Procestaal: Engels.
HvJ EU, 01-03-2017, nr. C-275/15
ECLI:EU:C:2017:144
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
01-03-2017
- Magistraten
Mrs. T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-275/15
- Conclusie
H. Saugmandsgaard Øe
- Roepnaam
ITV Broadcasting e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:144, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 01‑03‑2017
ECLI:EU:C:2016:649, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑09‑2016
Uitspraak 01‑03‑2017
Mrs. T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-275/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg, Engeland en Wales, afdeling civiel recht, Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 2 juni 2015, ingekomen bij het Hof op 8 juni 2015, in de procedure
ITV Broadcasting Limited,
ITV2 Limited,
ITV Digital Channels Limited,
Channel Four Television Corporation,
4 Ventures Limited,
Channel 5 Broadcasting Limited,
ITV Studios Limited
tegen
TVCatchup Limited (in vereffening),
TVCatchup (UK) Limited,
Media Resources Limited,
in tegenwoordigheid van:
The Secretary of State for Business, Innovation and Skills,
Virgin Media Limited,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 mei 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
ITV Broadcasting Limited, ITV2 Limited, ITV Digital Channels Limited, Channel Four Television Corporation, 4 Ventures Limited, Channel 5 Broadcasting Limited, ITV Studios Limited, vertegenwoordigd door J. Mellor, QC, en Q. Cregan, barrister, geïnstrueerd door P. Stevens en J. Vertes, solicitors,
- —
TVCatchup (UK) Limited en Media Resources Limited, vertegenwoordigd door M. Howe, QC, geïnstrueerd door L. Gilmore, solicitor,
- —
Virgin Media Limited, vertegenwoordigd door T. de la Mare, QC, geïnstrueerd door B. Allgrove, solicitor,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Kaye als gemachtigde, bijgestaan door C. May, QC, en door J. Riordan, barrister, vervolgens door J. Kraehling als gemachtigde, bijgestaan door A. Robertson, QC,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en J. Samnadda als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
2
Dat verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen ITV Broadcasting Limited, ITV2 Limited, ITV Digital Channels Limited, Channel Four Television Corporation, 4 Ventures Limited, Channel 5 Broadcasting Limited en ITV Studios Limited, enerzijds, en TVCatchup Limited, in vereffening (hierna: ‘TVC’), TVCatchup (UK) Limited (hierna: ‘TVC UK’) en Media Resources Limited, anderzijds, over de uitzending door deze laatste via internet van televisie-uitzendingen van verzoeksters in het hoofdgeding.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3
De overwegingen 4, 20, 23, 32 en 60 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:
- ‘(4)
Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, […]
[…]
- (20)
Deze richtlijn is gebaseerd op beginselen en voorschriften die reeds zijn vastgelegd in de op dit gebied geldende richtlijnen, met name de richtlijnen [91/250/EEG, 92/100/EEG, 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB 1993, L 248, blz. 15), 93/98/EEG en 96/9/EG]. Zij ontwikkelt die beginselen en voorschriften verder en integreert ze in het perspectief van de informatiemaatschappij. De bepalingen van deze richtlijn moeten de bepalingen van voornoemde richtlijnen onverlet laten, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
[…]
- (23)
Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. […]
[…]
- (32)
Deze richtlijn bevat een uitputtende opsomming van de beperkingen en restricties op het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek. […]
[…]
- (60)
De bescherming waarin deze richtlijn voorziet, mag geen afbreuk doen aan nationale of communautaire wettelijke bepalingen op andere gebieden, zoals industriële eigendom, gegevensbescherming, voorwaardelijke toegang, toegang tot overheidsdocumenten en het voorschrift betreffende de volgorde van de exploitatie door de media, welke gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het auteursrecht of naburige rechten.’
4
Artikel 1 van richtlijn 2001/29, met het opschrift ‘Werkingssfeer’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn heeft betrekking op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt, met bijzondere klemtoon op de informatiemaatschappij.
- 2.
Behoudens de in artikel 11 bedoelde gevallen, doet deze richtlijn geen afbreuk aan en raakt zij op generlei wijze aan de bestaande bepalingen van de Gemeenschap betreffende:
[…]
- c)
het auteursrecht en de naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel;
[…]’
5
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt onder het opschrift ‘Reproductierecht’:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van:
- a)
auteurs, met betrekking tot hun werken,
[…]
- e)
omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.’
6
Artikel 3 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.
- 2.
De lidstaten voorzien ten behoeve van:
[…]
- d)
omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.’
7
Artikel 5 van richtlijn 2001/29, met het opschrift ‘Beperkingen en restricties’, bepaalt:
- ‘3.
De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:
[…]
- 5.
De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.’
8
Artikel 9 van dezelfde richtlijn bepaalt onder het opschrift ‘Voortgezette toepassing van andere wettelijke bepalingen’:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name octrooirechten, handelsmerken, rechten inzake tekeningen of modellen, gebruiksmodellen, topografieën van halfgeleiderproducten, lettertypes, voorwaardelijke toegang, toegang tot de kabel van omroepdiensten, de bescherming van nationaal bezit, vereisten inzake wettelijk depot, beperkende praktijken en oneerlijke concurrentie, handelsgeheimen, veiligheid, vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en persoonlijke levenssfeer, toegang tot overheidsdocumenten en het overeenkomstenrecht.’
Recht van het Verenigd Koninkrijk
9
De Copyright, Designs and Patents Act 1988 (wet van 1988 op het auteursrecht, modellen en octrooien), zoals gewijzigd bij de Copyright and Related Rights Regulations 2003 (decreet van 2003 op het auteursrecht en de naburige rechten) (hierna: ‘CDPA’), houdende tenuitvoerlegging van richtlijn 2001/29, bepaalt in section 73 onder het opschrift ‘Ontvangst van een uitzending en wederdoorgifte ervan via de kabel’:
- ‘(1)
Deze section is van toepassing wanneer een uitzending vanuit het Verenigd Koninkrijk wordt ontvangen en onmiddellijk via de kabel wordt wederdoorgegeven.
- (2)
Het auteursrecht op de uitzending wordt niet geschonden:
- (a)
wanneer wederdoorgifte via de kabel beantwoordt aan een ter zake dienend vereiste, of
- (b)
indien en voor zover die uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij via de kabel wordt wederdoorgegeven en indien en voor zover zij deel uitmaakt van een in aanmerking komende dienst.
- (3)
Het auteursrecht op enig in de uitzending opgenomen werk wordt niet geschonden indien en voor zover de uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij via de kabel wordt wederdoorgegeven. […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10
Verzoeksters in het hoofdgeding zijn commerciële televisiezenders die naar nationaal recht auteursrechten bezitten op hun televisie-uitzendingen en op de films en de andere onderdelen van hun uitzendingen. Zij worden gefinancierd uit de reclame in het kader van hun uitzendingen.
11
TVC bood op internet televisieomroepdiensten aan waarmee de gebruiker via internet kosteloos ‘rechtstreeks’ streams van televisie-uitzendingen, waaronder die van verzoeksters in het hoofdgeding, kon ontvangen. Aan TVC is surseance van betaling verleend, en sindsdien worden haar handelsactiviteit en haar diensten verricht door TVC UK op grond van een door Media Resources Limited verleende licentie.
12
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben TVC voor de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division (rechter in eerste aanleg, Engeland en Wales, afdeling civiel recht, Verenigd Koninkrijk) gedaagd wegens schending van hun auteursrechten. Die rechterlijke instantie heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.
13
Na de uitspraak van het arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a. (C-607/11, EU:C:2013:147), heeft de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division, vastgesteld dat TVC de auteursrechten van verzoeksters in het hoofdgeding had geschonden door een mededeling aan het publiek. Met betrekking tot drie televisiezenders, te weten ITV, Channel 4 en Channel 5, heeft die rechterlijke instantie echter geoordeeld dat TVC een verweer kon ontlenen aan section 73, lid 2, onder b), en lid 3, CDPA.
14
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechterlijke instantie. TVC UK en Media Resources Limited zijn voor die rechterlijke instantie toegevoegd als verwerende partijen.
