Hof Arnhem-Leeuwarden, 25-07-2023, nr. 200.213.095/01
ECLI:NL:GHARL:2023:6339
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
25-07-2023
- Zaaknummer
200.213.095/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2023:6339, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 25‑07‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2022:9845, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 15‑11‑2022; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHARL:2021:8656, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 14‑09‑2021; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHARL:2019:8773, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 22‑10‑2019; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHARL:2019:5849, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 16‑07‑2019; (Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0063
BPR-Updates.nl 2023-0063
JA 2019/144
Uitspraak 25‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849, ECLI:NL:GHARL:2021:8656 en ECLI:NL:GHARL:2022:9845. Aardbevingsschade. Eindarrest na deskundigenonderzoek en verhoor van deskundigen. Beslissing op diverse schadeposten. Bewijswaardering. Bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW geldt niet voor andere schade dan fysieke schade aan gebouw.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015 / HA ZA 15-151)
arrest van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats1] ,
appellant,bij de rechtbank: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
die is gevestigd in Assen,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaat: mr. R. van Tricht, die kantoor houdt te Amsterdam.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof heeft op 15 november 2022 een tussenarrest gewezen. Het hof neemt dit tussenarrest over.
1.2
Vervolgens hebben partijen de volgende processtukken genomen.- een akte uitlating tussenarrest van [appellant] ;- een akte overlegging productie (met één productie) van [appellant] ;- een antwoordakte na tussenarrest van NAM.
1.3
Naar aanleiding van een verzoek om pleidooi door [appellant] heeft op 14 februari 2023 (digitaal), ten overstaan van mr. De Hek, raadsheer-commissaris, een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bevindt zich bij de stukken. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat beide partijen nog een akte zullen indienen en afzien van pleidooi.Daarop heeft [appellant] een akte en heeft NAM een ‘antwoordakte na digitale regiezitting van 14 februari 2023’ genomen.
1.4
Ten slotte hebben beide partijen de vanaf genoemd tussenarrest geproduceerde processtukken ingediend en heeft het hof een datum bepaald waarop arrest wordt gewezen.
2. 2. Het geschil en de eerdere arresten in deze zaak
2.1
[appellant] is eigenaar van een boerderij te [woonplaats1] (hierna: de boerderij), gelegen boven het zogenaamde Groningen-veld, waar zich als gevolg van gaswinning aardbevingen voordoen. Hij was van plan de boerderij te gaan renoveren en daarna (met zijn gezin) te gaan bewonen en te exploiteren. Om het door hem beoogde gebruik mogelijk te maken, heeft de gemeente het bestemmingsplan aangepast. [appellant] heeft een sloop- en een omgevingsvergunning aangevraagd. In 2013 heeft [appellant] voor het eerst aardbevingsschade gemeld. Na die tijd hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar de aard en omvang van de schade. Inmiddels is de boerderij gesloopt en is begonnen met nieuwbouw.
2.2
In de procedure bij het hof heeft [appellant] eerst een deel van de nieuwbouwkosten- oorspronkelijk € 316.074,68 - als schadevergoeding gevorderd. Het betreft volgens hem de kosten die nodig zouden zijn om de te renoveren boerderij te versterken tegen aardbevingsschade. Daarnaast heeft hij € 253.331,02 wegens gevolgschade gevorderd. In de procedure bij de rechtbank had hij, na wijziging van eis, € 142.776,63 schadevergoeding, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente gevorderd. Dit bedrag was volgens hem nodig om de boerderij te versterken.
2.3
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 juli 2019 vastgesteld dat sprake is (geweest) van drie bouwplannen:
- Het was eerst de bedoeling van [appellant] om - onder meer - een betonrand om de boerderij aan te leggen, de binnenmuur te verbouwen tot een spouwmuur en om het dak uit te lijnen en te isoleren (plan A). De verbouwing zou in 2013 starten en in 2014 worden gerealiseerd;
- Nadat in 2013 en 2014 schade aan de boerderij was ontstaan, heeft [appellant] plan A stilgelegd. Hij heeft laten onderzoeken (door [naam1] en [naam2] ) welke versterkingen nodig waren om de overeenkomstig plan A te verbouwen boerderij aardbevingsbestendig te maken. Het aangepaste plan, dat voorzag in het aanbrengen van een betonnen plaat onder de boerderij, is plan B;
- Uit latere rapporten (van [naam3] en [naam1] ) volgde dat plan B niet
voldoende zou zijn om de boerderij aardbevingsbestendig te maken. Er is daarom een nieuw plan ontwikkeld dat daarin wel voorzag , plan C. Plan C voorziet in sloop van de boerderij en in de bouw van een nieuwe, onderkelderde en aardbevingsbestendige boerderij.
Volgens [appellant] dient NAM het verschil in bouwkosten tussen plan A en plan C te
vergoeden, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de verbeteringen (voordelen)
die plan C ten opzichte van plan A heeft.
2.4
In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof verder - samengevat - het volgende
overwogen:
- NAM is op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM (5.3).- Op grond van artikel 6:184 lid 1 onder a BW is NAM aansprakelijk voor de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van aardbevingsschade wanneer sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging van dergelijke schade. Daarbij dient wel een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd (5.4).- Ook nog te maken kosten van versterkingsmaatregelen vallen onder het bereik van artikel 6:184 BW (5.5 en 5.6).- Er is nog steeds sprake van een ernstige en onmiddellijke dreiging (5.7).- Maatregelen die op grond van de NPR 9998 bij de verbouwing of nieuwbouw van een gebouw worden genomen, zijn in beginsel redelijk. Als de kosten van die maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van ver- of nieuwbouw kan dat anders zijn (5.9).- NAM is in beginsel aansprakelijk voor de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van de versterkingsmaatregelen die op grond van de NPR 9998 moeten worden genomen (5.10). Maar het is ook mogelijk dat NAM aansprakelijk is voor (een deel van) de meerkosten tussen plan A en plan C, zoals [appellant] vordert. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat renovatie van de boerderij conform plan A (en plan B) niet mogelijk is vanwege de maatregelen die genomen moeten worden om de boerderij aardbevingsbestendig te maken (genormeerd volgens de NPR 9998). Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het voordeel dat [appellant] heeft van het feit dat nieuwbouw in plaats van renovatie plaatsvindt (5.11).- Het is voldoende aannemelijk dat [appellant] plan A daadwerkelijk wilde realiseren en dat door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden plan A nog niet gerealiseerd was toen, in 2015, de NPR 9998 was ontwikkeld (5.12 - 5.15).- Indien plan A, los van het risico op aardbevingsschade, niet kon worden gerealiseerd omdat de constructie (fundering) tekortschoot, heeft [appellant] geen aanspraak op de kosten die gemoeid zijn met verbetering van de constructie, uiteraard wel op de meerkosten die het gevolg zijn van toepassing van de normen van de NPR 9998 (5.16).- Gelet op het verschil van mening over tal van technische aspecten, is een onderzoek door deskundigen noodzakelijk (5.17 e.v.).
2.5
In het tussenarrest van 22 oktober 2019 heeft het hof [de deskundige1] Msc van EBMC Nederland en [de deskundige2] van abtWassenaar tot deskundigen benoemd. Aan deze deskundigen (die hierna ook als de deskundigen worden aangeduid) zijn 15 vragen (a tot en met o) voorgelegd.
2.6
De deskundigen hebben op 15 februari 2021 een omvangrijk definitief rapport uitgebracht. Het bevat onder meer een bespreking door de deskundigen van de reactie van de advocaten van partijen op de concept-versie van het rapport.
2.7
De deskundigen komen onder meer tot de volgende (deels door partijen bestreden) bevindingen:
- Bij realisering van plannen A en B zouden, ook wanneer geen rekening zou moeten worden gehouden met het risico op aardbevingen, (naar het hof uit het rapport opmaakt: forse) aanpassingen moeten worden gerealiseerd ter verbetering van de constructie en fundering.- Daarnaast zouden aanpassingen moeten worden gerealiseerd om deze plannen aardbevingsbestendig te maken. De directe kosten van deze aanpassingen bedragen- afgerond - € 145.000,-, de totale kosten - afgerond - € 560.000,-.- De kosten van plan C zijn hoger dan wanneer bij dit plan geen rekening hoeft te worden gehouden met het risico op aardbevingen. Omdat zij niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikten, konden de deskundigen deze meerkosten niet vaststellen.- Plan C en plan A zijn eigenlijk niet te vergelijken. Plan C is wel een verbetering in vergelijking met plan A.
2.8
In het tussenarrest van 14 september 2021 heeft het hof overwogen er, gelet op de kritiek van partijen (vooral NAM) op het definitieve rapport, behoefte aan te hebben om het rapport met partijen en de deskundigen te bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Tijdens die mondelinge behandeling is deskundige [de deskundige1] verschenen. In plaats van deskundige [de deskundige2] , die inmiddels was overleden, is [de deskundige3] , die ook aan het onderzoek heeft meegewerkt, verschenen.
2.9
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [appellant] in een akte wijziging/vermeerdering van eis van 2 maart 2022 zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu€ 622.232,75 (rekening houdend met een betaling van NAM van € 16.464,76) aan bouwkosten en € 416.211,81 wegens gevolgschade, in totaal € 1.038.444,50, te vermeerderen met 21% btw. De totale vordering bedraagt dan ook € 1.256.517,84.
2.10
In het tussenarrest van 15 november 2022 heeft het hof het bezwaar van NAM tegen de vermeerdering van eis verworpen. Het hof heeft in dat tussenarrest één bezwaar van [appellant] tegen het rapport besproken. Dat bezwaar komt erop neer dat de deskundigen volgens [appellant] zijn uitgegaan van onjuiste gegevens over plan A. Het hof overwoog dat [appellant] dat bezwaar pas heel laat heeft uitgewerkt, waardoor er in een eerdere fase van de procedure geen aandacht aan is besteed en het ook tijdens de mondelinge behandeling met de deskundigen niet expliciet is besproken. Omdat het wel een fundamenteel bezwaar is - indien het terecht is, valt de grond onder een aantal belangrijke conclusies van de deskundigen weg - heeft het hof aangegeven het bezwaar toch te willen bespreken. Het hof wilde daarmee voorkomen dat het een beslissing zou nemen op basis van een deskundigenbericht dat mogelijk (gedeeltelijk) op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd. Om die reden heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of het rapport van de deskundigen is gebaseerd op onjuiste gegevens over plan A en, zo ja, wat daarvan de consequenties zijn voor de procedure.
3. 3. De verdere beoordeling van het geschil
De inhoud van plan A
3.1
De deskundigen hebben onder meer geconcludeerd dat ook wanneer geen rekening wordt gehouden met het risico op aardbevingen bij de realisering van plan A forse aanpassingen aan de constructie en fundering zouden moeten worden aangebracht. Volgens [appellant] hebben de deskundigen zich bij hun beoordeling van plan A op diverse punten gebaseerd op tekeningen en schetsen die zien op plan B of plan C. De conclusie van de deskundigen is dan ook niet gebaseerd op de correcte inhoud van plan A en kan alleen om die reden al niet gevolgd worden, aldus [appellant] . De kritiek van [appellant] spitst zich toe op het feit dat de deskundigen ervan uitgaan dat plan A ook inhoudt dat een betonvloer wordt aangelegd en daarnaast in het schuurgedeelte onder meer een verdiepingsvloer. Plan A voorzag daarin niet volgens [appellant] . De deskundigen hebben zich volgens hem ten onrechte niet gebaseerd op de omgevingsvergunning, maar op vage plannen die [appellant] wel had, maar die toentertijd nog niet geconcretiseerd waren.
3.2
In overweging 4.6 van het tussenarrest van 15 november 2022 heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over drie vragen:
“ a. Voorzag de omgevingsvergunning ook in het aanleggen van een verdiepingsvloer en/of het aanbrengen van enkele dakkappellen (naast een betonstrook om de bestaande gevel, een nieuwe buitenmuur op die strook en het uitlijnen en isoleren van het dak)? b. Had [appellant] concrete plannen om naast wat hij op grond van de omgevingsvergunning mocht aanbrengen ook een verdiepingsvloer in de schuur aan te brengen en de inpandige verdeling van het gebouw te wijzigen? c. Indien het antwoord op vraag b. negatief is: hoe verhoudt zich dat tot de schetsen die aan de deskundigen beschikbaar zijn gesteld en tot de stelling van [appellant] (MvG 2.32 en 2.33) dat hij het achterste deel van de woonboerderij vanaf 1 juni 2014 had willen en kunnen verhuren?”
3.3
[appellant] heeft die vragen in zijn eerste akte als volgt beantwoord:
“1. Nee. De omgevingsvergunning vermeldt niets over een verdiepingsvloer. Noch in de aanvraag, noch in de vergunning. Wel over enkele dakkappellen, maar die zijn er op aanwijzing van de Welstandscommissie in gekomen.
2. [appellant] had geen plannen om een verdiepingsvloer aan te brengen in de schuur en ook niet om de inpandige verdeling van het gebouw te wijzigen. Er was een houten verdiepingsvloer op het voorhuis aanwezig. Die zou hij iets verstevigen met hout en een simpel tussenwandje plaatsen en een douchecabine/keuken/toilet, zodat hij dat kon verhuren. Meer niet.
3. Geen enkele schets of tekening die aan de deskundige ter beschikking is gesteld en die ziet
op plan A vermeldt een verdiepingsvloer. Alleen de schetsten en tekeningen die zien op plan
B en volgende vermelden dat, maar dat was dus daarná. [appellant] was inderdaad van plan om het achterste deel te verhuren, zoals als bij sub 2 aangegeven. Dat was eenvoudig te
realiseren, zonder veel aan te passen.”
In een bij de akte gevoegde toelichting gaat [appellant] - terecht - ook in op de vraag of plan A ook inhield dat een betonvloer zou worden aangebracht. Hij beantwoordt die vraag ontkennend:
“De betonvloer plannen zijn pas “geconcretiseerd” ten tijde van de “periode plan B” nu er werd gezocht naar oplossingen zonder dat er sprake was van enige vorm van duidelijke zekerheid, enige vorm van leidraad en/of bouwnorm om toekomstige ernstige schade (en ongevallen) te voorkomen (hoewel het volgens architect en Gemeente wel mogelijk was) om alles te verbinden en als dragend vlak.(...)Er is echter nooit sprake geweest van een extra verdiepingsvloer in “plan A”(mogelijk bedoelde men hier het verlengen van de bestaande zoldervloer boven het voorhuis die er al lag) of een extra betonnen begane grond vloer.”
[appellant] wijst er verder op dat plan A dateert uit 2012; op 7 februari 2012 heeft de
gemeente de omgevingsvergunning voor dat plan verleend. Plan B is van enkele jaren later en de omgevingsvergunning voor plan C dateert van 12 juni 2017.3.4 De deskundigen hebben in paragraaf 8.3 van hun rapport op een rij gezet wat plan A inhoudt. Zij geven aan dat zij zich daarbij hebben gebaseerd op door [appellant] verstrekte informatie, waaronder de omgevingsvergunning van 7 februari 2012. Bij die omgevingsvergunning hoort volgens hen een tekening van [naam4] van 30 januari 2012, tekening B-01 van werknummer 221111 van 30 januari 2012. De deskundigen signaleren dat die tekening ook bij plan B is gevoegd (pag. 95 deskundigenrapport). De deskundigen hebben (delen van) die tekening afgedrukt in het rapport, onder meer een doorsnede van het gebouw in de oude en de nieuwe situatie (pag. 104 deskundigenrapport).
