich ten tijde van het wegrijden van het feit bewust was dat, als het slachtoffer zich op dat moment vlak voor de vrachtwagen bevond, hij door weg te rijden met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heen zou kunnen rijden.
Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de vasthoudendheid van het slachtoffer dat zich reeds gedurende langere tijd bevond respectievelijk hangend aan de vrachtwagen en staande voor de vrachtwagen, de verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het slachtoffer op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het slachtoffer zich niet meer voor de vrachtwagen bevond.
Het is een algemene ervaringsregel dat wanneer iemand wordt overreden door een vrachtwagen als die welke door de verdachte werd bestuurd - ook met de snelheid waarmee de verdachte dat heeft gedaan - de kans aanmerkelijk is dat die persoon daardoor komt te overlijden.
De hiervoor weergegeven gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat derhalve het opzet van de verdachte in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband voor het overige naar voren is gebracht.”
7. Onder voorwaardelijk opzet wordt ingeval van een delict als het onderhavige naar het huidig recht verstaan het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. De enkele omstandigheid dat bij de verdachte wetenschap van een aanmerkelijke kans aanwezig is, levert dan nog niet het voorwaardelijk opzet op. Daarvoor is ook nodig dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Met deze belangrijke toevoeging wordt het onderscheid met culpa tot uitdrukking gebracht. Of sprake is van voorwaardelijk opzet of van bewuste schuld zal, indien verklaringen van de verdachte en/of getuigen hier geen of onvoldoende aanknopingspunten bieden, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarnaast kunnen ook de aard van de gedraging en algemene ervaringsregels richtinggevend zijn. Zelfs gebleken onverschilligheid kan tot voorwaardelijk opzet leiden, “vooral – aldus De Hullu2.- als de bewustheid van een risico kan worden vastgesteld (of de algemene bekendheid van zo’n risico voor een normaal mens)”. In het zogenoemde HIV I-arrest heeft de Hoge Raad het voorgaande aldus verwoord3.:
“3.6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.”
8. Het ligt voor de hand dat het oordeel van de feitenrechter, inhoudend dat het voorwaardelijk opzet – in de betekenis van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel – zich uit de aard van de gedraging, de omstandigheden van het geval en/of algemene ervaringsregels laat afleiden, in een bewijsoverweging wordt uitgelegd of verduidelijkt.
9. In de onderhavige zaak heeft het Hof het voorwaardelijk opzet gedefinieerd naar zijn huidige rechtsbetekenis en in zoveel woorden overwogen dat voor de vaststelling van deze vorm van opzet niet alleen vereist is “dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen)”. Anders dan de steller van het middel meent, getuigt deze uitleg van het Hof van voorwaardelijk opzet niet van een onjuiste rechtsopvatting.
10. De door het middel opgeworpen vervolgvraag in cassatie betreft de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat het opzet van verzoeker in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht. Bij dat oordeel heeft het Hof drie op de gebezigde bewijsmiddelen berustende elementen betrokken, te weten:
(i) de verklaring van verzoeker;
(ii) een algemene ervaringsregel; en
(iii) de uiterlijke verschijningsvorm van het rijgedrag van verzoeker.
11. Daarmee heeft het Hof op niet onbegrijpelijke wijze
inzichtelijk gemaakt dat en waarom in het voorliggende geval voorwaardelijk opzet op het gevolg dient te worden aangenomen. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden opgemaakt dat het slachtoffer meermalen voor de vrachtauto is gaan staan en op enig moment aan de vrachtauto is gaan hangen, en dat verzoeker als bestuurder van de vrachtauto herhaaldelijk gas heeft gegeven en tussendoor heeft geremd. Mede gelet op de vasthoudend van het latere slachtoffer [slachtoffer] heeft het Hof kunnen overwegen, gelijk het heeft gedaan, dat verzoeker uit de enkele omstandigheid dat hij naar zijn zeggen [slachtoffer] op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden niet de conclusie mocht trekken dat [slachtoffer] zich niet meer voor de vrachtwagen bevond.4.Dat verzoeker gewoon gas gaf en doorreed nadat hij [slachtoffer] niet meer zag, in plaats van uit te stappen om te kijken of er wat aan de hand was, duidt op de onverschilligheid die voorwaardelijk opzet oplevert (zie hierboven onder 7).
