Zie proces-verbaal van bevindingen van 15 juni 2021, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [001] , werkzaam bij het TGO, Eenheid Amsterdam (dossierpagina’s 0067-0074), dat als bijlage is gehecht aan het schriftelijk standpunt van het OM van 26 oktober 2021.
HR, 04-07-2023, nr. 22/00640
ECLI:NL:HR:2023:1022
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-07-2023
- Zaaknummer
22/00640
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1022, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑07‑2023; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:527
ECLI:NL:PHR:2023:527, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1022
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑02‑2022
- Vindplaatsen
NJ 2023/267 met annotatie van P. Mevis
Uitspraak 04‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto, waarvan klager (derde-belanghebbende die geen verdachte is in strafzaak) stelt eigenaar te zijn, onder ander (verdachte) i.h.k.v. lopend strafrechtelijk onderzoek tegen die ander met het oog op een door strafrechter te bevelen verbeurdverklaring, waarna (na beslissing van beklagrechter) strafrechter bij (niet onherroepelijk) strafvonnis de teruggave van auto aan verdachte beveelt. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan klager worden ontvangen in zijn beroep tegen beslissing beklagrechter na beslissing strafrechter in strafzaak tegen ander tot teruggave aan die ander? Bij de stukken bevindt zich afschrift van uitspraak van Rb (RBAMS:2022:2014) in strafzaak tegen ander. In die uitspraak heeft Rb de teruggave gelast aan verdachte van inbeslaggenomen personenauto waarvan klager de teruggave heeft verzocht. Omstandigheid dat in strafzaak een beslissing over beslag is genomen, brengt met zich dat klager n-o moet worden verklaard in beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift ongegrond is verklaard. In beschikking is immers beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag. Door diens uitspraak over beslag in strafzaak tegen verdachte kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Klager n-o. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00640 B
Datum 4 juli 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022, nummer RK 21/5466, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022 waarbij een klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave aan hem van een onder [betrokkene 2] inbeslaggenomen personenauto ongegrond is verklaard.
2.2
Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2014, in de strafzaak tegen [betrokkene 2]. In die uitspraak heeft de rechtbank de teruggave gelast aan [betrokkene 2] van de inbeslaggenomen personenauto waarvan de klager de teruggave heeft verzocht.
2.3
De omstandigheid dat in de strafzaak een beslissing over het beslag is genomen, brengt met zich dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard. In de beschikking is immers een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door diens uitspraak over het beslag in de strafzaak tegen de verdachte kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2023.
Conclusie 23‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag (art. 552a Sv) over (derden)beslag (art. 94 Sv) op auto. Slagende klacht over toepassing (deels) onjuiste maatstaf en over oordeel rb dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen; door in het midden te laten aan wie de auto toebehoort kan uit de motivering niet volgen dat verbeurdverklaring o.g.v. art. 33a.1/33a.2 Sr mogelijk is. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00640 B
Zitting 23 mei 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1996,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 3 februari 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het (derden)beslag op een personenauto (van het merk Seat, type Leon, met kenteken [kenteken 1] ), ongegrond verklaard.
1.2
Op 4 februari 2022 is namens de klager cassatieberoep ingesteld. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beklag. Betoogd wordt dat (i) de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel (ii) dat de ongegrondverklaring niet begrijpelijk is.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel terecht is voorgesteld.
2. Aanleiding en verloop van de zaak
2.1
Op 12 mei 2021 zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door de politie op heterdaad aangehouden op verdenking van (een poging tot) inbraak in de parkeergarage van een appartementencomplex, gelegen aan de [a-straat] te [plaats] . Na de aanhouding werd in de auto die op dat moment in gebruik was bij [betrokkene 2] (een Seat Ibiza met het kenteken [kenteken 2] ) een telefoon gevonden. Deze is in beslag genomen. In de telefoon is een WhatsAppgesprek aangetroffen waarin staat dat [betrokkene 2] begin maart 2021 bij een Seat garage een Seat Leon heeft gekocht met geld dat door de klager is geleend bij het bedrijf DMF krediet. Verder blijkt dat met deze telefoon op 21 maart 2021 een foto is gemaakt van een witte Seat Leon voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Volgens het politiesysteem staat dit voertuig sinds 26 februari 2021 op naam van de klager. Daarvoor stond dit voertuig op naam van [A] , gevestigd aan de [b-straat] te [plaats] .1.
