Rb. Overijssel, 13-07-2016, nr. C/08/181098 / HA ZA 16-4
ECLI:NL:RBOVE:2016:5533
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
13-07-2016
- Zaaknummer
C/08/181098 / HA ZA 16-4
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2016:5533, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 13‑07‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:5532
ECLI:NL:RBOVE:2016:5532, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 22‑06‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:5533
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:5531
ECLI:NL:RBOVE:2016:5531, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 06‑04‑2016; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:5532
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5655
Uitspraak 13‑07‑2016
Inhoudsindicatie
Herstelvonnis. Kennelijke fout: door gedaagde betaalde griffierechten maken onderdeel uit van proceskosten, zodat voor partijen en derden duidelijk is dat het niet vermelden hiervan in de begroting en het dictum berust op een vergissing.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/181098 / HA ZA 16-4
Aanvullend vonnis van 13 juli 2016
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
HOIST PORTFOLIO HOLDING LTD.,
gevestigd te St. Helier, Jersey (Kanaaleilanden),
eiseres,
advocaat mr. G.E.J. Kornet te Zwolle,
tegen
1. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. U. Ugur te Hengelo Ov,
2. [gedaagde 2],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna Hoist, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
1. Het verzoek tot aanvulling
1.1.
Eerder is in deze zaak tussen partijen vonnis gewezen op 22 juni 2016.
1.2.
Bij fax van 5 juli 2016 heeft mr. Ugur namens [gedaagde 1] de rechtbank verzocht om aanvulling van het op 22 juni 2016 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de rechtbank alsnog Hoist veroordeeld in de door [gedaagde 1] betaalde griffierechten.
1.3.
De rechtbank heeft Hoist in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Bij mail van 6 juli 2016 heeft mr. Kornet namens Hoist aan de rechtbank bericht tegen inwilliging van dat verzoek bezwaar te hebben, omdat van een kennelijke fout, verschrijving of rekenfout als bedoeld in artikel 31 RV niet is gebleken. In rechtsoverweging 4.13. is bewust vermeld welke kosten aan [gedaagde 1] worden toegewezen en hierbij zijn de griffierechten niet vermeld, aldus Hoist.
2. De beoordeling
2.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve een in zijn vonnis gemaakte kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, verbeteren.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat in het vonnis van 22 juni 2016 sprake is van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent.
In rechtsoverweging 4.13. is overwogen dat Hoist als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. Evident is dat de door [gedaagde 1] betaalde griffierechten onderdeel uitmaken van deze proceskosten, zodat voor partijen en derden duidelijk is dat het niet vermelden hiervan in de begroting en het dictum berust op een vergissing. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen als volgt.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat aan nr. 4.13. van het op 22 juni 2016 tussen Hoist en [gedaagde 1] gewezen vonnis na de zinsnede “De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op salaris advocaat € 1.788,-- (2 punt x tarief € 894,00)” dient te worden toegevoegd
“en betaald griffierecht ad € 78,--.”
3.2.
bepaalt dat nr. 5.2. van het op 22 juni 2016 tussen Hoist en [gedaagde 1] gewezen vonnis, waar staat “tot op heden begroot op € 1.788,-- ” wordt gewijzigd in
“tot op heden begroot op € 1.866,-- ”,
3.3.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 13 juli 2016 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 22 juni 2016,
3.4.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 22 juni 2016 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.
Uitspraak 22‑06‑2016
Inhoudsindicatie
Internationale zaak: Nederlands recht van toepassing. Betalingsachterstand kredietovereenkomst. Niet rechtsgeldig gecedeerd. Vorderingen afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/181098 / HA ZA 16-4
Vonnis van 22 juni 2016
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
HOIST PORTFOLIO HOLDING Ltd.,
gevestigd te St. Helier, Jersey (Kanaaleilanden),
eiseres,
advocaat mr. G.E.J. Kornet te Zwolle,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. U. Ugur te Hengelo Ov,
2. [gedaagde 2],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna Hoist, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 6 april 2016
- -
de voorafgaand aan de comparitie door Hoist op 18 mei 2016 en door [gedaagde 1] op
2 juni 2016 ingediende nadere producties
- het proces-verbaal van comparitie van 10 juni 2016.
