Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.2.3:7.2.3 De harde kern van het beschermingsbereik als oriëntatiepunt
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.2.3
7.2.3 De harde kern van het beschermingsbereik als oriëntatiepunt
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588635:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over die term nr. 342.
Men kan ook zeggen dat uit de fundering van een gebouw veel, maar niet alles over het gebouw zelf kan worden afgeleid, vgl. Lucy 2007, p. 251, 252 die in verband met de normatieve fundering van het verbintenissenrecht als geheel deze analogie maakt met de fundering van een gebouw.
Deze laatste formulering ontleen ik aan Snijders 1992, p. 18.
Zie § 8.3, 9.3, 10.3 en 11.3.
Zie hierover § 8.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
349. Niet in elke situatie waarin schade ontstaat ten gevolge van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis, geldt dat met het bestaan van de geschonden norm onverenigbaar zou zijn om voor deze schade geen aansprakelijkheid te laten bestaan. Niet elke schadesituatie is immers een basale of klaarblijkelijk niet-relevant andere schadesituatie. Niet elke schadesituatie ligt aldus in de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm.1 Dit betekent echter niet, dat dergelijke schade in onvoldoende normatief verband staat tot de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Ook betekent dit niet, dat het doel van de geschonden norm voor de toerekenbaarheid geen betekenis meer heeft. Deze omstandigheid maakt slechts dat het doel van deze norm niet zonder de conclusie kan dragen dat het normatieve verband toereikend is.2 Het beschermingsbereik van de norm wordt rondom de harde kern ervan als het ware diffuus. Dit gebeurt op de dimensie van zowel de persoon van de gelaedeerde, van het soort geleden schade als van de wijze waarop de schade is ontstaan.
(1) Indien op onrechtmatige wijze een zaak in brand wordt gestoken, volgt uit de norm dat de eigenaar van de zaak beschermd is, maar volgt uit de norm niet zonder meer of ook een pandhouder, een huurder of iemand met een ander contractueel belang bij de zaak beschermd is (zie ook nr. 340). (2) Indien op onzorgvuldige wijze in een café een kelderluik open wordt gezet en een bezoeker van het café hierdoor in de kelder valt, bestaat een ruime bandbreedte van basale en klaarblijkelijk niet-relevant andere schadesituaties waarin de schade kan worden toegerekend op de grond dat de norm die schade beoogt te voorkomen (zie ook nr. 340). Maar stel nu dat een bezoeker van het café bij zijn val in de kelder enkele tenen breekt, zijn voet hierom enkele weken in het gips moet om te genezen, en de gelaedeerde, aan het eind van de eerste dag dat zijn voet uit het gips is, over zijn eigen deurmat struikelt omdat zijn nog niet geheel herstelde voet is gaan slepen.3 Uit de norm volgt niet zonder meer dat beoogd is ook tegen deze schade te beschermen. In beide voorbeelden geraken wij buiten de harde kern, in het diffuse gebied, van het beschermingsbereik van de geschonden norm.
Wanneer het doel van de geschonden norm niet meer noopt tot de conclusie dat het normatieve verband toereikend is, rijst de vraag welke omstandigheden dan relevant zijn bij de toetsing van dit verband. Hier is van belang om te constateren dat de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm bij deze toetsing relevant blijft. Het uitgangspunt dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden, en dat differentiatie legitimatie vergt,4 maakt namelijk dat uitgelegd dient te worden waarom de door de normschendende gedraging veroorzaakte schadesituatie in die mate anders is dan de schadesituaties die liggen in de harde kern van het beschermingsbereik van de norm, dat de veroorzaakte schade niet kan worden toegerekend en daarvoor dus geen aansprakelijkheid bestaat.
Deze relevantie van de schadesituaties in de harde kern van het beschermingsbereik laat zich als volgt illustreren. (1) Op onrechtmatige wijze wordt een ruit van een winkel beschadigd. De huurder van het pand herstelt de schade. Indien zich laat vaststellen dat de eigenaar van het pand, indien deze schade voor zijn rekening zou zijn gekomen, jegens de laedens recht had gehad op vergoeding daarvan, ligt ook voor de hand om de huurder jegens de laedens aanspraak op schadevergoeding te geven. Niet valt in te zien waarom de laedens, die normaliter de herstelkosten aan de eigenaar had dienen te vergoeden, deze verplichting tot schadevergoeding kan ontlopen omdat de huurder de herstelkosten op zich heeft genomen. Ook valt niet in te zien waarom de huurder hier anders behandeld zou dienen te worden dan de eigenaar.5 (2) In het hiervoor gegeven voorbeeld van de val in de kelder en de latere struikeling over de deurmat geldt als gezegd dat een ruime bandbreedte bestaat van basale en klaarblijkelijk niet-relevant andere schadesituaties. Binnen deze bandbreedte kan het ontstane letsel en de daaruit voortvloeiende toerekenbare schade aanzienlijk uiteenlopen. Welk letsel ontstaat (enkele schrammen, een gebroken voet, of een dwarslaesie) is grotendeels het gevolg van min of meer toevallige, niet vooraf te voorspellen, omstandigheden. Het gegeven dat binnen deze ruime bandbreedte in beginsel aansprakelijkheid bestaat voor schade die is ontstaan op een wijze die afhangt van het min of meer toevallige causale verloop, maakt dat niet goed zou zijn in te zien waarom voor de schade vanwege de struikeling over de deurmat niet in beginsel aansprakelijkheid zou bestaan.
