RvA bouwgeschillen, 14-02-2024, nr. 37.727
ECLI:NL:RVAB:2024:2
- Instantie
Raad van Arbitrage in bouwgeschillen
- Datum
14-02-2024
- Magistraten
R.E. Weening
- Zaaknummer
37.727
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVAB:2024:2, Uitspraak, Raad van Arbitrage in bouwgeschillen, 14‑02‑2024
Uitspraak 14‑02‑2024
R.E. Weening
Partij(en)
SCHEIDSRECHTERLIJK INCIDENTEEL VONNIS
in een geschil tussen
- 1.
A.,
- 2.
B.,
hierna aangeduid als: ‘opdrachtgevers’,
e i s e r s in de hoofdzaak,
v e r w e e r d e r s in het incident,
gemachtigde: mr. I. de Gram,
advocaat te Geldermalsen,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
C.,
hierna aangeduid als: ‘aanneemster’,
v e r w e e r s t e r in de hoofdzaak, e i s e r e s in het incident,
gemachtigde: mr. drs. M.H.G. Plieger, advocaat te Nieuwegein.
Het scheidsgerecht
1.
Ondergetekende, MR. R.E. WEENING, lid-jurist van het College van Arbiters van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (voorheen geheten Raad van Arbitrage voor de Bouw; hierna: ‘RvA’), is door de voorzitter van de RvA, overeenkomstig het met partijen besprokene in beginsel voor de duur van dit incident benoemd tot enig arbiter in dit geschil. Arbiter heeft haar benoeming schriftelijk aanvaard. Bij brief van 15 januari 2024 is daarvan mededeling gedaan aan partijen. Ten behoeve van dit incident is aan het scheidsgerecht toegevoegd mr. M.T.Y. Kokee, secretaris.
Het verloop van de procedure
2.
Arbiter beoordeelt het onderhavige bevoegdheidsincident aan de hand van de volgende stukken:
- —
de memorie van eis, bij de RvA binnengekomen op 30 september 2023, met producties 1 tot en met 27 en 29 tot en met 34;
- —
de brief van 27 oktober 2023 van mr. De Gram, met productie 28 behorend bij de memorie van eis;
- —
de incidentele conclusie tot onbevoegdheid, met producties A1, A2, B1 en B2;
- —
de antwoordconclusie in het incident;
- —
de brief van 31 januari 2024 van de secretaris, waarin mr. De Gram wordt verzocht opgave te doen van de woonplaatsen van opdrachtgevers en de (statutaire) vestigingsplaats van aanneemster;
- —
de e-mail van 1 februari 2024 van mr. De Gram;
- —
de brief van 1 februari 2024 van de secretaris;
- —
de e-mail van 2 februari 2024 van mr. De Gram, met bijlage (uittreksel Kamer van Koophandel);
- —
de brief van 5 februari 2024 van de secretaris.
3.
Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling van het incident.
De gronden van de beslissing
de feiten
4.
Arbiter gaat uit van de volgende feiten:
- a.
Partijen hebben per 31 maart 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten ten behoeve van de renovatie van het kantoorpand van opdrachtgevers te X…
- b.
Op de aannemingsovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Aannemingen in het Bouwbedrijf 2013, herzien in december 2014 (verder: AVA 2013), van toepassing.
- c.
Tussen partijen is een geschil gerezen over de financiële afwikkeling van de overeenkomst (meer- en minderwerk) en door opdrachtgevers gestelde gebreken aan het werk.
het geschil
5.
Opdrachtgevers stellen dat partijen ter zake het tussen hen ontstane geschil op dinsdag 22 maart 2022 een schikking hebben getroffen, die aanneemster tot op heden niet is nagekomen. Zij vorderen primair nakoming van de gestelde schikking en vergoeding van schade en subsidiair nakoming van de aannemingsovereenkomst met vergoeding van schade.
6.
Aanneemster betwist dat partijen een schikking hebben bereikt en — in het verlengde daarvan — dat partijen ter zake van die schikking arbitrage zijn overeengekomen.
7.
Aanneemster verzoekt het scheidsgerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd te verklaren te oordelen over de primaire vordering van opdrachtgevers en opdrachtgevers hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het incident, de proces- en nakosten van aanneemster daaronder begrepen.
8.
Opdrachtgevers voeren gemotiveerd verweer in het incident en concluderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aanneemster niet-ontvankelijk te verklaren in al haar vorderingen, althans haar deze als zijnde onvoldoende wettig en onvoldoende overtuigend bewezen volledig te ontzeggen, met veroordeling van aanneemster in de proceskosten van opdrachtgevers en, voor het geval voldoening van deze proceskostenveroordeling niet binnen 14 dagen na datum vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening en voor nakosten met € 205,00 dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt voor nakosten ad € 273,00, althans te bepalen zoals het arbiter in goede justitie zal vermenen te behoren.
de beoordeling
9.
Artikel 17 lid 1 van de toepasselijke AVA 2013 luidt als volgt:
‘Alle geschillen, welke ook — waaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd — die naar aanleiding van deze aannemingsovereenkomst of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de opdrachtgever en de aannemer mochten ontstaan, worden beslecht bij wege van arbitrage door de Raad van Arbitrage voor de Bouw overeenkomstig de regelen beschreven in het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals dit drie maanden voor het tot stand komen van de overeenkomst luidt, behoudens voor zover op grond van de volgende leden een andere wijze van geschillenbeslechting geldt.’
10.