2.2
Op 23 juni 2021 is de Seat Leon met het kenteken [kenteken 1] in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek, waarin [betrokkene 2] als verdachte is aangemerkt, op de voet van art. 94 Sv onder die [betrokkene 2] in beslag genomen.2.Klager is geen verdachte in de strafzaak.
2.3
Namens de klager is op 11 oktober 2021 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en met last tot teruggave van de auto aan hem. Het Openbaar Ministerie heeft hier schriftelijk op gereageerd op 26 oktober 2021.
2.4
Het klaagschrift is op 3 februari 2022 in de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft op diezelfde dag op het klaagschrift ongegrond verklaard.
2.5
Voor een meer volledig beeld van de zaak merk ik nog op dat uit navraag van de griffie van de Hoge Raad bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank Amsterdam is gebleken dat de rechtbank Amsterdam op 15 april 20223.de beslagene [betrokkene 2] heeft veroordeeld voor kort gezegd het medeplegen van voorbereiding van moord, door samen met een ander te proberen een peilbaken onder een auto te plakken. Het plakken van het baken onder de auto is mislukt doordat de verdachten op 12 mei 2021 op heterdaad zijn betrapt bij het inbreken in de parkeergarage waar de beoogde auto was gestald. Ten aanzien van de onder [betrokkene 2] in beslag genomen Seat Leon (kenteken [kenteken 1] ) heeft de rechtbank de teruggave gelast aan [betrokkene 2] , omdat de auto naar het oordeel van de rechtbank niet is gebruikt bij het bewezenverklaarde en ook anderszins niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
3. De beschikking
3.1
In de bestreden beschikking is hetgeen door de partijen is aangevoerd door de rechtbank als volgt samengevat:
“Inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt tot teruggave het in beslag genomen voorwerp, te weten: een personenauto van het merk Seat, type Leon, met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto).
De raadsvrouw van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd.
De auto is onder [betrokkene 2] in beslag genomen en lange tijd was voor klager niet duidelijk wat daar de reden voor was. Volgens het Openbaar Ministerie zouden met het voertuig strafbare feiten zijn gepleegd door [betrokkene 2] . Klager had hier geen wetenschap van. Hij leende de auto weleens uit aan [betrokkene 2] , maar hij deelde niet de eigendom met hem. Alle kosten voor de lease en de verzekering van de auto worden door klager betaald. Deze kosten lopen door en hij moet nu een auto huren. Bovendien is klager recent vader geworden en hij zou daarom graag de beschikking hebben over zijn auto.
Klager heeft verklaard dat hij een aanbetaling voor de auto heeft gedaan en dat de rest via een leaseconstructie op zijn naam is gefinancierd. Hij heeft zijn auto een tijd lang vaak aan [betrokkene 2] uitgeleend omdat hij de auto in die periode zelf niet gebruikte. Klager had toen de zorg voor zijn oma en was daardoor veel thuis. Zijn oma is kort geleden overleden. [betrokkene 2] gebruikte de auto voor zijn werk als bezorger bij Uber Eats. Omdat klager een tijd lang geen WhatsApp had, heeft [betrokkene 2] hem geholpen bij het zoeken en de aanschaf van de auto. Ze zijn samen naar de auto gaan kijken en [betrokkene 2] heeft de auto uiteindelijk opgehaald omdat klager op dat moment zelf aan het werk was. Toen hij een keer samen met [betrokkene 2] werd staande gehouden in de auto, bestuurde [betrokkene 2] de auto omdat hij zijn hand had gebroken.
Verklaring van beslagene
[betrokkene 2] heeft in raadkamer verklaard dat hij de auto van klager leende als klager hem zelf niet nodig had. Hij haalde dan de sleutel van de auto bij klager op. In ruil daarvoor gaf hij klager soms een klein deel van zijn verdiensten. [betrokkene 2] heeft klager geholpen bij het zoeken van de auto en het contact is daarom via hem verlopen. Klager had als enige de sleutel van de auto en [betrokkene 2] kon de auto alleen gebruiken als klager hem zelf niet nodig had. Klager heeft de auto gekocht. Om stoer te doen heeft [betrokkene 2] tegen anderen gezegd dat hij de auto had gekocht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen auto aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat de auto verbeurd zal worden verklaard.
