Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.5:11.5 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.5
11.5 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500782:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik onderzocht wat het gebruik van het resultaat van de van de verdachte afgedwongen medewerking (‘the use in criminal proceedings of evidence obtained in breach of Article 6’) als derde en laatste toetsingsfactor voor schending behelst. Deze factor komt vooral tot uitdrukking in zaken waarin de verdachte onder sanctiedreiging zijn medewerking aan een onderzoek heeft verleend. Uit deze zaken volgt dat naarmate een veroordeling sterker steunt op bewijs dat van de verdachte zelf is afgedwongen, een onbehoorlijk strafproces zich sneller aandient (en andersom). Richtsnoer hiervoor is de beperking die het belastend bewijsgebruik oplegt aan de verdedigingspositie van de verdachte. Naarmate het van de verdachte afgedwongen bewijs een groter aandeel in de bewijsvoering tegen hem heeft, wordt de ruimte om in vrijheid zijn verdediging te voeren verder beperkt.
Weigerachtige verdachte krijgt meer bescherming
Heeft de verdachte na het ‘charge’-moment geweigerd te verklaren of geweigerd wilsafhankelijk (fysiek) bewijs te verstrekken, dan beperkt het Hof zich tot de vaststelling of het gevraagde, wanneer verstrekt, hem had kunnen belasten in de latere strafprocedure. Deze terughoudende toetsing lijkt terug te voeren op de ruime notie van zelfbelasting die het Hof voorstaat: elk risico van zelfbelasting volstaat voor de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. De weigerachtige verdachte lijkt in Straatsburg zodoende beter af te zijn dan de meewerkende verdachte. Wel is het zo dat uit het zwijgen van de verdachte soms nadelige (bewijs)gevolgen kunnen worden getrokken.
Relatie met andere verdragsrechten
De betekenis van de van de verdachte afgedwongen medewerking voor het bewijs van de criminal charge, speelt geen rol wanneer sprake is van foltering (art. 3 EVRM) of het onthouden van bijstand door een advocaat (art. 6). Dit is anders wanneer bij de bewijsgaring sprake is van onmenselijke behandeling van de verdachte (art. 3) of schending van het recht op privacy (art. 8).
Gebruik bewijsficties en -vermoedens
Vooral in situaties waarin de verdachte zijn medewerking weigert, ligt het gebruik van (wettelijke) vermoedens (‘presumptions of fact or of law’) voor het bewijs van de criminal charge op de loer. Omdat het EVRM geen bepaling bevat over het bewijs in straf-, civiele en bestuursrechtelijke zaken, kent het EHRM de verdragsstaten een grote vrijheid toe om een criminal charge te bewijzen met behulp van ficties of vermoedens. Dit komt niet zonder meer in strijd met de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM. Wel moet rekening worden gehouden met de rechten van de verdediging. Die moet (onder meer) het bewijsmateriaal kunnen betwisten en verweren kunnen inbrengen voor de rechter.
Op art. 6 EVRM steunende bewijsuitsluitingsregel
Uit de rechtspraak van het Hof wordt niet eenduidig of het een op art. 6 EVRM steunende bewijsuitsluitingsregel aanneemt voor bewijs dat na het aanvangsmoment van de criminal charge in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting is verkregen. Dit lijkt wel te volgen uit andere beslissingen van het Hof waarin het schending van art. 6 EVRM aanneemt.