NJ 1913, p. 813
Beteékenis van de uitdrukking „uiterste wil."
Hof 's-Gravenhage 30-06-1913, ECLI:NL:GHSGR:1913:34
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
30 juni 1913
- Magistraten
Voorzitter: Mr. B. J. A. Sterck. Raadsheeren: Mrs. Jhr. R. O. van Holthe tot Echten en Jhr. J. W. Quintus.
- Zaaknummer
[30061913./NJ_1913,_p._813]
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHSGR:1913:34, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 30‑06‑1913
- Wetingang
(BW art. 885, 922.)
Essentie
Beteékenis van de uitdrukking „uiterste wil."
Samenvatting
Een beschikking als bedoeld in art.. 982 B. W., houdende benoeming van een executeur-testamentair, is geen uiterste wil in den zin van art. 885,4° (en 3°) B. W. Ten onrechte is derhalve appellant, die een zoodanig stuk heeft vernietigd, door de Bechtbank onivaardig verklaard" om erfgenaam te zijn.
Partij(en)
G. Reuvers, c.s., appellanten, procureur Mr. E. L. van Einden
tegen:
JVI. J. "Reuvers, echtgenoote van en in gemeenschap van goederen gehuwd met J. C. Steen, c.s., geintimeerden, procureur Mr. F. H. Carbentus Gerritsen.
Voorgaande uitspraak
Zie het vernietigde vonnis, Ned. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.