Uit het lopende strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker/eigenaar is (geweest) van de auto en niet klager. Ook komt naar voren dat de auto is gebruikt bij het begaan van een strafbaar feit. Uit processen-verbaal van de politie blijkt dat [betrokkene 2] begin maart 2021 de auto bij een garage heeft gekocht en daarvoor geld heeft geleend bij het bedrijf DMF Kredit op naam van klager. [betrokkene 2] heeft contact gehad met de garage over de betaling van de auto en een foto van het rijbewijs van klager voor de tenaamstelling gestuurd. Hij heeft de garage gevraagd of hij de auto op kon halen zonder klager. Uit WhatsApp-gesprekken blijkt dat [betrokkene 2] tegen verschillende personen heeft gezegd een auto te hebben gekocht, waarbij hij een filmpje meestuurde van de auto. Voorts blijkt uit verschillende politiemutaties dat [betrokkene 2] meermalen is geregistreerd als bestuurder van de auto. [betrokkene 2] heeft tijdens zijn verhoor op 27 januari 2022 verklaard dat de auto van klager en hem samen is en dat zij ieder de helft van de auto betalen. Tot slot is tijdens de doorzoeking van de auto een paspoort aangetroffen in de auto op naam van [betrokkene 2] .
De officier van justitie heeft subsidiair verzocht om de behandeling van het klaagschrift aan te houden tot aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van [betrokkene 2] op 17 februari 2022.”
3.2
In aanvulling hierop maak ik melding van de inhoud van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 21 oktober 2021:
“Op 23 juni 2021 is in een strafrechtelijk onderzoek het voertuig Seat Leon [kenteken 1] in beslag genomen. Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Casus
In de onderhavige zaak is een Seat Leon met kenteken [kenteken 1] in beslag genomen op de voet van artikel 94 Wetboek van Strafvordering in een lopend strafrechtelijk onderzoek, reeds aangevangen bij de rechtbank Amsterdam. Klager stelt eigenaar te zijn van het beslag.
Standpunt OM
Uit het lopend strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat verdachte [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker/eigenaar is (geweest) van het voertuig en dat het voertuig is gebruikt bij de voorbereiding en/of het begaan van het strafbare feit. Uit processen-verbaal van de politie blijkt dat [betrokkene 2] begin maart 2021 een Seat Leon koopt bij een garage en daarvoor geld leent bij het bedrijf DMF Kredit op naam van klager. [betrokkene 2] heeft contact met de garage over de betaling van het voertuig en stuurt een foto van het rijbewijs van klager voor de tenaamstelling. [betrokkene 2] vraagt vervolgens of hij het voertuig kan ophalen zonder klager. Uit chatgesprekken blijkt dat [betrokkene 2] tegen verschillende personen zegt een auto te hebben gekocht, waarbij hij een filmpje meestuurt van de voornoemde Seat Leon.
Voorts blijkt uit verschillende politiemutaties dat [betrokkene 2] meermalen is geregistreerd als bestuurder van de Seat Leon. Tot slot is er tijdens de doorzoeking van het voertuig een paspoort aangetroffen op naam van [betrokkene 2] . Voornoemde processen-verbaal en mutaties zijn als bijlage bij dit klaagschrift gevoegd.
Gelet op het voorgaande is gebleken dat [betrokkene 2] de feitelijke eigenaar is van het voertuig.
Het beklag dient ongegrond te worden verklaard.”
3.3
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en in dat verband het volgende overwogen:
“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Blijkens het dossier is een verdenking tegen belanghebbende [betrokkene 2] gerezen. Op 23 juni 2021 is de auto, Seat, type Leon, met het kenteken [kenteken 1] , onder [betrokkene 2] in beslag genomen. De tenaamgestelde van de auto is klager. Klager is geen verdachte in de strafzaak.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot die voorwerpen de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal uitspreken.
Aangezien hier sprake is van een klager die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht, dient de rechtbank als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt.
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp verbeurd zal verklaren.