1.2.
[gedaagde 2] is te dienende dagen niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Nu [gedaagde 1] in het geding is verschenen, zal één vonnis worden gewezen, dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
In de zaak tegen [gedaagde 1]
2. De feiten
2.1.
De Nederlandse Voorschotbank B.V. heeft, door tussenkomst van een tussenpersoon van Money United, met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 5 september 2011 een kredietovereenkomst ( [contractnummer] ) gesloten met een kredietlimiet van € 49.000,-- tegen een kredietvergoeding van 7,2% per jaar (hierna: de kredietovereenkomst). De kredietovereenkomst en de daarbij behorende afrekeningsnota en de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet zijn ondertekend door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
2.2.
Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet 06-2010 van toepassing. In deze algemene voorwaarden is onder andere het volgende bepaald:
Artikel 9 Opeisbaarheid
De restantschuld en al hetgeen door de kredietnemer verschuldigd mocht zijn krachtens onderhavige overeenkomst is in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar, indien:
a. Kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in het nakomen van zijn verplichtingen.
(…)
Artikel 16 Slotbepaling
Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
2.3.
Namens De Nederlandse Voorschotbank B.V. is door Antera Incasso B.V. op
15 oktober 2014 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een brief gestuurd, waarin onder andere het volgende is vermeld:
U hebt een lening bij De Nederlandse Voorschotbank. Zij hebben ons gevraagd om contact met u op te nemen, omdat u een betalingsachterstand hebt. U hebt hiervoor al een of meerdere aanmaningen ontvangen.
(…)
Als u uw betalingsachterstand niet binnen de gestelde termijn betaalt en ook geen (andere) betalingsregeling met ons afspreekt, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke. Wij kunnen dan uw krediet opeisen. Dit betekent dat wij u dan verplichten om uw totale schuld in een keer terug te betalen.
2.4.
Namens De Nederlandse Voorschotbank B.V. is door Antera Incasso B.V. op
24 december 2014 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een brief gestuurd, waarin onder andere het volgende is vermeld:
U hebt een lening bij De Nederlandse Voorschotbank. U ontvang deze brief omdat De Nederlandse Voorschotbank de afgelopen tijd geen betalingen van u heeft ontvangen. Wij hebben u aanmaningen gestuurd om u hierop te wijzen. Op dit moment hebt u een betalingsachterstand van € 887,32. Omdat u uw betaalafspraken niet nakomt, eisen wij nu het gehele achterstandsbedrag op.
Gerechtsdeurwaarder
Wij verzoeken u nog één keer om € 887,32 aan ons te voldoen. De betaling moet uiterlijk binnen vijf dagen na dagtekening van deze brief zijn ontvangen. Als u niet tijdig betaalt, stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke. Wij dragen dan de incasso van het totale schuldbedrag over aan een gerechtsdeurwaarder. Deze partij kan een procedure tot beslaglegging starten.
2.5.
De Nederlandse Voorschotbank B.V. en Hoist hebben op 23 februari 2015 een akte van cessie opgemaakt, waarin onder andere het volgende is vermeld:
1.1
In accordance with article 3:94 of the Dutch Civil Code, the Sellers hereby sell and assign tot the Purchaser the Elegible Forward Credit Claims that are specified in “List Guarantor re. 2(iii)C”of the attachment tot his Deed of Assignment, together with the Beneficiary Rights relating thereto (if any) and the Purchaser hereby purchases and accepts assignment of such Eligible Forward Flow Credit Claims.
(Vertaald: In overeenstemming met artikel 3:94 van het Nederlands Burgerlijk wetboek, verkopen en cederen de Verkopers hierbij aan de Koper de Eligible Forward Credit Claims welke nader zijn omschreven in “List Guarantor re. 2(iii)C” van de bijlage bij deze Akte van Cessie, samen met de Begunstigde Rechten (“Beneficiary Rights”) die daarop betrekking hebben (indien aanwezig), en koopt de koper hierbij en aanvaardt de Koper hierbij de cessie van die Eligible Forward Credit Claims.)