3.5
Het hof stelt vast dat in de doorsnede op de door de deskundigen in hun rapport afgedrukte tekening in de oude situatie geen melding wordt gemaakt van een betonvloer. Voor de nieuwe situatie wordt een betonvloer op zand ingetekend en worden ook de specificaties van die betonvloer vermeld. Het hof stelt verder vast dat [appellant] bij zijn akte overlegging productie de aanvraag voor de omgevingsvergunning en de omgevingsvergunning van 7 februari 2012 betreffende de boerderij heeft overgelegd. De aanvraag verwijst naar de door de deskundigen in hun rapport afgedrukte tekening van [naam4] . In de omgevingsvergunning is vermeld dat vergunning wordt verleend en dat van de omgevingsvergunning onder meer deel uitmaakt: “bouwtekening: gevels, plattegronden, etc. werknr. 201111, blad B-01, 30-01-2012.” De omgevingsvergunning verwijst dan ook naar de door de deskundigen afgedrukte tekening. Op die tekening is, zoals aangegeven, voor de nieuwe situatie een betonvloer ingetekend.
3.6
Het hof volgt [appellant] dan ook niet in het betoog dat de vergunning “uitdrukkelijk niet op een betonvloer” ziet. De vergunning voorziet, zoals uit het voorgaande blijkt, wel degelijk ook in het aanbrengen van een betonvloer. De betonvloer staat immers ingetekend op de hiervoor vermelde tekening van [naam4] . Die tekening maakt deel uit van de omgevingsvergunning. Dat het tekenen van een betonvloer een eenzijdige actie was van zijn architect, maar dat hijzelf dat niet wilde, zoals [appellant] in zijn laatste processtuk (voor het eerst) aanvoert, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft geen schriftelijke verklaring van de architect overgelegd, die steun biedt aan deze, niet erg voor de hand liggende, stelling, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Omdat niet ter discussie staat dat de omgevingsvergunning is aangevraagd met het oog op het realiseren van plan A, zijn de deskundigen er terecht vanuit gegaan dat plan A ook het aanbrengen van een betonvloer inhield.
3.7
De deskundigen zijn er ook van uitgegaan dat plan A inhield dat een verdiepingsvloer zou worden aangebracht. Volgens hen wijst de in het dossier aanwezige informatie op het maken van onder andere een verdiepingsvloer in de gehele schuur en het maken van een indeling met vloeren en indelingswanden in de gehele schuur (op beide verdiepingen). De inpandige wijzigingen, zoals de verdiepingsvloer en de indelingswanden, zijn weliswaar niet aangegeven op de hiervoor al aangehaalde tekening van [naam4] van 30 januari 2012, maar blijken wel uit door [appellant] aangeleverde schetsen (pag. 35/36 van het deskundigenrapport). Op die schetsen (pag. 38) zijn onder meer een verdiepingsvloer bovenop het schuurgedeelte en ruimtes op de plaats van de schuur en op de bovenverdieping ingetekend.
3.8
[appellant] heeft erop gewezen dat de schets dateert van 2014, toen duidelijk was dat plan A niet gerealiseerd kon worden en hij bezig was met het ontwikkelen van een nieuw plan, dat wel aardbevingsbestendig was (plan B). De deskundigen hebben de informatie uit de schets volgens hem dan ook ten onrechte betrokken op plan A. Hij heeft zijn standpunt verder toegelicht in de onder 3.3 geciteerde antwoorden op de vragen van het hof.
3.9
Het hof zal [appellant] hierin volgen. Doorslaggevend is dat, zoals de deskundigen ook vaststellen, in de tekening bij de omgevingsvergunning de verdiepingsvloer en de gewijzigde indeling niet vermeld worden. Verder is in de bouwvergunningsaanvraag uitdrukkelijk aangegeven dat de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk niet verandert door de bouwwerkzaamheden. Indien de verbouwing waarvoor vergunning werd gevraagd wel voorzag in het aanbrengen van een verdiepingsvloer, zou de bruto vloeroppervlakte daardoor toenemen.Het hof merkt op dat [appellant] de onduidelijkheid over de inhoud van plan A wel zelf in de hand heeft gewerkt door de schetsen waarop de deskundigen zich hebben gebaseerd ook toe te voegen aan de door hem aan de deskundigen verstrekte informatie met betrekking tot plan A. Bovendien heeft [appellant] op diverse plaatsen in de processtukken, ten minste de indruk gewekt dat plan A ook een forse inpandige wijziging inhield, doordat hij benadrukte dat hij delen van de boerderij wilde verhuren. Hij heeft daarbij niet duidelijk gemaakt dat, zoals hij nu wel stelt, voor deze verhuur kon worden volstaan met wat ondergeschikte bouwkundige aanpassingen.
3.10
De conclusie is dat de deskundigen er terecht van zijn uitgegaan dat plan A het aanbrengen van een betonvloer inhield en ook voorzag in het aanbrengen van dakkapellen, maar dat zij er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat plan A ook inhield dat een verdiepingsvloer werd aangebracht en wanden werden geplaatst in de schuur (ook op de dan aanwezige verdiepingsvloer). Dat de deskundigen er terecht van zijn uitgegaan dat op basis van plan A een betonrand om de boerderij werd aangebracht, de binnenmuur werd verbouwd tot een spouwmuur en dat het dak zou worden uitgelijnd en geïsoleerd, staat niet ter discussie.
Consequenties voor (het oordeel van de deskundigen over) de haalbaarheid van plan A
3.11
De deskundigen hebben op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld dat het oorspronkelijke gebouw waarschijnlijk wel voldeed aan het destijds geldende Bouwbesluit. Uit de door hen gemaakte analyse van beschikbare gegevens blijkt volgens hen dat de oorspronkelijke funderingsconstructie voldoet voor de oorspronkelijke situatie. Dit sluit volgens hen vervorming en scheurvorming niet uit. Zij schrijven in hun rapport (pag. 142) in antwoord op de vraag of de boerderij voldeed aan het destijds geldende Bouwbesluit onder meer: “Bij een gebouw dat globaal 100 jaar eerder gebouwd is, en waarvan noch de gemeente (als handhaver), noch de eigenaar reden had tot twijfel over de veiligheid, wordt verondersteld dat het bestand is tegen de bedoelde krachten. Er kan echter niet meer met zekerheid worden gesteld dat het pand in alle opzichten aan bouwbesluit 2003 voldeed of niet.”
In paragraaf 8.2 van hun rapport hebben zij dat antwoord uitvoerig onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling van 2 maart 2022 heeft een van hen, [de deskundige1] , daarover het volgende verklaard: “Ik vind dat wij voldoende informatie hebben kunnen verzamelen om met een redelijke mate
van zekerheid een goed beeld te krijgen van hoe het oorspronkelijke pand in elkaar zat. Wij
hadden informatie over het pand uit de onderzoeksrapporten (inclusief foto's) die er lagen.
Aan de hand van die informatie kon ik in kaart brengen hoe het pand er oorspronkelijk en
globaal heeft uitgezien. Daarnaast had ik geotechnische informatie gevonden van de
bodemopbouw. De bronnen zijn in het rapport vermeld. Uit de informatie bleek dat er in het
verleden ook een verbouwing heeft plaatsgevonden. Wij hadden geen informatie over de
technische staat van het gebouw. Wij wisten niet of er mankementen aan het gebouw waren.
Dat kan van invloed zijn op het antwoord op de vraag of de beoogde verbouwing volgens de
verbouwingsplannen gerealiseerd kon warden en of er bij die verbouwing tegenvallers waren te verwachten.
Op de vraag van mr. Tricht wat ik bedoel met redelijke mate van zekerheid, antwoord ik dat
ik daarmee bedoel dat wij het als deskundigen met veel praktische ervaring verantwoord
vinden om de conclusies voor onze rekening te nemen.”
3.12
Het hof vindt het antwoord van de deskundigen overtuigend. Het is gebaseerd op een uitvoerige analyse. [de deskundige1] heeft het antwoord tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Ook die toelichting vindt het hof overtuigend. Het hof volgt NAM dan ook niet in haar kritiek op de conclusies van de deskundigen over de bouwkundige staat van het oorspronkelijke pand.
3.13
Uit de analyse van de deskundigen (samengevat op pag. 92) volgt ook dat de constructie van het oorspronkelijke pand al kwetsbaar was. Volgens de deskundigen was de fundering onderhevig aan verschillende zettingen. Die verschillen ontstonden door verschillen in belastingen, zoals door enkele verbouwingen en door verschillen in de grondslag. Bovendien was sprake van aanzienlijke tijdelijke belastingen vanwege de tijdelijke opslag van 25.000 bakstenen naast de gevel. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van dit deel van het deskundigenrapport.
3.14
Uit het voorgaande volgt dat de constructie van het oorspronkelijke pand weliswaar voldeed, maar ook kwetsbaar was.
3.15
Volgens de deskundigen kon plan A niet worden uitgevoerd op basis van de destijds aanwezige constructie. De aan hen gestelde vraag op dit punt hebben zij - voor zover van belang - als volgt beantwoord (pag. 143): “Bouwbesluit stelt allerlei eisen maar biedt ruimte voor een bepaalde mate van zettingen van de fundering, terwijl dat al voldoende is voor het laten ontstaan van schade. Eisen aan goed en deugdelijk werk, en het (voldoende) scheurvrij houden van het bouwwerk, leiden tot strengere limieten.
Plan A omvat een combinatie van (1) de aangevraagde vergunning, en (2) van kennelijk buiten vergunning geplande nieuwe vloeren en met name de verdiepingsvloer plus daarop geplande indeling.
Uitgangspunt van beantwoording van de vraag is, het model A, dat niet alleen gebaseerd is op de bouwaanvraagtekening, maar dat sprake is van een meeromvattend plan, inclusief verdiepingsvloer etc.
Daardoor is de omvang van de verandering aanzienlijk en het karakter van het gebouw wijzigt ook, van een woning met schuur naar een uitgebreidere functie, met woning en ook een bedrijfsgedeelte.
Model A omvat, globaal, een nieuwe constructieve betonplaat in de schuur van de boerderij, en een betonrand aan buitenzijde om nieuw metselwerk te plaatsen zodat een spouwmuur ontstaat. De oude fundering blijft gehandhaafd en draagt de bestaande constructie, gevels, en houten Vierkant'-constructie
Uit analyse (zie paragraaf 8.3), blijkt dat er veel verschillen zijn ten opzichte van de oorspronkelijke boerderij, zelfs als de daarin al gedane verbouwing wordt beschouwd als bestaand.
Het karakter van de geplande verbouwing van A is aanzienlijk anders dan de beschreven oorspronkelijke situatie met een lichte constructie zonder verdieping, zonder extra buitenblad (-metselwerk), en zonder inpandige betonvloer met indelingswanden. De toename van belastingen is daarbij een feit. Het gaat zowel om de al bestaande draagconstructie die veel zwaarder belast wordt, maar ook om de veel hogere belasting van het pand en ook de nieuwe inpandige betonvloer, op de geotechnische ondergrond die samendrukbaar is, en onvermijdelijk gaat reageren op hogere belastingen.
De omvang van het plan A omvat zowel de op bouwaanvraag aangegeven veranderingen, alsmede buiten de bouwaanvraag gehouden veranderingen, welke dan als 'bouwvergunningvrij' worden uitgevoerd.
Technisch gezien, is de totale verandering de basis voor een goede bouwvoorbereiding, en het aantonen dat de nieuwe situatie voldoet aan Bouwbesluit.”
3.16
Deze conclusie van de deskundigen is gebaseerd op hun analyse van de bestaande situatie (het pand zonder de met plan A te realiseren verbouwingen) in combinatie met de ‘impact’ van wijzigingen die voortvloeien uit de omgevingsvergunning en wijzigingen die buiten de vergunning om zouden worden gerealiseerd. Hiervoor heeft het hof overwogen dat de deskundigen die laatste wijzigingen - het aanbrengen van een verdiepingsvloer en een daarop geplande inrichting - ten onrechte hebben gekoppeld aan plan A. Het is dan ook de vraag wat dat betekent voor de conclusie van de deskundigen dat plan A niet uitvoerbaar zou zijn geweest.
Voor het antwoord op die vraag bieden andere delen van het rapport belangrijke aanknopingspunten: - Op pag. 105 van hun rapport gaan de deskundigen in op de gevolgen van het storten van een betonstrook naast de bestaande fundering. Zij schrijven daarover: ”Op de tekening is aangegeven: (Verkleind), dat rondom het gehele gebouw (zie donkere lijn voor nieuw gemetselde muur buitenom op de plattegrond, een betonstrook wordt gestort (zie detail onderaan rechts), welke niet gekoppeld is aan de bestaande fundering en welke het nieuwe metselwerk gaat dragen.
Dit heeft tot gevolg dat de grondslag onder en naast de bestaande fundering, zowel inpandig (door de betonnen vloer) als uitpandig (door de nieuwe betonstrook met metselwerk) extra belasting moet dragen. Het draagvermogen van de bestaande strook wordt daardoor lager (Zie ook pagina 78 voor uitleg). Ook ontstaat een onvermijdelijk verschil in zetting tussen de bestaande funderingsstrook en nieuwe aangestorte strook omdat zij geen constructieve samenhang hebben en zich onvermijdelijk verschillend zullen gedragen op gebied van zettingen en zettingsverschillen. Daardoor ontstaat schade en scheurvormingen.” Volgens de deskundigen zullen door het aanbrengen van de nieuwe betonstrook in combinatie met de betonvloer schade en scheuren ontstaan. Zij laten de verdiepingsvloer daarbij geheel buiten beschouwing en beperken zich tot het effect van de betonvloer en een betonstrook naast de bestaande fundering.
- In reactie op opmerkingen van [appellant] bij het rapport kiezen de deskundigen (pag. 158/159) eenzelfde lijn: “Essentieel in het rapport is, de verschillen tussen de oorspronkelijke situatie en de beoogde planvorming van A en B. In de open schuurruimte was geen vloerafwerking (zie tekst en fotos pag. 46 o.a. van deskundigenbericht), en in het woongedeelte voornamelijk houten vloeren. Bij de plannen A en B, zou dit dan overal een betonnen vloer worden, waarop de gebouwindeling rust. Het gaat dus zowel om het zettingsgedrag van de oorspronkelijke boerderij, dat al zettingsverschillen heeft en scheurvormingen, als om het onvermijdelijke feit dat de ondergrond door nieuwe belastingen opnieuw zettingen en zettingsverschillen ondergaat.”
Ook hier baseren de deskundigen hun conclusie dat plan A niet realiseerbaar is niet op de (veronderstelde) aanwezigheid van een verdiepingsvloer, maar enkel op het aanbrengen van een betonvloer in combinatie met de toch al fragiele situatie van het oorspronkelijke pand.
