Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.1:12.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.1
12.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940292:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bewijsvoering behelst enerzijds de wijze van opvoeren, presenteren, of aandragen van de vergaarde bewijsmiddelen ter ondersteuning van de door elk van beide partijen ingenomen stellingen. Anderzijds gaat het om het bestrijden van de door de wederpartij opgevoerde (tegen)bewijsmiddelen en om het pareren van aanvallen die de wederpartij doet op de ‘eigen’ bewijsmiddelen. Het uitgangspunt voor de bewijsvoering in de sfeer van de fiscale bestuurlijke boete is opnieuw de vrije bewijsleer, zoals dat ook in de sfeer van de heffing het geval is.1 In beginsel worden aan partijen geen beperkingen opgelegd om hun stellingen kracht bij te zetten. Daartoe kunnen zij, zoals reeds afzonderlijk is behandeld, alle mogelijke bewijsmiddelen naar keuze aanwenden.2 Ook de wijze waarop dat gebeurt, staat partijen – binnen de door de wet en de jurisprudentie getrokken geldende procedurele grenzen – vrij. In dit hoofdstuk komen met name die procedurele grenzen aan de orde, voor zover zij van invloed zijn op de bewijsvoering ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete.
Ten opzichte van het algemene fiscale bewijsrecht verschilt de bewijsvoering in fiscale bestuurlijke boetezaken vooral op de volgende terreinen:
De mededelingsplicht. In verband met de door art. 6 EVRM gegarandeerde waarborgen moet de inspecteur bij de fiscale bestuurlijke boete rekening houden met een mededelingsplicht vooraf. Het gaat hierbij in wezen om zowel het inhoudelijke aspect als om het temporele aspect (de tijdigheid) van de boetemotivering. De mededelingsplicht behandel ik in paragraaf 12.2.
De inhoudelijke spelregels van de bewijsvoering.3 Op onderdelen wijken die spelregels af ten opzichte van het algemene fiscale bewijsrecht, voornamelijk omdat in de sfeer van de boete verschillende aanvullende waarborgen van art. 6 EVRM gelden. Art. 6 lid 3 EVRM garandeert de boeteling namelijk dat hij zich behoorlijk kan verdedigen tegen alle feitelijke en juridische aantijgingen en bewijsmiddelen die van overheidswege tegen hem in stelling worden gebracht. Dit aanvullende rechtskader heeft invloed op aangelegenheden zoals het gebruik van vermoedens, algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel en de ambtshalve aanvulling van feiten door de rechter. Art. 6 lid 3 onder d EVRM bevat voor getuigenbewijs bovendien enkele bijzondere waarborgen. Behalve art. 6 EVRM zorgen rechtsnormen vanuit het hard core strafrecht voor verschillen tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete: zo zijn verjaringstermijnen in de sfeer van de boete van openbare orde. In paragraaf 12.3 ga ik nader in op deze aanvullende rechtsnormen.
Het proces van bewijsvoering. Hierbij gaat het om de volgorde waarin de verschillende stappen van de bewijsvoering (moeten) worden doorlopen: welke partij moet op welk moment welke stap zetten? Dit proces hangt sterk samen met de bewijslastverdeling.4 Vanwege de afwijkende bewijslastverdeling5 in de sfeer van de boete verloopt het proces van bewijsvoering ten aanzien van met name de centrale stellingen anders dan in de sfeer van de heffing. Ten dele hangt dat samen met de hiervoor genoemde mededelingsplicht: de inspecteur moet de feitelijke grondslag van de beschuldiging op het moment dat hij de boete oplegt al in beeld hebben. Daarnaast werkt de onschuldpresumptie als een soort automatische betwisting van de centrale stellingen. De inspecteur zal daarom altijd voldoende bewijs moeten leveren, ook zonder dat de boeteling de centrale stellingen gemotiveerd heeft betwist. Dit onderwerp behandel ik in paragraaf 12.4.