1.2
All claims and rights associated with the Eligible Forward Credit Claims as specified in “List Guarantor re. 2(iii)C” of the attachement to this Deed of Assignment, including, but not limited to, interest, costs and penalties owed by the Debtors to the Sellers on the date hereof and all Portfolio Security Rights, are transferred to the Purchaser along with the aforementioned Eligible Forward Flow Credit Claims.
(Vertaald: Alle aanspraken en rechten verband houdende met de Eligible Forward Credit Claims als omschreven in “List Guarantor re. 2(iii)C” van de Bijlage bij deze Akte van Cessie, daaronder begrepen, zonder dat dit een beperking inhoudt, rente, kosten en boetes verschuldigd door de Debiteuren aan de Verkopers op de datum van deze Akte van Cessie en alle Portfolio Zekerheidsrechten, worden samen met de bovengenoemde Eligible Forward Flow Credit Claims aan Koper overgedragen).
2.6.
Crédit Agricole Consumer Finance Nederland B.V. heeft op 25 februari 2015 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een brief gestuurd, welke is ondertekend door Crédit Agricole Consumer Finance Nederland B.V. en Hoist Kredit AB, waarin onder andere het volgende is vermeld:
U hebt al geruime tijd een lening bij De Nederlandse Voorschotbank met [contractnummer] . In juridische termen betekent dit dat we een vordering op u hebben. Wij willen u er graag op wijzen dat De Nederlandse Voorschotbank de vordering uit dit contractnummer heeft verkocht aan Hoist Portfolio Holding Ltd. Dit betekent dat Hoist Portfolio Holding Ltd. voortaan eigenaar is van deze vordering en eventuele bijbehorende zekerheidsrechten.
De Nederlandse Voorschotbank heeft in het verleden de vordering op u opgeëist conform de algemene voorwaarden. Wist u dit nog niet? Dan eisen wij deze vordering hierbij alsnog op.
(…)
In verband met het voorgaande verzoeken wij u met ingang van heden rente- en/of aflossingsbetalingen uitsluitend te voldoen op de rekening van Hoist Kredit AB,(…)
In de zaak tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
3. Het geschil
3.1.
Hoist vordert samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van;
I. € 53.416,80, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 17 september 2015;
II. € 1.584,10 aan buitengerechtelijke incassokosten;
vermeerderd met de proceskosten en nakosten.
3.2.
Op de stellingen van [gedaagde 1] en Hoist wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In de zaak tegen [gedaagde 1]
4. De beoordeling
De bevoegde rechter
4.1
Partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt en de rechtbank ambtshalve de vraag dient te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van vorderingen.
4.2
De vorderingen betreffen handelszaken en zijn ingesteld na 10 januari 2015, zodat de Herschikte EEX-Verordening van toepassing is op de beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank om van de onderhavige zaak kennis te nemen.
4.3.
De woonplaats van [gedaagde 1] is gelegen in [plaats] in Nederland, zodat de rechtbank op grond van artikel 4 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening bevoegd is om over de vorderingen in de zaak tussen Hoist en [gedaagde 1] te oordelen.
Toepasselijk recht
4.4.
Het toepasselijk recht wordt bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I).
4.5.
In artikel 16 van de onder 2.2. vermelde algemene voorwaarden zijn
De Nederlandse Voorschotbank B.V., [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een rechtskeuze in de zin van artikel 3 lid 1 Rome I overeengekomen. Ter comparitie hebben Hoist en [gedaagde 1] de rechtskeuze voor Nederlands recht bevestigd. Op de onderhavige vorderingen is derhalve Nederlands recht van toepassing.
Vordering gecedeerd?
4.6.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 1] is dat de onderhavige vordering niet aan Hoist is gecedeerd. Meer specifiek heeft zij aangevoerd dat de bij de akte van cessie behorende bijlagen ontbreken.
