Rb. Rotterdam, 25-05-2022, nr. 10/221402-21
ECLI:NL:RBROT:2025:10553
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
25-05-2022
- Zaaknummer
10/221402-21
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2025:10553, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 13‑05‑2025; (Beschikking)
ECLI:NL:RBROT:2022:4222, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 25‑05‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2022-0392
Uitspraak 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Verlenging van de PIJ-maatregel met vijftien maanden.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/221402-21
Datum uitspraak: 13 mei 2025
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor strafzaken, met betrekking tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
ingeschreven in de basisregistratie personen (en feitelijk verblijvende) op het adres:
[jeugdinrichting] [adres] , [postcode] te [plaats] ,
hierna: de inrichting,
raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.
1. Procesverloop
Op 25 mei 2022 heeft de rechtbank de PIJ-maatregel van de veroordeelde gelast. De PIJ-maatregel is opgelegd ter zake van doodslag. De termijn van de PIJ-maatregel is gestart op8 mei 2023.
Vordering verlenging PIJ-maatregel
Op 1 april 2025 heeft de rechtbank van het openbaar ministerie een vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel ontvangen.
Bij die vordering is gevoegd het advies van het hoofd van de inrichting waar de veroordeelde verblijft, gedateerd 27 maart 2025, inclusief de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde over de periode van 5 november 2022 tot 18 maart 2024 en het planmatig verlofplan, gedateerd 16 oktober 2024. Daarnaast heeft de rechtbank op 12 mei 2025 van de raadsvrouw twee brieven ontvangen, geschreven door de veroordeelde en zijn vader.
Op de zitting van 13 mei 2025 is de vordering in het openbaar behandeld. Gehoord zijn:
- de officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne;
- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw;
- de ouders van de veroordeelde;
- de [deskundige] , als GZ-psycholoog verbonden aan de inrichting.
Tevens waren ter terechtzitting aanwezig [persoon A] en [persoon B] , de moeder en de broer van het slachtoffer.
2. Standpunt van partijen
2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de eerder gedane vordering tot verlenging van de termijn van de PIJ-maatregel met 18 maanden gewijzigd, in die zin dat zij nu gevorderd heeft de termijn te verlengen met 15 maanden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel – zoals verzocht door de veroordeelde – vooralsnog niet mogelijk is. Voordat daarvan sprake kan zijn dient de reclassering te worden betrokken en het lopende veiligheidsonderzoek moet zijn afgerond. De onbegeleide verloven moeten nog worden opgestart, en er dient een Scholings- en trainingsprogramma (hierna: STP) te zijn ingezet dat ook ongeveer zes maanden zal duren. De verwachting is dat deze stappen binnen de gevorderde vijftien maanden kunnen worden bereikt. Door een verlenging van kortere duur te vorderen wil de officier van justitie aan de veroordeelde het signaal afgeven dat de positieve ontwikkeling zichtbaar is, evenals de inzet van de ouders voor zijn terugkeer in de maatschappij. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel, de behandeling is nog niet afgerond en voortzetting daarvan is nog in het belang van de ontwikkeling van de veroordeelde en de veiligheid van anderen, waardoor verlenging van de PIJ-maatregel noodzakelijk is.
2.2.
Standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben verlenging van de PIJ-maatregel bepleit voor de duur van 12 maanden. In de stukken is te lezen dat er een positieve samenwerking is met het behandelteam en er is een positieve ontwikkeling zichtbaar in het traject. Vanwege deze positieve ontwikkeling dient er gefaseerd te worden toegewerkt naar het vormgeven van beschermende factoren in het resocialisatietraject. Het eerste begeleide verlofmoment is op28 november 2024 geweest. Sindsdien hebben er wekelijkse verloven plaatsgevonden. Het verloftraject heeft echter tijdelijk stilgelegen door een personeelstekort bij de inrichting. Inmiddels is de veertiende gedragswetenschapper bij de veroordeelde betrokken. Dat is voor de veroordeelde zeer demotiverend, vooral omdat hij met de vorige gedragswetenschapper een goede band had opgebouwd en had besproken dat hij vanaf mei 2025 zou gaan starten met onbegeleide verloven. De stagnatie in het verloftraject kan niet aan de veroordeelde worden verweten. Samen met zijn vader heeft de veroordeelde dagbesteding gevonden bij [bedrijf] , waar hij direct aan de slag kan zodra hij daar mag beginnen. Uit de stukken en het besprokene ter terechtzitting is niet gebleken waarom een verlenging met 15 of 18 maanden nodig is. De inrichting heeft een onderzoek gestart om te bezien of er sprake is van dreigingen in de woonomgeving van de ouders richting de veroordeelde. De verwachting is niet dat de uitkomsten daarvan maanden op zich laten wachten. De veroordeelde is toe aan een onbegeleide verlofstatus. Nu naar verwachting de onbegeleide verloven zes maanden en het STP-traject ook 6 maanden zal duren, is een verlenging van de maatregel met 12 maanden passend en geboden.
