Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.2.3
2.2.3 Klachtdelicten: geen onbetwist gedachtengoed
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946096:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreider: Schönfeld 1886, p. 10-12. Alsmede de door Schönfeld aangehaalde werken: Archiv des Criminalrechts 1838, p. 618 en Archiv des Criminalrechts 1847, p. 391.
Schönfeld 1886, p. 12.
Zie hierover uitgebreider Schönfeld 1886, p. 12-16 alsmede de Duitse literatuur waarnaar hij verwijst: Dochow, die Antragsdelikte im Reichsstrafrecht in Holtzendorffs Handbuch, Ergänzungen IV, p. 255-258; K. Binding, Handbuch des Strafrechts, p. 602-603; Von Liszt, Lehrbuch des Deutschen Strafrechts, p. 173-174; Hälschner, das Gemeine Deutsche Strafrecht I, p. 710-711; Medem in Gerichtssaal XXIX, p. 506 e.v. In deze discussie lieten met name Binding en Medem zich gelden als duidelijke tegenstanders van klachtdelicten.
Handelingen der Nederlandsche Juristen-Vereeniging, ’s-Gravenhage: Gebr. Belinfante 1877.
NJV 1877, Handelingen I, p. 138-141.
NJV 1877, Handelingen I, p. 141.
NJV 1877, Handelingen I, p. 157-181.
NJV 1877, Handelingen I, p. 163.
NJV 1877, Handelingen I, p. 166.
NJV 1877, Handelingen II, p. 115-123.
NJV 1877, Handelingen II, p. 124.
NJV 1877, Handelingen II, p. 132.
NJV 1877, Handelingen II, p. 131-133 en 161-162
NJV 1877, Handelingen II, p. 136-137.
NJV 1877, Handelingen II, p. 141-144.
NJV 1877, Handelingen II, p. 163-164.
Teixeira de Mattos 1877, p. 221-237.
Sprenger 1881, p. 55.
Sprenger 1881, p. 60-62.
Het bestaan van en de redengeving voor klachtdelicten betrof in de negentiende eeuw evenmin onbetwist gedachtengoed. Deze uitzondering op de regel dat het openbaar ministerie ambtshalve zorgdraagt voor vervolging kende zowel in het binnenland als in het buitenland voor- en tegenstanders.
Mittermaier en Zachariae zijn twee voorname verdedigers van klachtdelicten wier ideeën uit de eerste helft van de negentiende eeuw van grote invloed zijn geweest op het Duitse en het Nederlandse stelsel. Zij komen beiden tot een drietal categorieën delicten dat van een klachtvereiste zou moeten worden voorzien.1
Mittermaier meent dat een klachtvereiste moet worden toegevoegd aan misdrijven die uit hun aard te nauw samenhangen met familiebelangen en waarbij het leed van het misdrijf overtroffen zou worden door de ruchtbaarheid die gepaard gaat met een vervolging. Hierbij doelt hij bijvoorbeeld op familiediefstal en schaking. Daarnaast wijst Mittermaier op misdrijven die hoofdzakelijk het gevoel van het slachtoffer raken en die des te pijnlijker worden als daaraan meer ruchtbaarheid wordt gegeven, zoals bijvoorbeeld beledigingen. Als derde categorie klachtdelicten wijst Mittermaier op misdrijven waarbij het moeilijk te bepalen zou zijn of het wezenlijk strafbare feiten zijn of feiten die uitsluitend tot civielrechtelijke aansprakelijkheidstelling dienen te leiden. Mittermaier doelt daarbij op bijvoorbeeld bedrog en verduistering.