Belangrijk daarbij is dat in deze zaak teveel onduidelijkheid bestaat over aan wie de auto feitelijk toebehoort. Hoewel klager de tenaamgestelde is en de verzekering en lease voor de auto via zijn bankrekening betaalt, zijn er aanwijzingen dat [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker van de auto is. [betrokkene 2] lijkt de aankoop van de auto te hebben geregeld en zegt in WhatsApp-gesprekken met anderen dat hij degene is die de auto heeft aangeschaft. In zijn verhoor op 27 januari 2022 heeft [betrokkene 2] verklaard voor de helft van de auto te betalen. De officier van justitie vermoedt dat er sprake is van een schijnconstructie waarbij [betrokkene 2] tracht te verhullen dat de auto in feite van hem is. Gelet op het summiere karakter van de procedure kan niet ten gronde worden uitgezocht of hiervan sprake is. Echter, er is teveel onduidelijkheid en het dossier roept op dit punt teveel vragen op om te oordelen dat buiten redelijke twijfel staat dat de auto (in feite) aan klager toebehoort.
Dit staat aan teruggave van de auto aan klager in de weg.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.”
4. Het middel
4.1
In het middel wordt betoogd dat “de rechtbank bij de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en daarmee [het] bepaalde (…) in art. 33a, lid 2 Sr, heeft miskend, althans is deze beslissing zonder nadere motivering niet begrijpelijk”.
4.2
Vooropgesteld moet worden dat bij de vraag welke beoordelingsmaatstaf van toepassing is, ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk moet zijn wat de wettelijke grondslag is van het beslag: gaat het om een op art. 94 Sv gelegd ‘klassiek’ beslag, gericht op waarheidsvinding en/of op een latere verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, of gaat het om een op art. 94a Sv gelegd ‘conservatoir’ beslag, gericht op het veiligstellen van een verhaalsmogelijkheid voor een later op te leggen geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel.4.
4.3
Hoewel de rechtbank niet met zoveel woorden heeft vastgesteld om welk type beslag het in onderhavige zaak gaat, noemt zij in de bestreden beschikking in de vooropstellingen art. 94 Sv. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn schriftelijk standpunt van 26 oktober 2021 expliciet vermeld dat er beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv. Uit de beschikking blijkt dat de officier van justitie zich heeft verzet tegen teruggave van de auto aan de klager omdat het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen de beslagene [betrokkene 2] de verbeurdverklaring van de auto zal vorderen. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 3 februari 2021 blijkt niet dat de grondslag van het beslag ter discussie heeft gestaan. Gelet op voorgaande moet er in cassatie vanuit worden gegaan dat het beslag is gelegd op grond van art. 94 lid 2 Sv (met het oog op een door de strafrechter te bevelen verbeurdverklaring).
4.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto onder [betrokkene 2] in beslag is genomen en dat de auto staat geregistreerd op naam van de klager. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene stelt dat de inbeslaggenomen auto hem in eigendom toebehoort en zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem. In zo’n geval dient de rechter bij een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.5.Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.6.
4.5
Een inbeslaggenomen voorwerp is in beginsel alleen vatbaar voor verbeurdverklaring als is voldaan aan één of meer van de in art. 33a lid 1 Sr opgesomde voorwaarden en het voorwerp aan ‘de veroordeelde’ (lees in het onderhavige geval: ‘de verdachte beslagene’) toebehoort. Ten aanzien van voorwerpen die niet aan ‘de veroordeelde’ toebehoren, bepaalt art. 33a lid 2, aanhef en onder a, Sr dat deze alleen kunnen worden verbeurd verklaard als degene aan wie het voorwerp toebehoort op de hoogte was of had moeten zijn van de criminele herkomst of het criminele gebruik van het voorwerp. Met andere woorden, verbeurdverklaring van een voorwerp dat niet aan ‘de veroordeelde’ toebehoort kan op grond van art. 33a lid 2, aanhef en onder a, Sr alleen plaatsvinden als het voorwerp toebehoort aan een niet bonafide derde, dat wil zeggen een persoon die te kwader trouw was dan wel ‘slechts’ culpa had.7.
4.6
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag het juiste toetsingskader (zoals hiervoor weergegeven onder randnummer 4.4) vooropgesteld, zij het dat de rechtbank daarbij heeft vermeld “(i)n geval van een beklag van de beslagene”. Hoewel het in onderhavige zaak niet gaat om het beklag van een beslagene, maakt dat voor het toetsingskader niet uit; getoetst moet worden of zoals de rechtbank het noemt ‘een ander’, in dit geval dus de klager, als derde belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
4.7
Met betrekking tot het eerste deel van de maatstaf (onder a) heeft de rechtbank overwogen dat “(d)e rechtbank in dit geval (dient) te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal uitspreken”. Die benadering is gelet op het door de officier van justitie in raadkamer geuite voornemen om de verbeurdverklaring te gaan vorderen niet onbegrijpelijk en in overeenstemming met de geldende maatstaf.
