Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/10:10 Conclusie en samenvatting
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/10
10 Conclusie en samenvatting
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS350410:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een gemeenschap ontstaat vanaf het moment dat een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk (art. 3:166 lid 1 BW). Een gemeenschap eindigt wanneer aan dit criterium niet langer wordt voldaan. Beëindiging van een gemeenschap kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Een van deze wijzen van beëindiging heeft betrekking op de beëindiging via verdeling.
Met ingang van 1 januari 1992 heeft de wetgever de rechtsfiguur van verdeling van een plaats in de wet voorzien. Het wettelijke verdelingsbegrip is sindsdien geregeld in art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
Het is deze rechtshandeling van verdeling volgens art. 3:182 BW die in deze studie aan onderzoek is onderworpen. Het onderzoek heeft zich gericht op de systematische behandeling van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling. In dat kader is onder meer aandacht besteed aan de voorwaarden voor de totstandkoming van verdeling, de absorberende werking van het wettelijke verdelingsbegrip en de plaats van de rechtshandeling van verdeling ten opzichte van handelingen die niet als verdeling kunnen worden aangemerkt. Het onderzoek had uitsluitend betrekking op de verdeling bij onderlinge overeenstemming.
Het belang van deze studie strekt zich uit over ieder rechtsgebied waarvoor het civielrechtelijke verdelingsbegrip relevantie heeft. Zo werkt dit begrip tevens door in onderdelen van de fiscaliteit, waaronder de Wet op belastingen van rechtsverkeer in verband met de heffing van overdrachtsbelasting.
In hoofdstuk 1 is het onderzoek ingeleid. In dat hoofdstuk zijn onder meer het belang, de probleemstelling, de opzet en de methode uiteengezet.
In hoofdstuk 2 is de rechtsfiguur van verdeling geïntroduceerd. De inhoud en reikwijdte van verdeling kunnen pas omvattend worden beschouwd in
samenhang met de soort gemeenschap waarop de verdeling betrekking heeft. Om die reden is aandacht besteed aan relevante historische modellen van mede-eigendom en aan de wijze waarop deze via scheiding kunnen worden beëindigd. De behandeling hiervan vormde de opmaat naar een beschouwing over gemeenschap en verdeling in het huidige Burgerlijk Wetboek.
In hoofdstuk 3 is de geschiedenis van de totstandkoming van het verdelingsbegrip in art. 3:182 BW uitgewerkt aan de hand van diverse rechtsbronnen.
In hoofdstuk 4 is een analyse gegeven van de twee volzinnen van het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW. De beide volzinnen zijn elkaars antagonisten; hetgeen op grond van de eerste volzin als verdeling wordt aangemerkt, kan door de tweede volzin van die kwalificatie worden uitgesloten. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het doorgronden van het verdelingsbegrip bemoeilijkt wordt door de gebrekkige wetstechniek en de ambivalentie waarmee binnen de totstandkomingsgeschiedenis van het verdelingsbegrip over verdeling is gesproken. In lijn daarmee is er tot op heden in de doctrine geen eenduidigheid van opvatting over de inhoud en reikwijdte van verdeling op dit punt. Gelet op ontwikkelingen in de parlementaire geschiedenis is in deze studie tot uitgangspunt genomen dat verdeling een obligatoire overeenkomst is die de causa voor levering vormt en van de leveringshandeling moet worden onderscheiden.
In hoofdstuk 5 is de maatstaf voor verdeling vastgesteld. De maatstaf voor verdeling geeft de essentie van het effect van de verkrijging krachtens verdeling weer. De essentie van het effect van de verkrijging krachtens verdeling kan worden weergegeven als het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid. Deze verminderde mate van onverdeeldheid dient op te treden ten gevolge van de vermindering van het aantal tot ten minste één goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten krachtens een daartoe strekkend handelen tussen deelgenoten waaraan alle deelgenoten medewerken. De exclusiviteitseis voor verkrijging krachtens verdeling wordt beperkt tot het niveau waarop als gevolg van de verkrijging krachtens verdeling de groep van deelgenoten wordt onderscheiden in verkrijgende en niet-verkrijgende deelgenoten. De opvatting dat eveneens als exclusiviteitseis heeft te gelden dat elk van de verkrijgende deelgenoten met uitsluiting van de overige deelgenoten voor het geheel gerechtigd wordt tot een of meer gemeenschapsgoederen, vindt geen steun in het Nederlandse recht.
In de Belgische rechtsleer wordt nadrukkelijker dan in de Nederlandse doctrine aandacht besteed aan het aan verdeling ten grondslag liggende beginsel. Geconcludeerd werd dat waar de Belgische rechtsleer enerzijds aandacht heeft voor het rechtsgevolg dat verdeling in zijn essentie kenmerkt, het in diezelfde rechtsleer anderzijds ontbreekt aan een eenduidige afbakening daar waar het gaat om de vraag in hoeverre de hierboven bedoelde mate van exclusiviteit op de rechtsfiguur van verdeling van toepassing is. Binnen de Belgische rechtsleer wordt algemeen verdedigd dat het voor het rechtsgevolg van verdeling wezenlijk is dat het aantal tot de gemeenschap gerechtigde personen vermindert. Verschil van opvatting bestaat echter over het antwoord op de vraag of verdeling noodzakelijk tot gevolg heeft dat iedere verkrijgende deelgenoot met uitsluiting van de andere deelgenoten – dus exclusief – tot een goed van de gemeenschap wordt gerechtigd. Slechts de opvatting naar Belgisch recht dat dit laatste niet het geval is, komt overeen met hetgeen voor Nederlands recht moet worden aangenomen.