12. Op grond van het voorgaande meen ik dat met het Hof kan worden gezegd dat verzoeker bewust de kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer zou overrijden met de fatale afloop.
13. Daarbij teken ik nog aan dat, anders dan de steller van het middel aanvoert, het Hof niet redengevend voor het bewijs heeft geacht dat verzoeker “dacht” dat het slachtoffer in de berm was gaan staan. In de desbetreffende overweging heeft het Hof slechts een deel uit de verklaring van verzoeker geciteerd en daarmee volstaan.
14. Het middel faalt.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Ik merk op dat op 28 maart 2015 een overschrijding van de redelijke termijn, zestien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, in het vizier komt.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2014
J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk 2012, p. 228.
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma.
Het Hof heeft in de bewijsmiddelen opgenomen dat tussen het moment dat verzoeker het latere slachtoffer niet meer zag en het doorrijden, maar een seconde zat (bewijsmiddel 2). Vgl. ook bewijsmiddel 5.
Beroepschrift 02‑09‑2014
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Namens verzoeker, [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1967, wonende / verblijvende te [woonplaats], draag ik het volgende cassatiemiddel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 15 november 2013, onder parketnummer 22-005231-11, waarbij verzoeker wegens ‘doodslag’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren:
Middel:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. Het oordeel van het hof dat verzoeker opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk.
Het hof heeft met betrekking tot het opzet het volgende overwogen:
‘Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling daarvan is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het slachtoffer in het zicht heeft gehad toen het slachtoffer aan de wagen hing en dat hij op een gegeven moment het slachtoffer niet meer zag. De verdachte zag het slachtoffer nergens staan en dacht dat het slachtoffer in de berm zou staan. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich ervan bewust was, dat het moeilijk was om een persoon, die zich vlak voor de vrachtwagen bevond, vanuit de vrachtwagen te zien. Verder heeft hij verklaard dat hij zich ten tijde van het wegrijden van het feit bewust was dat, als het slachtoffer zich op dat moment vlak voor de vrachtwagen bevond, hij door weg te rijden met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heen zou kunnen rijden.
Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de vasthoudendheid van het slachtoffer dat zich reeds gedurende langere tijd bevond respectievelijk hangend aan de vrachtwagen en staande voor de vrachtwagen, de verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het slachtoffer op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het slachtoffer zich niet meer voor de vrachtwagen bevond.
Het is een algemene ervaringsregel dat wanneer iemand wordt overreden door een vrachtwagen als die welke door de verdachte werd bestuurd — ook met de snelheid waarmee de verdachte dat heeft gedaan — de kans aanmerkelijk is dat die persoon daardoor komt te overlijden.
De hiervoor weergegeven gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat derhalve het opzet van de verdachte in voorwaardelijk zin op de dood van het slachtoffer was gericht, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband voor het overige naar voren is gebracht.’
Opzettelijk handelen is wetens en willens handelen. In de rechtspraak wordt het wilsaspect vaak omschreven met de woorden ‘bewust aanvaarden’ (van de aanmerkelijke kans op het gevolg). De enkele omstandigheid dat wetenschap (van een aanmerkelijke kans) bij de verdachte aanwezig is, is niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Er kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld. In dat geval zou kunnen worden gezegd dat de verdachte met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet (in voorwaardelijke vorm) op het gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet, zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging(en) en de omstandigheden waaronder deze is (zijn) verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de hierboven aangehaalde overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof betekenis heeft toegekend aan de verklaring van verzoeker dat hij zich bewust was van het feit dat ‘als het slachtoffer zich op dat moment vlak voor de vrachtwagen bevond, hij door weg te rijden met zijn vrachtwagen over het slachtoffer heen zou kunnen rijden’. Het hof heeft echter ook redengevende betekenis toegekend aan de verklaring van verzoeker dat hij ‘dacht dat het slachtoffer in de berm zou staan’. De (door het hof als redengevend beoordeelde) verklaring van de verdachte geeft in zoverre inzicht in hetgeen ten tijde van de gedraging in verzoeker is omgegaan; hij dacht dat het slachtoffer in de berm was gaan staan en zich dus niet meer voor de vrachtwagen bevond. Toen verzoeker zijn belager (het latere slachtoffer — [slachtoffer]) niet meer zag, is hij doorgereden.