Zachariae komt eveneens tot drie categorieën misdrijven die een klachtvereiste behoeven, maar zijn invulling van die drie groepen wijkt af van hetgeen Mittermaier voorstaat. Zachariae wijst ten eerste op misdrijven waarbij de strafoplegging hoofdzakelijk tot doel heeft genoegdoening van het slachtoffer ter voorkoming van eigenrichting. Onder deze groep schaart Zachariae beledigingen en lichte mishandelingen. Daarnaast wijst Zachariae op misdrijven waarbij de aard van het vergrijp door de persoonlijke relatie tussen de dader en het slachtoffer een verandering zou ondergaan die met zich brengt dat de Staat zich in beginsel van inmenging moet onthouden. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn bij familiediefstal. De laatste categorie betreft misdrijven die volgens Zachariae – in tegenstelling tot de eerste twee categorieën – een op zichzelf strafbaar feit opleveren, ongeacht de betrekking tussen de dader en het slachtoffer, maar waarbij met name gelet wordt op het belang van het slachtoffer én het belang van zijn naasten dat de (familie)eer en rust wordt beschermd. Dit kan volgens Zachariae ertoe nopen dat de Staat slechts op klacht van die naasten kan vervolgen. Zachariae doelt daarbij bijvoorbeeld op overspel en schaking.
Een belangrijke vaststelling op basis van het gedachtegoed van Mittermaier en Zachariae is dat indertijd niet slechts één redengeving voor het klachtvereiste bestond. De aanleiding voor het al dan niet toevoegen van een klachtvereiste was dus niet steeds dezelfde en het karakter van het klachtvereiste was als het ware diffuus. Een tweede belangrijke vaststelling is dat uit de toelichting van Mittermaier en Zachariae is te ontwaren dat zij allebei het klachtvereiste een plaats toebedelen bij de beoordeling of materieelrechtelijk gezien sprake is van een strafbaar feit. Mittermaier benoemt een derde categorie, waarbij slechts in geval van een klacht sprake zou zijn van een wezenlijk strafbaar feit. Zachariae meent dat zijn derde categorie juist de enige is die – ook bij het uitblijven van een klacht – een strafbaar feit oplevert. Het klachtvereiste zou het slachtoffer dus niet alleen laten bepalen of het tot vervolging kan komen. Het zou evenwel een functie vervullen ter signalering dat bepaald handelen materieelrechtelijk gezien als strafbaar heeft te gelden.
De negentiende-eeuwse literatuur bevat echter ook kritiek op klachtdelicten. Het kritische geluid werd gevoed door de stevige uitbreiding van het aantal klachtdelicten in het Duitse strafwetboek van 1871. Het voornaamste pijnpunt was dat het ontbrak aan duidelijkheid waarom bepaalde delicten wel en andere niet als klachtdelicten werden aangemerkt. Schönfeld spreekt in dit verband van ‘stelselloosheid’.2 Dit gebrek aan een duidelijke systematiek leidde ertoe dat in de Duitse literatuur meer aandacht ontstond voor klachtdelicten en voedde met name de discussie over de redengeving voor het bestaan van klachtdelicten. Daarbij werd enerzijds het bestaansrecht van klachtdelicten betwist en werd anderzijds getracht de klachtdelicten zo te groeperen dat sprake was van een duidelijke systematiek.3 Dit laatste bleek lastig nu in de Duitse wetgeving zonder eenduidig idee een groot aantal delicten reeds als klachtdelict was aangemerkt.
Om niet in diezelfde valkuil te trappen is in Nederland – vóór de totstandkoming van een nieuw Wetboek van Strafrecht – door de Nederlandsche Juristen-Vereeniging uitgebreid van gedachten gewisseld over dit onderwerp op de jaarvergadering van 1877.4 Dit leidde tot de meest fundamentele binnenlandse bijdrage aan de discussie omtrent de redengeving voor klachtdelicten. Het strafrechtelijke vraagpunt voor de vergadering betrof: ‘Van welke beginselen behoort de wetgever uit te gaan bij de aanwijzing der misdrijven die niet dan op klagte vervolgbaar zijn?’ Voorafgaand aan de vergadering hebben preadviseurs Van Swinderen en Kist gepoogd deze vraag van een bevredigend antwoord te voorzien.