3.17
Het hof volgt [appellant] dan ook niet in zijn betoog dat wanneer het rapport van de deskundigen wordt gecorrigeerd op het punt van de onjuiste inhoud die de deskundigen geven aan plan A uit dat rapport volgt dat plan A wel haalbaar zou zijn geweest. Het rapport biedt veeleer steun aan de gedachte dat ook wanneer bij plan A geen rekening wordt gehouden met een verdiepingsvloer en een nieuwe indeling dat plan A nog steeds niet haalbaar was. De constructie van het oude pand was al kwetsbaar en die constructie werd door plan A, ook als geen rekening wordt gehouden met een verdiepingsvloer met indelingswanden en dergelijke, fors belast.
De vordering van [appellant] tot vergoeding van het verschil in de kosten van plan A en plan C is niet toewijsbaar 3.18 Hiervoor heeft het hof een samenvatting gegeven van de verschillende tussenarresten. Uit die samenvatting volgt dat het deskundigenbericht onder meer was bedoeld om het hof voor te lichten over de vraag of plan A, los van het risico op schade door bodembeweging vanwege de aardgaswinning (hierna: het aardbevingsrisico), niet kon worden gerealiseerd, omdat de constructie (fundering) tekortschoot. Indien dat het geval is, is [appellant] niet door het aardbevingsrisico gedwongen om ‘over te stappen’ van plan A naar plan C, maar is die overstap het gevolg van het feit dat plan A niet (zonder grote aanpassingen) realiseerbaar was. Er is dan geen sprake van een causaal verband tussen het bodembewegingsrisico en het niet kunnen realiseren van plan A.
3.19
Uitgangspunt is dat het aan [appellant] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij vanwege het aardbevingsrisico gedwongen is om over te stappen van plan A naar plan C. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW ziet uitsluitend op (het causaal verband tussen aardbevingen en) fysieke schade aan gebouwen en werken. Met fysieke schade bedoelde de wetgever tastbare schade aan het gebouw of werk zelf, zoals scheuren in muren1.. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat andere schade zoals omzetschade of gevolgschade uitdrukkelijk niet onder het bereik van deze bepaling valt2.. De schade die [appellant] van NAM vordert, is geen fysieke schade aan het gebouw, maar schade vanwege de meerkosten die hij moet maken doordat hij plan A niet heeft kunnen realiseren en over heeft moeten stappen naar het (veel duurdere) plan C. Voor deze schade kan [appellant] zich niet op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW beroepen, zodat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van het causaal verband tussen het aardbevingsrisico en deze schade op hem rust.
3.20
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dat bewijs niet geleverd. Het rapport van de deskundigen kan, zoals hiervoor is overwogen, niet bijdragen aan dat bewijs. Uit het rapport volgt eerder dat zonder aardbevingsrisico plan A niet haalbaar zou zijn geweest, ook wanneer geen rekening wordt gehouden met de effecten van een verdiepingsvloer en een nieuwe indeling. Dat sluit aan bij wat NAM heeft aangevoerd in haar verweer tegen de stelling van [appellant] dat hij plan A niet heeft kunnen realiseren vanwege het aardbevingsrisico. [appellant] heeft ook geen ander bewijs geleverd. Hij heeft bovendien aangegeven geen prijs te stellen op een aanvullend deskundigenbericht, waarin de deskundigen kunnen uitwerken wat de effecten van het wegvallen van de verdiepingsvloer en de indeling zijn voor hun conclusies over de haalbaarheid van plan A.
3.21
De vordering van [appellant] tot vergoeding van (een deel van) de meerkosten van plan C ten opzichte van plan is gezien het voorgaande niet toewijsbaar. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven hoe hoog deze meerkosten zijn. Het hof zal dan ook niet ingaan op de lastig te volgen en in de loop van de procedure wisselende benadering van [appellant] van deze meerkosten (aanvankelijk vorderde hij in hoger beroep ruim € 316.000,-, na enkele eiswijzigingen is dat toegenomen tot ruim € 638.000,-, nog te vermeerderen met 21% btw).
[appellant] heeft wel aanspraak op vergoeding van de kosten van versterking van plan C. Het hof begroot die kosten op € 108.900,- 3.22 In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof overwogen (overwegingen 5.9 en 5.10 van dat arrest) dat [appellant] in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van maatregelen die op grond van NPR 9998 moeten worden genomen om de te herbouwen boerderij aardbevingsbestendig te maken. Deze kosten zijn in beginsel te beschouwen als kosten van redelijke maatregelen in de zin van artikel 6:184 BW. In beginsel, omdat voor de toewijsbaarheid van de kosten wel noodzakelijk is dat de maatregelen ook redelijk zijn. NAM heeft dat laatste betwist, omdat het volgens haar tegen relatief geringe meerkosten (naast de kosten die toch al gemaakt moesten worden om de constructie van plan A te versterken) mogelijk zou zijn om plan A aardbevingsbestendig te maken. Als die meerkosten lager zijn dan de kosten om plan C aardbevingsbestendig te maken, is het aardbevingsbestendig maken van plan C geen redelijke maatregel en komen de kosten voor deze maatregel niet voor vergoeding in aanmerking, aldus NAM.
3.23
Tegen deze achtergrond heeft het hof de deskundigen ook gevraagd onderzoek te doen naar de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan A (naast de kosten van de noodzakelijke maatregelen om de constructie van plan A te versterken) en naar de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C. Het hof zal eerst ingaan op de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C en daarna de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan A bespreken.
3.24
Het hof heeft de deskundigen gevraagd - vraag j - welke in plan C genomen maatregelen/voorzieningen het gevolg zijn van de NPR 9998/2018, in die zin dat de maatregelen/voorzieningen niet getroffen zouden hoeven zijn/worden, indien de NPR 9998/2018 niet van toepassing zou zijn geweest. Ook heeft het hof de deskundigen gevraagd welke kosten gemoeid zijn met deze maatregelen.
De deskundigen hebben in antwoord op deze vraag onder meer het volgende geschreven (pag. 150 e.v., deskundigenrapport): “De NPR schrijft geen maatregelen voor. De NPR schrijft de specifieke omstandigheden voor waarop het gebouw moet worden berekend. Aangetoond moet worden dat het ontworpen gebouw sterk genoeg is om tijdens die omstandigheden niet in te storten.
De ontwerper van aardbevingsbestendige nieuwbouw is dus vrij in het maken van ontwerpkeuzes op basis van vijf criteria:
(…)Ten aanzien van aardbevingen zijn de gevolg van de ontwerpkeuzes: krachten. De NPR bepaalt de grootte van de krachten en niet de te nemen maatregel. Ook geeft de NPR aan binnen welke randvoorwaarden ze geldig is. Door middel van ontwerpkeuzes oefent de ontwerper dus rechtstreeks invloed uit op de kracht. Zo zullen lichte materialen leiden tot lagere seismische krachten, maar de NPR schrijft niet voor dat lichte materialen moeten worden toegepast.
Het bouwkundige ontwerp is dus de input van de toetsing aan de NPR9998 en niet het gevolg van de NPR9998. Er is natuurlijk wel een interactie, maar het is onmogelijk te zeggen welke ontwerpkeuzes het gevolg zijn van toepassing van de NPR9998-2018.
De statische constructie van model C omvat, in het kort, een betonnen kelderconstructie en een hoofddraagconstructie van staal met daarop geplaatst betonnen vloeren. Dit is een constructieve variant. Het is niet duidelijk of er een afweging geweest is tussen meerdere varianten, zoals met een funderingsherstel met funderingspalen, of een nieuwbouw zonder kelder, of de geplande bouw C maar dan nog zonder rekening te houden met de NPR9998. Juist die varianten, inclusief de gekozen variant maar dan nog zonder de invloed van NPR9998, zouden inzicht geven in de bouwkosten van het gebouw. Dan pas is een vergelijking mogelijk met het gekozen en gerealiseerde ontwerp.Wel kan een algemene indicatie worden gegeven van de meerkosten, als percentage van de bouwkosten, om nieuwbouw aardbevingsbestendig te maken. Nevenstaande indicatie is een vergoedingstabel die door de NCG tot voor kort werd gehanteerd. Aangenomen mag worden dat de vergoeding in relatie staat tot de daadwerkelijke kosten.” De deskundigen verwijzen in hun antwoord naar een tabel waarin diverse vergoedingspercentages zijn vermeld, afhankelijk van het soort gebouw, de hoogte van de bouwsom en de PGA(PiekGrondVersnelling)-contour.
3.25
Tijdens de mondelinge behandeling van 2 maart 2022 hebben de deskundigen op dit punt nog het volgende verklaard: “[de deskundige1] : Plan C leidt tot een gebouw dat je in de normen van het Bouwbesluit kunt
kwalificeren als klasse CC2. Het gaat niet meer om een woning. Het gaat om een
logiesgebouw. Dat heeft gevolgen voor de eisen waaraan dat gebouw moet voldoen. Het gaat
niet alleen om de constructies, maar ook om de eisen zoals de brandveiligheid.
(…)
[de deskundige3] : Volgens de NPR van december 2015 was de PGA-contour op de locatie van het pand 0,2. Op dit moment is de PGA-contour 0,132. Tot eind vorig jaar was de PGA -contour 0,189 volgens de NPR van 2021.” Wanneer wordt uitgegaan van deze gegevens over het soort gebouw en de PGA-contour zou het vergoedingspercentage volgens de tabel in het deskundigenrapport uitkomen op 10%. Dat zou betekenen dat 10% van de bouwsom kan worden gerelateerd aan de kosten van maatregelen die noodzakelijk zijn om het gebouw aardbevingsbestendig te maken.
3.26
NAM heeft bestreden dat moet worden uitgegaan van een percentage van 10%. Zij stelt dat de PGA-contour in 2017, toen [appellant] besloot plan C uit te voeren, 0.10 - 0,15 bedroeg. NAM baseert zich voor deze contour op een rapport van [naam5] en [naam6] . In dat rapport wordt dat inderdaad vermeld, maar niet toegelicht. Het hof ziet dan ook geen reden om de deskundigen niet te volgen in hun visie dat moet worden uitgegaan van een PGA-contour van meer dan 0,15. Daarvan uitgaande, bedraagt het percentage 10% van de bouwsom.
3.27
Dat roept de vraag op van welke bouwsom moet worden uitgegaan. De informatie van [appellant] daarover is weinig consistent, zelfs verwarrend. Nadat hij eerder andere bedragen had genoemd, heeft [appellant] in zijn akte wijziging/vermeerdering van eis van2 maart 2022 melding gemaakt van € 798.371,89 excl. btw. In zijn memorie na comparitie van 26 april 2022 (minder dan 2 maanden later) maakt [appellant] melding van een bedrag van € 1.130.135,52 excl. btw. Dit bedrag is door zijn accountant gecontroleerd. Wanneer de specificaties van deze bedragen worden vergeleken, valt op dat in de optelling die leidt tot het bedrag van € 798.371,89 bij diverse posten niet de volledige bedragen zijn meegenomen. Van die posten wordt een deel niet aan NAM toegerekend. Deze berekening past in een benadering waarbij NAM de meerkosten van plan C ten opzichte van plan A moet vergoeden en op die meerkosten vervolgens een aftrek wordt toegepast voor de verbetering van plan C in vergelijking met plan A. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat die benadering door het hof niet wordt toegepast. Om die reden zal het hof uitgaan van het bedrag van € 1.130.135,52 excl. btw en daarop enkele correcties toepassen. Die correcties betreffen de posten onvoorzien en prijsstijgingen/indexeringen (wanneer wordt uitgegaan van de daadwerkelijk betaalde bedragen zijn deze posten niet aan de orde), kosten voor de tuin en de stalling van huisraad en kozijnen, de kosten van architecten en adviseurs en leges (het gaat niet om bouwkosten). Na die correcties komt het hof uit op een bouwsom van - afgerond –
€ 900.000,- excl. btw. De versterkingskosten kunnen dan worden begroot op € 90.000,- excl. btw ofwel € 108.900,- incl. btw.
3.28
Als [appellant] vindt dat moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C en niet van een percentage van de bouwsom, ligt het op zijn weg om concrete informatie over de omvang van die kosten te verstrekken. Het hof stelt vast dat [appellant] dat niet heeft gedaan en dat hij in zoverre dan ook is tekortgeschoten in zijn stelplicht. [appellant] heeft weliswaar een vergelijking gemaakt tussen de kosten van plan C en die van plan A, maar hiervoor heeft het hof al uiteengezet dat en waarom hij geen aanspraak heeft op vergoeding van dat verschil. De daadwerkelijke kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C komen ook niet overeen met dat verschil.[appellant] heeft ook geen aanspraak op vergoeding van de kosten die (volgens de deskundigen) gemoeid zouden zijn geweest met het aardbevingsbestendig maken van plan A. [appellant] heeft deze kosten immers niet gemaakt en artikel 6:184 BW biedt geen grondslag voor vergoeding van de (dus niet gemaakte) kosten van niet getroffen maatregelen ter voorkoming en beperking van schade.
3.29
NAM heeft betoogd dat de maatregelen om plan C aardbevingsbestendig te maken geen redelijke maatregelen in de zin van artikel 6:184 lid 1 BW zijn, omdat de kosten van deze maatregelen hoger zijn dan de kosten van maatregelen om plan A aardbevingsbestendig te maken. Daarom zal het hof nu ingaan op de vraag hoe hoog de kosten zouden zijn van maatregelen om plan A aardbevingsbestendig te maken.
3.30
De deskundigen hebben in hun antwoord op vraag f (pag. 146 deskundigenrapport) een aantal aanpassingen opgesomd, die in 2015 nodig zouden zijn geweest om plan A uit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015. Vervolgens hebben zij aangegeven: “Er zit geen overlap in aanpassingen t.b.v. bouwbesluit en NPR. In grote lijnen kan worden gesteld dat het voor de omvang [het hof leest: van de] seismische versterking niet uitmaakt of een woning voldoet aan het bouwbesluit.De kosten van bovengenoemde directe constructieve versterkingsmaatregelen bedragen ongeveer € 145.151,- excl. BTW.De totale kosten van alle maatregelen, dus inclusief de indirecte kosten (bijkomende werkzaamheden, installaties, planuitwerking (dat is inclusief uitgebreide engineeringskosten), bouwplaatskosten, algemene kosten, Winst en Risico, inventaris, huisvesting, BTW, etc.) bedragen ongeveer € 562.431,- incl. BTW.” In bijlage 2 bij hun rapport hebben de deskundigen deze bedragen onderbouwd met een uitgebreide specificatie.
Vraag g - om aan te geven welke van de genoemde maatregelen zien op het voldoen aan het Bouwbesluit en welke aan de NPR 9998:2015 - hebben de deskundigen als volgt beantwoord: “In het algemeen geldt dat het voor de omvang [het hof leest: van de] seismische versterking niet uitmaakt of een woning voldoet aan het bouwbesluit of niet. Ook de geplande verbouwing had weinig invloed op de omvang van de versterking. Voor het versterken van het oorspronkelijke pand (model A0) hadden dezelfde maatregelen getroffen moeten worden als voor het verbouwde pand (model A).”