15
De verwijzende rechterlijke instantie merkt op dat section 73 CDPA voorziet in een verweer tegen een vordering wegens schending van het auteursrecht op een uitzending of op ieder in een uitzending opgenomen werk, dat toepasselijk is ‘wanneer een uitzending vanuit het Verenigd Koninkrijk wordt ontvangen en onmiddellijk via de kabel wordt wederdoorgegeven’. Zij zet uiteen dat het verweer waarover zij zich moet uitspreken geen betrekking heeft op section 73, lid 2, onder a), en lid 3, CDPA, waaruit onder meer volgt dat het auteursrecht op het uitgezonden werk niet wordt geschonden ‘wanneer wederdoorgifte via de kabel beantwoordt aan een ter zake dienend vereiste’, maar uitsluitend op section 73, lid 2, onder b), en lid 3, van die wet, waarin wordt bepaald dat dat recht niet wordt geschonden ‘indien en voor zover die uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij via de kabel wordt wederdoorgegeven en indien en voor zover zij deel uitmaakt van een in aanmerking komende dienst’.
16
Van oordeel dat section 73 CDPA moet worden uitgelegd gelet op artikel 9 van richtlijn 2001/29, heeft de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg, Engeland en Wales, afdeling civiel recht, Verenigd Koninkrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
‘Met betrekking tot de uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29, en in het bijzonder van de zin ‘[d]eze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name […] toegang tot de kabel van omroepdiensten’:
- 1)
Staat de geciteerde zin toe dat een nationale bepaling verder wordt toegepast met een werkingssfeer van het begrip ‘kabel’ als omschreven in het nationale recht of wordt de werkingssfeer van dat deel van artikel 9 bepaald door de betekenis van ‘kabel’ als omschreven in het Unierecht?
- 2)
Indien het begrip ‘kabel’ in artikel 9 wordt bepaald door het Unierecht, wat betekent dit begrip dan?
- a)
Heeft het een technologisch specifieke betekenis die is beperkt tot traditionele kabelnetwerken die worden beheerd door gewone kabeldienstaanbieders?
- b)
Zo niet, heeft het dan een technologisch neutrale betekenis die functioneel vergelijkbare, via internet doorgegeven diensten omvat?
- c)
Omvat het hoe dan ook straalverbindingen tussen vaste zendmasten?
- 3)
Is de geciteerde zin van toepassing 1) op bepalingen die van kabelnetwerken vereisen dat zij bepaalde uitzendingen wederdoorgeven of 2) op bepalingen die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel toestaan a) indien de wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen bestemd waren en/of b) indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten?
- 4)
Indien de werkingssfeer van het begrip ‘kabel’ in artikel 9 wordt bepaald door het nationale recht, gelden dan voor de bepaling van nationaal recht de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en van een billijk evenwicht tussen de rechten van houders van auteursrechten, de rechten van kabeleigenaars en het algemeen belang?
- 5)
Is artikel 9 beperkt tot de bepalingen van nationaal recht die golden op de datum waarop tot de richtlijn was besloten, de datum waarop die in werking trad of de uiterste datum voor omzetting ervan, of is dat artikel ook van toepassing op latere bepalingen van nationaal recht die betrekking hebben op toegang tot de kabel van omroepdiensten?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Derde vraag
17
Met haar derde vraag, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 9 van richtlijn 2001/29, meer in het bijzonder het begrip ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’, aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich uitstrekt tot, en ingevolge deze bepaling is toegestaan, een nationaal voorschrift op grond waarvan het auteursrecht niet wordt geschonden in geval van rechtstreekse wederdoorgifte per kabel, daaronder begrepen in voorkomend geval via internet, in het gebied van aanvankelijke uitzending, van werken die worden uitgezonden op televisiezenders waarop openbaredienstverplichtingen rusten.
18
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat aan het begrip ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 bij gebreke van uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten in de hele Unie een autonome en eenvormige uitlegging moet worden gegeven, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 21 oktober 2010, Padawan, C-467/08, EU:C:2010:620, punt 32, en 10 november 2016, Private Equity Insurance Group, C-156/15, EU:C:2016:851, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
In de eerste plaats volgt reeds uit de bewoordingen ‘toegang tot de kabel’ dat dat begrip verschilt van het begrip ‘wederdoorgifte via de kabel’, waarbij alleen dit laatste begrip in het kader van richtlijn 2001/29 de uitzending van audiovisuele inhoud aanduidt.
20
Aangaande in de tweede plaats de context van artikel 9 van richtlijn 2001/29, deze bevat, zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in artikel 1, lid 2, onder c), reeds een bepaling die uitdrukkelijk betrekking heeft op de ‘doorgifte via de kabel’ en de bepalingen van Unierecht dienaangaande, in het onderhavige geval die van richtlijn 93/83, van de werkingssfeer van die richtlijn uitsluit.
21
Voor zover nodig moet worden opgemerkt dat de bepalingen van richtlijn 93/83 irrelevant zijn voor het hoofdgeding. Dit laatste heeft betrekking op een doorgifte binnen één lidstaat, terwijl richtlijn 93/83 enkel voorziet in een minimale harmonisatie van een aantal aspecten van de bescherming van auteursrechten en naburige rechten in geval van mededeling aan het publiek per satelliet of doorgifte via de kabel van uitzendingen die afkomstig zijn uit andere lidstaten (arrest van 7 december 2006, SGAE, C-306/05, EU:2006:764, punt 30).
22
Wat in de derde plaats de doelstelling van richtlijn 2001/29 betreft, deze heeft als voornaamste doelstelling een hoog beschermingsniveau voor de auteurs te verwezenlijken, zodat dezen een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen, met name bij een mededeling aan het publiek (zie in die zin arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 186).
23
Gelet op dit hoge niveau van bescherming ten gunste van de auteurs heeft het Hof, op het verzoek om een prejudiciële beslissing in het kader van het hoofdgeding in eerste aanleg, reeds geoordeeld dat het begrip mededeling aan het publiek in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 ruim moet worden opgevat, zoals uitdrukkelijk wordt verklaard in overweging 23 van die richtlijn, en dat doorgifte via een internetstream, zoals in het hoofdgeding, een dergelijke mededeling vormt (zie in die zin arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a., C-607/11, EU:C:2013:147, punten 20 en 40).
24
Hieruit volgt dat een dergelijke mededeling bij gebreke van instemming van de betrokken auteur in beginsel ongeoorloofd is, behalve indien zij valt onder artikel 5 van die richtlijn, dat een uitputtende lijst van uitzonderingen en beperkingen op het in artikel 3 van dezelfde richtlijn neergelegde recht van mededeling aan het publiek bevat, zoals in overweging 32 van deze laatste wordt bevestigd.
25
In het onderhavige geval staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wederdoorgifte onder geen van de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 uitputtend opgesomde uitzonderingen en beperkingen valt.
26
Zoals de advocaat-generaal in de punten 37 en 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit artikel 9 van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met overweging 60 van die richtlijn, dat deze erop gericht is dat de bepalingen die gelden op anderegebieden dan het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied gehandhaafd blijven.
27
Een uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29 in die zin dat op grond ervan een wederdoorgifte als die in het hoofdgeding zonder instemming van de auteurs is toegestaan in andere gevallen dan die voorzien in artikel 5 van die richtlijn, zou niet alleen indruisen tegen het doel van dat artikel 9, maar ook tegen de uitputtende aard van dat artikel 5 en zou daarmee schadelijk zijn voor de verwezenlijking van het voornaamste doel van die richtlijn, een hoog niveau van bescherming ten gunste van de auteurs te waarborgen.
28
In dat verband is irrelevant of de oorspronkelijke doorgifte van de beschermde werken al dan niet is gedaan op televisiezenders waarop openbaredienstverplichtingen rusten. Richtlijn 2001/29 biedt geen grondslag op grond waarvan het gerechtvaardigd zou zijn, de inhoud van die zenders minder bescherming te bieden.
29
Gelet op al het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 9 van richtlijn 2001/29, meer in het bijzonder het begrip ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’, aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet uitstrekt tot, en ingevolge deze bepaling niet is toegestaan, een nationaal voorschrift op grond waarvan het auteursrecht niet wordt geschonden in geval van rechtstreekse wederdoorgifte per kabel, daaronder begrepen in voorkomend geval via internet, in het gebied van de oorspronkelijke uitzending, van werken die worden uitgezonden op televisiezenders waarop openbaredienstverplichtingen rusten.