Van Swinderen stelt in diens preadvies voorop dat de beginselen die men huldigt op het gebied van strafrecht van beslissende invloed zijn voor het antwoord op de gestelde vraag. Hij meent dat de door de NJV gestelde vraag pas kan worden beantwoord indien is aangewezen op welk standpunt men zich plaatst op strafrechtelijk gebied, met name ten aanzien van de begrippen misdrijf en straf. Van Swinderen zet vervolgens uiteen dat hij onder misdrijf elke rechtskrenking verstaat die intellectueel – dus niet materieel of geldelijk te waarderen – nadeel veroorzaakt. Daaraan voegt hij toe dat door het misdrijf niet slechts aan de Staat, maar ook aan het individu intellectueel nadeel wordt toegebracht. Onder straf verstaat hij de uitwissing van die indruk. De straf heeft tot doel opheffing en herstel van het nadeel dat aan de Staat en aan het individu is toegebracht. Van Swinderen vervolgt door erop te wijzen dat de straf oorspronkelijk slechts ten doel had het nadeel van het individu te herstellen, maar dat nadien de publiekrechtelijke strekking van de straf op de voorgrond trad en de privaatrechtelijke strekking meer op de achtergrond is geraakt. Tot slot stelt Van Swinderen vast dat de strafvervolging door dezelfde beginselen wordt beheerst als de straf zelf en dat ook het vervolgingsrecht steeds meer is verschoven van het individu naar de Staat. Hij stelt vast dat particuliere vervolging is verdwenen. Niettemin meent Van Swinderen dat dit niet betekent dat ambtenaren van de Staat in alle gevallen uit eigen hoofde een strafvervolging kunnen starten. Via deze vaststellingen springt Van Swinderen naar de volgende conclusie: ‘Vervolging op klagte worde voorgeschreven bij alle misdrijven, waarbij het intellectueel nadeel aan den individu toegebracht, overwegend is.’5
Van Swinderen wijdt weinig woorden aan de onderbouwing van die laatste stelling, ondanks dat zijn vaststellingen niet nopen tot deze conclusie. Van Swinderen heeft de vraag van de NJV zodoende al bovenaan de vierde pagina van zijn preadvies beantwoord, waarna het overgrote deel van het preadvies ziet op een onderzoek naar de vraag bij welke misdrijven vervolging op klachte moet worden voorgeschreven. Daarover schrijft hij: ‘Het ligt echter in den aard der zaak, dat men hierover zeer verschillend kan denken, omdat hier bijna alles afhangt van iemands subjectief oordeel, daar bij een en hetzelfde misdrijf volgens den een het intellectueel nadeel aan den individu toegebragt, overwegend zal zijn, volgens den ander niet.’6 De wijze waarop Van Swinderen de vraagstelling van de NJV heeft benaderd is teleurstellend nu juist een meer gedegen beschouwing van mogelijke grondbeginselen voor klachtdelicten had kunnen bijdragen aan het antwoord op de vraag welke misdrijven als klachtdelict dienen te worden aangemerkt.
De tweede preadviseur, Kist, benadert de vraagstelling fundamenteler.7 Dit blijkt reeds uit diens openingsbeschouwing, waarin hij de vraagstelling van de NJV als strikvraag duidt. Volgens Kist is met de vraag van de NJV – welke beginselen met zich brengen dat bepaalde delicten slechts op klacht dienen te worden vervolgd – vooronderstelt dat er beginselen bestaan waarop klachtdelicten dienen te worden gestoeld. Kist wijst erop dat het strafrecht een deel is van het publiekrecht en dat straffen worden bedreigd en voltrokken in het belang van de maatschappij; niet in het belang van de persoon die voorwerp was van het misdrijf. Om die reden geschiedt vervolging ambtshalve, in het belang van de gemeenschap, door het openbaar ministerie. Dit betekent volgens Kist dat het toekennen van invloed op de vervolging aan de private wil uit de aard van de zaak uitzondering is en hij stelt de vraag of er beginselen zijn die maken dat een dergelijke uitzondering noodzakelijk zou zijn.
Kist stelt voorop dat – gelet op het grote verschil in wetgevingen op dit punt en gelet op de uiteenlopende standpunten in de literatuur – deze vraag niet eenvoudig te beantwoorden kan zijn. Dat weerhoudt Kist er niet van vijf beginselen te benoemen waarmee het aanwijzen van klachtdelicten volgens hem hoofdzakelijk wordt gerechtvaardigd.