3.31
Tijdens de mondelinge behandeling van 2 maart 2022 hebben de deskundigen een toelichting gegeven op hun antwoorden op de vragen f en g. Zij hebben in dat verband verklaard: “[de deskundige1] : Op basis van de gegevens die wij over plan A hebben, zou plan A niet haalbaar zijn zoals het getekend is. Bij de uitwerking van plan A zou vanzelf naar voren zijn gekomen dat er nadere maatregelen nodig waren. Wat ik zo even heb gezegd betreft plan A in de statische situatie, nog los van de aardbevingen. De kosten van de aanpassingen zijn voor ons niet te kwantificeren, omdat daar een aanpassingsplan voor nodig was en dat plan is er juist niet.
[de deskundige3] : De kosten om model A in overeenstemming te brengen met NPR 9998 konden
wij wel kwantificeren. De reden daarvoor is de rekentool die in de praktijk in Groningen
wordt gebruikt ter berekening van de kosten van de versterking van panden. U vindt die in
bijlage 2 van ons rapport. Wij hebben die rekentool toegepast op plan A, waarbij wij ervan
uitgingen dat plan A in de statische situatie voldeed aan het Bouwbesluit. De onzekerheid of
dat ook daadwerkelijk liet geval zou zijn geweest, hebben wij buiten beschouwing gelaten.
Met behulp van de rekentool hebben wij de kosten bepaald, zoals u die in het rapport kunt
lezen. De door ons genoemde kosten (ruim € 145.000,- aan directe en € 562.000,- aan totale kosten) zijn gebaseerd op de uitkomsten van rekentool.
[de deskundige1] : Het is niet goed mogelijk om vast te stellen of en in hoeverre sprake is van
dubbelingen tussen de kosten van het noodzakelijke aanpassen van plan A in de statische
situatie in het Bouwbesluit en de kosten van het aanpassen van plan A aan de NPR 998. Het
is in theorie mogelijk dat er geen enkele dubbeling in zit, maar het is in theorie ook mogelijk
dat er een mate van overlap is. In de situatie als deze waarin nog verbouwd moet gaan
worden, is de kans reëel dat er overloop is. Bij het maken van de plannen kun je al rekening
houden met de eisen van de NPR 9998. Bovendien hoef je niet extra te slopen, omdat er
vanwege de verbouwing al gesloopt wordt. In dit geval is het van belang dat er een
verdiepingsvloer moet worden gerealiseerd die er nog niet was. Dan kun je bij de keuze voor
de verdiepingsvloer en de daarop te plaatsen indeling (bijv. bij de wanden en/of de keuken)
al rekening houden met de NPR 9998. Het is mogelijk dat er bijvoorbeeld bij de directe
kosten veel minder sprake is van overlap dan bij de indirecte kosten.
Bij de berekening van de genoemde kosten zijn wij uitgegaan van prijspeil 2020. (…)
Voor de berekening van de directe kosten, waar wij reeds over hebben gesproken, zijn wij
uitgegaan van de rekentool die al ter sprake is gekomen. De indirecte kosten zijn echter
berekend op basis van de gegevens van een aantal referentiepanden waarover wij beschikten.
De referentiepanden zijn in bijlage 2 aangeduid (in de tabellen met stippen onder liet kopje
`bepaling indirecte kosten'). De gegevens van de referentiepanden die wij gebruikt hebben,
zijn als zodanig niet terug te vinden in het rapport. Op de tabellen hebben wij plan A
ingetekend. De keuze om plan A op die tabellen in te tekenen, is gebaseerd op berekeningen
en ervaring. Ook plan B is op die tabellen ingetekend, maar op een andere plaat. Dat heeft, in de kern, te maken met het gegeven dat plan B een groter vloeroppervlakte heeft.
Voor de bepaling van de omvang van de bijkomende kosten is het afwerkingsniveau van het
oorspronkelijke (het te versterken) pand meestal niet relevant. Bij een omvangrijke
versterking moet het hele pand immers gestript worden. Het oorspronkelijke
afwerkingsniveau speelt dan geen rol meer. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom de heer [naam7] , een deskundige die de oorspronkelijke woning nog heeft gezien, uitgaat van een aanzienlijk lager bedrag aan vierkante meter met betrekking tot de elektra kosten dan waarvan wij in onze rapport zijn uitgegaan. Bij de bepaling van de indirecte kosten is bij plan A uitgegaan van een bruto-vloeroppervlakte (BVO) van 240 vierkante meter. Ook bij model A0 is uitgegaan van een BVO van 240 vierkante meter, hoewel de indeling anders is dan bij model A. Dat heeft te maken met de definitie van het begrip BVO.”
3.32
NAM heeft de hiervoor weergegeven visie van de deskundigen bestreden. Volgens NAM is wel degelijk sprake van een (aanzienlijke) overlap tussen de maatregelen om plan A te laten voldoen aan het Bouwbesluit enerzijds en de maatregelen om plan A aardbevingsbestendig te maken anderzijds. Zij wijst erop dat het niet voorstelbaar is dat deze maatregelen gefaseerd worden verricht, doordat eerst de eerstgenoemde maatregelen worden gerealiseerd en daarna de laatstgenoemde. Ook heeft NAM gedetailleerd uiteengezet dat de door de deskundigen gebruikte kostenbegrotingen, zeker die voor de indirecte kosten, onjuist zijn. De daadwerkelijke kosten liggen volgens NAM veel lager.
3.33
Het hof stelt vast dat het door de deskundigen begrote bedrag voor het aardbevingsbestendig maken van plan A ruim vijfmaal zo hoog is als de door het hof begrote kosten van maatregelen om plan C aardbevingsbestendig te maken. Indien de kritiek van NAM op de begroting door de deskundigen grotendeels juist is, betekent dat nog niet dat de kosten om plan A aardbevingsbestendig te maken minder dan een vijfde bedragen van wat de deskundigen hebben begroot. NAM heeft wel kritiek geleverd op de benadering van de deskundigen en op (diverse onderdelen van) hun kostenbegroting, maar heeft niet aangegeven welk bedrag volgens haar met het aardbevingsbestendig maken van plan A gemoeid is. Zij heeft in elk geval niet aangevoerd dat dat bedrag minder dan een vijfde is van het door de deskundigen berekende bedrag. Onder deze omstandigheden kan het hof er, wat er verder ook zij van de kritiek van NAM op dit deel van het deskundigenrapport, niet vanuit gaan dat de deskundigen een meer dan vijfmaal te hoog bedrag hebben berekend voor deze kosten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de deskundigen hun berekening uitvoerig hebben onderbouwd en tijdens de mondelinge behandeling, geconfronteerd met de kritiek van NAM, hebben gemotiveerd waarom zij - in grote lijnen - blijven bij hun benadering.
3.34
De conclusie is dat het hof het aannemelijk vindt dat de kosten om plan A aardbevingsbestendig te maken hoger zijn dan de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C. De in plan C begrepen maatregelen om het plan aardbevingsbestendig te maken, zijn dan ook redelijke maatregelen in de zin van artikel 6:184 lid 1 BW. De kosten van deze maatregelen zijn ook redelijk, omdat ze zijn gebaseerd op de in de praktijk gehanteerde tabel. Bovendien zijn de kosten lager dan de kosten die gemoeid waren met het alternatief; het aanpassen van plan A. [appellant] heeft dan ook aanspraak op € 108.900,-. Op dit bedrag moet het al door NAM betaalde bedrag, € 16.464,76, in mindering worden gebracht, zodat € 92.433,34 resteert. [appellant] heeft geen wettelijke rente gevorderd, zodat het hof ook geen wettelijke rente kan toewijzen.
Uitgangspunten voor de begroting van de gevolgschade van [appellant] 3.35 [appellant] stelt dat hij door de vertraging van zijn bouwplannen forse schade heeft geleden. Het gaat om uiteenlopende schadeposten, zoals de in de loop van de tijd gestegen bouwkosten, gederfde inkomsten, extra rentelasten en stallingskosten. Het hof overweegt dienaangaande dat [appellant] alleen aanspraak heeft op vergoeding van schade vanwege de vertraging in de bouw wanneer deze schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van NAM. Daarvoor is een conditio sine qua non-verband tussen het handelen van NAM en de schade vereist: beslissend is of de schade zonder dat handelen zou zijn ontstaan. Indien en voor zover dat niet het geval is, moet vervolgens worden vastgesteld of de schade zodanig in verband staat met het handelen van NAM dat deze aan NAM, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat handelen kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Bovendien dienen ook het bestaan en de omvang van de door [appellant] gestelde schadeposten voldoende aannemelijk te zijn.
3.36
Volgens [appellant] was het de bedoeling dat plan A in oktober 2014 gerealiseerd zou zijn. Door de aardbevingen, waarvoor hij NAM verantwoordelijk en aansprakelijk houdt, kon plan A niet gerealiseerd worden en moest hij overstappen op plan C. Dat plan is nog steeds niet gerealiseerd. Het hof begrijpt uit wat [appellant] (al dan niet impliciet) heeft aangevoerd, dat plan C veel ingrijpender en duurder is dan plan A en dat NAM het hem, door te weigeren de door haar veroorzaakte schade te vergoeden, ook onmogelijk heeft gemaakt het plan af te ronden; zijn financiële reserves zijn verbruikt en hij beschikt niet over de middelen om de bouw (op korte termijn) af te ronden, aldus nog steeds [appellant] .
3.37
Hiervoor heeft het hof overwogen dat er niet van kan worden uitgegaan dat [appellant] , wanneer geen sprake zou zijn geweest van aardbevingsgevaar, plan A (ongewijzigd) zou hebben kunnen realiseren. Die vaststelling is ook van betekenis voor het antwoord op de vraag of sprake is van een conditio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van NAM (waardoor aardbevingen zijn ontstaan die schade hebben veroorzaakt aan het oude pand) en de door [appellant] gevorderde vertragingsschade. Indien er niet vanuit kan worden gegaan dat [appellant] plan A in de situatie waarin het (door NAM veroorzaakte) aardbevingsgevaar wordt ‘weggedacht’ had kunnen realiseren, ontbreekt het conditio sine qua non-verband met de vertraging vanwege het niet kunnen realiseren van plan A.
3.38
Daarmee valt nog niet het doek voor elke vorm van vertragingsschade. Het hof vindt het wel aannemelijk dat door het aardbevingsrisico onzekerheid is ontstaan, die (negatieve) gevolgen heeft gehad voor de ontwikkeling en realisering van de bouwplannen van [appellant] . Het is eveneens aannemelijk dat het ontwikkelen van een alternatief plan extra tijd heeft gekost, ook omdat moest worden voldaan aan nieuwe normen (NPR9998), die in de loop van de tijd ook weer veranderden. Maar daarmee kan niet de volledige periode van vertraging worden verklaard. [appellant] heeft er voor gekozen om in plaats van het oude (onhaalbare) plan A een geheel nieuw gebouw volgens plan C te bouwen. Volgens de deskundigen zijn de plannen A en C eigenlijk niet met elkaar te vergelijken. In hun antwoord op vraag m - of plan C een verbetering is ten opzichte van plan A - schrijven de deskundigen (pag. 154 deskundigenrapport): “Model A richtte zich meer op het behoud van het oude gebouw. Met het oog op het voorkomen van schade, zoals scheurvorming, was dit gebouw niet zonder meer geschikt voor aanzienlijke aanpassingen, zoals bijvoorbeeld de toevoeging van verdiepingsvloer met indeling.
Model C omvat een nieuw gebouw. Dat biedt door de wijzigingen meer gebruiksoppervlak, vergt minder onderhoud, voldoet qua indeling waarschijnlijk helemaal aan de wensen van de eigenaar.
Model C richt zich op de realisatie van een modern nieuw gebouw op dezelfde lokatie, met een ander gebruiksdoel, en met de vrijheid om de indeling geheel opnieuw te kunnen opzetten
Daarmee worden tal van mogelijke problemen voorkomen, zoals, bijvoorbeeld,
- indelingsbeperkingen als gevolg van de positie van oude dragende muren of andere dragende elementen die er al eenmaal waren.
- het zettingsgedrag en de zettingsprognose van de fundering in de nieuwe situatie, als gevolg van hogere belastingen (door materialen en extra verdiepingsvloer met indelingen daarop). Daardoor onvermijdelijke kans op schade zoals scheurvorming in gevels en muren.
- tal van lokale technische uitdagingen die niet zijn opgelost, zoals detailverbindingen, betonaanstortranden, brandwerende voorzieningen en maatregelen, installaties, onderhoudsaspecten, etcetera.
Dit leidt ertoe dat model C en model A eigenlijk niet meer te vergelijken zijn: het zijn twee geheel verschillende gebouwen.”
[appellant] heeft dit antwoord van de deskundigen niet (gemotiveerd) betwist. Het antwoord is deugdelijk onderbouwd, want volgt uit wat de deskundigen hebben vastgesteld en is ook consistent en begrijpelijk. Het hof zal daar dan ook van uitgaan.
3.39
Voor zover de vertraging in de bouw van plan C het gevolg is van financiële problemen van [appellant] kan deze vertraging niet in redelijkheid aan NAM worden toegerekend. Allereerst heeft [appellant] er zelf, en zonder overleg met NAM, voor gekozen om een geheel nieuw en veel groter gebouw te (laten) bouwen toen bleek dat plan A niet (zonder forse aanpassingen) te realiseren was. Bovendien blijkt uit wat hiervoor is overwogen dat de kosten om plan C aardbevingsbestendig te maken maar 10% van de totale bouwkosten van plan C bedragen; gesteld noch gebleken is dat de vertraging in de bouw het gevolg is van het ontbreken van 10% van de financiële middelen voor de bouw. Het hof laat dan nog daar dat de schadevergoeding wegens vertraging in de betaling van een geldsom in de wettelijke rente bestaat (vgl. artikel 6:119 BW).
3.40
In de memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat plan C naar verwachting per of na 1 juni 2018 gerealiseerd zal zijn. Uitgaande van 1 oktober 2014 als de oorspronkelijk verwachte opleveringsdatum van plan A en van enige uitloop voor plan C, waardoor dat plan (niet op 1 juni 2018 maar) op 1 oktober 2018 zou worden opgeleverd, verwachtte [appellant] toen een vertraging van vier jaren. De vertraging vanaf 1 oktober 2018 is, zoals gezegd, het gevolg van de financiële problemen van [appellant] en kan niet aan NAM worden toegerekend.
3.41
Maar ook de vertraging van vier jaren kan naar het oordeel van het hof niet alleen aan NAM worden toegerekend. Zoals hiervoor is vastgesteld, zou plan A ook in de situatie zonder aardbevingen niet zonder grote aanpassingen gerealiseerd hebben kunnen worden. Ook in de situatie zonder aardbevingen zou naar verwachting daarom vertraging zijn ontstaan in de bouwplannen van [appellant] . Omdat niet precies is vast te stellen welk deel van de vertraging is toe te schrijven aan de aardbevingen en welk deel niet, zal het hof de vertraging ten gevolge van de (door NAM veroorzaakte) aardbevingen moeten schatten. Het hof rekent van de vertraging van vier jaren de helft - een periode van twee jaren - toe aan de aardbevingen. Bij de bespreking van de diverse schadeposten zal het hof van deze voor rekening van NAM komende vertraging uitgaan.