Deze twee casus maken duidelijk dat de schadesituaties die zouden kunnen ontstaan ten gevolge van een normschendende gedraging en waar wél aansprakelijkheid voor de schade zou bestaan op grond van de met die norm beoogde bescherming, als het ware normatief gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling of aansprakelijkheid dient te bestaan voor de schade zoals daadwerkelijk door de schending van die norm is veroorzaakt. Indien de door de normschendende gedraging veroorzaakte schadesituatie lijkt op de schadesituaties waarin op grond van het doel van de norm de schade kan worden toegerekend, moet men met goede redenen komen om te kunnen uitleggen waarom het vereiste normatieve verband ontbreekt. Andersom geldt dat indien de door de normschendende gedraging veroorzaakte schadesituatie volkomen anders is dan de schadesituaties waarin op grond van het doel van de norm aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade zou bestaan, uitleg vereist is om het bestaan van een toereikend normatief verband aan te nemen. Door de veroorzaakte schadesituatie te vergelijken met de door de schending van dezelfde norm veroorzaakte schadesituaties waarin wel sprake is van een voldoende normatief verband, wordt de vraag naar de aanwezigheid van dit verband als het ware op scherp gesteld. De vergelijking tussen de schadesituaties waarbij dit verband toereikend is en de veroorzaakte schadesituatie kan plaatsvinden ter zake van het aspect van de persoon van de gelaedeerde, het soort schade en de wijze van ontstaan.
350. Wanneer men de normschendende gedraging en daardoor veroorzaakte schade geïsoleerd beschouwt en in het luchtledige de vraag stelt of voldoende normatief verband tussen de normschendende gedraging en de schade aanwezig is, mist men naar mijn mening het houvast dat de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm kan bieden. Het gevaar van het motiveren van het toerekeningsoordeel met moeilijk houdbare rationaliseringen ligt dan op de loer.
Hier wordt duidelijk welk methodologisch voordeel het heeft om te vragen of ‘de schadesituatie in het beschermingsbereik van de geschonden norm ligt’ ten opzichte van het vragen of ‘de geleden schade toerekenbaar is’. Stelt men de eerste vraag, dan zal automatisch gekeken worden naar andere gevallen waarin de schade wel toerekenbaar is. Stelt men de vraag naar toerekenbaarheid van de schade zoals geleden dan bestaat de verleiding tot een geïsoleerde benadering.
351. In hoofdstuk 8 t/m 11 bespreek ik een viertal redenen waarom het normatieve verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade onvoldoende is om een verplichting tot vergoeding van de veroorzaakte schade aan te kunnen nemen. Elk van deze redenen blijkt genuanceerd te moeten worden wanneer de veroorzaakte schadesituatie voldoende overeenkomt met schadesituaties waartegen met de geschonden norm duidelijk wel beoogd is te beschermen.6
Een van de te bespreken redenen waarom het normatieve verband ontoereikend kan zijn, is wanneer met de geschonden norm niet beoogd is om te beschermen tegen de schade zoals geleden. Soms echter lijkt de door de normschendende gedraging veroorzaakte schadesituatie waartegen met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen, zoveel op de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen, dat het onredelijk zou zijn om de verplichting tot schadevergoeding zich niet tot de veroorzaakte schade te laten uitstrekken.7 In bijvoorbeeld Cijsouw/De Schelde I8 werd op een door een werkgever geschonden veiligheidsnorm waarmee werd beoogd tegen asbestose en longkanker te beschermen, aansprakelijkheid gebaseerd voor schade van de werknemer vanwege door de normschending veroorzaakte mesothelioom, terwijl de norm daartegen niet beoogde te beschermen. Het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm zou hier mijns inziens niet redelijk zijn omdat de ingetreden schadesituatie, qua zowel de persoon van de gelaedeerde, het soort schade zoals geleden als de wijze van ontstaan in hoge mate overeenkomt met schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen. De Hoge Raad begrensde in deze zaak niet de aansprakelijkheid op de grond dat met de geschonden norm niet beoogd werd te beschermen tegen de schade zoals geleden. Het is hier de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm die noopt tot nuancering van de relativiteitseis.
In de situaties van verplaatste schade, die ik in hoofdstuk 15 behandel, ontstaat door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis schade voor een derde en laat zich tegelijkertijd vaststellen dat als een ander deze schade zou hebben geleden de laedens haar op grond van de met de geschonden norm of de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogde bescherming had dienen te vergoeden. In deze situaties van verplaatste schade kan het gegeven dat deze ander tegenover de laedens aanspraak zou hebben gehad op vergoeding van de schade beslissend bijdragen aan de slotsom dat ook de derde aanspraak op schadevergoeding op de laedens dient te hebben.
Het oriëntatiepunt dat de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm biedt, is in deze gevallen wezenlijk: het is de gelijkenis met de daarin gelegen schadesituaties die doet uitkomen dat in het voorliggende geval in beginsel aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade dient te bestaan.
352. In het navolgende zal ik het doel van de geschonden norm nader uitwerken voor de door art. 6:162 BW geïmpliceerde rechtsplichten (§ 7.3), voor diverse kwalitatieve aansprakelijkheden (§ 7.4) en voor verplichtingen uit overeenkomst (§ 7.5).