Het eerste beginsel dat Kist benoemt, houdt in dat de algemene belangen van de maatschappij door bepaalde misdrijven niet worden geacht te zijn verstoord indien de benadeelde deze vrijwillig draagt. Kist stelt daartegenover dat als een misdrijf reeds is gepleegd, de verstoring van het algemeen belang niet afhankelijk kan zijn van de toevallige omstandigheid dat de benadeelde vervolging wenst. Daarbij acht hij het in het bijzonder problematisch dat die wens van de benadeelde zou moeten blijken uit een handeling – het indienen van de klacht – die pas dagen of weken na het misdrijf plaatsvindt. De tweede grondslag die voor klachtdelicten wordt aangedragen betreft volgens Kist het gegeven dat de deugd van vergevingsgezindheid niet aan banden behoort te worden gelegd waar het zonder nadeel voor het algemeen belang kan geschieden. Kist meent echter dat het bevorderen van vergevingsgezindheid buiten het publiekrecht valt. De gedachte dat de benadeelde het recht zou hebben het misdrijf kwijt te schelden, steunt volgens Kist op een verwarring van publiekrecht en private verhoudingen. Voor het derde beginsel heeft Kist geen goed woord over. Het betreft de stelling dat sommige misdrijven door het openbaar ministerie moeilijk kunnen worden opgespoord indien de benadeelde geen klacht doet. De moeilijkheid om op te sporen, mag volgens Kist nooit een motief zijn om niet te vervolgen. Kist signaleert ook dat dit argument tot een aanzienlijke uitbreiding van het aantal klachtdelicten zou leiden, omdat veel andere delicten eveneens moeilijk zijn op te sporen zolang het slachtoffer zich niet roert.
Na dit drietal beginselen dat Kist snel terzijde schuift, komt de preadviseur toe aan de bespreking van twee beginselen die hij bestempelt als zijnde ‘van meer gewicht’.8 Het vierde beginsel houdt in dat bij sommige misdrijven het private belang meer geschaad wordt door vervolging, dan het publieke belang wordt geschaad bij niet-vervolging. Het private belang is daarbij vooral gelegen in (het voorkomen van) de publiciteit die een vervolging met zich zou kunnen brengen of in de aantasting van het familieleven die een vervolging zou kunnen veroorzaken vanwege de nauwe (familiaire) band tussen de pleger en het slachtoffer. Kist signaleert dat verschillende schrijvers bij de bespreking van dit beginsel een vergissing begaan door te vergelijken of de vervolging voor het slachtoffer een grievender leed oplevert dan het misdrijf zelf. Kist verduidelijkt: ‘Het beginsel, zuiver opgevat, berust niet op eene vergelijking van privaat leed met privaat leed, maar van privaat leed met publiek nadeel.’9 Hoewel dit beginsel volgens Kist van meer gewicht is, heeft hij daartegen toch verschillende bezwaren. Zo meent de preadviseur dat het algemene en het private belang bezwaarlijk voor vergelijking vatbaar zijn. Het nadeel voor het slachtoffer is beperkt tot het enkele misdrijf, terwijl het nadeel van de Staat bij niet-vervolging zeer gecompliceerd is nu de aard van het strafrecht met zich brengt dat de vervolging van elk misdrijf niet op zichzelf staat, maar samenhangt met de beteugeling en bestraffing van soortgelijke en andere misdrijven in het algemeen. Kist stelt in dit verband dat het niet in overeenstemming is met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht om maatschappelijke belangen afhankelijk te stellen van de wil van het slachtoffer. Kist meent dat het publiek belang op de voorgrond moet staan en dat slechts indien dat belang toelaat dat een misdrijf niet wordt vervolgd, ten rade wordt gegaan bij het private belang. De feiten waarbij het publiek belang zo weinig is betrokken dat steeds voorrang zou kunnen worden verleend aan het private belang bij de vraag of vervolgd moet worden – en het publiekrechtelijke karakter van de strafbaarstelling dus onvoldoende op de voorgrond treedt – dienen in de ogen van de preadviseur in het geheel niet strafbaar te zijn. Daarnaast meent Kist dat het niet billijk en ook niet doelmatig is om via een klachtvereiste voorrang te verlenen aan het private belang. Kist stelt zich daarbij de vraag waarom in het strafrecht, en dus in het publiekrecht, de vergelijking van private en publieke belangen zou moeten worden overgelaten aan de vertegenwoordiger van het privaat belang en niet aan de behartiger van het publiek belang.