In hoofdstuk 6 is een analyse gemaakt van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. Voor de invulling van dit rechtsgevolg is de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip van belang. Daarin staat vermeld dat er sprake moet zijn van het krachtens een rechtshandeling door een of meer deelgenoten verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Het is met name dit voor verdeling geldende verkrijgingsbegrip waarvan de inhoud en reikwijdte zijn onderzocht.
Voor de totstandkoming van een juridische verdeling dient met twee begrippen ‘verkrijging’ rekening gehouden te worden. Het eerste begrip ‘verkrijging’ heeft betrekking op de verkrijging van goederen van de gemeenschap. Het tweede begrip ‘verkrijging’ betreft de verkrijging van niet-gemeenschapsgoederen (niet-gemeenschappelijke contanten ter gelijkmaking wegens een niet-evenredige verdeling in feitelijke zin).
Voor het eerstbedoelde verkrijgingsbegrip (verkrijging van goederen van de gemeenschap) geldt dat voor de inhoud en reikwijdte daarvan slechts ten dele bij de wet te rade kan worden gegaan. Aangenomen moet worden dat de reikwijdte van het verkrijgingsbegrip wordt bepaald door enerzijds de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip en anderzijds door het niet in wet vastgelegde criterium van de mate waarin een deelgenoot over (zijn aandeel in) het gemeenschapsgoed kan beschikken. Anders gezegd: voor de toepassing van het bepaalde in de eerste volzin van art. 3:182 BW dient te worden uitgegaan van het gehele gemeenschapsgoed als object van verdeling, waarbij het kader voor verkrijging door de (een of meer) verkrijgende deelgenoten wordt bepaald door enerzijds de grootte van de gerechtigdheid van de verkrijgende deelgenoot vóór verdeling en levering (als minimum) en anderzijds de totale gerechtigdheid tot het goed als geheel (als maximum).
Het laatstbedoelde verkrijgingsbegrip (verkrijging van niet-gemeenschapsgoederen) ziet op het in de jurisprudentie ontwikkelde vereiste dat pas tot juridische verdeling kan worden geconcludeerd indien overeenstemming bestaat over de financiële consequenties (gelijkmaking met niet-gemeenschappelijke contanten) wegens een niet-evenredige verdeling in feitelijke zin. Dit verkrijgingsbegrip is niet in het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW opgenomen.
In hoofdstuk 7 is nader ingegaan op de subjectieve elementen in verband met de totstandkoming van verdeling. Geconstateerd werd dat deelgenoten aan verdeling dienen mee te werken in hun hoedanigheid van deelgenoten. Het optreden van ‘deelgenoten als deelgenoten’ kan worden afgeleid uit de aan verdeling ten grondslag liggende rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die voortvloeit uit het gezamenlijk gerechtigd zijn tot goederen van de gemeenschap.
In hoofdstuk 8 is de vaststelling van het object van zowel de rechtshandeling van verdeling als de levering ter uitvoering van de verdeling behandeld. Als rechtens juist moet worden beschouwd de opvatting dat het object van de rechtshandeling van verdeling het gehele gemeenschapsgoed betreft, met dien verstande dat het kader voor verkrijging door de (een of meer) verkrijgende deelgenoten wordt bepaald door de in hoofdstuk 6 vastgestelde criteria. Zowel op grond van de wettekst als de toelichting op de wettekst kan worden aangenomen dat het object van de levering ter effectuering van de verdeling het verdeelde goed als geheel betreft.
In hoofdstuk 9 is gereflecteerd op de beide volzinnen van het verdelingsbegrip zoals geformuleerd in art. 3:182 BW. Deze reflectie had ten doel om te komen tot de vaststelling van de materiële kenmerken van verdeling ten behoeve van een alternatieve formulering van het wettelijke verdelingsbegrip. Geconcludeerd werd dat tot een betere beschrijving van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling kan worden gekomen indien de maatstaf voor verdeling (zoals bedoeld in hoofdstuk 5) tot uitgangspunt wordt genomen voor de beschrijving van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg. Indien in aanvulling hierop tot uitgangspunt wordt genomen dat voor de rechtsgeldige totstandkoming van verdeling is vereist dat daartoe alle deelgenoten medewerken in de hoedanigheid van deelgenoten kan eveneens worden voorzien in het buiten de reikwijdte van het verdelingsbegrip houden van handelingen waaraan niet alle deelgenoten als deelgenoten medewerken. Ten slotte zou in het verdelingsbegrip kunnen worden vastgelegd dat pas tot juridische verdeling kan worden geconcludeerd indien overeenstemming bestaat over de financiële consequenties wegens een niet-evenredige verdeling in feitelijke zin.