4.8
Bij het tweede deel van de maatstaf (onder b) gaat het echter mis. De rechtbank heeft zich daar (alsnog) rekenschap gegeven van het feit dat het in onderhavige zaak niet gaat om het beklag van een beslagene, maar om het beklag van een ander/derde die stelt eigenaar van het voorwerp te zijn en heeft in dat verband overwogen dat “de rechtbank als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt” (AG: cursivering door mij). Terecht wordt door de steller van het middel betoogd dat dit niet de juiste maatstaf is; zoals hiervoor gezegd moet worden bezien of de klager redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Dat is een minder strenge eis dan de maatstaf die door de rechtbank wordt gehanteerd8.en bovendien een eis die pas aan de orde komt wanneer de vraag van de maatstaf onder a (het bestaan van een strafvorderlijk belang) negatief wordt beantwoord. In zoverre slaagt het middel.
4.9
Vervolgens heeft de rechtbank de maatstaf (onder a) toegepast en geoordeeld dat “(o)p grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken (...) de rechtbank van oordeel (is) dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp verbeurd zal verklaren”. De subsidiair geformuleerde klacht is gericht tegen dit oordeel. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed aan het bepaalde in art. 33a lid 2 Sr nu de klager stelt eigenaar te zijn van de in beslaggenomen auto en een eventuele verbeurdverklaring van deze auto zal plaatsvinden in het kader van een strafzaak tegen beslagene [betrokkene 2] .
4.10
Wanneer de auto is ‘betrokken’ bij een strafbaar feit kan dit onder omstandigheden als beschreven in art. 33a lid 1 Sr op zichzelf grond zijn voor verbeurdverklaring,9.mits de auto aan de veroordeelde (in dit geval de beslagene [betrokkene 2] ) toebehoort dan wel, indien de auto aan een ander (in dit geval de klager) toebehoort, die klager kan worden aangemerkt als een niet bonafide eigenaar in de zin van art. 33a lid 2, aanhef en onder a, Sr (zie randnr. 4.5).
4.11
Hoewel de rechtbank hier geen expliciete overweging aan heeft gewijd, is zij kennelijk van oordeel dat de auto betrokken is bij een strafbaar feit als bedoeld in art. 33a lid 1 Sr en enkel en alleen al om die reden vatbaar is voor verbeurdverklaring.10.
4.12
De vraag aan wie de auto toebehoort wordt door de rechtbank niet beantwoord. De rechtbank overweegt dat er “in deze zaak teveel onduidelijkheid bestaat over aan wie de auto toebehoort”. Hoewel klager de tenaamgestelde is en hij de verzekering en lease voor de auto via zijn bankrekening betaalt, zijn er volgens de rechtbank aanwijzingen dat de beslagene [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker van de auto is. Over [betrokkene 2] heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat hij in WhatsApp-gesprekken tegen anderen heeft gezegd dat hij degene is geweest die de auto heeft aangeschaft en dat hij tegenover de politie heeft verklaard dat hij voor de helft van de auto heeft betaald. De rechtbank wijst verder op het standpunt van de officier van justitie dat er sprake zou van een schijnconstructie waarbij [betrokkene 2] tracht te verhullen dat de auto in feite van hem is. Kennelijk heeft de rechtbank om die reden geen aanleiding gezien toepassing te geven aan het bepaalde van art. 33a lid 2, aanhef en onder a, Sr. Dat oordeel is in het licht van hetgeen namens de klager is aangevoerd niet zonder meer begrijpelijk.11.Voor zover de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken dat verbeurdverklaring van een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort en waarvan niet kan worden vastgesteld aan wie het wel toebehoort, mogelijk is op grond van art. 33a lid 2, aanhef en onder b, Sr, blijkt daarvan niet uit de beschikking. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de rechtbank dit in het midden heeft gelaten.
4.13
Naar mijn oordeel slaagt het middel. De rechtbank heeft (deels) een onjuiste maatstaf vooropgesteld en heeft (bovendien) de niet hoogst onwaarschijnlijk geachte verbeurdverklaring onvoldoende gemotiveerd.