De vijfde en laatste grond op basis waarvan de klachtdelicten, volgens Kist, veelal worden verdedigd betreft de stelling dat het strafbaar stellen van sommige misdrijven van minder belang in de eerste plaats strekt tot bevrediging van de benadeelde. Kist stelt voorop dat waar het slechts de bevrediging van het individu betreft men feitelijk treedt op het gebied van het civiele recht, terwijl het strafrecht – deel uitmakend van het publiekrecht – ziet op vergrijpen waardoor de Staat wordt gekrenkt. Kist leidt hieruit af dat een vergrijp slechts als delict dient te worden aangemerkt indien men aanneemt dat het een vergrijp tegen de Staat betreft. De bestraffing van een dergelijk feit kan volgens Kist niet hoofdzakelijk – en zeker niet uitsluitend – bedoeld zijn ter bevrediging van het gekrenkte gevoel van het individu. Kist concludeert dan ook dat strafbare feiten zoals hierboven bedoeld in beginsel niet kunnen bestaan en in het verlengde daarvan niet als klachtdelicten kunnen worden aangemerkt. Opvallend genoeg vervolgt Kist met de mededeling dat deze grond voor klachtdelicten zijns inziens de meeste overweging verdient. Dit is volgens Kist een gevolg van de gebleken moeilijkheid om het strafrecht en het privaatrecht behoorlijk afgebakend te houden. Kist stelt dat klachtdelicten met deze redengeving moeten worden bezien als de overgang tussen strafrecht en privaatrecht, waarbij sommige vergrijpen, die alleen het individu en niet de maatschappelijke orde raken, het individu in die mate treffen dat civielrechtelijke reparatie niet voldoende en doeltreffend wordt geacht. Dat soort feiten zou strafbaar kunnen worden gesteld met het doel de individu genoegdoening te geven, waarbij vervolging uitsluitend plaatsheeft op klacht. Ondanks dat deze grond volgens Kist het meeste overweging verdient, heeft hij ook daartegen verschillende bezwaren. Zo kan Kist zich niet verenigen met de gedachte dat straf wordt opgelegd ter genoegdoening van het slachtoffer. Volgens Kist zou de strafoplegging dan niet meer zijn dan een wraakuitoefening. Bovendien meent Kist dat het stellen van een scherpe grens tussen strafrecht en civiel recht niet onmogelijk is en dat vergrijpen die de maatschappelijk orde niet raken aan het civiele recht moeten worden overgelaten. De preadviseur komt tot de conclusie dat geen van de besproken beginselen met zich brengt dat bepaalde misdrijven uitsluitend op klacht dienen te worden vervolgd.
Kist benoemt in zijn preadvies voorts nog een zestal nadelen dat zijns inziens kleeft aan het systeem van klachtdelicten. Die nadelen vertonen logischerwijs enige overlap met de argumenten die hij eerder naar voren bracht ter weerlegging van de vijf besproken beginselen ten faveure van klachtdelicten. Ten eerste zou het bestaan van klachtdelicten niet overeen te brengen zijn met het openbare karakter van het strafrecht en met het doel van strafoplegging. Het zou daarnaast in strijd zijn met het publieke rechtsgevoel. Klachtdelicten zouden voorts zowel onrechtvaardig als willekeurig zijn. Ten vijfde wijst Kist erop dat het noodlottig zou zijn voor de verbetering van de misdadiger. Tot slot meent hij dat klachtdelicten schadelijk zijn voor het prestige van het recht en justitie. Kist komt – anders dan Van Swinderen – dan ook tot de slotsom dat een systeem zonder klachtdelicten de voorkeur verdient.