Eerste, tweede, vierde en vijfde vraag
30
Gelet op het antwoord op de derde vraag hoeven de eerste, de tweede, de vierde en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
31
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, meer in het bijzonder het begrip‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich niet uitstrekt tot, en ingevolge deze bepaling niet is toegestaan, een nationaal voorschrift op grond waarvan het auteursrecht niet wordt geschonden in geval van rechtstreekse wederdoorgifte per kabel, daaronder begrepen in voorkomend geval via internet, in het gebied van de oorspronkelijke uitzending, van werken die worden uitgezonden op televisiezenders waarop openbaredienstverplichtingen rusten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑03‑2017
Conclusie 08‑09‑2016
H. Saugmandsgaard Øe
Partij(en)
Zaak C-275/151.
ITV Broadcasting Limited,
ITV2 Limited,
ITV Digital Channels Limited,
Channel Four Television Corp.,
4 Ventures Limited,
Channel 5 Broadcasting Limited,
ITV Studios Limited
tegen
TVCatchup Limited (in surseance van betaling),
TVCatchup (UK) Limited,
Media Resources Limited,
in aanwezigheid van
Secretary of State for Business,
Innovation and Skills,
Virgin Media Limited
[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Court of Appeal of England and Wales, Civil Division (rechter in tweede aanleg, Engeland en Wales, afdeling civiel recht) Verenigd Koninkrijk]
I — Inleiding
1.
Dit door de Court of Appeal of England and Wales, (Civil Division) [(rechter in tweede aanleg, Engeland en Wales, afdeling civiel recht) Verenigd Koninkrijk] ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij2., dat bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan bepalingen die gelden voor bepaalde andere gebieden. In het bijzonder stelt de verwijzende rechter vragen aan het Hof over de uitlegging van de formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’, waarmee in dat artikel een van de door richtlijn 2001/29 voorbehouden gebieden wordt aangeduid.
2.
De prejudiciële verwijzing vindt plaats in het kader van een geding dat is ingesteld door commerciële televisiezenders die aanvoeren dat aanbieders van de dienst wederdoorgifte — die gebruikers in staat stelt om kosteloos en ‘rechtstreeks’ internetstreams (‘live streaming’) van televisie-uitzendingen te ontvangen, waaronder die van verzoeksters — hun auteursrechten op hun televisie-uitzendingen schenden.
3.
Het Hof is in het kader van dit geding al eerder om een prejudiciële beslissing verzocht. In het arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a.3., heeft het Hof geoordeeld dat de wederdoorgifte die de aanbieders van de omstreden dienst verzorgen, een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 is.
4.
Na dat arrest heeft de rechter in eerste aanleg vastgesteld dat de aanbieders van de omstreden dienst inbreuk maken op de auteursrechten van verzoeksters. Met betrekking tot enkele betrokken uitzendingen heeft deze rechterlijke instantie echter geoordeeld dat de aanbieders zich konden beroepen op een bepaling van het recht van het Verenigd Koninkrijk die de wederdoorgifte van bepaalde uitzendingen binnen het ontvangstgebied ervan via de kabel toestaan.
5.
Verzoekster zijn van deze beslissing in hoger beroep gekomen bij de verwijzende rechterlijke instantie, die het Hof in wezen vraagt, of een dergelijke nationale bepaling die het uitsluitende recht beperkt om elke mededeling toe te staan of te verbieden, dat richtlijn 2001/29 verleent aan de houders van auteursrechten, verenigbaar is met deze richtlijn. Vast staat dat de betwiste wederdoorgiften onder geen van de in artikel 5 van die richtlijn genoemde beperkingen vallen.
6.
Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of de betrokken bepaling op grond van artikel 9 van richtlijn 2001/29 van toepassing kan blijven, aangezien zij kan worden aangemerkt als een bepaling betreffende ‘de toegang tot de kabel van omroepdiensten’. Dezelfde rechterlijke instantie stelt tevens vragen over de uitlegging van het in dit artikel gebruikte begrip ‘kabel’, teneinde vast te stellen of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van deze bepaling op van wederdoorgifte door middel van streams via internet.
II — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
7.
Overweging 60 van richtlijn 2001/29 luidt als volgt:
‘De bescherming waarin deze richtlijn voorziet, mag geen afbreuk doen aan nationale of communautaire wettelijke bepalingen op andere gebieden, zoals industriële eigendom, gegevensbescherming, voorwaardelijke toegang, toegang tot overheidsdocumenten en het voorschrift betreffende de volgorde van de exploitatie door de media, welke gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het auteursrecht of naburige rechten.’
8.
Krachtens artikel 1, (‘Werkingssfeer’), lid 1, van richtlijn 2001/29 heeft die richtlijn betrekking op ‘de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt, met bijzondere klemtoon op de informatiemaatschappij’.
9.
Artikel 9, (‘Voortgezette toepassing van andere wettelijke bepalingen’), van die richtlijn bepaalt:
‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name octrooirechten, handelsmerken, rechten inzake tekeningen of modellen, gebruiksmodellen, topografieën van halfgeleiderproducten, lettertypes, voorwaardelijke toegang, toegang tot de kabel van omroepdiensten, de bescherming van nationaal bezit, vereisten inzake wettelijk depot, beperkende praktijken en oneerlijke concurrentie, handelsgeheimen, veiligheid, vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en persoonlijke levenssfeer, toegang tot overheidsdocumenten en het overeenkomstenrecht.’
B — Recht van het Verenigd Koninkrijk
10.
Section 73, (‘Ontvangst van een uitzending en wederdoorgifte ervan via de kabel’), leden 1, 2, onder b), en 3, van de Copyright, Designs and Patents Act 1988 [wet van 1988 op het auteursrecht, modellen en octrooien (hierna: ‘CDPA’)], zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, bepaalt:
- ‘1)
Deze section is van toepassing wanneer een uitzending vanuit het Verenigd Koninkrijk wordt ontvangen en onmiddellijk via de kabel wordt wederdoorgegeven.
- 2)
Het auteursrecht op de uitzending wordt niet geschonden:
[…]
- b)
indien en voor zover die uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij via de kabel wordt wederdoorgegeven en indien en voor zover zij deel uitmaakt van een in aanmerking komende dienst.
- 3)
Het auteursrecht op enig in de uitzending opgenomen werk wordt niet geschonden indien en voor zover de uitzending is bedoeld voor ontvangst in het gebied waarin zij via de kabel wordt wederdoorgegeven […].’
11.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat section 73, leden 1, 2, onder b), en 3, van de CDPA, zoals hierboven geciteerd, het resultaat is van een aanpassing in 2003 van die wet met het oog op de omzetting van richtlijn 2001/29 in het recht van het Verenigd Koninkrijk.
III — Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
12.
Verzoeksters in het hoofdgeding, ITV Broadcasting Limited, ITV2 Limited, ITV Digital Channels Limited, Channel Four Television Corp., 4 Ventures Limited, Channel 5 Broadcasting Limited en ITV Studios Limited (hierna samen: ‘verzoeksters in het hoofdgeding’) zijn gratis te ontvangen commerciële televisiezenders die krachtens het recht van het Verenigd Koninkrijk auteursrecht hebben op hun televisie-uitzendingen alsmede op de films en andere werken en ander materiaal in hun uitzendingen. Zij worden gefinancierd uit de reclame in het kader van hun uitzendingen.
13.
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben de vennootschap TVCatchup Limited gedagvaard voor de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division, (rechter in eerste aanleg, Engeland & Wales, afdeling civiel recht, Verenigd Koninkrijk), waarbij zij aanvoeren dat de door die vennootschap aangeboden dienst, die gebruikers in staat stelt om via internet kosteloos en ‘rechtstreeks’ streams (‘live streaming’) van televisie-uitzendingen — waaronder die van verzoeksters in het hoofdgeding — te ontvangen, hun auteursrechten schendt. De omstreden diensten worden eveneens door reclame gefinancierd.
14.
Voornoemde rechter heeft een eerste prejudiciële vraag aan het Hof gesteld met betrekking tot de uitlegging van het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29.
15.
Bij arrest van 7 maart 2013 in de zaak ITV Broadcasting e.a.4. heeft het Hof voor recht verklaard:
‘[H]et begrip ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 [moet] aldus […] worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een wederdoorgifte van de werken die zijn opgenomen in een via zendmasten uitgezonden televisie-uitzending
- —
door een andere organisatie dan de oorspronkelijke omroeporganisatie,
- —
door middel van een internetstream die ter beschikking wordt gesteld van de abonnees van deze organisatie, die deze wederdoorgifte kunnen ontvangen door op de server van deze organisatie in te loggen,
- —
hoewel deze abonnees zich in het ontvangstgebied van deze via zendmasten uitgezonden televisie-uitzending bevinden en gerechtigd zijn om deze uitzending op een televisieontvanger te ontvangen.’