5. Slotsom
5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam12.teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑05‑2023
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevinden zich geen beslagstukken. Uit het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 26 oktober 2021 blijkt dat de auto op 23 juni 2021 onder [betrokkene 2] in beslag is genomen op grond van art. 94 Sv in verband met een ‘lopend strafrechtelijk onderzoek’. Ook de rechtbank gaat hier blijkens haar beschikking van uit en spreekt over ‘een verdenking’ die tegen [betrokkene 2] is gerezen.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.7; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A. M. Mevis, rov. 2.3.1.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.11.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.9.
Vgl. gevallen van beklag door een derde die stelt rechthebbende te zijn: HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1452, HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1126, NJ 2017/427, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:253; HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1462 en HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:967. In de aan laatstgenoemde zaak voorafgaande conclusie heb ik de totstandkomingsgeschiedenis van art. 33a lid 2 uiteengezet en gewezen op het onderscheid tussen ‘een derde te kwader trouw’ en ‘een culpoze derde’. Vgl. ook mijn conclusie van 21 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:325, in welke zaak de Hoge Raad ten tijde van het nemen van de onderhavige conclusie nog geen beschikking heeft gewezen.
Qua bewoordingen lijkt de rechtbank aan te sluiten bij de hier niet van toepassing zijnde maatstaf in het geval van beslag op grond van art. 94a Sv. Hiervoor geldt dat de rechter als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.15 en HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:613, rov. 2.4.
Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen; b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan; c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid; d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd; e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd; f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.
De rechtbank laat in het midden om welk strafbaar feit het gaat. De officier van justitie heeft het in zijn schriftelijk standpunt van 26 oktober 2021 alleen over “een lopend strafrechtelijk onderzoek” tegen [betrokkene 2] , zonder nadere aanduiding van de aard van dit onderzoek. Volgens het Openbaar Ministerie is de auto “gebruikt bij de voorbereiding en/of het begaan van het strafbare feit”. Uit de dossierstukken die door de officier van justitie als bijlagen zijn opgenomen bij zijn schriftelijk standpunt, meer in het bijzonder het verhoor van de verdachte d.d. 27 januari 2002 kan worden afgeleid dat de in beslag genomen auto door de verdachte is gebruikt bij de voorbereiding van moord; de verdachte verklaart dat hij in opdracht van een ander met genoemde auto verkenningsrondjes maakte op plaatsen waar het beoogde slachtoffer zich bevond, een en ander met als doel op enig moment een peilbaken onder de auto van het slachtoffer te plaatsen (zie ook randnr. 2.5).
Vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1462 waarin sprake is van een vergelijkbare casus (beslag op auto op grond van art. 94 Sv onder de vriend van klaagster in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen die vriend).
Nu in de strafzaak tegen de beslagene [betrokkene 2] hoger beroep is ingesteld heb ik mij afgevraagd of een verwijzing naar het hof niet meer in de rede zou liggen. Gelet op HR 28 mei 1996, DD 96.336 meen ik echter dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank.
Beroepschrift 03‑02‑2022
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: 22/00640B
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [klager], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], verzoeker van cassatie van een hem betreffende beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022 met RK nummer 21/5466.
Inleiding
1.
Verzoeker is eigenaar van een personenauto, merk Seat, type Leon, met kenteken [kenteken 1]
2.
Dit voertuig is onder een ander, te weten de verdachte de heer [betrokkene 2], in beslag genomen. Het OM verdenkt [betrokkene 2] ervan dat hij het voertuig heeft gebruikt bij het plegen van (een) strafbare feit(en). Het voertuig is in beslag genomen op de voet van artikel 94 Sv met het oog op een door de strafrechter op te leggen verbeurdverklaring.
3.
De officier van justitie heeft tijdens de raadkamerzitting betoogd dat wat het OM betreft [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker/ eigenaar is (geweest) van de auto. Dit wordt door verzoeker betwist. Ook [betrokkene 2] heeft op de raadkamerzitting een verklaring afgelegd waarin hij aangeeft dat hij de auto van verzoeker leende als verzoeker de auto zelf niet nodig had. Nu verzoeker stelt de eigenaar te zijn van de auto en niet op de hoogte te zijn van eventuele strafbare feiten die met de auto zouden zijn gepleegd heeft verzoeker een klaagschrift ex. art. 552a Sv ingediend strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave van het voertuig aan klager. Dit klaagschrift wordt door de rechtbank ongegrond verklaard en het cassatieberoep richt zich tegen deze beslissing.
