Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.2.2.5:8.5.4.2.2.5 (Ontwikkeling en) totstandbrenging vastgoed
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.2.2.5
8.5.4.2.2.5 (Ontwikkeling en) totstandbrenging vastgoed
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291120:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11, m.nt. Blokland.
In gelijke zin: Blokland, noot bij HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen van toepassing is indien het onroerende bedrijfsmiddel belast is geleverd aan de als zodanig handelende belastingplichtige zal duidelijk zijn. Uit de vorige paragrafen volgt echter dat ook zonder een belaste ingaande (op)levering van een onroerend goed sprake kan zijn van een investeringsgoed waarop de bijzondere herzieningsregeling van toepassing is. Een opgeleverd werk in onroerende staat, zoals een opgeleverd gebouw, is in beginsel een investeringsgoed, ook indien deze handeling als een dienst kwalificeert (zie paragraaf 8.5.4.2.2.2). Bij dit investeringsgoed kwalificeert derhalve niet de afgenomen handeling(en) – bouwdiensten bijvoorbeeld – maar het resultaat van die handeling(en) als het investeringsgoed. Ook verbouwingsdiensten, al dan niet in combinatie met de levering van niet-investeringsgoederen, die bestaan in duurzame aanpassingen van vastgoed kunnen een afzonderlijk (onroerend) investeringsgoed vormen (zie paragraaf 8.5.4.2.2.4). In die situatie is eveneens het resultaat van die duurzame aanpassingen, zoals de gerealiseerde uitbouw, het investeringsgoed waarop de bijzondere herzieningsregeling van toepassing is.
Het is echter niet noodzakelijk dat voormelde werkzaamheden die resulteren in een afzonderlijk onroerend investeringsgoed door een derde worden verricht. Een belastingplichtige kan deze werkzaamheden ook zelf verrichten. Hierbij kan gedacht worden aan een bouwbedrijf dat zijn eigen bedrijfsgebouw realiseert. In dat geval is het de belastingplichtige zelf die het onroerend investeringsgoed ontwikkelt en tot stand brengt en hiervoor de benodigde belaste handelingen afneemt. Ook in dat geval is het resultaat van die ontwikkeling en totstandbrenging – het (ontwikkelde en) tot stand gebrachte onroerende goed – beslissend voor de vraag of sprake is van een investeringsgoed waarop de bijzondere herzieningsregeling van toepassing is.1 Naar mijn mening is dat ook wenselijk. Op grond van de concurrentieneutraliteit dient het zelf realiseren van een onroerend bedrijfsmiddel naar mijn mening niet anders te worden behandeld dan het laten realiseren van onroerend bedrijfsmiddel door een derde. Daarnaast acht ik het toepassen van de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen op deze bedrijfsmiddelen in overeenstemming van de ratio van deze herzieningsregeling.2 Het gaat immers om onroerende bedrijfsmiddelen die normaliter gedurende een periode van meerdere jaren wordt gebruikt waardoor het ‘volgen’ van het gebruik van dit bedrijfsmiddel gedurende meerdere jaren een zo nauwkeurig mogelijke berekening van de aftrek waarborgt (zie paragraaf 8.5.2).