Op de op deze preadviezen gerichte vergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging op 25 augustus 1877 zijn eveneens diametraal tegen-stelde standpunten ingenomen aangaande het nut en de noodzaak van klachtdelicten. Het voert buiten het bestek van dit boek alle bijdragen weer te geven, maar een aantal ingenomen standpunten verdient vermelding. De Pinto bijt het spits af en stelt voorop dat in alle landen die het systeem van de publieke aanklacht hanteren de natuurlijke regel geldt dat dat openbaar ministerie, als orgaan van den Staat, meester is van de publieke actie. Hij voegt daaraan echter toe dat hem geen land met een openbaar ministerie bekend is, waarbij niet een aantal uitzonderingen zijn gemaakt op die hoofdregel en waarbij de publieke actie afhankelijk is van de private wil. De Pinto zet uiteen dat Kist in diens preadvies verschillende gronden voor klachtdelicten met succes heeft bestreden, maar de weerlegging van één grond acht hij onvoldoende. De Pinto stelt dat er wel reden bestaat tot het aannemen van een klachtdelict, wanneer het bijzonder belang groter schade lijdt door de vervolging, dan het publiek belang door de niet-vervolging. Het is aan de wetgever om te bepalen welke delicten zich voor een dergelijke afweging lenen.10 Belinfante stelt op zijn beurt dat het verkeerd is om de privaataanklacht te beschouwen als een zaak van individueel belang. Hij verzet zich tegen het standpunt van Kist dat het terrein der familie uitsluitend is beperkt tot het burgerlijk recht. Volgens Belinfante betreft dit een bedenkelijke scheiding tussen het burgerlijke en het publieke recht die niet op goede gronden is gestoeld. Daarbij wijst Belinfante erop dat het verijdelen van een vervolging niet alleen in het belang van één specifieke persoon behoeft te geschieden, maar dat dit ook in het algemeen belang kan geschieden dat de vrede in de familie bewaard blijft.11 Er wordt echter niet alleen kritiek geuit op Kist. Hovy meent dat Kist is gekomen ‘tot een volkomen juiste consequentie’.12 Hovy stelt vast dat de klachten een uitzondering zijn op het beginsel de zaak over te laten aan het openbaar ministerie en dat die uitzondering in strijd is met de gehele grondslag van ons stelsel van strafvordering. Hovy meent, in lijn met het betoog van Kist, dat geen aanleiding bestaat die uitzondering te handhaven. Klachtdelicten leiden volgens Hovy tot rechtsongelijkheid en hij meent dat in beginsel op het oordeel van het openbaar ministerie moet worden vertrouwd. Om excessen in machtsuitoefening te voorkomen stelt hij een correctief voor dat als alternatief zou kunnen dienen voor klachtdelicten. Hovy oppert om de rechter de bevoegdheid te geven de niet-vervolging te gelasten indien het private belang dit vordert. Tegen die beslissing zou het OM dan verzet kunnen instellen.13 Een standpunt wat in de tijdgeest moet worden bezien betreft dat van Savornin Lohman. Het komt Savornin Lohman onchristelijk voor om aan een vervolging de eis te verbinden dat daaraan een private klacht moet voorafgaan, nu het op de weg van een christen zou liggen om te vergeven. Hij verzet zich om die reden tegen klachtdelicten zolang de christelijke beginselen nog in de Staat vigeren.14 Pols – voorstander van klachtdelicten – deelt de mening van onder andere Van Swinderen en De Pinto dat de vervolging van een bepaald misdrijf zodanig nadeel kan toebrengen aan het private belang van het slachtoffer dat dit het publieke belang om te vervolgen overtreft. Pols gaat in diens bijdrage in op de kritiek van Kist dat het niet aan het individu moet zijn om het private tegen het publieke belang te wegen. Anders dan Kist meent Pols dat dit juist aan het individu moet worden overgelaten, omdat alleen die persoon het private belang kan kennen en wegen. Pols schuift de kritiek terzijde dat deze persoon niet in staat zal zijn