4.7.
Voor een rechtsgeldige overdracht van tegen bepaalde personen uit te oefenen rechten, zoals in casu een vordering op basis van een kredietovereenkomst, is vereist dat deze vordering krachtens geldige titel wordt geleverd.
4.8.
Op grond van artikel 3:94 BW dient een dergelijke levering plaats te vinden door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan, in casu aan [gedaagde 1] .
4.9.
Hoist heeft bij dagvaarding gesteld dat de onderhavige vordering is gecedeerd bij akte van cessie van 8 augustus 2014. Ter comparitie heeft zij haar dienaangaande standpunt gewijzigd en gesteld dat de onderhavige vordering is gecedeerd bij de hiervoor onder 2.5. vermelde akte van cessie d.d. 23 februari 2015.
4.10
In artikel 1.1. en 1.2. van de akte van cessie d.d. 23 februari 2015 is omschreven welke vorderingen bij deze akte zijn gecedeerd aan Hoist. De te cederen vorderingen worden omschreven als de Eligible Forward Flow Credit Claims die nader zijn omschreven in de “List Guarantor re. 2(iii)C” van de bijlage van de akte van cessie.
4.11.
De rechtbank constateert dat Hoist enkel de “List prepared bij Guarantor in line with articel 2(iii) sub A and B of Schedule 12 to the PPA II” in het geding heeft gebracht en niet de “List Guarantor re. 2(iii)C”. Derhalve kan niet vastgesteld worden of de onderhavige vordering gecedeerd is aan Hoist bij akte van cessie d.d. 23 februari 2015. Immers bij deze akte van cessie zijn enkel de op de “List Guarantor re. 2(iii)C” vermelde vorderingen gecedeerd. Gelet op het door [gedaagde 1] gevoerde verweer, had het op de weg van Hoist gelegen deze “List Guarantor re. 2(iii)C” uiterlijk ter comparitie in het geding te brengen.
4.12.
Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat de onderhavige vordering gecedeerd is aan Hoist, zodat evenmin vast staat dat Hoist een vordering heeft op [gedaagde 1] . Gelet hierop zullen de vorderingen worden afgewezen. Aan de beoordeling van de overige stellingen van partijen komt de rechtbank niet toe.
4.13.
Hoist zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op salaris advocaat
€ 1.788,00 (2 punt × tarief € 894,00).
In de zaak tegen [gedaagde 2]
4.14.
Bij de dagvaarding zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen.
De bevoegde rechter
4.15.
Op basis van de zich in de zaak tussen Hoist en [gedaagde 2] in het geding gebrachte stukken, kan de woon- en/of verblijfplaats van [gedaagde 2] niet worden vastgesteld. Het laatst bekende adres van [gedaagde 2] was in Gronau in Duitsland.
4.16.
De vorderingen betreffen handelszaken en zijn ingesteld na 10 januari 2015, zodat de Herschikte EEX-Verordening van toepassing is op de beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank om van de onderhavige zaak kennis te nemen.
4.17.
Indien onvoldoende aanwijzingen bestaan dat een verweerder met een onbekende woonplaats haar woonplaats buiten de Europese Unie heeft, heeft dat niet tot gevolg dat de internationale bevoegdheid krachtens artikel 6 Herschikte EEX-Verordening (voorheen artikel 4 EEX-Verordening) moet worden bepaald volgens het commune bevoegdheidsrecht van de aangezochte rechter. De toepassing van het commune recht komt pas aan de orde wanneer de aangezochte rechter over afdoende aanwijzingen beschikt die de conclusie wettigen dat verweerder daadwerkelijk buiten het grondgebied van de Europese Unie woont. Is dit niet het geval, dan wordt de internationale bevoegdheid bepaald volgens de (thans Herschikte) EEX-Verordening, waarbij de bevoegdheid onder omstandigheden gebaseerd kan worden op een alternatieve bevoegdheidsgrond zoals artikel 7 lid 3 Herschikte EEX-Verordening (voorheen artikel 5 lid 3 EEX-verordening) (zie HvJ EU 17 november 2011,C-327/10, NJ 2012/225, Hypotecni Banka/Lindner en HvJ EU 15 maart 2012, C-292/10,NJ 2012/286, G/De Visser)
4.18.