3. Adviezen
3.1.
Advies inrichting
Het advies van 27 maart 2025 houdt onder meer het volgende in.
Actuele diagnose
Bij de veroordeelde is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. Daarnaast is er sprake van een posttraumatische stressstoornis, gedeeltelijk in remissie, stoornis in het gebruik van cannabis matig tot ernstig, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en van een ongespecificeerde stemmingsstoornis. In de afgelopen jaren werd in de inrichting gezien dat de veroordeelde moeite heeft om te gaan met spanningen, affectieve instabiliteit/emotie-regulatieproblematiek en inadequate intense woede/moeite boosheid te beheersen. Ook is sprake van beperkte empathie, in die zin dat het effect van zichzelf op anderen wordt onderschat. Verder wordt er overmatige krenkbaarheid gezien, moeilijkheden met impulsiviteit, lage frustratietolerantie en een sterke neiging tot zelfbepaling en externaliseren binnen de behandeling. De onvoldoende adequate coping vaardigheden kunnen leiden tot impulsdoorbraken en/of verhoogde prikkelbaarheid en agitatie.
Verloop behandeling
Sinds 26 juli 2023 verblijft de veroordeelde op de [leefgroep] . In de inrichting heeft de veroordeelde traumabehandeling gevolgd, wat heeft bijgedragen aan de afname van klachten. In de periode tot aan de presentatie van ‘Leren van Delict’ werd een stijgende lijn gezien in de stemming van de veroordeelde en was er minder sprake van somberheid en slaapproblemen. Door de start van de delictanalyse kreeg de veroordeelde perspectief, maar na afronding daarvan zakte de veroordeelde terug in stemming en werd gesproken over een geagiteerde depressie. Medicatie-inname heeft een positief effect gehad op de stemming van de veroordeelde, maar is in overleg gestaakt vanwege de bijwerkingen die de veroordeelde daarna ervaarde. Omdat de veroordeelde nog steeds somatische klachten ervaarde is verder onderzoek gedaan. Daaruit is een vitamine B12 tekort gebleken, wat een deel van de klachten lijkt te verklaren. Ook lijkt er sprake van somatiseren, vermijding en externaliseren (niet het delictgedrag) als afweermechanismen. Bij de veroordeelde wordt zowel intrinsieke als extrinsieke motivatie gezien. Vanaf de plaatsing werkt hij zoveel mogelijk mee aan zijn behandeling en staat hij ervoor open om zijn gedrag beter te begrijpen. Zo vraagt de veroordeelde om extra sessies bij de behandelingen Leren van Delict, EMDR-therapie en schematherapie.
Gevaar voor herhaling
Het recidiverisico wordt binnen de inrichting ingeschat als matig. Als de bescherming van de inrichting op dit moment volledig weg komt te vallen, wordt de kans op herhaling ingeschat als hoog. Hoewel het de veroordeelde de afgelopen periode is gelukt om de positieve samenwerking met het behandelteam vast te houden, dienen onderliggende factoren zoals het inzicht in en het bewerken van de denk- en gedragspatronen verder bewerkt te worden om de kans op herhaling verder te verlagen.