16.
Na dit arrest heeft de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division, vastgesteld dat TVCatchup Limited de auteursrechten van verzoeksters in het hoofdgeding heeft geschonden, en een rechterlijk bevel uitgesproken teneinde verdere schendingen van die rechten te voorkomen.
17.
Deze rechter heeft evenwel ten opzichte van drie televisiezenders, namelijk ITV, Channel 4 en Channel 5, geoordeeld dat TVCatchup Limited zich kon beroepen op een verweer betreffende section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, aangezien deze vennootschap die zenders via internet uitzond naar abonnees in het oorspronkelijke ontvangstgebied. In dit verband heeft diezelfde rechter geoordeeld dat de formulering ‘via de kabel […] wederdoorgegeven’ in section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, voldoende ruim is om de wederdoorgifte via internet te omvatten, maar niet de wederdoorgifte via mobiele telefoons die gebruik maken van netwerken voor mobiele telefonie.
18.
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben beroep ingesteld bij de Court of Appeal of England and Wales, Civil Division. Tijdens de procedure voor deze rechter is aan TVCatchup Limited surseance van betaling verleend. De commerciële activiteit die eerst door TVCatchup Limited werd verricht, wordt sindsdien door de vennootschap TVCatchup (UK) Limited verricht op grond van een door Media Resources Limited verleende licentie. Beide laatstgenoemde vennootschappen hebben een verzoek tot interventie in de procedure in hoger beroep ingediend en hun verzoek is toegewezen.
19.
Aangezien de verwijzende rechter van oordeel is dat section 73 CDPA dient te worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 9 van richtlijn 2001/29 en dat deze zaak vragen doet rijzen over de draagwijdte van dat artikel, heeft hij besloten de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
‘Met betrekking tot de uitlegging van artikel 9 van richtlijn [2001/29], en in het bijzonder van de zin ‘[d]eze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name […] toegang tot de kabel van omroepdiensten’:
- 1)
Staat de geciteerde zin toe dat een nationale bepaling verder wordt toegepast met een werkingssfeer van het begrip ‘kabel’ als omschreven in het nationale recht of wordt de werkingssfeer van dat deel van artikel 9 bepaald door de betekenis van ‘kabel’ als omschreven in het Unierecht?
- 2)
Indien het begrip ‘kabel’ in artikel 9 wordt bepaald door het Unierecht, wat betekent dit begrip dan? In het bijzonder:
- a)
Heeft het een technologisch specifieke betekenis die is beperkt tot traditionele kabelnetwerken die worden beheerd door gewone kabeldienstaanbieders?
- b)
Zo niet, heeft het dan een technologisch neutrale betekenis die functioneel vergelijkbare, via internet doorgegeven diensten omvat?
- c)
Omvat het hoe dan ook straalverbindingen tussen vaste zendmasten?
- 3)
Is de geciteerde zin van toepassing 1) op bepalingen die van kabelnetwerken vereisen dat zij bepaalde uitzendingen wederdoorgeven of 2) op bepalingen die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel toestaan a) indien de wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen bestemd waren en/of b) indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten?
- 4)
Indien de werkingssfeer van het begrip ‘kabel’ in artikel 9 wordt bepaald door het nationale recht, gelden dan voor de bepaling van nationaal recht de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en van een billijk evenwicht tussen de rechten van houders van auteursrechten, de rechten van kabeleigenaars en het algemeen belang?
- 5)
Is artikel 9 beperkt tot de bepalingen van nationaal recht die golden op de datum waarop tot de richtlijn is besloten, op de datum waarop zij in werking is getreden of op de uiterste datum voor haar omzetting in nationaal recht, of is dit artikel ook van toepassing op latere bepalingen van nationaal recht die betrekking hebben op toegang tot de kabel van omroepdiensten?’
20.
Verzoeksters in het hoofdgeding, TVCatchup (UK) Limited, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 25 mei 2016 waren de verzoeksters in het hoofdgeding, Virgin Media Limited, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie vertegenwoordigd.
IV — Juridische analyse
A — Arrest ITV Broadcasting e.a. en voorwerp van dit verzoek om een prejudiciële beslissing
21.
Bij arrest van 7 maart 2013 in de zaak ITV Broadcasting e.a.5., dat de achtergrond van dit verzoek om een prejudiciële beslissing vormt, heeft het Hof voor recht verklaard dat een wederdoorgifte zoals die door verweersters in het hoofdgeding, een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt.6.
22.
Hieruit volgt dat een dergelijke wederdoorgifte niet kan zonder de toestemming van de houder van het auteursrecht, tenzij voor die wederdoorgifte is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van deze richtlijn.7.
23.
De betrokken nationale regeling, te weten section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA creëert naar mijn mening een uitzondering op het recht van mededeling van artikel 3 van richtlijn 2001/29, voor zover zij bepaalt dat het auteursrecht ‘niet wordt geschonden’ in geval van wederdoorgifte van bepaalde uitzendingen in het gebied waarvoor zij bestemd waren.8. Die vaststelling wordt bevestigd door het feit dat naar nationaal recht section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA volgens de verwijzende rechter formeel juist wordt gekenschetst als ‘uitzondering’ en ‘verweer tegen de schending van het auteursrecht’.
24.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat geen van de partijen aanvoert dat deze regeling onder een van de uitzonderingen van artikel 5 van richtlijn 2001/29 valt.
25.
Zoals de verwijzende rechter aangeeft, is de kernvraag, of een dergelijke regeling onder artikel 9 van richtlijn 2001/29 valt omdat zij kan worden aangemerkt als betrekking hebbend op ‘de toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in de zin van dat artikel.9.
26.
Derhalve geef ik het Hof in overweging om in de eerste plaats de derde prejudiciële vraag te behandelen, die in wezen betrekking heeft op die kernvraag.
27.
De derde prejudiciële vraag heeft, gezien de formulering ervan, zowel betrekking op bepalingen die de wederdoorgifte van bepaalde uitzendingen vereisen als op bepalingen die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel toestaan‘a) indien de wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen bestemd waren en/of b) indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten’.10. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel ten eerste dat de betrokken nationale regeling geen wederdoorgifte vereist, en ten tweede dat zij alleen van toepassing is op situaties waarin de wederdoorgifte beperkt blijft tot de gebieden waarvoor de uitzendingen waren bestemd.11.
28.
Derhalve ben ik van mening dat de derde vraag dient te worden geherformuleerd als volgt: ‘Dient artikel 9 van richtlijn 2001/29 aldus te worden uitgelegd dat onder de werkingssfeer van die bepaling — en met name van de uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ — een regeling valt zoals section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, die de wederdoorgifte toestaat van uitzendingen via de kabel zonder de toestemming van de houders van auteursrechten indien die wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen waren bestemd, en indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten’.12.
29.
In onderstaande analyse zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA niet onder het voorbehoud van artikel 9 van richtlijn 2001/29 valt (onderdeel B). Die bevinding vloeit rechtstreeks voort uit de aard en de werkingssfeer van genoemd artikel 9 (onderdeel B.2) en uit het feit dat die regeling geen betrekking heeft op ‘de toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in de zin van dit artikel (onderdeel B.3).
30.
Uit die analyse volgt dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de overige vragen van de verwijzende rechter, die betrekking hebben op de temporele werkingssfeer van artikel 9 van richtlijn 2001/29 (vijfde prejudiciële vraag) en op de uitlegging van het begrip ‘kabel’ in dat artikel (de eerste, de tweede en de vierde prejudiciële vraag). Niettemin zal ik ten overvloede enkele opmerkingen maken over de uitlegging van het begrip ‘kabel’ om te antwoorden op de argumenten die partijen in dit verband naar voren hebben gebracht (onderdeel C).13.
31.
Wat de tweede prejudiciële vraag, onder c), betreft (of dit begrip ook straalverbindingen tussen vaste zendmasten omvat), heeft de verwijzende rechter niet toegelicht waarom hij het noodzakelijk vond om die vraag aan het Hof te stellen. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de verwijzingsbeslissing of uit de bij het Hof ingediende opmerkingen, die geen informatie bevatten dat de omstreden wederdoorgiften straalverbindingen tussen vaste zendmasten omvatten. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om overeenkomstig vaste rechtspraak vast te stellen dat de tweede vraag, onder c), niet-ontvankelijk is.14.
B — Uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29 en van de uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ (derde vraag)
32.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA onder de werkingssfeer van artikel 9 van richtlijn 2001/29 en met name van de uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ valt.
1. Voorgestelde uitleggingen
33.
De verwijzende rechter, die twijfelt over de betekenis van de in artikel 9 van richtlijn 2001/29 gebruikte uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’, noemt in de verwijzingsbeslissing drie mogelijke uitleggingen ervan.
34.
Volgens een eerste mogelijke uitlegging, die overeenkomt met het standpunt van verzoeksters in het hoofdgeding en de Commissie, heeft de uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ alleen betrekking op bepalingen die eisen dat kabelexploitanten omroepdiensten aanbieden, dat wil zeggen op bepalingen inzake ‘doorgifteverplichtingen’ (‘must carry’) in de zin van artikel 31 van richtlijn 2002/22/EG15., hierna: ‘universeledienstrichtlijn’.
35.
Volgens een tweede mogelijke uitlegging, die overeenkomt met het standpunt van TVCatchup (UK) Limited, Virgin Media Limited en de regering van het Verenigd Koninkrijk, is artikel 9 van richtlijn 2001/29 zowel van toepassing op bepalingen die eisen dat kabelexploitanten bepaalde uitzendingen wederdoorgeven, als op bepalingen die de wederdoorgifte van bepaalde uitzendingen binnen hun ontvangstgebied in het belang van de openbare dienst toestaan.
36.
Volgens een derde uitlegging ziet de in artikel 9 van richtlijn 2001/29 gebruikte formulering ‘toegang tot de kabel’ niet op een verweer tegen inbreuken op het auteursrecht, maar veeleer op de toegang tot de fysieke infrastructuur in de lidstaten.
2. Voorbehoud van artikel 9 van richtlijn 2001/29
37.
Artikel 9 van richtlijn 2001/29 heeft — gelet op het opschrift en de bewoordingen ervan — betrekking op de ‘[v]oortgezette toepassing van andere wettelijke bepalingen’ door vast te stellen dat deze richtlijn ‘geen afbreuk [doet] aan’ bepalingen op bepaalde gebieden. Overweging 60 van die richtlijn verduidelijkt dat de in artikel 9 bedoelde bepalingen betrekking hebben op ‘andere gebieden’ en ‘gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het auteursrecht of naburige rechten’.16.
38.
Bijgevolg staat artikel 9 van richtlijn 2001/29 helemaal geen uitzonderingen toe op de rechten die in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn worden toegekend. De uitzonderingen zijn overigens krachtens artikel 5 van diezelfde richtlijn op uitputtende wijze geharmoniseerd.17. Het doel van artikel 9 is daarentegen het behoud van de werking van de bepalingen die gelden binnen andere gebieden dan het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied.18. Deze lezing wordt bevestigd door de opsomming van de gebieden in artikel 9, dat onder andere noemt: handelsmerken, rechten inzake tekeningen of modellen, bescherming van nationaal bezit, beperkende praktijken en oneerlijke concurrentie, gegevensbescherming en persoonlijke levenssfeer, alsmede het overeenkomstenrecht.19.
39.
Deze vaststelling volstaat om uit te sluiten dat een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, die voorziet in een uitzondering op het uitsluitende recht van mededeling dat is neergelegd in artikel 3 van richtlijn 2001/29, onder artikel 9 van die richtlijn kan vallen.
40.
Dit geldt ongeacht of de wederdoorgifte van de beschermde werken plaatsvindt via de kabel dan wel via een internetstream. Zo blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 betrekking heeft op elke doorgifte van beschermde werken, ongeacht het gebruikte technische middel of procedé20., en dat elke doorgifte of wederdoorgifte van een werk waarbij een specifieke technische werkwijze wordt gebruikt, in beginsel individueel door de auteur van het betrokken werk moet worden toegestaan.21.
41.
Die rechtspraak is in overeenstemming met de doelstelling van richtlijn 2001/29, te weten de aanpassing van de regels inzake het auteursrecht en de naburige rechten in het licht van de technologische ontwikkelingen die nieuwe exploitatievormen hebben gecreëerd22., waarbij een hoog beschermingsniveau voor auteurs wordt verwezenlijkt, zodat dezen met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen.23. Ik merk op dat voor de wederdoorgifte die wordt toegestaan bij section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, geen vergoeding wordt verstrekt aan de houders van auteursrechten.24.
42.
Een tegenovergestelde uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29, die ertoe zou leiden dat een regeling als die in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van dat artikel zou vallen, zou naar mijn mening de bij de artikelen 3 en 5 van die richtlijn beoogde harmonisatie doen mislukken.
43.
Bovendien kan de door mij bepleite uitlegging niet in twijfel worden getrokken door de argumenten die met name de regering van het Verenigd Koninkrijk ertegen inbrengt.
44.
Ten eerste vindt het door de regering van het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting naar voren gebrachte argument dat de wettelijke regelingen betreffende vergunningen van kabelmaatschappijen, hun infrastructuur en de wederdoorgifte van hun uitzendingen een in artikel 9 van richtlijn 2001/29 bedoeld ‘ander gebied’ vormen, geen enkele grondslag in die richtlijn. Weliswaar behoren bepalingen betreffende de kabelinfrastructuur van de lidstaten en de voorwaarden voor toegang tot de markt voor elektronische communicatie zeker tot een ander gebied dan het gebied dat door deze richtlijn wordt geharmoniseerd25., maar dit geldt niet voor bepalingen als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, die betrekking hebben op de essentie van de harmonisatie waarin richtlijn 2001/29 voorziet, namelijk de bescherming van het auteursrecht26..
45.
Aan die slotsom doet niet af dat de wederdoorgifte die de betrokken regeling toelaat, beperkt is tot uitzendingen op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten. Nu de tekst van richtlijn 2001/29 en haar totstandkomingsgeschiedenis niet de minste aanwijzing hiervoor bevatten, zie ik geen enkele reden om dergelijke content een beperktere bescherming te verlenen dan die van artikel 3 van die richtlijn.27.
46.
Ten tweede vormt artikel 9 van richtlijn 2001/29 — anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt — niet een ‘volstrekte uitzondering op de harmonisatie’. Terwijl artikel 1, (‘Werkingssfeer’), van deze richtlijn in lid 2 ervan een aantal bepalingen van het acquis van de Unie uitsluit van de harmonisatie waarin deze richtlijn voorziet, welke zonder die expliciete uitsluiting binnen de werkingssfeer ervan zouden vallen28., beoogt artikel 9 niet een afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 2001/29, maar veeleer de waarborging van de rechtszekerheid29. door onverwachte juridische consequenties van de vaststelling ervan te voorkomen.
47.
Ten derde hebben de doelstellingen van section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, te weten — aldus de regering van het Verenigd Koninkrijk —
- (1)
de consumenten een ruimere keuze bieden aan openbare-omroepdiensten zodat dezen die content kunnen ontvangen in gebieden met een slechte ontvangst via de zendmasten en
- (2)
de kabelexploitanten stimuleren kabelinfrastructuur aan te leggen, geen invloed op de uitlegging van de werkingssfeer van artikel 9 van richtlijn 2001/29.30.
Ik wijs er in dit verband op dat het Hof in zijn arrest ITV Broadcasting e.a.31. expliciet heeft uitgesloten dat de omstreden wederdoorgiften kunnen worden beschouwd als een eenvoudig technisch middel om de ontvangst van de oorspronkelijke uitzending in het ontvangstgebied ervan mogelijk te maken of te verbeteren, in welk geval zij, volgens de rechtspraak van het Hof, geen ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 zouden zijn. Tegen die achtergrond komt het argument van de regering van het Verenigd Koninkrijk in feite neer op een verzoek aan het Hof om op die rechtspraak terug te komen, zonder dat daar reden voor is.
48.
Kortom, het staat mijns inziens buiten kijf dat een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA niet binnen de werkingssfeer van artikel 9 van richtlijn 2001/29 valt.
49.
Deze slotsom geldt los van de uitlegging van de formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in artikel 9 van de richtlijn. In het volgende onderdeel zal ik evenwel aantonen dat een onderzoek van die formulering tot dezelfde slotsom leidt.