Nu De Nederlandse Voorschotbank B.V. - als kredietverstrekker - en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - als kredietnemers - ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst beiden gevestigd respectievelijk woonachtig waren in Nederland en de kredietovereenkomst in Nederland is uitgevoerd, acht de rechtbank zich op grond van artikel 7 lid 1 Herschikte EEX-Verordening bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige tegen [gedaagde 2] ingestelde vorderingen.
Toepasselijk recht
4.19.
Het toepasselijk recht wordt bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I).
4.20.
In artikel 16 van de algemene voorwaarden die volgens Hoist van toepassing zijn op de onderhavige tussen De Nederlandse Voorschotbank B.V., [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten kredietovereenkomst is bepaald dat op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is, zodat de rechtbank de onderhavige vorderingen op grond van artikel 3 lid 1 Rome I zal beoordelen naar Nederlands recht.
Vordering gecedeerd?
4.21.
Hoist stelt dat de onderhavige vordering aan haar is gecedeerd bij akte van Cessie van 8 augustus 2014.
4.22.
Voor een rechtsgeldige overdracht van tegen bepaalde personen uit te oefenen rechten, zoals in casu een vordering uit een kredietovereenkomst, is vereist dat deze vordering krachtens een geldige titel wordt geleverd.
4.23.
Op grond van artikel 3:94 BW dient een dergelijke levering plaats te vinden door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan, in casu aan [gedaagde 2] .
4.24
Hoist vordert betaling van het totaal verstrekte krediet, vermeerderd met rente en kosten. Ter onderbouwing hiervan stelt zij dat het verstrekte krediet volledig opeisbaar is geworden, nadat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet meer voldeden aan hun financiële verplichtingen uit de kredietovereenkomst en zij gewezen waren op hun achterstand in de betaling. Zij stelt tevens dat het totale verstrekte krediet is opgeëist bij brief van 24 december 2014.
4.25
Uitgaande van deze stellingen en in aanmerking nemende dat in artikel 9 van de overgelegde Algemene voorwaarden is bepaald dat “De restantschuld en al hetgeen door de kredietnemer verschuldigd mocht zijn krachtens onderhavige overeenkomst is in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar is, indien:
(a) Kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in het nakomen van zijn verplichtingen, had De Nederlandse Voorschotbank pas vanaf 24 december 2014 een vordering ten aanzien van het totale verstrekte krediet op [gedaagde 2] . Voor die datum was [gedaagde 2] kennelijk slechts gehouden de overeengekomen kredietvergoeding aan De Nederlandse Voorschotbank te betalen.
4.26.
Dit in aanmerking nemende, kan de rechtbank, zonder nadere toelichting hierop, Hoist niet volgen in haar standpunt dat de vordering tot betaling van het totale verstrekte krediet reeds aan haar was gecedeerd bij akte van Cessie van 8 augustus 2014. Immers gesteld noch gebleken is dat De Nederlandse Voorschotbank B.V. reeds toen een dergelijke vordering had op [gedaagde 2] .
4.27.
De overgelegde akte van cessie biedt hiervoor ook geen aanknopingspunt. Te meer nu in deze akte slechts de “Eligible Forward Flow Credit Claims die nader zijn omschreven in de “List Guarantor re. 2(iii)C” van de bijlage van de akte van cessie” zijn gecedeerd, terwijl is nagelaten deze “List Guarantor re. 2(iii)C” in het geding te brengen. Hoist heeft dan ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan vastgesteld kan worden dat de onderhavige vordering rechtsgeldig aan haar is gecedeerd, zodat evenmin vast staat dat Hoist een vordering heeft op [gedaagde 2] .
4.28.