Verder behandeltraject en –perspectief
De noodzaak van een gedwongen kader is nog aanwezig. Veroordeelde heeft begeleiding, aansturing, structuur en toezicht nodig om optimaal gebruik te kunnen maken van zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Een gedwongen kader biedt veroordeelde de mogelijkheid om verschillende vaardigheden te oefenen, eigen te maken en te generaliseren. Het afgelopen jaar is er sprake van een positieve ontwikkeling en een verbeterde samenwerking met de behandelteam, waardoor veroordeelde meer in behandeling komt en de positieve ontwikkeling ook weet vast te houden. Er worden nog behandelmogelijkheden en -doelen gezien op het gebied van vaardigheden en intrapsychische ontwikkeling die verder bewerkt moeten worden om het recidiverisico te verlagen. Hiernaast is voldoende tijd nodig om bij een positieve voortzetting in het behandeltraject het ingezette resocialisatietraject verder vorm te geven waarin gefaseerd beschermende factoren (wonen, dagbesteding, vrijetijds-besteding en pro sociaal netwerk) kunnen worden vormgegeven ter verlaging van het recidiverisico. Naast het gefaseerd vormgeven van beschermende factoren, is het van belang om middels een resocialisatietraject te monitoren of de aangeleerde vaardigheden worden toegepast en gegeneraliseerd, toewerken naar meer vrijheden en minder begeleiding.
Het advies luidt de termijn van de PIJ-maatregel te verlengen met achttien maanden.
3.2.
Ter zitting gegeven adviezen
[deskundige] , als GZ-psycholoog verbonden aan de inrichting, heeft het verlengings-advies ter zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard dat het goed met de veroordeelde gaat, maar dat er ook nog een aantal zaken zijn om aan te werken. Zo is er sprake van somatiseren en valt op dat er veel spanning en stress ontstaat als zaken niet juist verlopen. Ook is het nodig om coping vaardigheden en emotieregulatie beter onder controle te krijgen. De veroordeelde is geneigd om zaken buiten zichzelf te leggen. Niet door toedoen van de veroordeelde, maar door personeelstekort in de inrichting hebben de begeleide verloven de afgelopen periode weinig plaatsgevonden. Vanaf het moment dat het weer mogelijk was, zijn de verloven direct hervat. Het indexdelict heeft tot bedreigingen van de veroordeelde geleid en dat is ook van invloed geweest op zijn omgeving. Om die reden vindt er nader onderzoek plaats om de veiligheidsdreigingen rondom de veroordeelde duidelijk te krijgen. De start van de onbegeleide verloven is afhankelijk van de uitkomsten van dat veiligheidsonderzoek. Een verlenging van 18 maanden is nodig, omdat er nog eendaags begeleide verloven moeten plaatsvinden, gevolgd door een onbegeleide verlofstatus van zes maanden en een STP-traject dat ook zes maanden zal duren.
4. Beoordeling
Een PIJ-maatregel kan op grond van artikel 6:6:31, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in verbinding met artikel 77s, eerste lid, sub b en c, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) slechts verlengd worden indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarnaast dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van die maatregel te eisen en dient de maatregel in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. Aan deze drie voorwaarden moet worden voldaan om tot een verlenging van de maatregel te kunnen komen.
De rechtbank is van oordeel dat aan deze drie voorwaarden is voldaan.