3. Uitlegging van de formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29
50.
Op het eerste gezicht lijkt de uitdrukking ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 een verwijzing naar een juridisch begrip dat bekend is binnen het acquis van de Unie. Mijn onderzoek leert echter dat dit niet het geval is.
51.
Die formulering wordt namelijk, voor zover ik weet, alleen gebruikt in de totstandkomingsgeschiedenis en de rechtspraak met betrekking tot richtlijn 2001/2932. alsmede in richtlijn 2012/2833., aangezien de Uniewetgever in artikel 7 van die richtlijn de bewoordingen van artikel 9 van richtlijn 2001/29 bijna identiek heeft overgenomen.34.
52.
Ondanks het feit dat die totstandkomingsgeschiedenis en rechtspraak geen duidelijkheid verschaffen over de betekenis van de formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’35., staat mijns inziens buiten kijf dat een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA niet onder die formulering valt.
53.
Ten eerste lijdt het mijns inziens geen twijfel — ondanks enkele discrepanties in de verschillende taalversies36. — dat die formulering ‘de toegang’ tot een ‘kabel’ betreft. Ik zie dan ook geen verband tussen artikel 9 van richtlijn 2001/29, dat betrekking heeft op ‘de toegang tot de kabel’ en de betrokken regeling van het Verenigd Koninkrijk, die bepaalt dat een uitzending ‘via de kabel [kan worden] wederdoorgegeven’. Mijns inziens wordt het begrip ‘kabel’ in beide regelingen in een verschillende context gebruikt.
54.
Terwijl artikel 9 van richtlijn 2001/29 betrekking heeft op een ‘kabel’ waartoe toegang wordt gevraagd, heeft de regeling van het Verenigd Koninkrijk betrekking op een ‘kabel’ die als middel voor wederdoorgifte dient. Artikel 9 van die richtlijn heeft met andere woorden geen betrekking op de toegang van het publiek tot uitgezonden content, zoals TVCatchup (UK) Limited, Virgin Media Limited en de regering van het Verenigd Koninkrijk lijken te betogen, maar veeleer op de toegang tot een netwerk.37.
55.
Ten tweede lijkt de gelijkstelling door TVCatchup (UK) Limited, Virgin Media Limited en de regering van het Verenigd Koninkrijk van de termen ‘toegang tot de kabel’ en ‘wederdoorgegeven via de kabel’ onlogisch, nu richtlijn 2001/29 in artikel 1, lid 2, onder c), reeds een bepaling bevat die expliciet betrekking heeft op de ‘doorgifte via de kabel’.38.
56.
Ten derde wordt de formulering ‘toegang tot de kabel’ mijns inziens in het acquis van de Unie vooral gebruikt met betrekking tot de toegang van aanbieders tot kabelnetwerken39., die op het niveau van de Unie met name is geharmoniseerd bij richtlijn 2002/19/EG (hierna: ‘toegangsrichtlijn’)40..
57.
Deze richtlijn beoogt, volgens artikel 1, lid 1, ervan, de harmonisering van ‘de wijze waarop de lidstaten de toegang tot en de interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten […] reguleren’.41. Uit hetzelfde artikel blijkt ook dat de toegangsrichtlijn deel uitmaakt van het gemeenschappelijke regelgevingskader dat is vastgesteld bij richtlijn 2002/21 (hierna: ‘kaderrichtlijn’)42., die volgens de Commissie tot doel heeft: ‘de concurrentie op het gebied van de elektronische communicatie te stimuleren, de werking van de interne markt te verbeteren en de fundamentele belangen van de gebruikers te waarborgen, die door marktkrachten alleen niet voldoende gegarandeerd zouden zijn’43..
58.
De meest logische uitlegging is dan ook dat de formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 verwijst naar dit regelgevingskader en met name naar de bepalingen van de ‘toegangsrichtlijn’.44. Ik wijs er terloops op dat de wetgevingsprocedures van enerzijds de ‘kaderrichtlijn’ en de ‘toegangsrichtlijn’ en anderzijds richtlijn 2001/29 elkaar gedeeltelijk in de tijd overlapten.45.
59.
Ik ben niettemin van mening dat het volstaat, vast te stellen dat een regeling als section 73, leden 2, onder b), en 3, van de CDPA, die geen betrekking heeft op de toegang tot een netwerk, niet onder de in artikel 9 van richtlijn 2001/29 gebruikte formulering ‘toegang tot de kabel van omroepdiensten’ valt, zonder dat het Hof een uitspraak behoeft te doen over de exacte betekenis van die formulering.
60.
Gezien het voorgaande, geef ik het Hof in overweging om de derde prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat een regeling die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel zonder de toestemming van de houders van auteursrechten toestaat indien die wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen waren bestemd, ongeacht of de wederdoorgifte betrekking heeft op uitzendingen op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten, niet onder artikel 9 van richtlijn 2001/29 valt.
61.
Gezien het door mij hierboven voorgestelde antwoord op de derde prejudiciële vraag, namelijk dat artikel 9 van richtlijn 2001/29 ratione materiae niet van toepassing is op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, ben ik van mening dat geen antwoord hoeft te worden gegeven op de vijfde prejudiciële vraag, betreffende de temporele werkingssfeer van die bepaling.
62.
Eveneens volgt uit die constatering dat niet hoeft te worden ingegaan op de vragen van de verwijzende rechter met betrekking tot de uitlegging van het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29, te weten de eerste, de tweede en de vierde prejudiciële vraag. Niettemin zal ik in het volgende onderdeel ten overvloede enkele opmerkingen maken over de uitlegging van dat begrip. Met die opmerkingen kan het argument van TVCatchup en Virgin Media Limited worden weerlegd dat dit begrip zo ruim is, dat het ook uitzending via een internetstream omvat.
C — Begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 (de eerste, de tweede en de vierde vraag)
1. Autonoom karakter van het begrip ‘kabel’
63.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 een autonoom Unierechtelijk begrip is.
64.
Hierbij dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd.46.
65.
De tekst van richtlijn 2001/29 bevat, wat de betekenis van de term ‘kabel’ in artikel 9 van die richtlijn betreft, geen verwijzing naar het recht van de lidstaten. Daaruit volgt dat deze term voor de toepassing van die richtlijn moet worden geacht een autonoom Unierechtelijk begrip aan te duiden, dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd.
66.
Bijgevolg hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord, aangezien die is gesteld voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 geen autonoom Unierechtelijk begrip is.
2. Uitlegging van het begrip ‘kabel’
67.
Met zijn tweede prejudiciële vraag, onder a) en b), welke punten gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 een technologisch specifieke betekenis heeft die is beperkt tot traditionele kabelnetwerken die worden geëxploiteerd door gewone kabeldienstaanbieders, dan wel of het veeleer een technologisch neutrale betekenis heeft die functioneel vergelijkbare, via internet doorgegeven diensten omvat.
68.
Om de hierna volgende redenen deel ik het standpunt van verzoeksters in het hoofdgeding, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, dat het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 beperkt is tot traditionele kabelnetwerken.
69.
Allereerst zij erop gewezen dat het begrip ‘kabel’ niet alleen voorkomt in artikel 9 van richtlijn 2001/29, maar ook in artikel 1, lid 2, onder c), artikel 2, onder e), en artikel 3, lid 2, onder d), van die richtlijn.47. Het begrip wordt voorts gebruikt in enkele richtlijnen waarop richtlijn 2001/29 is gebaseerd48., te weten de richtlijnen 92/100/EEG49., 93/83 en 93/98/EEG50..
70.
In die omstandigheden moeten, gelet op de eisen inzake eenheid en samenhang van de rechtsorde van de Unie, de in al die richtlijnen gebruikte begrippen dezelfde betekenis hebben, tenzij de Uniewetgever in een specifieke wetgevende context een andere wil kenbaar heeft gemaakt.51.
71.
Geen van de hierboven genoemde richtlijnen geeft een definitie van het begrip ‘kabel’. Bijgevolg dient bij de uitlegging van dat begrip rekening te worden gehouden met de context waarin het wordt gebruikt en met de doelstellingen van richtlijn 2001/29.52.
72.