Bewijsmiddel 1 :
‘(…) Ik had hem eerst in het zicht. Op een gegeven moment zag ik hem niet meer en ben ik doorgereden. (…).’
Bewijsmiddel 2:
‘Ik heb hem (het hof begrijpt: [slachtoffer]) altijd in het zicht gehad toen hij er aan hing (het hof begrijpt: aan de vrachtwagen). Op een gegeven moment is hij er af gegaan. Ik keek naar links, naar rechts en voor mij en ik zag hem niet meer. Toen heb ik mijn weg vervolgd. (…).’
De feitelijke omstandigheden van het geval, in combinatie met hetgeen klaarblijkelijk (ook naar het oordeel van het hof) in verzoeker is omgegaan, duiden er niet op dat het opzet van verzoeker gericht is geweest op het gevolg (t.w. het overlijden van [slachtoffer]). Het oordeel van het hof dat de gedragingen van verzoeker ‘naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat derhalve het opzet van de verdachte in voorwaardelijk zin op de dood van het slachtoffer was gericht’, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk.
Verzoeker heeft door (telkens) te remmen en weer langzaam op te trekken, geprobeerd [slachtoffer] er toe te bewegen de vrachtauto los te laten. Toen [slachtoffer] uiteindelijk losliet, dacht verzoeker dat [slachtoffer] in de berm was gaan staan en dat hij (verzoeker) zijn weg ongehinderd kon vervolgen.
Het handelen van verzoeker lijkt erop te duiden dat hij (verzoeker) een (verdere) confrontatie met [slachtoffer] heeft willen voorkomen en dat hij zich uit een voor hem bedreigende situatie heeft willen verwijderen op het moment dat zich de mogelijkheid daartoe voordeed. Achteraf kan wellicht geoordeeld worden dat hij daarbij onachtzaam of onvoldoende voorzichtig (of mogelijk zelfs roekeloos) heeft gehandeld, maar niet dat hij bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft aanvaard. Er was geen sprake van wezenlijke onverschilligheid, maar — achteraf gezien — van het verkeerd beoordelen van de situatie. Onder deze omstandigheden is het oordeel van het hof dat verzoeker de kans dat het gevolg zou intreden ‘ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard’, onbegrijpelijk.
Daar komt bij dat het bij (voorwaardelijk) opzet moet gaan om een aanmerkelijke kans. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De aard van de gedraging (het wegrijden met een vrachtwagen) is niet per se gevaarzettend en roept dan ook niet per se de aanmerkelijke kans op overlijden in het leven. De omstandigheden waaronder verzoeker besloot om weg te rijden, dwingen evenmin tot het oordeel dat er sprake was van een gedraging die een aanmerkelijke kans op overlijden in het leven roept. Deze omstandigheden komen — zakelijk weergegeven — op het volgende neer:
- —
Er was, kort voordat verzoeker in de vrachtwagen was gestapt, een confrontatie geweest tussen [slachtoffer] en verzoeker.
- —
Bij die confrontatie was [slachtoffer] niet slechts verbaal agressief geweest in de richting van verzoeker, maar ook fysiek agressief.
- —
Verzoeker had zich aan verdere escalatie kunnen onttrekken en was in de vrachtwagen gestapt met de bedoeling om het bedrijventerrein te verlaten.
- —
Vervolgens werd hij geconfronteerd met het feit dat [slachtoffer] hem het wegrijden probeerde te beletten door voor de vrachtwagen te gaan staan en aan de vrachtwagen te gaan hangen.
- —
Verzoeker raakte in paniek en heeft telefonisch om hulp gevraagd.
- —
Ondertussen bleef [slachtoffer] de confrontatie zoeken door (telkens opnieuw) voor de vrachtwagen te gaan staan en aan de vrachtwagen te gaan hangen.