Gelet op het voorgaande komen de vorderingen de rechtbank onrechtmatig en ongegrond voor, zodat de vorderingen hierna zullen worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
In de zaak tegen [gedaagde 1]
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Hoist in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 1.788,00;
In de zaak tegen [gedaagde 2]
5.3.
wijst de vorderingen af;
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2016.
Uitspraak 06‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Comparitie gelast: partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt en de rechtbank ambtshalve de vraag dient te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de vorderingen. Partijen zal worden gevraagd hun standpunten dienaangaande duidelijk te maken.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer : C/08/181098 / HA ZA 16-4
Vonnis van 6 april 2016
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlandse recht
HOIST PORTFOLIO HOLDING Ltd.,
gevestigd en kantoorhoudende te St. Helier, Jersey (Kanaaleilanden),
eiseres,
hierna te noemen Hoist,
advocaat: mr. G.E.J. Kornet te Zwolle,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. U. Ugur te Hengelo Ov.
2. [gedaagde 2] ,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten
gedaagde,
hierna te noemen [gedaagde 2] ,
niet verschenen
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] .
1.2.
Vervolgens heeft de rolrechter de zaak aangehouden om te beslissen of een comparitie zal worden gelast.
2. De overwegingen
2.1.
De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.2.
De rechtbank acht aan beide zijden de aanwezigheid ter zitting wenselijk van personen die inhoudelijk van de zaak op de hoogte zijn alsmede van personen die bevoegd zijn om een regeling te treffen. Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen adviseur.
2.3.
Ter terechtzitting zal aan de verschenen (raadslieden van) partijen de gelegenheid worden geboden om hun standpunten - zowel de juridische als de feitelijke - toe te lichten.
Indien partijen dat noodzakelijk achten, zullen hun tevoren op schrift gestelde beknopte aantekeningen, na te zijn voorgedragen, aan het proces-verbaal worden gehecht. Daarna zal de rechter partijen vragen om een nadere toelichting op de zaak.
De rechter wenst in het bijzonder de navolgende onderwerpen te bespreken:
- partijen zijn gevestigd op het grondgebied van verschillende staten, waardoor deze zaak een internationaal karakter draagt en de rechtbank ambtshalve de vraag dient te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de vorderingen. De rechter zal partijen vragen naar hun dienaangaande standpunten.
Vervolgens kan, afhankelijk van het besprokene, worden overgegaan tot het beproeven van een schikking. Tenslotte zullen zo nodig nadere afspraken worden gemaakt over het verdere verloop van de procedure.
2.4.
Een partij die zich tijdens de zitting wil beroepen op stukken die nog niet zijn overgelegd, moet die stukken uiterlijk veertien dagen voor de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij toesturen.
In het kader van de vaststelling van de feiten dient Hoist uiterlijk twee weken voor de zitting de volgende stukken toe te sturen:
- een door een beëdigd juridisch vertaler opgestelde vertaling in de Nederlandse taal van de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde (vermeende) akte van cessie.
2.5.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen, -ook in het nadeel van die partij -kan maken, die zij geraden zal achten.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.N. Kok in het gerechtsgebouw te Almelo aan de Egbert Gorterstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;
3.2.
bepaalt dat partijen in persoon aanwezig moeten zijn, dan wel (indien het een rechtspersoon betreft) vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is deze partij te vertegenwoordigen;
3.3.
verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van woensdag 20 april 2016 voor het bepalen van dag en tijdstip waarop de comparitie van partijen zal plaatsvinden. Partijen kunnen tot uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk verhinderdata opgeven voor de drie maanden volgend op genoemde rolzitting, met dien verstande dat bij die opgave tenminste tien dagen, dan wel twintig dagdelen, beschikbaar moeten zijn waarop de comparitie zou kunnen plaatsvinden;
3.4.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen, alsmede dat de comparitie zou kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien partijen bij hun opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagen of dagdelen vrijlaten;
3.5.
bepaalt dat de comparitie in beginsel niet zal worden uitgesteld nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
3.6.
wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken;
3.7.
bepaalt dat de in dit vonnis opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij(en) moet zijn toegestuurd;
3.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.