Uit de adviezen en wat ter terechtzitting is besproken blijkt dat de veroordeelde een positieve ontwikkeling doormaakt in de inrichting. Hij heeft een goede samenwerking met het behandelteam, ziet de noodzaak van behandeling in en stelt zich daarvoor open. Er is een start gemaakt met begeleide verloven en er worden langzaamaan stappen gezet richting het vormgeven van een helder toekomstperspectief. Het valt te betreuren dat buiten de schuld van de veroordeelde om een aantal begeleide verloven geen doorgang konden vinden en hij daardoor mogelijk minder stappen in zijn behandeltraject heeft kunnen zetten. Dat neemt niet weg dat de behandeling van de veroordeelde op dit moment nog niet zodanig ver gevorderd is, dat een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel – zoals door de veroordeelde verzocht – aan de orde kan zijn.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de PIJ-maatregel te verlengen voor de duur van 12 maanden. Net als de verdediging en de officier van justitie ziet de rechtbank de positieve ontwikkeling van de veroordeelde, maar zij acht een verlenging van die duur niet passend. Er wordt niet getwijfeld aan de positieve motivatie die de veroordeelde op dit moment toont om aan datgene mee te werken dat nodig is voor de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. Desalniettemin ziet de rechtbank ook dat de veroordeelde nog belangrijke behandeldoelen heeft te realiseren, onder andere waar het gaat om het beheersen van zijn emoties en zijn frustratietolerantie. Het recidiverisico wordt – buiten het beschermende kader – op dit moment nog steeds ingeschat als hoog. Daarnaast is het traject van begeleid verlof nog niet afgerond, dient onbegeleid verlof nog te worden gestart en daarna moet nog het STP traject worden gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde verlengingsperiode van 15 maanden realistisch en noodzakelijk is om de risicofactoren te verminderen, beschermende factoren te versterken en stappen te zetten in het resocialisatietraject (naar de onbegeleide verlofstatus en de gewenste werk/dagbesteding en woonsituatie). De rechtbank weegt daarbij mee dat duidelijke kaders en een helder toekomstperspectief voor de veroordeelde belangrijk zijn en dat hij derhalve ook niet gebaat is met een kortere verlengingsperiode die achteraf niet realistisch blijkt te zijn.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, verlenging van de PIJ-maatregel met 15 maanden in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde.
Gevolg gevend aan artikel 6:6:31, tweede lid, Sv, geeft de rechtbank aan dat de maatregel, gelet op de ingangsdatum, de huidige expiratiedatum en de verlenging bij deze beslissing, op 31 juli 2026 voorwaardelijk zal eindigen en op 31 juli 2027 onvoorwaardelijk zal eindigen.
5. Beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
met 15 maanden.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.N. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. K.T.F. Chocolaad-de Bos en A.M.T.A. Verhagen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. (art.6:6:37 Sv)
Uitspraak 25‑05‑2022
Inhoudsindicatie
Doodslag door minderjarige verdachte. Het 21-jarige slachtoffer is met 42 messteken om het leven gebracht. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Opleggen van 21 maanden onvoorwaardelijke jeugddetentie en een PIJ-maatregel. Toewijzing van de vorderingen benadeelde partij in de vorm van affectieschade.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/221402-21
Datum uitspraak: 25 mei 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres en
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:
Rijks Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt, [adres] ,
raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van 12 mei 2022.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:
- -
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
- -
veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrekvan voorarrest,
- -
oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
4. Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 16 augustus 2021 te [plaatsnaam] [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de oksel en/of de borst en/of de buik en/of de arm en/of de het bekken en/of het bovenbeen, althans in het (boven)lichaam, van die [naam slachtoffer] gestoken en/of gesneden;.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf en maatregel
7.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De bijna achttienjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft het slachtoffer met 42 messteken om het leven gebracht. Het slachtoffer is 21 jaar oud geworden. De verdachte en het slachtoffer hebben voorafgaande aan het feit urenlang met elkaar doorgebracht om een gemeenschappelijke vriend te herdenken, die een jaar eerder was doodgestoken. Op enig moment is de sfeer omgeslagen en heeft de verdachte het slachtoffer op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht van het slachtoffer, het recht op leven, maar heeft hij ook de nabestaanden groot verdriet toegebracht en een onherstelbaar verlies veroorzaakt, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen nabestaandenverklaring. Naast de nabestaanden en vrienden heeft de dood van het slachtoffer ook bij anderen in de omgeving van [plaatsnaam] tot ongeloof en verdriet geleid. Daarnaast draagt het feit bij aan grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen. Daar komt bij dat de verdachte, hoewel hij tot op zekere hoogte heeft verklaard over wat er zich heeft afgespeeld, hij over een aantal belangrijke details tot op heden heeft gezwegen. De verdachte laat de nabestaanden daarmee naast onbeschrijfelijk verdriet ook met veel vragen achter. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 november 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-psycholoog drs. M.D. Beijer-Holtman en kinder- en jeugdpsychiater drs. B.G.J. Gunnewijk hebben na een klinisch multidisciplinair onderzoek een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 februari 2022. Zij hebben daarnaast naar aanleiding van vragen door de verdediging op 13 mei 2022 per e-mail een toelichting gegeven op het rapport.