De vordering van opdrachtgevers is primair gegrond op een door hen gestelde schikking die in het kader van een geschil naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst mondeling tussen partijen tot stand zou zijn gekomen. Als deze grondslag wordt gehonoreerd, levert dit in beginsel een (vaststellings)overeenkomst op die, gelet op de bij de feiten onder c genoemde geschilpunten, een uitvloeisel is van de aannemingsovereenkomst. Het arbitraal beding ziet dan dus ook op de schikking, tenzij in het kader van de schikking is afgeweken van het arbitraal beding in artikel 17 van de AVA 2013. In dit artikel zelf is immers geen uitzondering opgenomen voor een schikking.
11.
Aanneemster betwist allereerst dat er sprake is van een schikking, onder meer stellende dat niet is voldaan aan de daaraan door haar gestelde (vorm)vereisten, te weten een schriftelijke vaststellingsovereenkomst (VSO) die door beide partijen voor akkoord is ondertekend. Dit standpunt zal in de hoofdzaak beoordeeld moeten worden. In het onderhavige incident gaat het alleen om de bevoegdheid van het scheidsgerecht van de RvA om kennis te nemen van dit geschilpunt en daarover te oordelen bij scheidsrechterlijk vonnis. Dat het bestaan van een schikking wordt betwist, vormt geen grond voor onbevoegdheid.
12.
Aanneemster wijst er verder op dat in de door haar raadsman op 6 april 2022 opgestelde concept VSO (productie B1) een forumkeuze voor de rechtbank D. is opgenomen, waartegen door opdrachtgevers geen bezwaar is gemaakt. Opdrachtgevers hebben het concept, voorzien van wijzigingen en opmerkingen, op 15 april 2022 geretourneerd. Daarbij hebben zij de forumkeuze ongewijzigd gelaten. Daarmee hebben zij volgens aanneemster aangegeven dat zij wel akkoord zijn met de forumkeuze.
13.
Ook deze stelling kan aanneemster niet baten, nu tussen partijen niet in geschil is dat het niet tot een ondertekende VSO is gekomen. Volgens de eigen stellingen van aanneemster heeft dit tot gevolg dat de onderhandelingen tussen partijen niet tot wilsovereenstemming hebben geleid. Opdrachtgevers beroepen zich ook niet op een (concept) VSO; zij beroepen zich op een op 22 maart 2022 mondeling tot stand gekomen regeling.
14.
De gemachtigde van aanneemster heeft in een e-mail van 25 maart 2022 (productie 24) bevestigd dat in de VSO zal worden ingegaan op 1. planningsafspraken, 2. crediteerafspraken, 3. puntenlijstafspraken, 4. een garantie-aanleverafspraak en 5. finale-kwijtingsafspraken. Van de zijde van opdrachtgevers zijn de op 22 maart 2022 gemaakte afspraken bevestigd in een e-mail van 26 maart 2022 (productie 25). In geen van beide gespreksverslagen is een afspraak omtrent een forumkeuze opgenomen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat op 22 maart 2022 geen van het arbitraal beding in de AVA 2013 afwijkende afspraak is gemaakt.
15.
De slotsom uit het voorgaande moet zijn dat het scheidsgerecht van de RvA bevoegd is om kennis te nemen van de primaire vordering van opdrachtgevers en ook dat deel van het geschil tussen partijen bij scheidsrechterlijk vonnis te beslechten.
de kosten van dit incident en de overige vorderingen
16.
Nu aanneemster in het ongelijk is gesteld, zal zij met de kosten van dit incident worden belast. De door de RvA gemaakte kosten hebben tot en met het depot van dit vonnis ter griffie van de rechtbank te Amsterdam met inachtneming van het Waarborgsom-/moderatieschema van de RvA € 2.052,15 (waarvan € 332,90 aan btw) bedragen en zijn verrekend met de door opdrachtgevers gedane storting. Opdrachtgevers moeten dit bedrag aanvullen op de waarborgsom ten behoeve van de voortzetting van de procedure in de hoofdzaak.
17.
Arbiter bepaalt de tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van opdrachtgevers met inachtneming van de Leidraad vergoeding kosten van processuele bijstand op € 766,00 (één memorie (= 1 punt) × € 766,00 (tarief IV) = € 766,00).
18.
Ter zake van de proceskosten van dit incident moet dus door aanneemster aan opdrachtgevers worden voldaan € 2.052,15 + € 766,00 = € 2.818,15, indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis is betaald te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. De nakosten worden bepaald op € 173,00 zonder betekening van dit vonnis, verhoogd met € 90,00 in geval van betekening.
19.
De proceskostenveroordeling zal, zoals gevorderd door opdrachtgevers, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
20.
Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden ter behandeling door het scheidsgerecht dat zal worden benoemd ten behoeve van de hoofdzaak.
De beslissing:
Arbiter, rechtdoende:
VERKLAART het scheidsgerecht van de RvA BEVOEGD om kennis te nemen van de primaire vordering van opdrachtgevers en ook dat deel van het geschil tussen partijen bij scheidsrechterlijk vonnis te beslechten;
VEROORDEELT aanneemster ter verrekening van de kosten van dit incident aan opdrachtgevers te betalen € 2.818,15 (tweeduizend achthonderdachttien euro en vijftien cent), indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis is betaald te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en met € 173,00 aan nakosten zonder betekening van dit vonnis, verhoogd met € 90,00 in geval van betekening;
VERKLAART de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
HOUDT alle overige beslissingen aan.
Aldus gewezen te Amsterdam, 14 februari 2024
w.g. R.E. Weening