De verschillende (gevolg)schadeposten van [appellant] 3.42 [appellant] heeft bij zijn laatste eisvermeerdering - in de akte wijziging/vermeerdering van eis van 2 maart 2022 - ruim € 416.000,- aan gevolgschade gevorderd. Het hof zal van de in die akte vermelde posten uitgaan. De posten zijn (summier) toegelicht in deze akte, maar ook eerder al in de memorie van grieven, in de antwoordakte van [appellant] van 7 december 2021, in bij die akte gevoegde producties en later nog in [appellant] ’s memorie na comparitie. Het hof zal bij zijn bespreking van de diverse schadeposten grotendeels de door [appellant] in de akte van 2 maart 2022 gekozen volgorde aanhouden.
3.43
[appellant] vordert vergoeding van de kosten voor de stalling van kozijnen. Hij stelt dat hij de al gereedmaakte kozijnen niet kon plaatsen. De kozijnen moesten daarom worden opgeslagen. Hij heeft met Wagenborgen BV afgesproken dat deze de kozijnen zou opslaan voor € 75,- per maand. Hij beroept zich op een offerte van Wagenborgen van 7 februari 2013 en op een ‘pro forma’ factuur van Wagenborgen van 22 oktober 2021, waarbij Wagenborgen € 8.550,-, te vermeerderen met btw, aan hem in rekening brengt.Het hof vindt het, gelet op de offerte van Wagenborgen en op wat vaststaat over de bouwplannen van [appellant] , voldoende aannemelijk dat [appellant] al kozijnen had aangeschaft. Dat hij deze kozijnen niet kon gebruiken en dat deze daarom moesten worden opgeslagen, is eveneens voldoende aannemelijk. Het hof gaat er vanuit dat Wagenborgen de opslagkosten nog niet daadwerkelijk in rekening heeft gebracht - vandaar het pro forma-karakter van de factuur -, maar dat betekent niet dat Wagenborgen de opslagkosten niet alsnog in rekening zal brengen. Bij een vertraging van twee jaren (24 maanden) voor rekening van NAM, heeft [appellant] aanspraak op vergoeding van 24 x € 75,- = € 1.800,- excl. btw ofwel € 2.178,- incl. btw. Dit bedrag is toewijsbaar.
3.44
De vordering tot vergoeding van de kosten voor de stalling van huisraad is, gelet op het verweer van NAM, onvoldoende onderbouwd. [appellant] woont in Groningen, zodat niet valt in te zien waarom zijn huisraad elders gestald zou moeten worden. [appellant] heeft weliswaar een brief van (grafisch ontwerpbureau) Studio Eye Candy van 20 juni 2016 overgelegd waarin wordt bevestigd dat dat bureau voor onbepaalde tijd de opslag van huisraad van [appellant] zal verzorgen, maar deze brief laat veel vragen onbeantwoord. Onduidelijk is welke huisraad het betreft en met ingang van wanneer huisraad wordt opgeslagen. In juni 2016 lag de bouw al geruime tijd stil. Onduidelijk is wat er tot die tijd met het huisraad is gebeurd. Het hof wijst deze schadepost dan ook af.
3.45
[appellant] vordert ook vergoeding van rente van leningen. Hij is de leningen kennelijk aangegaan ten behoeve van de financiering van plan C. NAM wijst er terecht op dat [appellant] ook zonder vertraging plan C zou hebben moeten financieren. De financieringskosten zijn dan ook op zichzelf niet toewijsbaar. Maar vanwege de vertraging heeft hij wel gedurende een langere periode financieringskosten moeten maken. Uit de opgave van zijn accountant volgt dat de financieringskosten – afgerond - € 3.000,- per jaar hebben bedragen. Daarvan uitgaande beloopt de schade vanwege de vertraging van twee jaren € 6.000,-. Dit bedrag is toewijsbaar.
3.46
De door [appellant] gevorderde kosten voor het tijdelijk afdichten van het dak, het plaatsen van noodgoten en het vervangen van gevelfolie zien op werkzaamheden die na 2018 zijn verricht toen [appellant] plan C niet kon afronden. Dat leidt het hof af uit de toelichting van [appellant] , die aanvoert dat hij “vanwege het traineren van de zaak” deze kosten heeft moeten maken en uit de door hem overgelegde factuur van Boelens van 9 maart 2021. Hiervoor is al overwogen, dat NAM niet aansprakelijk is voor de vertraging in het afronden van plan C, veroorzaakt door geldgebrek bij [appellant] .
3.47
Ook zonder de vertraging vanwege de aardbevingen zou [appellant] kosten hebben moeten maken voor het onderhoud van het erf. Gesteld noch gebleken is dat deze kosten in de relevante periode van de vertraging hoger zijn geweest. De vordering van [appellant] tot vergoeding van deze kosten is daarom, wat er verder ook zij van de onderbouwing, niet toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de kosten van gas-, water- en elektra, waaronder de kosten van levering van energie door Engie en de WOZ. De vordering betreffende dubbele kosten van de woonverzekering heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. De vordering is daarom niet toewijsbaar.
3.48
Het hof vindt het aannemelijk dat [appellant] reiskosten heeft moeten maken om geregeld vanuit Groningen naar [woonplaats1] te gaan om onderhoud te verrichten. Dat hij voor dat onderhoud 12 dagen per maand (en 12 maanden per jaar) heen en weer heeft gereisd, vindt het hof niet aannemelijk. Wel acht het hof een wekelijks bezoek door [appellant] aan de boerderij aannemelijk en redelijk. Het hof zal deze post schatten op 50 maal (rekening houdend met twee weken vakantie) per jaar. Uitgaande van de door [appellant] opgegeven kilometers en vergoeding per kilometer, die niet door NAM zijn weersproken, komt het hof uit op 100 x 48 x € 0,19 = € 912,-.
3.49
Het is aannemelijk dat [appellant] dubbele woonlasten heeft: de lasten van de boerderij en de lasten van de door hem en zijn gezin bewoonde woning te Groningen. De lasten van de woning in Groningen zou hij niet hebben gehad vanaf het moment dat hij, na realisering van de verbouwing, naar de boerderij zou zijn verhuisd. Deze lasten vormen dan ook een schadepost die gedurende de relevante periode van de vertraging - twee jaren - in beginsel voor vergoeding door NAM in aanmerking komt. Volgens [appellant] betaalt hij
€ 700,- per maand aan huur. Dat bedrag blijkt uit het door hem overgelegde huurcontract betreffende de woning in Groningen tussen [appellant] en zijn partner als huurders en Blue Martin International Holding BV als verhuurder. Hij vordert dan ook betaling door NAM van de huur voor de woning in Groningen. Het hof volgt NAM niet in het betoog dat [appellant] slechts aanspraak heeft op de helft van de huur, omdat hij samen met zijn partner huurder is. Beide huurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor voldoening van de huur. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat indien de huur wordt gedeeld [appellant] de vordering tot vergoeding van de huur mede namens zijn partner instelt.
NAM wijst er terecht op dat [appellant] bestuurder en enig aandeelhouder van de verhuurder is, maar dat betekent niet dat hij geen schade lijdt door de dubbele woonlasten. Als [appellant] al moet worden vereenzelvigd met zijn persoonlijke holding, dan geldt dat die persoonlijke holding door de verhuur aan [appellant] de woning niet aan een ander heeft kunnen verhuren en daardoor schade lijdt. Linksom of rechtsom lijdt [appellant] dan ook schade, doordat hij en zijn gezin de woning in Groningen bewonen. De schade is gelijk aan de huur gedurende twee jaren, dus 24 x € 700,- = € 16.800,-.
NAM wijst er wel terecht op dat op grond van het huurcontract de kosten van de nutsvoorzieningen en de gemeentelijke belastingen van de huurwoning voor rekening van de verhuurder zijn. De vordering tot vergoeding van die kosten is dan ook niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van schade vanwege huurderving betreffende de woning in Groningen. Wanneer over de relevante periode van vertraging zowel de dubbele woonlasten van [appellant] als huurderving (doordat de woning niet aan een derde verhuurd kan worden) zouden worden vergoed, zou dezelfde schade dubbel worden vergoed.
3.50
Het hof vindt het aannemelijk dat als plan C wordt gerealiseerd een deel van het pand wordt verhuurd. Het plan biedt daarvoor alle ruimte. [appellant] heeft ook steeds aangegeven dat het zijn plan was om een deel van het pand te verhuren. Dat hem dat zou zijn gelukt, vindt het hof gezien de situatie op de woningmarkt ook aannemelijk. Ook de door [appellant] verwachte huur van € 600,- per maand vindt het hof aannemelijk. Door de vertraging heeft hij dan ook schade vanwege huurderving betreffende de boerderij geleden van 24 x € 600,- = € 14.400,-.
3.51
De post “Kosten div. nov. 2021 t/m geplande verhuizing in maart 2023” is niet van een adequate onderbouwing voorzien en om die reden niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de post “Extra kosten g/l 2017/2018”. In het licht van het door NAM gevoerde verweer heeft [appellant] de kosten van het schoonmaken van 40 pallets stenen en het aanbrengen van vorstpannen onvoldoende onderbouwd. Niet alleen heeft hij nagelaten te onderbouwen dat hij die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, maar ook heeft [appellant] nagelaten aan te geven waarom hij zelf deze door hem gestelde schade (vervuiling van stenen en kapot gaan van dakpannen) niet eenvoudig had kunnen voorkomen. Het hof tekent daarbij overigens nog aan dat de vordering betreffende het schoonmaken van de stenen is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat NAM verantwoordelijk kan worden gehouden voor een vertraging van acht jaren (in plaats van twee jaren).
3.52
De schadepost “onvoorzien” is alleen al daarom niet toewijsbaar, omdat het gaat om vergoeding van schade vanwege vertraging in het verleden. Ook de vordering betreffende de prijsstijgingen van 2018 t/m 2022 is niet toewijsbaar, omdat NAM niet aansprakelijk is voor de vertraging in deze periode.
3.53
[appellant] stelt dat hij door de vertraging een aanspraak op subsidie voor energiebesparende maatregelen is misgelopen. NAM heeft in haar memorie van antwoord uitgebreid verweer gevoerd tegen deze schadepost. In het licht van dit verweer heeft [appellant] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Hij heeft met name niet duidelijk gemaakt op grond van welke subsidieregeling hij subsidie zou hebben ontvangen, welk bedrag het betrof en dat deze regeling ook van toepassing was op sloop en herbouw. De stelling van [appellant] dat hij, wanneer de vertraging niet zou zijn ontstaan, aanspraak zou hebben gehad op subsidie, heeft hij dan ook onvoldoende gemotiveerd. Zijn vordering strandt daarop.
3.54
[appellant] stelt ook dat hij door de vertraging 21% btw moet betalen over de bouwkosten in plaats van 6%. Het 6%-tarief was tot 1 juli 2016 van toepassing en daarna niet meer. De bouwkosten zijn daardoor 15% hoger geworden, aldus [appellant] . Ook deze schadevordering is echter niet toewijsbaar. Volgens de eigen stellingen van [appellant] gold het lagere btw tarief alleen voor renovatie, herstel en tuinonderhoud. Het gerealiseerde plan, plan C, betreft echter niet de renovatie van de boerderij, maar sloop en nieuwbouw. Hiervoor is overwogen, dat NAM niet aansprakelijk is voor de kosten die verband houden met de vervanging van plan A door plan C.
3.55
De conclusie is dat [appellant] aanspraak heeft op vergoeding van € 2.178,- + € 912,- + € 6.000,- + € 16.800,- + € 14.400,- = € 40.290,- wegens gevolgschade. Conclusies3.56 [appellant] heeft alles bij elkaar genomen aanspraak op € 92.433,34 (kosten van de versterking minus het al betaalde bedrag) + € 40.290,- = € 130.723,34. Het hof zal NAM veroordelen tot betaling van dat bedrag aan [appellant] . Het hof merkt op dat [appellant] geen wettelijke rente heeft gevorderd, zodat het hof geen wettelijke rente kan toewijzen.
3.57
[appellant] vordert daarnaast een vergoeding voor door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten. Dat zijn raadsman werkzaamheden heeft verricht die niet vallen onder het bereik van een proceskostenveroordeling heeft NAM niet weersproken. NAM heeft ook geen verweer gevoerd tegen de omvang van de gevorderde kosten, zodat het hof haar zal veroordelen tot betaling van het gevorderde bedrag van € 2.842,-.
3.58
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en NAM alsnog veroordelen tot betaling van de hiervoor vermelde bedragen.
3.59
NAM wordt weliswaar veroordeeld tot betaling van een fors bedrag, maar wel een bedrag dat veel lager is dan door [appellant] is gevorderd. Het is ook gebaseerd op een geheel andere feitelijke grondslag dan waarop [appellant] oorspronkelijk zijn vordering heeft gebaseerd. Bovendien is de procedure in hoger beroep onnodig gecompliceerd door de wijze waarop [appellant] heeft geprocedeerd doordiverse eiswijzigingen en stellingen die op een zeer laat moment zijn betrokken. Het hof ziet in deze omstandigheden reden om de proceskosten bij de rechtbank en het hof te compenseren. Dat geldt niet voor de kosten van het deskundigenonderzoek dat nodig was om de schade te kunnen vaststellen. Het hof zal NAM daarom veroordelen tot betaling aan [appellant] van het door hem betaalde voorschot. Het betreft een bedrag van € 42.884,64.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 december 2016en beslist als volgt:
veroordeelt NAM tot betaling aan [appellant] van € 130.723,34 wegens schadevergoeding;
veroordeelt NAM tot betaling aan [appellant] van € 42.884,64 wegens voorgeschoten deskundigenkosten;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof voor het overige, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en D.J. Keur en is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2023 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑07‑2023
Uitspraak 15‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849 en ECLI:NL:GHARL:2021:8656. Aardbevingsschade. Na onderzoek door deskundigen en verhoor van deskundigen heeft het hof, gelet op nieuwe kritiek van een van partijen op de uitgangspunten van het deskundigenrapport mogelijk toch behoefte aan het stellen van aanvullende vragen aan de deskundigen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015)
arrest van 15 november 2022
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant,bij de rechtbank: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te Assen,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaat: mr. R. van Tricht, die kantoor houdt te Amsterdam.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 september 20211.hier over.
1.2
Op grond van dit tussenarrest heeft op 2 maart 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is ook één van de door het hof benoemde deskundigen en een medewerker van de andere deskundige verschenen aan wie het hof en partijen vragen hebben gesteld. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.
1.3
Ter voorbereiding op deze mondelinge behandeling zijn de volgende stukken gewisseld:- een antwoordakte (met producties) van [appellant] ;- een akte wijziging/vermeerdering van eis (met producties) van [appellant] .1.4 Na de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingediend:- een memorie na comparitie (met producties) van [appellant] ;- een antwoordakte na mondelinge behandeling en akte uitlaten eiswijziging van NAM.1.5 Vervolgens hebben partijen de processtukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2. Het geschil en de eerdere arresten in deze zaak2.1 [appellant] is eigenaar van een boerderij te [woonplaats1] (hierna: de boerderij), gelegen boven het Groningen-veld, waar zich geregeld aardbevingen als gevolg van gaswinning door NAM voordoen. Hij was van plan de boerderij te gaan renoveren en daarna (met zijn gezin) te gaan bewonen en te exploiteren. Om het door hem beoogde gebruik mogelijk te maken, heeft de gemeente het bestemmingsplan aangepast. [appellant] heeft een sloop- en een omgevingsvergunning aangevraagd. In 2013 heeft [appellant] voor het eerst aardbevingsschade gemeld. Na die tijd hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar de aard en omvang van de schade. Inmiddels is de boerderij gesloopt en is begonnen met nieuwbouw.2.2 In de procedure bij het hof heeft [appellant] eerst een deel van de nieuwbouwkosten- oorspronkelijk € 316.074,68 - als schade gevorderd. Het betreft volgens hem de kosten die nodig zouden zijn om de te renoveren boerderij te versterken tegen aardbevingsschade. Daarnaast heeft hij € 253.331,02 aan gevolgschade gevorderd.