Wat de context van het begrip ‘kabel’ betreft, wijs ik erop dat dit begrip in alle betrokken richtlijnen wordt gebruikt in verband met andere technologieën, met name uitzending per ‘satelliet’.53. Uit de formulering ‘via de ether of per draad[,] per kabel of satelliet daaronder begrepen’ in artikel 2, onder e), en artikel 3, lid 2, onder d), van richtlijn 2001/2954. kan overigens worden opgemaakt dat de begrippen ‘kabel’ en ‘satelliet’ vormen zijn van respectievelijk de ruimere begrippen ‘draad’ en ‘ether’.55.
73.
Wat de doelstellingen van richtlijn 2001/29 betreft, wijs ik er nogmaals op dat deze is vastgesteld om op Unieniveau de problemen aan te pakken die verband houden met de bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten als gevolg van de nieuwe diensten van de informatiemaatschappij die dankzij internet mogelijk zijn geworden.56. In die context mag ervan worden uitgegaan dat de Uniewetgever zich heel goed bewust was van de terminologie die hij in die richtlijn gebruikte. Met andere woorden, als de Uniewetgever een technologisch neutrale betekenis aan het begrip ‘kabel’ in de zin van richtlijn 2001/29 had willen geven, zou hij voor een ruimer begrip hebben gekozen, zoals bijvoorbeeld ‘draad’, of zou hij op zijn minst hebben verduidelijkt dat onder het begrip ‘kabel’ ook andere technologieën, zoals uitzending via een internetstream, zijn te verstaan.57.
74.
Het voorgaande pleit voor de slotsom dat het begrip ‘kabel’ in artikel 9 van richtlijn 2001/29 beperkt is tot de traditionele kabelnetwerken die worden geëxploiteerd door gewone kabeldienstaanbieders. Die slotsom sluit overigens aan bij het onderscheid dat de ‘kaderrichtlijn’ en de ‘toegangsrichtlijn’ maken tussen de verschillende soorten elektronische-communicatienetwerken.58.
V — Conclusie
75.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Court of Appeal of England and Wales, (-Civil Division, te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt een regeling die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel zonder de toestemming van de houders van auteursrechten toestaat indien die wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen waren bestemd, ongeacht of de wederdoorgifte betrekking heeft op uitzendingen op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2016
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 (PB 2001, L 167, blz. 10).
C-607/11, EU:C:2013:147.
C-607/11, EU:C:2013:147.
C-607/11, EU:C:2013:147.
Zie met betrekking tot het begrip ‘mededeling aan het publiek’ overweging 23 van richtlijn 2001/29 en arrest van 31 mei 2016, Reha Training (C-117/15, EU:C:2016:379, punten 35–52).
Zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International (C-5/08, EU:C:2009:465, punt 52).
Het lijkt in het hoofdgeding onomstreden dat de uitzendingen die door verweersters worden wederdoorgegeven, deel uitmaken van een ‘in aanmerking komende dienst’ in de zin van section 73, lid 2, onder b), van de CDPA. Zie punt 10 van deze conclusie.
Ik merk op dat geen enkele aanwijzing aan het Hof is verstrekt dat een van de andere in artikel 9 van richtlijn 2001/29 genoemde gebieden ten grondslag zou liggen aan de betrokken nationale regeling.
Cursivering van mij.
Zie punt 10 van deze conclusie.
Het is immers vaste rechtspraak dat het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerkingsprocedure tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de bevoegdheid heeft de aan hem voorgelegde vragen te herformuleren teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Zie arresten van 26 november 2015, Aira Pascual e.a. (C-509/14, EU:C:2015:781, punt 22) en 17 december 2015, Viamar (C-402/14, EU:C:2015:830, punt 29).
Zie de punten 63–74 van deze conclusie.
Arrest van 10 maart 2016, Safe Interenvíos (C-235/14, EU:C:2016:154, punten 115 en 116).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 51).
Cursivering van mij. Uit deze overweging blijkt dat artikel 9 van richtlijn 2001/29 zowel betrekking heeft op nationale als op Unierechtelijke bepalingen. Het gebruik van de term ‘met name’ in dit artikel maakt duidelijk dat de opsomming van ongemoeid blijvende gebieden niet limitatief is.
Zie overweging 32 van richtlijn 2001/29.
Een dergelijke wettelijke maatregel is helemaal niet uitzonderlijk. Zie artikel 13 van richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB 1996, L 77, blz. 20) en — met betrekking tot richtlijn 2012/28/EU — punt 51 van deze conclusie. Zie, voor de werkingssfeer van richtlijn 2001/29, artikel 1, lid 1, van die richtlijn.
Artikel 9 van richtlijn 2001/29 noemt bovendien: octrooirechten, gebruiksmodellen, topografieën van halfgeleiderproducten, lettertypes, voorwaardelijke toegang, vereisten inzake wettelijk depot, handelsgeheimen, veiligheid, vertrouwelijkheid en toegang tot overheidsdocumenten.
Arrest van 31 mei 2016, Reha Training (C-117/15, EU:C:2016:379, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook artikel 11 bis, lid 1, onder ii), van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, zoals gewijzigd op 28 september 1979, en artikel 8 van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake het auteursrecht, dat op 20 december 1996 te Genève is vastgesteld.
Arrest van 7 maart 2013, ITV Broadcasting e.a. (C-607/11, EU:C:2013:147, punt 24).
Zie de overwegingen 5 en 31 van richtlijn 2001/29, punt 2 van de toelichting bij het voorstel van de Commissie, ingediend op 21 januari 1998, dat heeft geleid tot vaststelling van richtlijn 2001/29 [COM(97) 628 def.], en het Groenboek ‘Het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij’, ingediend door de Commissie op 19 juli 1995 [COM(95) 382 def., eerste hoofdstuk, II, A].
Arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 186). Zie ook de overwegingen 4, 9, 10, 31 en 35 van richtlijn 2001/29, en arrest van 12 september 2006, Laserdisken (C-479/04, EU:C:2006:549, punt 57).
Zie in dit verband artikel 5, lid 5, van richtlijn 2001/29, die de nakoming beoogt van de internationale verplichtingen van de lidstaten en de Unie [overweging 15 van richtlijn 2001/29 en punt 38 van het gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 48/2000 vastgesteld door de Raad op 28 september 2000, PB 2000, C 344, blz. 1]. Zie inzake de verenigbaarheid van de betrokken regeling van het Verenigd Koninkrijk met de verplichtingen uit de Berner Conventie het Discussion Paper ‘Broadcasting and copyright in the internal market’ van de Commissie, november 1990, III/F/5263/90-EN, punt 4.2.27.
Zo is gemakkelijk voorstelbaar dat bepalingen die voorwaarden voorschrijven die aanbieders van elektronische communicatienetwerken moeten naleven, met inbegrip van bepalingen die hun op grond van artikel 31, lid 1, van de universeledienstrichtlijn doorgifteverplichtingen (‘must carry’) opleggen, binnen de werkingssfeer van dat artikel 9 vallen.
Zie, wat de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 betreft, artikel 1, lid 1, van die richtlijn.
Zie met betrekking tot de draagwijdte van de harmonisatie waarin artikel 3 van richtlijn 2001/29 voorziet, arrest van 13 februari 2014, Svensson e.a. (C-466/12, EU:C:2014:76, punten 33–41).
Artikel 1, lid 2, onder a)-e), van richtlijn 2001/29 noemt met name de rechtsbescherming van computerprogramma's, het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, het auteursrecht en de naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel, de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, en de rechtsbescherming van databanken.
Zie punt 50 van gemeenschappelijk standpunt nr. 48/2000 (op. cit.) en de mededeling van de Commissie van 20 oktober 2000 aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (SEC/2000/1734 definitief). Artikel 9 maakte geen deel uit van het eerste voorstel, dat op 21 januari 1998 werd ingediend (op. cit.) en evenmin van het gewijzigde voorstel, dat werd ingediend op 25 mei 1999 [COM(1999) 250 def.] en leidde tot de vaststelling van richtlijn 2001/29. Dat artikel is door de Raad van de Europese Unie tijdens de wetgevingsprocedure ingelast [zie gemeenschappelijk standpunt nr. 48/2000 (op. cit.)].
Zoals verzoeksters in het hoofdgeding naar voren hebben gebracht, heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk in een op 26 maart 2015 gepubliceerd raadplegingsdocument erkend dat de beleidsargumenten voor section 73 van de CDPA achterhaald zijn (Consultation Paper ‘The balance of payments between television platforms and public service broadcasters’, Department for Culture, Media & Sport, punt 10, https://www.gov.uk/government/consultations/the-balance-of-payments-between-television-platforms-and-public-service-broadcasters-consultation-paper).