Middel
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 33a Sr, 94 en 552a Sv, doordat de rechtbank bij de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift een onjuiste maatstraf heeft gehanteerd en daarmee bepaalde het in art. 33a, lid 2 Sr heeft miskend, althans is deze beslissing zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
Toelichting:
4.
Zoals reeds aangegeven in de inleiding betreft beslag op grond van artikel 94 SV met het oog op een eventuele verbeurdverklaring. Voor het juridisch kader verwijst verzoeker tot cassatie naar de heldere uiteenzetting van dit kader in de conclusie van procureur-generaal P.M. Frielink, van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:317:
‘Juridisch kader
5.1.1.
In de onderhavige beklagzaak gaat het om een beslag dat is gelegd op de voet van art. 94 Sv met het oog op een door de strafrechter op te leggen verbeurdverklaring. Het op art. 552a Sv gebaseerde klaagschrift is ingediend door een ander dan de beslagene. De klager wenst opheffing van het beslag en afgifte van het inbeslaggenomen goed aan hem. De beklagrechter dient in een geval als dit te toetsen i) of klager als belanghebbende in het beklag kan worden ontvangen en ii) of het in beslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring. Als die vragen bevestigend worden beantwoord, dient hij vervolgens te beoordelen iii) of het belang van strafvordering voortduring van het beslag vordert. Als dat laatste niet het geval is (en overigens ook als de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord) moet de beklagrechter beslissen iv) of het in beslaggenomen voorwerp aan een ander dan degene onder wie het is inbeslaggenomen, kan worden afgegeven.
5.1.2.
In zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. van P. Mevis heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt en dat dit summiere karakter tot uitdrukking komt in enkele van de toe te passen toetsingsmaatstaven. Voor de zojuist opgesomde vier vragen luiden die maatstaven als volgt.
- Ad i:
Belanghebbende in de zin van art. 552a Sv is — naast de beslagene — ieder ander die een zakelijk of een persoonlijk recht op het inbeslaggenomen voorwerp pretendeert te hebben.
- Ad ii:
Een inbeslaggenomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring als is voldaan aan één of meer van de in art. 33a Sr opgesomde voorwaarden. Ten aanzien van voorwerpen die niet aan ‘de veroordeelde’ (lees in het onderhavige geval: ‘de verdachte beslagene’) toebehoren, bepaalt art. 33a lid 2 Sr onder meer dat deze alleen kunnen worden verbeurd verklaard als degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met het gebruik van het voorwerp, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
- Ad iii:
Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering vordert voortduring van het beslag (en verzet zich tegen teruggave) zolang niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, verbeurdverklaring zal bevelen.
- Ad iv:
Het inbeslaggenomen voorwerp kan aan een ander dan de beslagene worden afgegeven indien die ander (de klager) redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp kan worden aangemerkt.’
5.
In onderhavige zaak volgt de beklagrechter dit duidelijke stappenstelsel niet, althans maakt de beklagrechter dit onvoldoende inzichtelijk waardoor de beslissing niet begrijpelijk is.
Op de eerste plaatst geeft de bestreden beslissing er geen blijk van dat de beklagrechter heeft onderzocht of verzoeker als belanghebbende dient te worden aangemerkt.
Voorts lijkt de beklagrechter niet te onderzoeken of de auto voor verbeurdverklaring vatbaar is en zo ja of het belang van strafvordering voortduring van het beslag vordert. In dit kader dient immers onderzocht te worden of a) de auto aan verzoeker toebehoort en b) of verzoeker bekend was met het gebruik van de auto bij strafbare feiten of dat hij dit redelijkerwijs had kunnen vermoeden.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de door de rechtbank gehanteerde maatstaf als volgt:
‘De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal uitspreken. Aangezien hier sprake is van een klager die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zien en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht, dient de rechtbank als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt.’
De beklagrechter legt hier de verkeerde maatstaf aan. Voor de beoordeling van de vraag of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring zal uitspreken dient immers onderzocht te worden of voldaan is aan één of meer van de in art. 33a Sr opgesomde voorwaarden. De maatstaf die de beklagrechter aanlegt — of het buiten redelijke twijfel is dat hij als eigenaar/rechthebbende moet worden aangemerkt- is de maatstaf die toegepast dient te worden bij de vraag of het in beslaggenomen voorwerp aan een ander dan degene onder wie het is inbeslaggenomen, kan worden afgegeven. Deze vraag is nog niet aan de orde als het gaat om de vraag of het voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring en of het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave.