2.3
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 juli 20192.vastgesteld dat sprake is (geweest) van drie bouwplannen:
- Het was eerst de bedoeling van [appellant] om een betonrand om de boerderij aan te leggen,
de binnenmuur te verbouwen tot een spouwmuur en om het dak uit te lijnen en te isoleren
(plan A). De verbouwing zou in 2013 starten en in 2014 worden gerealiseerd;
- Nadat in 2013 en 2014 schade aan de boerderij was ontstaan, heeft [appellant] plan A
stilgelegd. Hij heeft laten onderzoeken (door [naam1] en [naam2] ) welke versterkingen
nodig waren om de overeenkomstig plan A te verbouwen boerderij aardbevingsbestendig te
maken. Het aangepaste plan, dat voorzag in het aanbrengen van een betonnen plaat onder de
boerderij, is plan B;
- Uit latere rapporten (van [naam3] en [naam1] ) volgde dat plan B niet
voldoende zou zijn om de boerderij aardbevingsbestendig te maken. Er is vervolgens
een nieuw plan ontwikkeld dat wel aardbevingsbestendig is, plan C. Plan C voorziet in de
sloop van de bestaande boerderij en in de bouw van een nieuwe, onderkelderde, boerderij.
Volgens [appellant] dient NAM het verschil in bouwkosten tussen plan A en plan C te
vergoeden, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de verbeteringen (voordelen)
die plan C ten opzichte van plan A heeft.
2.4
In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof verder - samengevat - het volgende overwogen:
- NAM is op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM (5.3);- Op grond van artikel 6:184 lid 1 onder a BW is NAM aansprakelijk voor de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van aardbevingsschade wanneer sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging van dergelijke schade. Daarbij dient wel een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd (5.4);- Ook nog te maken kosten van versterkingsmaatregelen vallen onder het bereik van artikel 6:184 BW (5.5 en 5.6);- Er is nog steeds sprake van een ernstige en onmiddellijke dreiging (5.7);- Maatregelen die op grond van de NPR 9998 bij de verbouwing of nieuwbouw van een gebouw worden genomen, zijn in beginsel redelijk. Als de kosten van die maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van ver- of nieuwbouw kan dat anders zijn (5.9);- NAM is in beginsel aansprakelijk voor de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van de versterkingsmaatregelen die op grond van de NPR 9998 moeten worden genomen(5.10). Maar het is ook mogelijk dat NAM aansprakelijk is voor (een deel van) de meerkosten van plan C ten opzichte van plan A, zoals [appellant] vordert. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat renovatie van de boerderij conform plan A niet mogelijk is vanwege de maatregelen die genomen moeten worden om de boerderij aardbevingsbestendig te maken (genormeerd volgens de NPR 9998). Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het voordeel dat [appellant] heeft van het feit dat nieuwbouw in plaats van renovatie plaatsvindt (5.11);- Het is voldoende aannemelijk dat [appellant] plan A daadwerkelijk wilde realiseren en dat door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden plan A nog niet gerealiseerd was toen, in 2015, de NPR 9998 was ontwikkeld (5.12 - 5.15);- Indien plan A, los van het risico op aardbevingsschade, niet kon worden gerealiseerd, omdat de constructie (fundering) tekortschoot, heeft [appellant] geen aanspraak op de kosten die gemoeid zijn met verbetering van de constructie, uiteraard wel op de meerkosten die het gevolg zijn van toepassing van de normen van de NPR 9998 (5.16);- Gelet op het verschil van mening over tal van technische aspecten, is een onderzoek door deskundigen noodzakelijk (5.17 e.v.).
2.5
In het tussenarrest van 22 oktober 20193.heeft het hof [naam4] van EBMC Nederland en [naam5] van abtWassenaar tot deskundigen benoemd. Aan deze deskundigen (die hierna ook als de deskundigen worden aangeduid) zijn 15 vragen
(a tot en met o) voorgelegd.
2.6
De deskundigen hebben op 15 februari 2021 een omvangrijk definitief rapport uitgebracht. Het bevat onder meer een bespreking door de deskundigen van de reactie van de advocaten van partijen op de concept-versie van het rapport.
2.7
De deskundigen komen onder meer tot de volgende (deels door partijen bestreden) bevindingen:- Bij realisering van plan A zou, ook wanneer geen rekening zou moeten worden gehouden met het risico op aardbevingen, (naar het hof uit het rapport opmaakt: forse) aanpassingen moeten worden gerealiseerd ter verbetering van de constructie en fundering.- Daarnaast zouden aanpassingen moeten worden gerealiseerd om deze plannen aardbevingsbestendig te maken. De directe kosten van deze aanpassingen bedragen- afgerond - € 145.000,-, de totale kosten - afgerond - € 560.000,-.- De kosten van plan C zijn hoger dan wanneer bij dit plan geen rekening hoeft te worden gehouden met het risico op aardbevingen. Omdat zij niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikten, konden de deskundigen deze meerkosten niet vaststellen.- Plan C en plan A zijn eigenlijk niet te vergelijken. Plan C is wel in veel opzichten een verbetering in vergelijking met plan A.
2.8
In het tussenarrest van 14 september 2021 heeft het hof overwogen dat het hof, gelet op de kritiek van partijen (vooral NAM) op het definitieve rapport, er behoefte aan heeft om het rapport met partijen en de deskundigen te bespreken tijdens een mondelinge behandeling. Tijdens die mondelinge behandeling is deskundige [naam4] verschenen. In plaats van deskundige [naam5] , die inmiddels was overleden, is [naam6] , die ook aan het onderzoek heeft meegewerkt, verschenen.
2.9
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [appellant] in een akte wijziging/vermeerdering van eis van 2 maart 2022 zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu€ 622.232,75 (rekening houdend met een betaling van NAM van € 16.464,76) aan bouwkosten en € 416.211,81 aan gevolgschade, in totaal € 1.038.444,50, te vermeerderen met 21% btw. De totale vordering bedraagt dan ook € 1.256.517,84.
3. 3. De vermeerdering van eis
3.1
NAM heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Volgens NAM is de vermeerdering van eis in strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. Volgens NAM valt niet in te zien waarom [appellant] zijn eis niet eerder heeft vermeerderd. Bovendien wordt de procedure door de eisvermeerdering gecompliceerd, omdat [appellant] zijn eis niet adequaat heeft toegelicht.
3.2
Het hof stelt vast dat [appellant] na het tussenarrest van 14 september 2021 een antwoordakte heeft genomen, waarin hij reageert op de door NAM in haar akte na deskundigenbericht (genomen voor het tussenarrest) overgelegde producties. Het hof had [appellant] in het tussenarrest die mogelijkheid geboden. In deze akte heeft [appellant] , zoals NAM ook constateert, al een eisvermeerdering aangekondigd. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling heeft hij vervolgens een akte genomen, waarin hij zijn eis daadwerkelijk heeft gewijzigd.
3.3
Aan NAM kan worden toegegeven dat deze processtrategie van [appellant] vragen oproept. Niet valt in te zien waarom [appellant] indien hij na het laatste tussenarrest zijn eis had willen vermeerderen dat niet meteen in de antwoordakte had kunnen doen. Bovendien heeft [appellant] ook in zijn akte na deskundigenbericht zijn eis al vermeerderd, in die zin dat hij toen aangaf dat de bouwkosten begroot moesten worden op een bedrag tussen
€ 316.074,68 (door [appellant] gevorderd) en € 562.431,-, het bedrag dat de deskundigen hebben begroot als vergoeding om plan A in overeenstemming te brengen met de NPR 9998:2015.
3.4
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat de nieuwbouw van de boerderij nog niet is afgerond. Gelet op de grondslag van de vordering van [appellant] - kort gezegd: het verschil tussen de kosten van plan C en plan A -, zijn de daadwerkelijke nieuwbouwkosten van belang. Het ligt dan ook voor de hand om bij de vordering aan te sluiten bij de laatst bekende informatie over de werkelijke omvang van de bouwkosten. NAM is door deze keuze van [appellant] niet benadeeld. Niet voor niets heeft het hof [appellant] aan het slot van de mondelinge behandeling verzocht om een gespecificeerd en onderbouwd overzicht van de totale daadwerkelijk gemaakte bouwkosten in het geding te brengen. Ook indien [appellant] zijn eis bij de antwoordakte al had gewijzigd, of nog eerder bij de akte na deskundigenbericht, had NAM daar nog op moeten reageren. Dat heeft NAM nu ook moeten doen. Zij heeft dus niet een extra processtuk moeten nemen (of in een later stadium van de procedure) dan nu het geval is geweest.
3.5
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de goede procesorde. Het karakter en de grondslag van de vordering vormen de rechtvaardiging voor afwijking van de twee-conclusie-regel; omdat de bouw nog niet was afgerond en de daadwerkelijke bouwkosten nog niet bekend waren, beschikte [appellant] nog niet over alle informatie om zijn vordering te concretiseren. Het hof zal dan ook beslissen op de vordering, zoals die in de akte van 2 maart 2022 is geformuleerd.
4. 4. De bespreking van het geschil
4.1
Beide partijen hebben kritiek geuit op het rapport van de deskundigen. Vrijwel alle kritiekpunten zijn bij gelegenheid van de mondelinge behandeling met de deskundigen besproken. Eén kritiekpunt van [appellant] is echter onbesproken gebleven. Dat gaat om het volgende.
4.2
Volgens [appellant] zijn de deskundigen uitgegaan van onjuiste gegevens over plan A. Plan A had alleen betrekking op de woning en bestond eruit dat om de boerderij een betonrand zou worden aangelegd waarop de (nieuw te bouwen) buitenmuur zou worden gebouwd. De oorspronkelijke buitenmuren zouden dan de, te isoleren, spouwmuren worden. Verder zou het dak worden uitgelijnd en geïsoleerd. Dat volgt ook uit de verleende bouwvergunning, aldus [appellant] .
4.3
[appellant] stelt dat de deskundigen er in hun rapport ten onrechte vanuit gaan dat plan A daarnaast inhoudt dat een betonvloer wordt aangelegd en daarnaast in het schuurgedeelte onder meer een verdiepingsvloer. Punt 2 op p. 109 van het rapport biedt steun voor die gedachte. De deskundigen vermelden daar hun conclusies over plan A en schrijven in dat verband: ‘Uit diverse tekeningen, opgenomen in Memorie van Grieven dd. 13-6-2017, productie 2, pagina 4 (berek. Goudstikker), blijkt uit de daarin opgenomen tekening van de gevelband, dat diverse dakkapellen geplaatst worden, en uit pag. 6, dat er een verdiepingsvloer gemaakt wordt, alsmede een betonvloer op de beganegrond. De verandering van het gebouw is daarbij zodanig groot, dat de oorspronkelijke draagconstructie en de eronder gelegen fundering, daardoor sterk wordt beïnvloed. De verandering geldt met name voor het schuurgedeelte, dat van een lichte open houten dakconstructie veranderd wordt naar een indeling met betonvloer, verdiepingsvloer en afwerkingen, zoals isolaties van dak en indelingswanden, alsmede een extra gemetseld buitenblad rondom de gevels.’ Volgens [appellant] hebbende deskundigen zich hierbij gebaseerd op vage plannen en ideeën die hij wel heeft gehad, maar die ten tijde van de vergunningverlening nog niet geconcretiseerd waren. De deskundigen hadden zich voor hun beoordeling van plan A moeten baseren op de omgevingsvergunning, niet op die plannen.
4.4
Het hof overweegt hierover als volgt. Dat de deskundigen zich bij hun beeldvorming over plan A op meer hebben gebaseerd dan alleen op de omgevingsvergunning volgt uit p. 36 van hun rapport, waarin zij aangeven dat zij naast informatie over die vergunning van [appellant] ook schetsen hebben ontvangen ‘als voorbereiding op de geplande verbouwing van model A.’ Verderop (p. 36 laatste alinea en p. 37 eerste alinea) schrijven de deskundigen:‘De in dit dossier aanwezige informatie wijst op het maken van een aantal extra (bouwvergunningvrije) dakkapellen, met name ook in het schuurgedeelte, op het maken van een verdiepingsvloer in de gehele schuur, en het maken van een indeling met vloeren en indelingswanden in de gehele schuur. Op de vergunningsverleende tekening (vergunn.7-2-2012) zijn vervolgens enkele dakkapellen aangegeven in het schuurgedeelte, maar niet de inpandige wijzigingen, zoals extra verdieping en gewijzigde gebruik van, en indeling van, de beganegrond van de schuur. Dit is echter wel van betekenis voor de analyse van de modellen, omdat de aangegeven wijzigingen invloed hebben op de belastingen en het gedrag van het gebouw. Deze informatie is in dit rapport hier geplaatst, omdat de informatie is opgenomen in aangeleverd archief bij model A, terwijl zij ook van invloed is op model B. Het gaat immers om een gebouwwijziging, met extra verdiepingsvloer, extra metselwerk buitenom (het buitenspouwblad) en extra beganegrondvloer met indeling in plaats van een zandbed in het schuurgedeelte.’ Onduidelijk is of de omgevingsvergunning voorzag in een betonvloer. Op p. 101 en 105 van het rapport staan tekeningen afgedrukt waarop een betonvloer is weergegeven. Het lijkt erop dat die tekeningen behoren bij de vergunningverlening, maar helemaal duidelijk is dat niet.
4.5
Indien de deskundigen inderdaad, zoals [appellant] stelt, zijn uitgegaan van onjuiste gegevens over plan A, heeft dat mogelijk consequenties voor hun bevinding dat plan A ook in de statische situatie - dus zonder aardbevingen - niet in overeenstemming met het in 2015 geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015 kon worden uitgevoerd. De kritiek van [appellant] op dit punt is dan ook mogelijk relevant, maar niet aan de orde gesteld tijdens de mondelinge behandeling in aanwezigheid van de deskundigen. Dat is het gevolg van het feit dat [appellant] pas in zijn laatste processtuk dit kritiekpunt heeft toegelicht en benadrukt. Eerder - bijvoorbeeld in zijn reactie op het concept-rapport en in de memorie na deskundigenbericht - heeft hij het punt slechts aangestipt en was niet goed duidelijk welke consequenties hij eraan verbond, waardoor het hof aan het punt geen bijzondere aandacht heeft besteed. Wat daar verder ook van zij, het hof wil voorkomen dat het een beslissing neemt op basis van een deskundigenbericht dat mogelijk (gedeeltelijk) op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd.