Arrest van 7 maart 2013 (C-607/11, EU:C:2013:147, de punten 28–30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 29 januari 2008, Promusicae (C-275/06, EU:C:2008:54, punt 11), punt 10 van de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Promusicae (C-275/06, EU:C:2007:454) en punt 6 van de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Peek & Cloppenburg (C-456/06, EU:C:2008:21).
Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken (PB 2012, L 299, blz. 5).
Artikel 7 van richtlijn 2012/28 noemt tevens ‘regels inzake persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in de media’.
In haar mededeling aan het Europees Parlement van 20 oktober 2000 over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (op. cit.) wijst de Commissie erop dat artikel 9 ‘ aan[sluit] bij het acquis communautaire op het gebied van auteursrecht en naburige rechten’. Mogelijkerwijs verwijst de Commissie hier naar het feit dat andere Unierechtelijke regelingen vergelijkbare bepalingen bevatten. Zie, met betrekking tot artikel 13 van richtlijn 96/9, voetnoot 18 van deze conclusie.
Sommige taalversies van artikel 9 van richtlijn 2001/29 zien op een kabel die toebehoort aan de omroepdiensten (omroeporganisaties) of die door hen wordt geëxploiteerd. Zie in die zin met name de Duitse (‘Zugang zum Kabel von Sendediensten’) en de Engelse (‘access to cable of broadcasting services’) taalversie. Zie ook de Bulgaarse, de Tsjechische, de Deense, de Estse, de Letse, de Hongaarse, de Nederlandse, de Portugese en de Slowaakse taalversie. Een beduidend geringer aantal andere taalversies ziet op de toegang tot de kabel door de omroepdiensten. Zie met name de Spaanse, de Griekse, de Kroatische, de Litouwse, de Roemeense en de Finse taalversie. De Italiaanse en de Poolse taalversie lijken daarentegen de toegang via de kabel tot de omroepdiensten te bedoelen. Het is niet duidelijk wat de Franse taalversie bedoelt (‘l'accès au câble des services de radiodiffusion’).
Zie in dit verband het onderscheid dat de Commissie maakt tussen ‘de regelgeving inzake de overdracht en de regelgeving inzake de inhoud’ in haar mededeling van 26 april 2000, ‘De resultaten van de openbare raadpleging over de herziening van de communicatiewetgeving 1999 en uitgangspunten voor het nieuwe regelgevingskader’ [COM(2000) 239 definitief, blz. 7].
Dit artikel 1, lid 2, onder c), verwijst immers indirect naar de bepalingen van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB 1993, L 248, blz. 15) door de bijna letterlijke overname van de titel van die richtlijn. Zie overweging 20 van richtlijn 2001/29 en punt 8 van de toelichting bij gemeenschappelijk standpunt nr. 48/2000 (op. cit.). Richtlijn 93/83 is uitsluitend van toepassing op de wederdoorgifte via de kabel van uitzendingen uit andere lidstaten, hetgeen blijkt uit artikel 1, lid 3, en overweging 27 van die richtlijn, alsook uit het arrest van 7 december 2006, SGAE (C-306/05, EU:C:2006:764, punt 30).
Zie met name de mededeling van de Commissie van 10 november 1999, ‘Naar een nieuw regelgevingskader voor elektronische communicatie-infrastructuur en bijbehorende diensten — Herziening van de communicatieregelgeving 1999’, [COM(1999) 539 def.], punt 4.2.4, ‘Toegang tot de kabel en doorgifteplicht’. Zie ook het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, ‘Evaluatie van de toepassing van richtlijn 98/34/EG op het gebied van de diensten van de informatiemaatschappij’, [COM(2003) 69 definitief, voetnoot 56]. Zie, met betrekking tot de ‘toegang tot de infrastructuur’, de mededeling van de Commissie van 26 april 2000 (op. cit.).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 7).
Volgens dit artikel 1, lid 1, heeft de toegangsrichtlijn tot doel: ‘met inachtneming van de beginselen van de interne markt een regelgevingskader voor de betrekkingen tussen aanbieders van netwerken en diensten tot stand te brengen, dat leidt tot duurzame concurrentie, interoperabiliteit van elektronische communicatiediensten en voordelen voor de consument’.
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33). De ‘universeledienstrichtlijn’ maakt deel uit van datzelfde regelgevingskader.
Mededeling van de Commissie van 15 december 2003 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, ‘De toekomst van het Europese audiovisuele regelgevingsbeleid’, [COM(2003) 784 definitief, blz. 10].
Het feit dat de Commissie en de lidstaten tijdens de wetgevingsprocedure van richtlijn 2001/29 op de hoogte waren van de betrokken regeling van het Verenigd Koninkrijk, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft benadrukt, heeft mijns inziens geen invloed op de uitlegging van artikel 9 van richtlijn 2001/29.
De voorstellen die hebben geleid tot vaststelling van de ‘toegangs-’ en de ‘kaderrichtlijn’ zijn respectievelijk op 25 en 23 augustus 2000 aan de Raad en aan het Europees Parlement voorgelegd. Beide richtlijnen zijn op 7 maart 2002 vastgesteld. Ter vergelijking: het voorstel voor richtlijn 2001/29 is op 21 januari 1998 ingediend, terwijl die richtlijn is vastgesteld op 22 mei 2001.
Arresten van 26 april 2012, DR en TV2 Danmark (C-510/10, EU:C:2012:244, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en 9 juni 2016, EGEDA e.a. (C-470/14, EU:C:2016:418, punt 38).
Het begrip ‘kabel’ komt overigens ook voor in voetnoot 7 van richtlijn 2001/29 bij overweging 20, waarin de titel van richtlijn 93/83 staat (zie de gepubliceerde versie van de richtlijn, PB 2001, L 167, blz. 11).
Zie overweging 20 van richtlijn 2001/29.
Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 1992, L 346, blz. 61).
Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 19 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 1993, L 290, blz. 9).
Arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a. (C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 188).
Zie in die zin arrest van 16 juni 2016, Kreissparkasse Wiedenbrück (C-186/15, EU:C:2016:452, punt 30).
Zie artikel 2, onder e), en artikel 3, lid 2, onder d), van richtlijn 2001/29; artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/100 en overweging 19 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 93/98. Evenzo onderscheidt artikel 1, lid 3, van richtlijn 93/83 de doorgifte ‘via de kabel’ van die ‘via een microgolfsysteem’.
Zie, zeer vergelijkbaar, artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/100 en overweging 19 en artikel 3, lid 4, van richtlijn 93/98.
[De Franse taalversie van] [h]et oorspronkelijke voorstel, dat werd ingediend op 21 januari 1998 (op. cit.) en [van] het gewijzigde voorstel van 25 mei 1999 (op. cit.), dat leidde tot de vaststelling van richtlijn 2001/29, gebruikte nog niet het begrip ‘sans fil’ maar het begrip ‘voie hertzienne’ [in de Nederlandse taalversie eveneens vertaald als ‘ether’]. Dit begrip is (althans in de Franse taalversie) op initiatief van de Raad gewijzigd in het ruimere begrip ‘sans fil’, dat in de vastgestelde richtlijn voorkomt. Zie gemeenschappelijk standpunt nr. 48/2000 (op. cit.).
Zie punt 41 en voetnoot 22 van deze conclusie.
Het begrip ‘internet’ was ten tijde van de vaststelling van richtlijn 2001/29 zeker bekend in het acquis van de Unie. Zie bijvoorbeeld artikel 4, lid 2, van de ‘universeledienstrichtlijn’, en de overwegingen 2, 14, 19, 20 en 32 van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‘richtlijn inzake elektronische handel’) (PB 2000, L 178, blz. 1).
Zie overweging 1 van de ‘toegangsrichtlijn’, die onderscheid maakt tussen ‘vaste en mobiele telecommunicatienetwerken’, ‘kabeltelevisienetten’, ‘netwerken voor terrestrische omroepactiviteiten’, ‘satellietnetwerken’ en ‘internetnetwerken’. Zie ook artikel 2, onder a), van de ‘kaderrichtlijn’. Zoals ik al opmerkte, overlapten de wetgevingsprocedures van deze richtlijnen en die van richtlijn 2001/29 elkaar gedeeltelijk. Zie voetnoot 45 van deze conclusie.