Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/13.2
13.2 Pandrecht en stockdividend/bonusaandelen
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS364532:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/184. Dit volgt ook uit de tekst van artikel 42 Wge.
Zie de artikelen 2:86-86c BW en 2:196-196c BW.
Zie Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/40 en Boschma & Schutte- Veenstra, T&C Ondernemingsrecht, artikel 2:198 BW, aant. 3 (online, bijgewerkt 1 juli 2017).
Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/32 en Verburgt 2014 .
In die zin bijvoorbeeld ook Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:89 BW, aant. 7.5 (online, bijgewerkt 20 juli 2017), Boschma & Schutte-Veenstra, T&C Ondernemingsrecht, artikel 2:198 BW, aant. 6 (online, bijgewerkt 1 juli 2017) en Verburgt 2014.
Dit vloeit voort uit artikel 3:255 BW.
Zie bijvoorbeeld Boschma & Schutte-Veenstra, T&C Ondernemingsrecht, artikel 2:198 BW, aant. 6 (online, bijgewerkt 1 juli 2017) en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/40.
Zie ook Veldkamp 2009, p. 246-251 en Quist 2016a, 568.
Pandrecht op aandelen aan toonder kan worden gevestigd door het aandeelbewijs te brengen in de macht van de schuldeiser of van ‘een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen’ (3:236 BW). Als bezitloos pandrecht kan het ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte (3:237 BW). De Wge geeft een bijzondere regeling ten aanzien van pandrecht. De wet onderscheidt pandrecht op een aandeel in een verzameldepot en pandrecht op een aandeel in een girodepot dat wordt aangehouden door het centraal instituut (42 e.v. Wge). Het pandrecht op een aandeel in een verzameldepot kan worden gevestigd ten behoeve van een intermediair en ten behoeve van een ander. In het eerste geval geschiedt de vestiging door overeenkomst, inhoudende de vestiging van het pandrecht, tussen de pandgever en de instelling (21 Wge). In het geval een pandrecht wordt gevestigd ten behoeve van een ander dan de intermediair geschiedt de vestiging van het pandrecht door een overeenkomst tussen pandgever en pandhouder en bijschrijving van het pandrecht in de administratie van de intermediair (20 Wge). Het pandrecht op een girodepot kan uitsluitend gevestigd worden ten behoeve van een aangesloten instelling.1 In het geval van aandelen die beursgenoteerd zijn en zijn ondergebracht in het effectengirosysteem van de Wge wordt het pandrecht gevestigd als pandrecht op een aandeel in het verzameldepot door bijschrijving op naam van de pandhouder in de administratie van de aangesloten instelling. Ten aanzien van aandelen op naam wordt het pandrecht gevestigd door overeenkomstige toepassing van de bepalingen met betrekking tot levering van aandelen op naam.2 Daarvoor is voor de BV en de niet-beursgenoteerde NV een notariële akte vereist (2:86/196 BW). Pandrecht op aandelen op naam in een beursgenoteerde NV (waarvan de aandelen niet in het effectengirosysteem zijn opgenomen) wordt gevestigd overeenkomstig artikel 2:86c BW. Daarvoor is een onderhandse akte met erkenning door, of betekening aan de NV vereist. Bij de NV kan de bevoegdheid tot verpanding van een aandeel aan toonder bij de statuten niet worden beperkt of uitgesloten (2:89 lid 1 BW). Bij pandrecht spelen sociale overwegingen, zoals bij vruchtgebruik, geen rol. De overweging die aan voorgaande bepaling ten grondslag ligt is dat uitsluiting of beperking van de bevoegdheid tot verpanding niet strookt met het karakter van het toonderaandeel. De bevoegdheid tot verpanding van aandelen op naam kan bij de NV wel statutair worden uitgesloten of beperkt. Bij de BV kunnen de statuten eveneens bepalen dat op aandelen geen pandrecht kan worden gevestigd (2:198 lid 1 BW).3 Bepalen de statuten van een NV of BV niets over de vestiging van pandrecht, dan kan derhalve pandrecht op de aandelen worden gevestigd.
Indien een aandeelhouder zijn aandelen heeft verpand, rijst de vraag of dit pandrecht ook rust op het op de verpande aandelen uit te keren dividend. Een aandeel kan worden beschouwd als een verzameling onderling samenhangende zeggenschaps- en vermogensrechten, waaronder het (vorderings)recht op het dividend.4 De pandhouder komt het inningsrecht van het dividend toe maar dit kan met machtiging van de kantonrechter ook aan de pandgever toekomen (3:246 lid 1 BW). In akten waarbij aandelen worden verpand wordt overigens doorgaans bepaald dat de pandgever tot inning van dividenden bevoegd blijft, maar dat dit recht op de pandhouder overgaat zodra de pandgever ingevolge de financieringsdocumentatie in gebreke is. Na inning van de dividenden komt het pandrecht ook op het geïnde te rusten (3:246 lid 5 BW).5 De inning betekent overigens niet dat het geïnde – het dividend – aan de pandhouder toekomt. Het komt aan de aandeelhouder toe. Wel kan de pandhouder zich uit de geïnde dividenden voldoen zodra zijn vordering opeisbaar is geworden.6
Wat voor stockdividend geldt, lijkt ook voor bonusaandelen en aandelen die worden uitgegeven ten laste van wettelijke reserves te moeten gelden. Immers, het aandeel omvat ook het recht daarop. Heersende leer lijkt te zijn dat ook stockdividenden, bonusaandelen, claims en dergelijke onder het pandrecht komen te vallen.7 Het verbod van toe-eigening (3:235 BW) verzet zich er overigens tegen dat de pandhouder bij uitgifte direct houder zou worden van de als stockdividend uitgegeven aandelen. De als stockdividend uitgegeven aandelen komen aan de aandeelhouder/pandgever toe. Inning door de pandhouder van stockdividend lijkt dan ook slechts in die zin denkbaar dat de pandhouder de vennootschap aanspreekt op de uitgifte van het stockdividend aan de pandgever.
Veiligheidshalve wordt in veel pandakten expliciet bepaald dat ook toekomstige aandelen die te eniger tijd door de pandgever worden gehouden onder het pandrecht zullen vallen. Als dat het geval is zullen alle aandelen die de pandgever na de verpanding mocht verwerven, ongeacht of het aan de pandgever overgedragen of nieuw uitgegeven aandelen betreft, vanaf het moment van verkrijging met het pandrecht zijn bezwaard.8