4.6
Om die reden zal het hof eerst [appellant] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de volgende vragen:a. Voorzag de omgevingsvergunning ook in het aanleggen van een verdiepingsvloer en/of het aanbrengen van enkele dakkappellen (naast een betonstrook om de bestaande gevel, een nieuwe buitenmuur op die strook en het uitlijnen en isoleren van het dak)?b. Had [appellant] concrete plannen om naast wat hij op grond van de omgevingsvergunning mocht aanbrengen ook een verdiepingsvloer in de schuur aan te brengen en de inpandige verdeling van het gebouw te wijzigen?c. Indien het antwoord op vraag b. negatief is: hoe verhoudt zich dat tot de schetsen die aan de deskundigen beschikbaar zijn gesteld en tot de stelling van [appellant] (MvG 2.32 en 2.33) dat hij het achterste deel van de woonboerderij vanaf 1 juni 2014 had willen en kunnen verhuren?
4.7
Nadat NAM op deze akte heeft gereageerd, zal het hof beoordelen of het nodig is om de deskundigen te vragen wat de consequenties voor hun bevindingen zijn, indien wordt uitgegaan van een ander plan A dan waarvan zij in hun rapport zijn uitgegaan. Partijen kunnen zich over de noodzaak van een aanvullend deskundigenbericht (en de eventuele vraagstelling en het voorschot op de kosten) uitlaten.
5. 5. De beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 29 november 2022 voor akte aan de zijde van [appellant] ;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en D.J. Keur en is op
15 november 2022 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑11‑2022
Uitspraak 14‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849. Aardbevingsschade. Vordering tot vergoeding van deel kosten nieuwbouw boerderij in aardbevingsgebied. Nadat een deskundigenbericht is uitgebracht gelast het hof een comparitie van partijen (ook met de deskundigen).
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015)
arrest van 14 september 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,bij de rechtbank: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te Assen,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, die kantoor houdt te Amsterdam.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 oktober 2019 hier over.
1.2
Ter uitvoering van dit tussenarrest hebben de door het hof benoemde deskundigen op 15 februari 2021 een schriftelijk deskundigenbericht opgemaakt, dat op de griffie bij het hof is ingediend en aan partijen is toegezonden.
1.3
In een beschikking van 2 april 2021 heeft de raadsheer-commissaris het honorarium van de deskundigen begroot.
1.4
Vervolgens heeft [appellant] een akte na deskundigenbericht, tevens wijziging van eis genomen. NAM heeft een antwoordakte na deskundigenbericht, tevens uitlaten eiswijziging (met producties) genomen.
1.5
Ten slotte hebben partijen de processtukken opnieuw ingediend en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.
2. Wisseling van raadsheer, nieuwe producties en wijziging van eis
2.1
In deze procedure is op 21 januari 2019 een comparitie van partijen gehouden. Mr. I.F. Clement was één van de raadsheren bij deze comparitie. Zij heeft ook de tussenarresten van 16 juli 2019 en 22 oktober 2019 mede gewezen. Zij is inmiddels niet meer aan het hof verbonden. Haar plaats zal in deze procedure worden ingenomen door mr. R.E. Weening. Het hof heeft partijen dat in een brief van 30 augustus 2021 laten weten. Partijen hebben het hof niet bericht dat zij vanwege deze wisseling van raadsheer prijs stellen op een nieuwe mondelinge behandeling.
2.2
NAM heeft bij haar antwoordakte twee nieuwe producties overgelegd. [appellant] heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal hem in de gelegenheid stellen dat alsnog te doen. Hierna zal worden ingegaan op de manier waarop dat kan.2.3 [appellant] heeft in zijn akte na deskundigenbericht zijn eis gewijzigd. In de memorie van grieven heeft hij (onder meer) gevorderd dat NAM veroordeeld wordt tot betaling van€ 316.074,68 (incl. btw), althans een door het hof te begroten bedrag, wegens de kosten van versterkingsmaatregelen. In de akte na deskundigenbericht vordert hij voor deze schadepost, de kosten van de versterking, een door het hof te begroten bedrag tussen € 316.074,68 (incl. btw) en € 562.431,- (incl. btw), te vermeerderen met 20% vanwege een stijging van de bouwkosten.
2.4
NAM heeft erop gewezen dat deze eiswijziging in strijd is met de twee-conclusie-regel en heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof acht de eiswijziging in dit geval toelaatbaar, omdat deze gebaseerd is op de uitkomst van het deskundigenbericht, waarmee [appellant] (net als NAM) ten tijde van het schrijven van de memorie van grieven nog niet bekend was. Bovendien leidt de eiswijziging niet tot vertraging van de procedure. NAM heeft er adequaat op kunnen reageren in een processtuk, de antwoordakte na deskundigenbericht, dat zij ook zou hebben ingediend indien [appellant] zijn eis niet zou hebben gewijzigd.
3. Het geschil en de tussenarresten van 16 juli 2019 en 22 oktober 2019
3.1
[appellant] is eigenaar van een boerderij te [woonplaats] (hierna: de boerderij), gelegen boven het Groningen-veld, waar zich geregeld aardbevingen voordoen. Hij was van plan de boerderij te gaan renoveren en daarna (met zijn gezin) te gaan bewonen en te exploiteren. Om het door hem beoogde gebruik mogelijk te maken, heeft de gemeente in 2012 het bestemmingsplan aangepast. [appellant] heeft een sloop- en een omgevingsvergunning aangevraagd. In 2013 heeft [appellant] voor het eerst aardbevingsschade gemeld. Nadien hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar de aard en omvang van de schade. Inmiddels is de boerderij gesloopt en is begonnen met nieuwbouw.
3.2
In hoger beroep heeft [appellant] een deel van de nieuwbouwkosten - oorspronkelijk € 316.074,68 (zie hiervoor) - als schade gevorderd. Het betreft volgens hem de kosten die nodig zouden zijn om de te renoveren boerderij te versterken tegen aardbevingsschade. Daarnaast heeft hij € 253.331,02 aan gevolgschade gevorderd.
3.3
Het hof heeft in het tussenarrest van 16 juli 2019 vastgesteld dat sprake is (geweest) van drie bouwplannen:
- Het was eerst de bedoeling van [appellant] om een betonrand om de boerderij aan te leggen, de binnenmuur te verbouwen tot een spouwmuur en om het dak uit te lijnen en te isoleren (plan A). De verbouwing zou in 2013 starten en in 2014 worden gerealiseerd;- Nadat in 2013 en 2014 schade aan de boerderij was ontstaan, heeft [appellant] plan A stilgelegd. Hij heeft laten onderzoeken (door Wiertsema en Nanninga) welke versterkingen nodig waren om de overeenkomstig plan A te verbouwen boerderij aardbevingsbestendig te maken. Het aangepaste plan, dat voorzag in het aanbrengen van een betonnen plaat onder de boerderij, is plan B;- Uit latere rapporten (van Goudstikker-de Vries en Wiertsema) volgde dat plan B niet voldoende is om de boerderij aardbevingsbestendig te maken. Er is een nieuw plan ontwikkeld dat wel aardbevingsbestendig is, plan C. Plan C voorziet in sloop van de boerderij en in de bouw van een nieuwe, onderkelderde, boerderij.Volgens [appellant] dient NAM het verschil in bouwkosten tussen plan A en plan C te vergoeden, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de verbeteringen (voordelen) die plan C ten opzichte van plan A heeft.
3.4
In het tussenarrest van 16 juli 2019 heeft het hof verder - samengevat - het volgende overwogen:- NAM is op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM (5.3);- Op grond van artikel 6:184 lid 1 onder a BW is NAM aansprakelijk voor de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van aardbevingsschade wanneer sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging van dergelijke schade. Daarbij dient wel een dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd (5.4);- Ook nog te maken kosten van versterkingsmaatregelen vallen onder het bereik van artikel 6:184 BW (5.5 en 5.6);- Er is nog steeds sprake van een ernstige en onmiddellijke dreiging (5.7);- Maatregelen die op grond van de NPR 9998 bij de verbouwing of nieuwbouw van een gebouw worden genomen, zijn in beginsel redelijk. Als de kosten van die maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van ver- of nieuwbouw kan dat anders zijn (5.9);- NAM is in beginsel aansprakelijk voor de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van de versterkingsmaatregelen die op grond van de NPR 9998 moeten worden genomen; (5.10). Maar het is ook mogelijk dat NAM aansprakelijk is voor (een deel van) de meerkosten tussen plan A en plan C, zoals [appellant] vordert. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat renovatie van de boerderij conform plan A (en plan B) niet mogelijk is vanwege de maatregelen die genomen moeten worden om de boerderij aardbevingsbestendig te maken (genormeerd volgens de NPR 9998). Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het voordeel dat [appellant] heeft van het feit dat nieuwbouw in plaats van renovatie plaatsvindt (5.11);- Het is voldoende aannemelijk dat [appellant] plan A daadwerkelijk wilde realiseren en dat door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden plan A nog niet gerealiseerd was toen, in 2015, de NPR 9998 was ontwikkeld (5.12 - 5.15);- Indien plan A, los van het risico op aardbevingsschade, niet kon worden gerealiseerd omdat de constructie (fundering) tekortschoot, heeft [appellant] geen aanspraak op de kosten die gemoeid zijn met verbetering van de constructie, uiteraard wel op de meerkosten die het gevolg zijn van toepassing van de normen van de NPR 9998 (5.16);- Gelet op het verschil van mening over tal van technische aspecten, is een onderzoek door deskundigen noodzakelijk (5.17 e.v.).
3.5
In het tussenarrest van 22 oktober 2019 heeft het hof ir. [naam1] van EBMC Nederland en ing. [naam2] tot deskundigen benoemd. Aan deze deskundigen (die hierna ook als de deskundigen worden aangeduid) zijn 15 vragen (a tot en met o) voorgelegd.
4. 4. Hoe nu verder?
4.1
De deskundigen hebben op 15 februari 2021 een omvangrijk definitief rapport uitgebracht. Het bevat onder meer een bespreking door de deskundigen van de reactie van de advocaten van partijen op de concept-versie van het rapport.
4.2
De deskundigen komen onder meer tot de volgende (deels door partijen bestreden) bevindingen:- Bij realisering van plannen A en B zouden, ook wanneer geen rekening zou moeten worden gehouden met het risico op aardbevingen, (naar het hof uit het rapport opmaakt: forse) aanpassingen moeten worden gerealiseerd ter verbetering van de constructie en fundering.- Daarnaast zouden aanpassingen moeten worden gerealiseerd om deze plannen aardbevingsbestendig te maken. De directe kosten van deze aanpassingen bedragen- afgerond - € 145.000,-, de totale kosten - afgerond - € 560.000,-.- De kosten van plan C zijn hoger dan wanneer bij dit plan geen rekening hoeft te worden gehouden met het risico op aardbevingen. Omdat zij niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikten, konden de deskundigen deze meerkosten niet vaststellen.- Plan C en plan A zijn eigenlijk niet te vergelijken. Plan C is wel een verbetering in vergelijking met plan A.
4.3
Het hof heeft er, mede gezien de kritiek van partijen (vooral NAM) op het definitieve rapport van de deskundigen, behoefte aan om het rapport met partijen en de deskundigen te bespreken tijdens een nieuwe comparitie van partijen.Deskundige [naam1] heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan een dergelijke comparitie van partijen. Hij zal worden bijgestaan door ir. [naam3] , die in overleg met de beide deskundigen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het onderzoek. Deskundige [naam2] is om medische redenen niet in staat een comparitie van partijen bij te wonen.
4.4
Bij gelegenheid van deze comparitie kunnen deskundige [naam1] en ir. [naam3] (hierna in deze samenstelling gemakshalve ook aangeduid als de deskundigen) reageren op de kritiek van partijen en aan de hand van vragen van het hof (en van partijen) een toelichting geven op (de hoofdlijnen van1.) hun rapport. Bovendien kan [appellant] voorafgaand aan de comparitie van partijen reageren op de nieuwe producties van NAM en kan hij meer informatie in het geding brengen over plan C, dat nu daadwerkelijk gerealiseerd lijkt te zijn. Het gaat dan in elk geval om de definitieve (constructie)tekeningen en berekeningen en om de daadwerkelijk gemaakte bouwkosten (en eventueel nog te verwachten kosten) en zo mogelijk om de door de deskundigen in hun antwoord op vraag j vermelde, ontbrekende informatie. Aan de hand van deze informatie kunnen de deskundigen het nu door hen gegeven antwoord op vraag j, naar de kosten van het aardbevingsbestendig maken van plan C, zo mogelijk uitbreiden en concretiseren.
4.5
De griffie van het hof zal ervoor zorgen dat deskundigen de na het deskundigenrapport verschenen processtukken ontvangen en dat hun verhinderdata zullen worden opgevraagd.Het hof zal aan het slot van de comparitie een beslissing nemen over de vergoeding van de kosten van deskundigen.
5. 5. De beslissingHet hof:
bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en NAM vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat deskundigen bij deze comparitie aanwezig zullen zijn;
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden november 2021 tot en met maart 2022 zullen opgeven op de roldatum 28 september 2021, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt), rekening houdend met de verhinderdagen van deskundige [naam1] en van ir. [naam3] , zullen worden vastgesteld;
verwijst de zaak naar de rol van 26 september 2021 voor akte uitlating productie en bepaalt dat [appellant] bij deze akte ook de onder 4.4 bedoelde stukken in het geding dient te brengen;
bepaalt dat indien partijen ter voorbereiding op de comparitie nog andere stukken in het geding willen brengen, zij ervoor dienen te zorgen dat het hof, deskundige [naam1] en ir. [naam3] en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en D.J. Keur en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 september 2021, in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑09‑2021
Het hof heeft er op voorhand begrip voor dat de deskundigen ter zitting niet adequaat kunnen reageren op vragen over details van hun rapport.
Uitspraak 22‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Aardbevingsschade. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:5849. Het hof gelast een deskundigenonderzoek.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015 / HA ZA 15-151)
arrest van 22 oktober 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te Assen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam.
Het hof neemt het arrest van 16 juli 2019 hier over.
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Het hof heeft partijen in genoemd tussenarrest in de gelegenheid gesteld een akte te nemen. Partijen hebben laten weten geen behoefte te hebben aan het nemen van een akte, waarna het hof arrest heeft bepaald.
2. Verder over de grieven
2.1
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Het hof heeft aangegeven welke vragen het aan de deskundigen wil voorleggen (rov. 5.21), welke deskundigen het wil benoemen (rov. 5.23), wat het voorschot op de kosten van de deskundigen is (rov. 5.24) en dat partijen ieder de helft van dat voorschot voor hun rekening dienen te nemen (rov. 5.26). Omdat partijen hadden aangeven niet zonder meer in te stemmen met de hoogte van het voorschot, heeft het hof partijen de gelegenheid geboden om (bij voorkeur eensluidend) een alternatief voor te stellen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van die gelegenheid, zodat het hof alsnog een deskundigenbericht zal gelasten overeenkomstig wat in het tussenarrest van 16 juli 2019 is overwogen.