het publieke belang te wegen. Pols wijst erop dat een dergelijke eenzijdige weging in het geheel niet plaatsheeft, omdat de wetgever reeds heeft vastgesteld bij welke speciale soorten misdrijven het private belang zo overwegend betrokken kan zijn dat het bij de vervolging van die misdrijven het publieke belang kan overtreffen. Ook wijst Pols erop dat het openbaar ministerie, nadat een klacht is ingediend, de vrijheid behoudt niet te vervolgen. Pols concludeert dat het onjuist is om te stellen dat de toelating van klachtdelicten met zich brengt dat het publiek belang geheel terzijde wordt geschoven en de vervolging wordt overgelaten aan private willekeur, nu ook de wetgever en het openbaar ministerie bij de weging van belangen zijn betrokken.15
Deze summiere weergave van de discussie maakt reeds duidelijk dat het bestaansrecht van klachtdelicten op uiteenlopende gronden is verdedigd en is weersproken. Bij het sluiten van de vergadering is gestemd over de vraag of de vervolging van sommige misdrijven afhankelijk behoort te worden gesteld van een private klacht. Die vraag is met 38 tegen 11 stemmen bevestigend beantwoord. Als grond voor deze uitzondering nam de vergadering uitsluitend aan dat bij sommige misdrijven het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen, dan het openbaar belang zou lijden door het niet instellen der vervolging. De tevens voorgestelde grond dat bij een aantal minder zware misdrijven de strafbepaling in de eerste plaats zou strekken tot bevrediging van de benadeelde is afgewezen. Andere grondbeginselen zijn niet in de stemming betrokken.16
Het is onjuist te veronderstellen dat de discussie is beslecht met de uitgebreide standpuntenwisseling en stemming bij de jaarvergadering van de Nederlandse Juristen-Vereeniging. Enkele maanden voor de jaarvergadering had Teixeira de Mattos in een artikel nog uitgebreid de afschaffing van klachtdelicten bepleit. Zijns inziens heeft het klachtrecht alleen bestaansrecht indien de straf een zuiver privaatrechtelijk karakter draagt en dient ter genoegdoening van het slachtoffer. Het klachtrecht zou daarentegen geen bestaansrecht hebben in meer moderne wetgevingen, waarin aan straf een overwegend, zo niet uitsluitend, publiekrechtelijk karakter wordt toegekend en in welke wetgevingen het als een roeping en plicht van de Staat wordt beschouwd geen onrecht ongestraft te laten indien het algemeen belang dit vordert. Teixeira de Mattos rondde zijn betoog af met de stelling dat bescherming van het bijzonder belang door de strafactie afhankelijk te stellen van den benadeelde zal leiden tot private willekeur en dat in feite het geneesmiddel dan erger is dan de kwaal.17 Ook na de jaarvergadering van de NJV verstomde het kritische geluid ten aanzien van klachtdelicten niet. Zo toonde Sprenger zich een aantal jaren later – in zijn dissertatie uit 1881 – nog steeds tegenstander van klachtdelicten. Hij onderschreef de woorden van Medem en stelde: ‘Zeer zeker is de instelling der klachtdelicten een hinderpaal voor de justitie in de uitoefening harer functie, en die hinderpaal is niet genoeg gerechtvaardigd [..]. Uit verschillende oogpunten verdienen de klachtdelicten afkeuring.’18 Sprenger geeft hiervoor een drietal redenen. Zo zouden klachtdelicten het openbaar ministerie in de weg staan bij de uitoefening van wettelijk toegekende bevoegdheden. Daarnaast wordt volgens Sprenger aan particulieren te beoordelen gegeven wat alleen de rechter toekomt. Tot slot meent hij dat klachtdelicten aanleiding geven tot misbruik.19
Ondanks het ontbreken van consensus en het voortbestaan van weerstand tegen klachtdelicten is het op de jaarvergadering van de NJV van 1877 aangenomen grondbeginsel hetzelfde beginsel als waarop de klachtdelicten zijn gestoeld in het eerste Nederlandse Wetboek van Strafrecht dat nadien in 1886 in werking zou treden.