Bij de verdachte is er sprake van psychische stoornissen in de zin van een gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline kenmerken en enige narcistische kenmerken. Daarnaast is sprake van depressieve klachten en een posttraumatische stressstoornis Ten slotte wordt een stoornis in het cannabisgebruik vastgesteld die matig tot ernstig van aard is.
De verschillende psychische stoornissen bestaan al langere tijd en waren ook aanwezig op het moment van het ten laste gelegde feit. De psychische stoornissen beïnvloedden het handelen van de verdachte op het moment van het hem ten laste gelegde. De deskundigen menen dat de psychische stoornissen sterk hebben doorgewerkt in zijn gedragingen voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde. Om die reden adviseren zij om hem het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op herhaling van agressieve impulsdoorbraken wordt als hoog ingeschat. Bovenstaande maakt, gezien de sterke doorwerking van de psychische stoornissen in zijn gedragingen voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde en het hoge recidivegevaar, dat de deskundigen hebben geadviseerd tot een langer durende residentiële behandeling in een gesloten kader, te realiseren middels een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Gemeend wordt dat de verdachte een veilige behandelomgeving nodig heeft, zonder vooraf vastgestelde beperkte behandelduur, zoals bij een gedrags beïnvloedende maatregel (hierna: GBM) en voorwaardelijke PIJ-maatregel het geval is en zonder de druk van thuis en vrienden, om aan zichzelf te kunnen werken en behandeling mogelijk te maken. Hierbij overwegen de deskundigen dat de verdachte op het moment van het ten laste gelegde overspoeld lijkt te zijn door emoties vanuit een zwakke emotie- en impulsregulatie en dat de verdachte reageerde met agressie om van zijn eigen frustraties en krenking af te komen. Het advies om de beschreven behandeling binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vorm te geven, is ook gelegen in de verwachting dat het therapeutisch effect van de behandeling een versterkend effect kan hebben op zijn stemmingsklachten en dat het risico bestaat dat hij als gevolg van zijn pathologie (opnieuw) overspoeld kan raken door emoties. Een beveiligde setting waarin de verdachte gemonitord en begeleid kan worden, wordt ook om deze redenen van belang geacht. Buiten dit gesloten kader en met vooraf bepaalde einddatum, is de kans groot dat hij, onvoldoende behandeld, opnieuw in conflictsituaties met derden dan wel leeftijdsgenoten kan belanden en overgeleverd is aan zijn ambivalenties en wantrouwen, met als gevolg een hoog risico op agressieve ontlading dan wel recidief gevaar. De deskundigen adviseren om bovengenoemde redenen niet tot het opleggen van een GBM of een voorwaardelijke PIJ-maatregel, omdat met deze maatregelen geen gesloten behandelkader over voldoende lange tijd geboden kan worden en daarmee ook het recidivegevaar niet afdoende ingeperkt kan worden. Andere minder stringente kaders bieden, naar de mening van de deskundigen, onvoldoende soelaas om tot behandeling van de psychische stoornissen van de verdachte te geraken. De deskundigen zien vanuit gedragskundig oogpunt dan ook geen alternatieven binnen de kaders van het minderjarigenstrafrecht, ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstige mogelijke ontwikkeling van de verdachte.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 april 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De Raad acht de interventieadviezen zoals beschreven in het Pro-Justitia onderzoek passend. De Raad heeft meerdere malen overwogen of een plaatsing binnen een ander kader passend zou zijn, maar ziet hier, gezien het hoge recidiverisico en langdurige traject, geen mogelijkheid toe. De Raad is van mening dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is om de verdachte de behandeling te kunnen bieden die hij nodig heeft. Het strafrechtelijk kader in de vorm van een PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid om de verdachte langdurig residentieel te kunnen behandelen waardoor een veilige terugkeer in de maatschappij mogelijk zou kunnen worden gemaakt. De Raad acht het alleen in dit kader nog mogelijk om de ontwikkeling van de verdachte ten goede te doen keren. De Raad sluit zich aan bij de mening van de rapporteurs dat met een ander type maatregel of een voorwaardelijke PIJ-maatregel de veiligheid van de verdachte en anderen niet kan worden gewaarborgd wanneer de verdachte buiten de veiligheid van de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) zijn behandeling ondergaat en er gewerkt wordt aan zijn problematiek. De ernst van het ten laste gelegde en het geweld dat de verdachte heeft gebruikt richting het slachtoffer in combinatie met de risicofactoren die onbehandeld een verhoogde kans op recidive betekenen, maken dat de Raad van mening is dat aan het veiligheidscriterium is voldaan. De Raad is van mening dat, om een nieuw geweldsdelict te voorkomen, maar vooral om de dreigende ontwikkeling richting persoonlijkheidsstoornissen ten positieve om te buigen, een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is. Het strakke kader is nodig voor een effectieve behandeling.