Vervolgens overweegt de beklagrechter wel dat er veel onduidelijkheid bestaat over aan wie de auto toebehoort. Hier lijkt het de beklagrechter dan toch in te gaan op de juiste maatstaf maar ook hier lijkt de beklagrechter te hinken op twee verschillende maatstaven, hetgeen de begrijpelijkheid van de beslissing niet ten goede komt. De beklagrechter overweegt in de besteden beschikking namelijk als volgt:
‘Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp verbeurd zal verklaren. Belangrijk daarbij is dat in deze zaak te veel onduidelijkheid bestaat over aan wie de auto feitelijke toebehoort. Hoewel klager de tenaamgestelde is en de verzekering en de lease voor de auto via zijn bankrekening betaalt, zijn er aanwijzingen dat [betrokkene 2] de feitelijke gebruiker van de auto is. [betrokkene 2] lijkt de aankoop van de auto te hebben geregeld en zegt in WhatsApp-gesprekken met anderen dat hij degene is die de auto heeft aangeschaft. In zijn verhoor op 27 januari 2022 heeft [betrokkene 2] verklaard voor de helft van de auto te betalen. De officier van justitie vermoedt dat er sprake is van een schijnconstructie waarbij [betrokkene 2] tracht te verhullen dat de auto in feite van hem is. Gelet op het summiere karakter van de procedure kan niet ten gronde worden uitgezocht of hiervan sprake is. Echter, er is teveel onduidelijk en het dossier roept op dit punt te veel vragen op om te oordelen dat buiten redelijke twijfel staat dat de auto (in feite) aan klager toebehoort.
Dit staat aan teruggave van de auto aan klager in de weg.’
Ook in deze overweging hanteert de beklagrechter de maatstaf dat buiten redelijke twijfel dient te staan dat de auto aan klager toebehoort. Voor de beoordeling of een goed — wat in beslag genomen is onder een derde- is relevant of deze (mede) aan een ander toebehoort. Dit is het geval nu verzoeker de tenaamgestelde is van de auto en hij de verzekering en lease betaald. Verzoeker tot cassatie stelt zich dan ook op het standpunt dat het oordeel van de beklagrechter dat de auto niet aan hem toebehoort, althans dat hier teveel onduidelijkheid over bestaat, ten onrechte is genomen, op grond van een onjuiste (te strenge) maatstaf en dat deze beslissing ook niet begrijpelijk is gemotiveerd. Naar het oordeel van verzoeker had de beklagrechter dienen te onderzoeken of verzoeker wist of had moeten weten dat de auto gebruikt werd bij strafbare feiten, alvorens een oordeel te vormen over de vraag of hij redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp kan worden aangemerkt. Ook het oordeel van de beklagrechter dat dit — de onduidelijkheid — aan teruggave in de weg staat is niet logisch. Immers als de beklagrechter van oordeel is dat het voertuig niet aan hem toebehoort dan betekent dit dat het voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring en zou het klaagschrift ongegrond verklaard worden om de reden dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.
6.
In zoverre moet worden geoordeeld dat de rechtbank wel de juiste maatstaf heeft toegepast, is het oordeel van de beklagrechter, in het licht van hetgeen door verzoeker op zitting is aangevoerd zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. Immers, verzoeker heeft aangevoerd dat hij de eigenaar is van het voertuig, hetgeen door de beslagene wordt bevestigd, en uit de stukken volgt onvoldoende dat hij bekend was met het gebruik van het voorwerp, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Verzoeker meent dat de rechter bij een nieuwe beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in art. 94 Sv, gelet op de daartoe aangevoerde redenen, zeer waarschijnlijk tot het oordeel zal komen dat het voertuig aan hem toebehoort. Mitsdien heeft hij er belang bij dat op de in het middel geformuleerde klacht wordt gecasseerd en dat na terug — of verwijzing het klaagschrift opnieuw wordt behandeld. Verzoeker heeft — zoals ook reeds uit het klaagschrift volgt — het voertuig nodig voor het vervoeren van zijn gezin.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam aldaar kantoorhoudende aan de Meeuwenlaan 98–100, 1121 JL die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Hoogachtend,
Mw. mr. T.E. Korff
advocaat