- —
Verzoeker heeft geprobeerd om aan de confrontaties een einde te maken door (telkens) voorzichtig op te trekken en te remmen, in de hoop dat [slachtoffer] de vrachtwagen los zou laten en aan de kant zou gaan (zodat hij — verzoeker — rustig zou kunnen vertrekken).
- —
Toen [slachtoffer] de vrachtwagen uiteindelijk losliet, dacht verzoeker dat hij in zijn opzet was geslaagd en dat [slachtoffer] zijn pogingen om hem (verzoeker) tegen te houden had opgegeven en in de berm was gaan staan.
- —
Voor verzoeker was dat het moment om weg te rijden.
- —
Verzoeker heeft (vlak voor hij wegreed) niet gezien dat [slachtoffer] niet in de berm was gaan staan, maar daarentegen onder de vrachtauto terecht was gekomen. Verzoeker wijst er in dit verband op dat de vrachtwagen (DAF XF 105) een zeer grote vrachtwagen is met een enorme dode hoek. Een volwassen persoon die binnen een afstand van 1.20 m. voor de vrachtwagen loopt of staat, is daardoor onzichtbaar voor de chauffeur. Het is daarom evident dat verzoeker [slachtoffer] sowieso niet heeft kunnen zien toen deze zich — nadat hij had de vrachtwagen had losgelaten — voor het voertuig bevond. Ook aan de zijkant en de achterkant van de vrachtwagen bevinden zich grote dode hoeken, waardoor personen die zich daarin bevinden voor de chauffeur niet zichtbaar zijn.
Het hof oordeelde dat verzoeker, ‘mede gelet op de vasthoudendheid van het slachtoffer dat zich reeds gedurende langere tijd bevond respectievelijk hangend aan de vrachtwagen en staande voor de vrachtwagen’, ‘uit de enkele omstandigheid dat hij het slachtoffer op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het slachtoffer zich niet meer voor de vrachtwagen bevond’. Dit oordeel is, zonder nadere motivering, niet zonder meer begrijpelijk. Het oordeel roept immers de vraag op; waarom heeft verzoeker onder de gegeven omstandigheden die conclusie redelijkerwijze niet mogen trekken? Er was immers geen enkele reden voor [slachtoffer] om voor de vrachtwagen te gaan staan of aan de vrachtwagen te gaan hangen. Bovendien was het (telkens) remmen en voorzichtig optrekken met de vrachtwagen er op gericht een einde te maken aan de confrontaties. Verzoeker meende, en mocht menen, dat hij in zijn pogingen geslaagd was en dat [slachtoffer] de handdoek in de ring had gegooid en dat hij ([slachtoffer]) eindelijk de weg voor hem (verzoeker) had vrijgemaakt om te kunnen wegrijden. Het is geen moment bij verzoeker opgekomen dat [slachtoffer] onder de vrachtauto terecht zou kunnen zijn gekomen. De snelheid van het voertuig was — in zijn beleving — te laag om zijn belager van de sokken te rijden. Ook objectief gezien waren de omstandigheden van het geval niet zodanig dat (op basis van algemene ervaringsregels of anderszins) geconcludeerd kan worden dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg van de gedragingen van verzoeker (in het bijzonder door het wegrijden nadat [slachtoffer] de vrachtwagen had losgelaten) zou komen te overlijden. Verzoeker heeft niet (kunnen) voorzien dat [slachtoffer] — al dan niet ten gevolge van zijn (verzoekers) handelen — onder de vrachtwagen terecht was gekomen. Dat er een algemene ervaringsregel zou zijn waaruit volgt ‘dat wanneer iemand wordt overreden door een vrachtauto (…) de kans aanmerkelijk is dat die persoon daardoor komt te overlijden’, doet hieraan niet af. Het hof had immers moeten beoordelen of in dit concrete geval de gedraging(en) van verzoeker de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] in het leven hebben geroepen, en niet of in het algemeen de kans aanmerkelijk is dat iemand komt te overlijden wanneer hij wordt overreden door een vrachtauto. Het oordeel van het hof geeft (ook) op dit punt blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de Ossekop 11 (Postbus 324, 8901 BC), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Leeuwarden, 2 september 2014
J. Boksem