Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.2.1
16.2.1 Verhouding van artikel 4 EEX-r/Verdrag tot artikel 23 EEX-r/17 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS420498:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aft. 4 EEX-V°/Verdrag maakt integraal onderdeel uit van de verordening respectievelijk het Verdrag, hierover Boele-Woelki/Van Ooik, NTER 2006, p. 196.
Com 99/348 (def), p. 8; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 292 (maart 2004), p. A-a-85.
Balk, Forumkeuze, p. 25; Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 72; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 91; Beraudo, Jurisclasseur, suppl. 3-(1989), p. 16 met verwijzing naar andersluidend arrest van de Cour de Cassation Ch.Com. 7 december 1983, Rev Crit 1984, p. 658; Laenens, TvP 1982, p. 241; Ras, TvP 1975, p. 894; Philip, Jurisdiction Clauses, p. 151; Krings, Preadvies NV1R 1978, p. 108; Schamp, RW 1988-1989, p. 904; Schmidt, NIPR 2001, p. 152; Vlas, WPNR 2000 (6421), p. 748; Gothot/Holleaux, La Convention, p. 94; Goldman, RTDE 1971, p. 19, Droz, Compé tence Judiciaire, p. 340, nr. 228; Laenens, Bevoegdheidsovereenkomsten, p. 169; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 33; Kropholler, EZPR, p. 89; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 292 (maart 2004), p. A-a-85.
Zie OLG Mlinchen 28 september 1989, IRRax 1991, p. 48 en het arrest dat Beraudo in de vorige noot aanhaalt tegen voorrang van art. 17 en anderzijds Rb. Breda 30 maart 1993, rolnr. 3632192, (Chroomlederfabriek Schenkers B.V. Hartjes Gesellschaft mbH), n.g., die een beroep op voorrang art. 4 EEX verwerpt aangezien een forumkeuze in de zin van art. 17 Verdrag was overeengekomen.
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, UGIC/Group Josi, Jur. 2000, p. 1-8925, NJ 2003, 597, r.o. 42.
Vgl. echter Joustra, Preadvies NVIR 2002, p. 24.
Art. 4 lid 1 EEX-V° is niet gelijkluidend aan art. 4 lid 1 Verdrag. Art. 4 lid 1 Verdrag luidt als volgt:
`Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, wordt de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld door de wetgeving van die staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16.'
Art. 4 lid 1 EEX-V° citeer ik eveneens en cursiveer de wijzigingen:
`Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd (.) de artikelen 22 en 23.'
Ten dele gaat het derhalve om een tekstuele aanpassing die geen inhoudelijke wijziging tot gevolg heeft. 'verdragsluitende staat' wordt lidstaat' en art. 16 EEX is na vernummering art. 22 EEX-V°. Het weglaten van de zinsnede 'de toepassing van het bepaalde in' lijkt evenmin een inhoudelijke betekenis te hebben. De toevoeging van de verwijzing naar art. 23 EEX-V° als uitzondering op de hoofdregel van art. 4 EEX-V° lijkt daarentegen wel een inhoudelijke wijziging. De vraag is of dit daadwerkelijk een inhoudelijke wijziging is, dan wel dat art. 4 Verdrag reeds zo moest worden geïnterpreteerd dat art. 17 Verdrag voorrang heeft boven art. 4 Verdrag.
Art. 4 EEX-V°Nerdrag houdt in dat het commune internationaal privaatrecht van toepassing is, zodra de verweerder woonplaats heeft buiten het territoir van de EG respectievelijk verdragsluitende staten.1Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag — en niet het commune internationaal privaatrecht over forumkeuze — is echter naar de letter van de bepaling ook van toepassing, indien in geval van forumkeuze alleen de eiser woonplaats heeft in een EG of verdragsluitende staat. Hier rij st een (schijnbare?) tegenstelling tussen de art. 4 en 23 EEX-V°/17 Verdrag: Moet het commune internationaal privaatrecht of art. 23 EEX-V°/17 Verdrag worden toegepast, indien de verweerder (in tegenstelling tot de eiser) geen woonplaats heeft in een EG respectievelijk verdragsluitende staat? Ik behandel slechts art. 4 Verdrag omdat art. 4 EEX-V° daar geen twijfel laat bestaan. De zinsnede onverminderd ... en 23' brengt tot uitdrukking dat art. 23 EEX-V° voorrang heeft boven art. 4 EEX-V°.2
Over de verhouding tussen de art. 4 en 17 Verdrag is de doctrine welhaast eenstemmig: ook indien de verweerder geen woonplaats heeft in een verdragsluitende staat, is art. 17 Verdrag van toepassing in afwijking van het bepaalde in art. 4 Verdrag.3 De rechtspraak4 is verdeeld, maar het Hof van Justitie lijkt een antwoord te hebben gegeven in het arrest Groupe Josi.5 Toch staat dat niet geheel vast, omdat het toepassingsbereik van art. 17 EEX in deze zaak geen onderwerp van debat was. Uit het arrest blijkt bovendien dat van een forumkeuze geen sprake was, althans dat de forumkeuze geen rol speelde.6 Zijdelings is de verhouding tussen art. 4 en 17 Verdrag aan bod geweest in het advies van het Hof van Justitie 1/03 en ook hieruit kan worden afgeleid dat art. 17 Verdrag een uitzondering is op de algemene regel van art. 4 Verdrag.7
De wijziging van art. 4 EEX-V° heeft dus geen materiële wijziging tot gevolg gehad, omdat art. 17 Verdrag in weerwil van art. 4 Verdrag reeds van toepassing was indien de verweerder geen woonplaats in een verdragsluitende staat had. De wijziging van art. 4 EEX-V° is helaas niet gebruikt om de justitiabelen te verlossen van de andere tegenstrijdigheden. Ook ten aanzien van de art. 9 lid 2, 15 lid 2, 18 lid 2 en 24 EEX/V° lijdt art. 4 EEX/V° uitzondering. Hetzelfde kan worden gezegd van de art. 13, 17 en 21 EEX-V° (forumkeuze in verzekerings-, consumenten- respectievelijk arbeidsovereenkomsten). Het is niet duidelijk waarom bij redactie van de EEX-V° geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid art. 4 EEX-V° in één keer goed aan te passen en alle uitzonderingen te vermelden in plaats van slechts de art. 22 en 23 EEX-V°.