De Raad is van mening dat de behandeling in het kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zo spoedig mogelijk dient te starten. De Raad adviseert de rechtbank om deze reden jeugddetentie op te leggen voor de duur van de preventieve hechtenis. De deskundigen die namens de Raad ter zitting aanwezig waren, [naam 1] en [naam 2], hebben het advies gehandhaafd.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 mei 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
JBBR ziet dat de verdachte intensieve behandeling nodig heeft. De verdachte kent een belast verleden waarbij er door andere gebeurtenissen in het gezin mogelijk onvoldoende kon worden aangesloten bij wat de verdachte nodig had. Daarnaast zijn er zorgen over de ontwikkeling van de verdachte. JBRR sluit zich aan bij het advies van de psycholoog en de psychiater en vindt dat behandeling zo snel en intensief mogelijk moet worden opgestart. JBBR adviseert de rechtbank daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
Ter zitting heeft [naam 3], als jeugdreclasseerder werkzaam bij JBRR, het advies gehandhaafd.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens die ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde feit acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar.
Jeugddetentie
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige jeugddetentie. De maximale jeugddetentie voor een verdachte die ten tijde van het feit zeventien jaar oud is, is 24 maanden. De rechtbank ziet in beginsel aanleiding om daarbij aan te sluiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op het moment van het feit bijna meerderjarig was. Daartegenover staat dat de rechtbank het feit in verminderde mate aan de verdachte toerekent en aan de verdachte de hierna te noemen maatregel zal worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 21 maanden passend en geboden.
PIJ-maatregel
De rechtbank stelt voorts vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een PIJ-maatregel is voldaan. Het gepleegde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de psycholoog, de psychiater, de Raad en de JBBR adviseren is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte op het moment van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De verdediging heeft verzocht om de PIJ-maatregel in een voorwaardelijk kader op te leggen. De rechtbank is echter met de deskundigen van oordeel dat er door de aard en ernst van de psychische stoornis van de verdachte geen alternatief voorhanden is dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.
8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
8.1.
De vorderingen
Namens de benadeelde partijen heeft mr. N. Stolk de volgende vorderingen ingediend.
Vordering [naam benadeelde 1]
De benadeelde partij [naam benadeelde 1] , de vader van het slachtoffer, vordert, na de wijziging van mr. Stolk ter zitting, een vergoeding van € 17.500,- aan immateriële schade, te weten affectieschade.
Vordering [naam benadeelde 3]
De benadeelde partij [naam benadeelde 3], de moeder van het slachtoffer, vordert een vergoeding van € 40.000,-, aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,- aan affectieschade en € 20.000,- shockschade.
Vordering [naam benadeelde 2]
De benadeelde partij [naam benadeelde 2] , de broer van het slachtoffer, vordert een vergoeding van € 17.500,- aan immateriële schade, te weten affectieschade.
8.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen. De officier van justitie heeft ten aanzien van de afzonderlijke vorderingen hier het volgende aan toegevoegd.
Vordering [naam benadeelde 1]
Ouders worden in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) genoemd als kring van personen aan wie affectieschade kan worden toegekend en het gevorderde bedrag is gebaseerd op de tabel in het besluit.
