Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.5.3.1
2.5.3.1 De invulling van het winstbegrip in het jaarrekeningenrecht en de bedrijfseconomie
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630371:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Besluit actuele waarde 13 oktober 2015, BWBR0018438.
Voor een uitgebreide analyse van de verhouding tussen IFRS en de fiscale aangifte verwijs ik naar Kampschöer 2004: ‘De invoering van IFRS in het jaarrekeningrecht heeft slechts een beperkte directe invloed op het fiscale recht. Wel zal IFRS grote invloed hebben op de verhouding tussen het jaarrekeningrecht en het fiscale recht. Hierdoor zal een groot aantal nieuwe (verschillen) ontstaan tussen de jaarrekening en de aangifte vennootschapsbelasting. (…) De indirecte invloed van de invoering van IFRS in het jaarrekeningrecht op het fiscale recht zal niet moeten worden onderschat. Maar dat zal met name op lange termijn zijn; voor de korte termijn is er (…) vooralsnog fiscaal geen reden om bang te zijn voor de invoering van IFRS in het jaarrekeningrecht.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Slot en Vijn.
Zie ook Holmes. Hij omschrijft inkomen als volgt: ‘the possibly dominating psychological effects that determine a person’s overall well-being”. Inkomen wordt door Holmes derhalve gezien als alles wat voor het individu nut oplevert en bijdraagt aan zijn welzijn. Holmes.
L.G.M. Stevens 2014, onderdeel 200.
Berkhout 2021. Berkhout gaat uitvoerig in op de veranderingen in de bedrijfseconomie in de afgelopen jaren (de periode sinds 1957 tot heden).
L.G.M. Stevens 2009, pagina 173-174.
L.G.M. Stevens 2009, pagina 173-174.
Commissie totaalwinst, pagina 33.
Het doel van de jaarrekening wordt in artikel 2:362, lid 1 BW beschreven: ‘de jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon (…).’1 Anders dan in het fiscale recht ontbreekt er voor het jaarrekeningenrecht een definitie van het begrip totaalwinst. Dit komt doordat de jaarrekening meer gestoeld is op het vermogen dan de winst. Voor jaarrekeningen opgesteld onder de regels van de RJ is wel bepaald dat als vermogensbestanddelen tegen de actuele waarde worden gewaardeerd de waardestijging niet direct als resultaat mag worden verantwoord. Waardestijgingen moeten zijn verwezenlijkt alvorens deze als resultaat kunnen worden verantwoord (artikel 2:384 lid 2 BW). Ook commercieel geldt er dus een realisatie-eis. Technisch gesproken leidt het uitstel van het nemen van een waardemutatie als resultaat tot het verantwoorden van die mutatie via de herwaarderingsreserve. Dit is geregeld in artikel 2:390 BW. Voor sommige andere activa en passiva leiden waardemutaties wel onmiddellijk tot resultaat op grond van hun liquide karakter, zoals beursgenoteerde effecten. Dit is als volgt gemotiveerd in de Nota van Toelichting:
‘Bij beleggingen wordt internationaal de verkoop van de objecten niet als voorwaarde gesteld voor het verantwoorden van de waardemutaties als resultaat. De IAS/IFRS (…) gaan ervan uit dat bij waardering tegen de marktwaarde, waardestijgingen en -dalingen van beleggingen van onroerende zaken onmiddellijk als resultaat worden verantwoord. Er is geen reden deze wijze van presentatie te verbieden voor niet ter beurze genoteerde ondernemingen’.2
Voor jaarrekeningen opgesteld onder de regels van IFRS gelden zeer uitgebreide waarderingsregels, maar is ook geen definitie van totaalwinst opgenomen. Een op basis van IFRS opgestelde jaarrekening is gestoeld op fair value waardering.3 Hierdoor worden vermogensmutaties direct als resultaat verantwoord. De BBV kent weer geheel eigen regels, waarbij als hoofdregel geldt dat baten en lasten moeten worden verantwoord in het jaar waar ze betrekking op hebben.
In de bedrijfseconomie is wel meer aandacht aan het winstbegrip besteed.456 Uit een uitvoerige analyse van Berkhout over de invulling van het winstbegrip in de bedrijfseconomie blijkt echter wel dat de bedrijfseconomische leer in de afgelopen jaren aanmerkelijk is gewijzigd en dus in de tijd aan wijziging is onderheven.7 Binnen de bedrijfseconomie kunnen in essentie drie winstbegrippen worden gehanteerd, te weten (i) het nominalistische winstbegrip, (ii) het substantialistische winstbegrip en (iii) het realistische winstbegrip.8 Het nominalistische winstbegrip houdt geen rekening met inflatie, maar rekent elke nominale vermogensverandering tot de winst. Het substantialisme is gericht op de handhaving van het ondernemingscomplex. Het realisme is ten slotte gericht op de handhaving van de algemene koopkracht. L.G.M. Stevens is van mening dat erkend moet worden dat de bedrijfseconomie tot een waardevolle verdieping van het winstbegrip heeft bijgedragen, maar ook dat tal van vragen onopgelost zijn gebleven. Hij merkt hierbij op dat zelfs over de kernvraag, of winst het voordeel is dat in feite werd behaald, dan wel het bedrag is dat voor vrije besteding, resp. voor uitkering, beschikbaar is – eigenlijk dus een kwestie van financiering en winstbestemming –, geen eenstemmigheid is.9 De Commissie totaalwinst meent op basis van een analyse van de bedrijfseconomische literatuur dat er geen eenduidig bedrijfseconomisch totaalwinstbegrip bestaat dan wel daarover binnen de bedrijfseconomische literatuur onvoldoende is geschreven om van enige consensus te kunnen spreken.10