Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/6.2
6.2 Werving, selectie en benoeming van rechters
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS497352:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
WRR-rapport, De toekomst van de nationale rechtsstaat 2002, p. 195.
Een deel van de rechters is afkomstig van de raio-opleiding en een ander deel (de ‘buitenstaanders’) wordt geselecteerd door de Commissie aantrekken leden rechterlijke macht. Bij die laatste categorie gaat het om juristen die niet meer voor een raio-opleiding in aanmerking komen en minstens zes jaar elders juridische werkervaring hebben opgedaan (denk aan advocaten, wetenschappers, bedrijfsjuristen).
M. de Werd, De benoeming van rechters, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 31. Zie verder hfdst. 2 van zijn dissertatie over het constitutionele kader van de toegang tot het rechtersambt (p. 31-69).
A.G. Bosch & J.C. van Hinte, ‘De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechter naar Nederlands recht’, in: Effectieve rechtsbescherming en constitutionele rechtsorde 1984, p. 117-132, op p. 131.
Zie ook N.J. Baas, Rekrutering en (permanente) educatie van de rechtsprekende macht in vijf landen. Een internationale verkenning, Onderzoeksnotitie WODC 2000/8, p. 5 (Samenvatting, p. 4)
CCJE opinion No 1 (2001) on Standards concerning the Independence of the Judiciary and the Irremovability of Judges, § 25. De CCJE pleit in feite voor uitvoering van eerder aanvaarde beginselen in R(94)12 van het Comité van Minister van de Raad van Europa (beginsel I, lid 1, onder c) en de U.N. Basic Principles § 13.
P.P.T. Bovend’Eert, Benoeming en ontslag van rechters, oratie Nijmegen, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 19. Zie ook § 4.4.1 (hfdst. 4).
Zie § 3.4.1 (hfdst. 3 over artikel 6 EVRM) en § 4.4.1 (hfdst. 4 over de Grondwet).
Zie o.m. De Werd 1994 en L.E. de Groot-van Leeuwen, De rechterlijke macht in Nederland: samenstelling en denkbeelden van de zittende en staande magistratuur, diss. Utrecht, Arnhem 1991. De president van de Hoge Raad, Corstens, wees er in een interview met het NJB op dat diversiteit in allerlei opzicht van groot belang is. De Hoge Raad is z.i. geen afspiegelingscollege, maar het is van belang dat allerlei gezichtspunten in het raadkamerdebat naar voren komen. Daartoe dient de diversiteit ook (NJB 2009, p. 1081).
De wijze van benoeming van rechters is in de Grondwet vastgelegd. Artikel 117, eerste lid, Gw bepaalt dat zij bij koninklijk besluit benoemd worden. Dit betreft slechts het formele benoemingsbesluit. In de praktijk gaat daaraan een proces van werving en selectie vooraf. Juist omdat rechters voor het leven worden benoemd en in principe onafzetbaar zijn, is de selectie (in de praktijk) aan strenge eisen gebonden.1 De wetgever is bevoegd om die procedure te regelen op grond van artikel 116, tweede lid, Gw. Voor zover de wetgever daadwerkelijk is overgegaan tot regeling daarvan, is op ruime schaal gebruik gemaakt van delegatie. Het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren regelt de procedure voor toelating tot de raio-opleiding (art. 16-20). De selectieprocedure van de zogenoemde buitenstaanders is niet wettelijk verankerd.2 De Werd heeft er op gewezen dat de praktijk bovendien weerbarstiger is (geweest) dan de regelingen die gelden.3 Ook volgens Bosch en Van Hinte is het beleid op het gebied van rekrutering, selectie, opleiding, benoeming en promotie langzamerhand in de praktijk gegroeid.4 Sinds 2002 is de Raad voor de rechtspraak belast met het ontplooien van landelijke activiteiten op het gebied van werving, selectie, aanstelling, benoeming en opleiding van het personeel bij de gerechten (art. 91 lid 1 onder f Wet RO). In de meeste Europese landen zijn de selectieprocedure en -criteria wettelijk geregeld, maar in Nederland slechts in beperkte mate.5 De wettelijke selectiecriteria zijn beperkt tot de Nederlandse nationaliteit (art. 1c Wrra) en opleidingsvereisten (art. 1d Wrra). Of een rechter beschikt over geschikte competenties – en welke dat zijn – wordt door de selectiecommissies beoordeeld. In 2001 heeft de Consultative Council of European Judges (CCJE) geadviseerd dat de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor (advisering over) de benoeming van rechters objectieve criteria vaststellen, publiceren en naleven om te garanderen dat de selectie en loopbaan van rechters is gebaseerd op verdiensten met betrekking tot kwalificaties (opleiding), integriteit, bekwaamheid en efficiency.6
Artikel 1a Wrra bepaalt evenals de Grondwet dat rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast bij koninklijk besluit worden benoemd. Feitelijk is de Minister van Justitie binnen de regering hiermee belast. Artikel 1e Wrra regelt de betrokkenheid van de rechterlijke organisatie bij de benoeming van rechters. Het bestuur van een gerecht waar een vacature is, stelt op basis van de ontvangen sollicitaties een aanbevelingslijst op van drie personen. Vervolgens stuurt de Raad voor de rechtspraak deze lijst door naar de regering. De Raad kan daarbij zijn eigen standpunt kenbaar maken. De regering is niet gebonden aan de aanbeveling (‘zij slaat daarop zodanig acht als zij dienstig zal oordelen’), maar in de praktijk wordt de aanbeveling vrijwel altijd gevolgd, zodat feitelijk sprake is van coöptatie. Voor leden van de Hoge Raad geldt een afwijkende benoemingsprocedure op grond van artikel 118, eerste lid, Gw jo. 1e, vierde lid, Wrra.7 Hoewel de bevoegdheid tot benoeming van rechters formeel bij de regering ligt, heeft de rechterlijke macht dus zelf een invloedrijke stem in de selectie. Omdat we ervan mogen uitgaan dat de rechterlijke organisatie de geschiktheid van kandidaten zelf goed kan beoordelen aan de hand van beroepskwalificaties, juridische opleiding, ervaring en (juridische) vaardigheden, ligt inspraak ook voor de hand. Bovend’Eert wijst er wel op dat juist bij de benoeming van rechters bevoegdheden voor de overige staatsmachten mogelijk, of sterker nog nodig zijn (checks en balances), om te voorkomen dat de rechterlijke organisatie een ‘staat in de staat’ wordt en pleit daarom voor een actiever gebruik van deze wettelijke bevoegdheden.8
Voor de onafhankelijkheid van de benoemde rechters in staatsrechtelijke zin maakt de wijze van werving en selectie weinig uit. Aangezien benoeming van rechters door de regering niet in strijd wordt geacht met de rechterlijke onafhankelijkheid,9 vormt alles wat daaraan vooraf gaat formeel juridisch ook geen probleem, zolang dat geschiedt op basis van objectieve criteria. Het gaat er om dat een rechter die eenmaal is benoemd zijn functie onafhankelijk kan uitoefenen, waarbij hij uiteraard ook moet beschikken over de benodigde rechtspositionele waarborgen van onafhankelijkheid zoals onafzetbaarheid. De regelgeving en het beleid op het gebied van selectie en benoeming van rechters, hoe deze in de praktijk gestalte krijgen en welk effect zij hebben op de samenstelling van de rechterlijke macht, zijn interessante thema’s,10 maar in het kader van dit (positiefrechtelijke) onderzoek minder relevant.