Vordering [naam benadeelde 3]
Ouders worden in het Besluit genoemd als kring van personen aan wie affectieschade kan worden toegekend. De vordering is daarnaast voldoende onderbouwd en de gevorderde bedragen zijn redelijk.
Vordering [naam benadeelde 2]
Toekenning van affectieschade aan broers of zussen kan op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen als er sprake is van een nauwe en persoonlijke relatie. In dit geval is hier sprake van. De vordering is voldoende onderbouwd en het gevorderde bedrag is redelijk.
8.3.
Standpunt verdediging
Vordering [naam benadeelde 1]
De verdediging heeft geen opmerkingen bij de ter zitting gewijzigde vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] .
Vordering [naam benadeelde 3]
De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van de gevorderde affectieschade. De verdediging verzoekt de vordering ten aanzien van de shockschade af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. In dat kader merkt de verdediging op dat niet aan het confrontatievereiste is voldaan. Voorts merkt de verdediging op dat er geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Om deze reden is de vordering ten aanzien van shockschade onvoldoende onderbouwd.
Vordering [naam benadeelde 2]
De benadeelde partij [naam benadeelde 2] kan niet worden aangemerkt als één van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden voor toekenning van affectieschade. In dit geval is geen sprake van een dusdanig bijzondere affectie relatie dat de hardheidsclausule dient te worden toegepast.
8.4.
Beoordeling
Algemene overwegingen ten aanzien van affectieschade
Door alle benadeelde partijen wordt affectieschade gevorderd. Het vorderen van affectieschade in het strafproces is sinds 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen.
Vordering [naam benadeelde 1]
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit en wordt overigens door de verdediging niet weersproken. De vordering zal worden toegewezen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Vordering [naam benadeelde 3]
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [naam benadeelde 3] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit en wordt overigens door de verdediging niet weersproken. De vordering zal worden toegewezen.
Naast affectieschade wordt door de benadeelde partij shockschade gevorderd. Uit de rechtspraak volgt dat er voor een geslaagd beroep op shockschade sprake moet zijn van een hevige emotionele schok veroorzaakt door het waarnemen van het ten laste gelegde of een (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. In het algemeen zal dit slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Nu bij de vordering een diagnose van een psychiatrisch erkend ziektebeeld ontbreekt, kan de rechtbank niet zonder meer vaststellen dat hiervan sprake is waardoor de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren, omdat nadere onderbouwing van deze schade en/of bewijslevering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Vordering [naam benadeelde 2]
De rechtbank overweegt dat broers en zussen niet zijn opgenomen in de opsomming van artikel 6:108, vierde lid, sub a tot en met f, van het BW, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een dergelijk recht toe te kennen. Zij kunnen in bijzondere gevallen een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het BW. De hardheidsclause ziet op een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste kan worden aangemerkt. De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat er tussen het slachtoffer en de benadeelde partij sprake was van een nauwe persoonlijke relatie. De benadeelde partij is zijn oudere broer verloren, met wie hij weinig in leeftijd verschilde en tot zijn dood onafscheidelijk in gezinsverband heeft samengewoond. Naar het oordeel van de rechtbank komt daarmee vast te staan dat de benadeelde partij [naam benadeelde 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit. De vordering zal worden toegewezen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.5.
Conclusie
Vordering [naam benadeelde 1]
De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast.
Vordering [naam benadeelde 3]
De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021. In deze procedure wordt over het overige deel van de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast.
Vordering [naam benadeelde 2]
De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 17.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
10. . Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. . Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden,
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
veroordeelt de verdachte om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.N. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter, en
mrs. A.A.J. de Nijs en K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechters, tevens kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. W. Apeldoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 mei 2022.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 16 augustus 2021 te [plaatsnaam] [naam slachtoffer]
opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte meermalen,
althans eenmaal, (telkens) (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of
puntig voorwerp, in de oksel en/of de borst en/of de buik en/of de arm en/of de
bekken en/of het bovenbeen, althans in het (boven)lichaam, van die [naam slachtoffer] gestoken
en/of gesneden;
( art 287 Wetboek van Strafrecht )