Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.5
Paragraaf 11.5 Vrijheid van meningsuiting
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388288:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de tweede dissenting opinion bij EHRM 20 november 1989, 10572/83 (Markt Intern Verlag/Duitsland); COM(2001)252 def., p. 16, waar de Europese Commissie dit aanvaardt; EHRM 27 maart 1996, 17488/90, punt 39 (Goodwin/Verenigd Koninkrijk); EHRM 7 december 1976, 5493/72 (Handyside/Verenigd Koninkrijk); ECRM 9 september 1992, 13914/ 88, punt 35 (Informationsverein Lentia e.a./Oostenrijk).
Barendt 2007, p. 417.
Bezanson 1995.
ECRM 5 mei 1979, 7805/77 (X. en Church of Scientology/Zweden); EHRM 22 mei 1990, 12726/87, NJ 1991/740 (Autronic AG/Zwitserland).
EHRM 26 april 1979, 6538/74, NJ 1980/146, punt 65 en 67 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 23 september 1994, 15890/89, punt 31 (Jersild/Denemarken).
ECRM 9 september 1992, 13914/88 (Informationsverein Lentia e.a./Oostenrijk); EHRM 26 april 1979, 6538/74, NJ 1980/146 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
Maar de pers mag bijvoorbeeld niet grenzeloos inbreuk maken op de onschuldpresumptie ten aanzien van een verdachte, EHRM 11 januari 2000, 31457/96 (News Verlags GmbH&Co.KG/Oostenrijk). Onder bepaalde omstandigheden is een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting dan ook gerechtvaardigd, zie bijv. ECRM 5 mei 1979, 7805/77, punt 5 (X. en Church of Scientology/Zweden) en EHRM 7 december 1976, 5493/72 (Handyside/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 17 oktober 2002, 37928/97, punt 40 (Stambuck/Duitsland); ECRM 7 januari 1993, 15088/89 (Jacubowski/Duitsland); Harris, O’Boyle & Warbrick 2009, p. 461.
Een onderscheid in behandeling tussen profit en non-profit zou een schending van art. 14 EVRM opleveren, zie EHRM 24 februari 1994, 15450/89 (Casado Coca/Spanje).
EHRM 22 mei 1990, 12726/87, NJ 1991/740, punt 47 (Autronic AG/Zwitserland).
ECRM 7 maart 1991, 14622/89 (Hempfing/Duitsland); Lester 1993, p. 480; ECRM 7 januari 1993, 15088/89, punt 27 (Jacubowski/Duitsland); EHRM 20 november 1989, 10572/83, punt 35 (Markt Intern Verlag/Duitsland); EHRM 25 maart 1985, 8734/79 (Barthold/Duitsland); ECRM 9 september 1992, 13914/88, punt 35 (Informationsverein Lentia e.a./Oostenrijk); ECRM 30 juni 1993, 15153/89, punt 37 (Vereinigung Demokratischer Soldaten Österreichs en Gubi/Oostenrijk); EHRM 11 maart 2004, 39069/97 (Krone Verlag GmbH & Co. KG/Oostenrijk); EHRM 26 november 1991, 13585/88, punt 55 (Spycatcher); ECRM 5 mei 1979, 7805/77 (X. en Church of Scientology/Zweden).
De vrijheid van meningsuiting wordt vaak beschouwd als een van de meest fundamentele en beschermingswaardige rechten. Immers, de democratie stoelt op deze vrijheid en als men niet vrij zou zijn om zich uit te drukken, dan was het onmogelijk om inbreuken op andere rechten te ontdekken of aan het licht te brengen.1 De bescherming van de vrijheid van meningsuiting wordt tegenwoordig vaker ingeroepen door bedrijven dan door individuen. Een van de redenen daarvoor is dat veel kranten, televisiestations en andere media worden gedreven door een vennootschap; het zijn deze vennootschappen die bescherming zoeken van hetgeen zij uiten én die aangeklaagd worden wegens publicaties.2 Bekend zijn de procedures door en tegen roddelbladen. Een andere reden is dat bedrijven veel adverteren en dat zij niet wensen dat overheden zich hiermee bemoeien. Uitingen door niet-natuurlijke personen worden ook wel institutional speech genoemd.3
De vrijheid van meningsuiting wordt beschermd in art. 10 EVRM. De term ‘bedrijven’ in art. 10 EVRM maakt duidelijk dat het EVRM heeft bedoeld de waarborg van de rechten uit dit artikel verder te doen strekken dan tot alleen natuurlijke personen; ook andere entiteiten kunnen zich op dit recht beroepen.4 Dat de vrijheid van meningsuiting kan worden ingeroepen door anderen dan natuurlijke personen en dat tussen natuurlijke en rechtspersonen geen onderscheid wordt gemaakt, stond voor het EHRM al snel vast. Het EHRM oordeelde in Sunday Times/Verenigd Koninkrijk dat ten aanzien van onder andere Times Newspapers Ltd. ongerechtvaardigd inbreuk was gemaakt op de vrijheid van meningsuiting door Times Newspapers te verbieden een bepaald artikel te publiceren.5 De pers, al dan niet belichaamd door een rechtspersoon, wordt beschouwd als publieke waakhond en krijgt daarom een hogere mate van bescherming dan anderen.6 Het belang van de vrijheid van meningsuiting ligt niet alleen in de mogelijkheid voor de pers om informatie en ideeën van algemeen belang te delen, maar ook in het recht van het publiek om deze informatie te ontvangen.7 Wanneer het op de pers aankomt, wordt bijna geen enkele inmenging van de overheid geaccepteerd.8 Het EHRM besteedt in zijn rechtspraak geen aandacht aan de rechtsvorm of de grootte van de meningsuiter, maar aan zijn rol in en zijn bijdrage aan de maatschappij. Óók publicaties die minder of niet bijdragen aan het publieke debat, zoals reclame-uitingen, vallen onder art. 10 EVRM, zij het dat de bescherming (veel) minder ver reikt.9 Ook bedrijven met winstoogmerk10 hebben het recht op vrije meningsuiting, waaronder ook commercial speech valt:11
‘In the Court’s view, neither Autronic AG’s legal status as a limited companynor the fact that its activities were commercial nor the intrinsic nature offreedom of expression can deprive Autronic AG of the protection of Article10 (art. 10). The Article (art. 10) applies to “everyone”, whether natural orlegal persons.’
Meningsuitingen die minder of niet bijdragen aan het publieke debat mogen dus ook niet zonder voldoende rechtvaardiging beperkt worden, maar zullen het wel eerder moeten afleggen tegen de rechten van anderen, zoals consumenten en concurrenten (bijv. belang van hun bedrijfsgeheimen).12
Omdat uitdrukkelijk bescherming wordt geboden aan ‘bedrijven’ in plaats van personen, omdat ook in de rechtspraak van het EHRM geen aandacht wordt besteed aan de rechtsvorm en omdat het EHRM een zeer groot belang hecht aan de vrijheid van meningsuiting en inbreuken maar onder heel strikte voorwaarden accepteert, is het niet aannemelijk dat een bedrijf de vrijheid van meningsuiting kan worden ontzegd doordat er simpelweg niet het etiket ‘rechtspersoon’ op is geplakt.