3. De beslissing
Het gerechtshof, voordat het verder beslist:
benoemt tot deskundigen [B] , p/a EBMC Nederland, Stern 4, 1721DB Broek op Langedijk (tel. [00000] , e-mail info@ebmcnederland.nl) en ing. [C] , p/a abtWassenaar, postbus 24, 9751SL Haren (tel. [00001] , e-mail [C] @abtwassenaar.nl), om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen: a. Kunt u aangeven wat in 2011/2012 de algehele bouwkundige toestand van de boerderij was? b. Voldeed de boerderij in 2011/2012 aan het destijds geldende Bouwbesluit? c. Kon de verbouwing waarvoor in 2011/2012 een vergunning werd aangevraagd (en verkregen), plan A, toen worden uitgevoerd op basis van de destijds aanwezige constructie? d. Indien u vraag c ontkennend beantwoordt: Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2011/2012 nodig om plan A uit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en welke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)? e. Kon plan A in 2015 worden uitgevoerd in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015? f. Indien u vraag e ontkennend beantwoordt: Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2015 nodig om plan A uit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015? Welke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)? g. Indien u de vragen c en e ontkennend beantwoordt: Welke van de door u bij uw antwoord op vraag f vermelde maatregelen betreffen ten opzichte van het in 2011geldende Bouwbesluit aanvullende maatregelen om ook aan het in 2015 geldende Bouwbesluit en aan de NPR 9998:2015 te voldoen en welke kosten zijn daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?Toelichting: deze vraag betreft dus de aanvullende maatregelen ten opzichte van 2011 om aan het Bouwbesluit 2015 te voldoen, dus de maatregelen die niet voorkomen onder d, maar wel onder f. h. Hoe beoordeelt u in het licht van uw antwoord op de vragen e en f de in plan B genomen maatregelen? Waren deze maatregelen nodig om te kunnen bouwen in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015? i. Indien u het tweede deel van vraag h bevestigend beantwoordt: Welke kosten waren in 2015 in redelijkheid met deze maatregelen gemoeid en hoe verhouden deze kosten zich tot het in de offerte van Bouwbedrijf Boelens van 28 februari 2015 (productie 13 inleidende dagvaarding) als stelpost opgenomen bedrag van € 105.255,- exclusief btw? j. Welke in plan C genomen maatregelen/voorzieningen zijn het gevolg van toepassing van de NPR 9998:2018, in die zin dat de maatregelen/voorzieningen niet getroffen zouden hoeven zijn/worden, indien de NPR 9998:2018 niet van toepassing zou zijn geweest? En, welke kosten zijn met deze maatregelen gemoeid? k. Welke wijzigingen heeft plan C ten opzichte van plan A? l. Welke van deze wijzigingen zijn niet het gevolg van, of hangen niet samen met, de wijziging van de constructie vanwege de toepasselijkheid van enerzijds het in 2018 geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2018 en anderzijds het in 2011/2012 geldende Bouwbesluit? m. Zijn de in uw antwoord op vraag l vermelde wijzigingen een verbetering ten opzichte van plan A en, zo ja, waarom? n. Wilt u, per wijziging, aangeven welke kosten daarmee zijn gemoeid? o. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?
bepaalt dat [appellant] aan de deskundigen het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;
bepaalt dat de deskundigen op de voet van het bepaalde in artikel 198 Rv bij hun onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat zij daarvan in hun rapport melding dienen te maken waarbij van de inhoud van de gemaakte opmerkingen en gedane verzoeken moet blijken;
bepaalt dat de deskundigen hun concept-rapport aan (de advocaten van) partijen zullen sturen, aan hen een redelijke termijn zullen stellen om op het concept-rapport te reageren en in het definitieve rapport zullen ingaan op de eventuele reacties van partijen op het concept-rapport;
bepaalt dat de deskundigen het door hen uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA te Leeuwarden) zullen indienen vóór 21 januari 2020;
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek pas zullen beginnen nadat door beide partijen bij wege van voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van elk € 40.000,- inclusief BTW ter griffie van het hof zal zijn gedeponeerd conform de nota met betaalinstructies die partijen hiertoe zullen ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak en de griffie aan de deskundige heeft bericht dat het voorschot is voldaan;
bepaalt dat het onderzoek door de deskundigen zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. H. de Hek, en dat de deskundigen zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zullen kunnen wenden tot de raadsheer-commissaris;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest naar de deskundigen zal verzenden;
bepaalt dat de zaak zal worden verwezen naar de roldatum van dinsdag 3 maart 2010 voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. I.F. Clement en mr. D.J. Keur en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019, in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 16‑07‑2019
Inhoudsindicatie
Geschil tussen eigenaar hobbyboerderij en NAM over de kosten van renovatie/herbouw van de in het aardbevingsgebied gelegen boerderij. Toepassing artikel 6:184 BW. Hof acht onderzoek door deskundigen noodzakelijk naar het causaal verband tussen de wijzigingen van de renovatieplannen van de boerderij en de ligging in het aardbevingsgebied en naar de meerkosten van de renovatie/herbouw ten gevolge van de in het aardbevingsgebied geldende normen voor aardbevingsbestendig bouwen (NPR 9998).
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.095/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111015 / HA ZA 15-151)
arrest van 16 juli 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te Assen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 juni 2018 hier over.
1.2
Ingevolge dit tussenarrest heeft op 21 januari 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.
1.3
Daarna hebben beide partijen een akte genomen.
1.4
Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2. De feiten
2.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 21 december 2016, aangevuld met wat in hoger beroep vast is komen te staan.
2.2
2.3
NAM en haar rechtsvoorgangster produceren sinds de concessieverlening gas uit het Groningenveld. Deze gasproductie veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen.
2.4
[appellant] is sinds 2007 eigenaar van de boerderij met landerijen gelegen aan de [a-straat 1] en [b-straat 2] te [A] (hierna: de boerderij). De boerderij is [appellant] ’s ouderlijk huis. De boerderij bevindt zich boven het Groningenveld, in het gebied waar zich als gevolg van gaswinning aardbevingen voordoen.
2.5
[appellant] was van plan de boerderij te gaan renoveren en daarna te gaan bewonen en daarnaast te gaan exploiteren als bed & breakfast, theeschenkerij, boerderijwinkel en educatief recreatiecentrum ten behoeve van basisscholen. In verband daarmee is het bestemmingsplan aangepast om de door [appellant] beoogde activiteiten mogelijk te maken. In februari 2012 heeft de gemeente Slochteren leges bij [appellant] in rekening gebracht voor een sloopvergunning, een omgevingsvergunning en advieskosten welstand.
2.6
[appellant] heeft in 2013 schade aan de boerderij gemeld bij NAM. Naar aanleiding daarvan zijn verschillende rapporten door deskundigen opgemaakt en hebben partijen gecorrespondeerd. In dat verband heeft [appellant] NAM in een e-mailbericht van
10 september 2013 geschreven dat hij zich zorgen maakt over de toekomst en dat hij van mening is dat de boerderij moet worden voorzien van een betonnen funderingsplaat om toekomstige problemen te voorkomen.
2.6.1
Naar aanleiding van de schademelding in 2013 heeft Arcadis in opdracht van NAM een rapport d.d. 21 december 2013 opgemaakt. In dit rapport beschrijft Arcadis de door haar geconstateerde aardbevingsschade. Arcadis komt tot een schadebedrag van € 4.085,72. Verder rapporteert Arcadis: “CausaliteitDe karakterisering van het schadebeeld is van dien aard dat deze onder invloed van een aardbeving c.q. aardschok kan ontstaan. Van schade die een recente ouderdom hebben is het eerder waarschijnlijk dat deze tot de aardbeving te herleiden zijn.Samenhang van de draagconstructieAls afzonderlijk aspect wordt nagegaan of sprake is van schade die zodanig afbreuk doet aan de samenhang van de constructie dat de veiligheid in gevaar is of dreigt te komen. De ernst en omvang van de schade is van dien aard dat er op dit moment geen sprake is van een gebrek aan samenhang van de constructie en evenmin een veiligheidsrisico.”
2.6.2
Op verzoek van [appellant] heeft Doeke van Duinen bouwadvies (hierna: Van Duinen) een contra-expertise verricht. Blijkens zijn rapport van 24 januari 2014 constateerde Van Duinen op veel plaatsen aardbevingsschade aan de boerderij. Ten aanzien van een verticale scheur in de zijgevel van het schuurgedeelte (blz. 9) en een verticale scheur in de linker zijgevel van het schuurgedeelte (blz. 17) acht Van Duinen het uitkappen van stenen van de funderingsvoet en herstel van metselwerk noodzakelijk.Verder merkt hij op dat herstel van bestaande schade gepaard zou moeten gaan met maatregelen om toekomstige schade zoveel mogelijk te voorkomen.Over maatregelen ter voorkoming van schade bij volgende aardbevingen schrijft Van Duinen:
“Een mogelijk relevante oplossing om schade aan gebouwen te voorkomen is het aanbrengen van een dikke betonvloer onder de fundering langs en onder het hele gebouw. (…) Bij nieuwbouw is bovenstaande constructiewijze eenvoudig te realiseren. Het wordt echter anders bij bestaande bouw. (…) De maatregel kan niet garanderen dat bij een (zwaardere) aardbeving bestaande gebouwen geen schade meer lijden. Het risico op nieuwe schade zal echter aanzienlijk verminderen. De situatie kan voor ieder gebouw anders zijn. Per gebouw dient de situatie te worden opgenomen en door een constructeur een constructie berekening te worden gemaakt. (…)”
2.6.3
Arcadis heeft de bevindingen van Van Duinen gedeeltelijk verwerkt in haar rapport van 16 mei 2014 en heeft de schade in dat rapport vastgesteld op € 14.834,-.
2.6.4
In een brief van 18 juni 2014 heeft de advocaat van [appellant] NAM laten weten dat hij niet instemt met het door Arcadis berekende schadebedrag, omdat in dit schadebedrag de noodzakelijke kosten van versterking van de fundering niet zijn meegenomen.
2.6.5
In reactie op deze brief heeft NAM op 22 juli 2014 aan de advocaat van [appellant] geschreven dat er voor NAM geen reden bestaat om bij afwezigheid van een direct veiligheidsgevaar over te gaan tot het nemen van preventieve versterkingsmaatregelen ten aanzien van de fundering.
2.6.6
[appellant] en NAM hebben daarna nog gecorrespondeerd, maar hebben geen overeenstemming bereikt over de omvang van de schade en de te nemen maatregelen.
2.6.7
Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V. (hierna: Wiertsema) heeft op verzoek van [appellant] op 18 augustus 2014 gerapporteerd over haar geotechnisch onderzoek en op 24 september 2014 een funderingsadvies gegeven. In het funderingsadvies is onder meer het volgende opgenomen:“(…) Aanleiding tot het funderingsadvies is de voorgenomen verbouw van de woning aan de [a-straat 1] te [A] . (…) In dit advies wordt ten behoeve van een voorlopig ontwerp, een toepasbare funderingswijze met te hanteren funderingsniveau aangegeven en bijbehorende toelaatbare draagkracht berekend en te verwachten zettingen aangegeven. (…)De verbouwing bestaat onder andere uit het aanbrengen van een spouwmuur, geïsoleerde betonnen vloer en dakisolatie. (…)
De bestaande fundering is aangelegd op een niveau van 80 à 90 cm- vloerpeil. Gegevens betreffende funderingsbreedte, belastingen e.d. van de bestaande boerderij zijn bij ons bureau niet bekend. (…)
Met betrekking tot de funderingswijze gaat de voorkeur van opdrachtgever uit naar de toepassing van een fundering op staal door middel van een gewapende betonnen plaat. Gezien de aangetroffen bodemopbouw, met onder de humeuze zanddeklaag een relatief eenvoudig bodemprofiel met tot N.A.P. -2m een vast zandpakket en dan afwisselend leem en zandlagen op een potklei-ondergrond, kan de reeds voorgestelde funderingswijze (betonnen vloer op zand/plaatfundering) ons inziens voldoen. (…)”
2.6.8
Op verzoek van [appellant] heeft adviesbureau Ab Nanninga (hierna: Nanninga) aan de hand van de hiervoor genoemde rapporten de schade aan de boerderij geanalyseerd. Nanninga schrijft daarover in zijn rapport van 9 juni 2015: “(…) De schade manifesteert zich in de kap en het metselwerk van de gevels en de binnenmuren. (…) Uitgaande van visuele waarnemingen en het uitgevoerde grondonderzoek zou de fundering, het metselwerk en de kap geen reden kunnen geven tot het vertoonde schadebeeld, zoals ze ook in die hoedanigheid reeds 180 jaar zonder problemen hebben gefunctioneerd. De oorzaak van de scheurvorming moet dan ook worden gezocht in de recente aardbevingen (…) Volgende trillingen en seismische horizontale belastingen zullen de reeds ontstane schade doen verergeren. Uit de bestudering van cijfermateriaal m.b.t. frequentie en intensiteit wordt duidelijk dat deze in het gebied van Schildwolde de afgelopen tijd aanzienlijk toeneemt in aantal en sterkte. Slochteren: 21 maart 2014 met magnitude 1,1 en op 2 juli 2014 met magnitude 2.1. Schildwolde: 11 maart 2014 met magnitude 2,3 en op 26 april 2014 met magnitude 1,3. Om deze reden zullen constructieve maatregelen getroffen moeten worden om de schades duurzaam en deugdelijk te herstellen. Deze maatregelen zijn in het hierna volgende herstelplan omschreven. HerstelplanOm toekomstige drukgolven te kunnen opvangen zal de huidige fundatie preventief versterkt moeten worden en wel zodanig dat er tussen de fundering onder de gevels en begane grondvloer een monoliete verbinding tot stand [het hof voegt toe:] komt. Dit kan gerealiseerd worden door in de woning en de schuur de gehele begane grondvloer uit te voeren als een gewapend betonnen fundatieplaat.(…) De gebint- en kapconstructie zal vervangen dienen te worden door een stalen spantconstructie die voldoende incasseringsvermogen heeft om horizontale seismische belastingen over te dragen naar de fundatieplaat.”
De kosten van de door Nanninga voorgestelde funderingsplaat zijn door Bouwbedrijf Boelens B.V. bij rapport van 28 februari 2015 begroot op € 105.255,00 exclusief btw.
2.6.9
Naar aanleiding van de contra-expertise van Van Duinen en een (nieuwe) schademelding in 2014 heeft Arcadis op 28 juli 2015 gerapporteerd. Arcadis schrijft onder meer:
“(…) Tussen contra-expert en inspecteur is overeenstemming verkregen over de schade, de schade-oorzaken alsook de herstelmaatregelen. (…)De ernst en omvang van de schade is van dien aard dat er op dit moment geen sprake is van een gebrek aan samenhang van de constructie en evenmin een veiligheidsrisico (…).Herstelkosten (…) Totaal € 18.029,91 (…)”
Arcadis maakt in dit rapport melding van aanvullende schade bestaande uit onder meer een scheur tot aan de onderkant van de fundering.
2.7
NAM heeft het bedrag van € 18.029,91 op 27 oktober 2015 aan [appellant] vergoed.
2.8
Ingenieursbureau Goudstikker - de Vries (hierna: Goudstikker - de Vries) enR. Feikens van RF Ontwerp & Advies (hierna: Feikens) hebben op 28 februari 2017 een notitie “Motivatie van het waarom en de gevolgen van renovatie en ver-/herbouw. [a-straat 1] , [A] ” opgesteld. In deze notitie schrijven zij onder meer:
“Aardbevingsbestendig bouwen in GroningenBouwen (ver-, herbouw en renovatie) in de regio Groningen vraagt deels om een andere manier van bouwen door de aanwezigheid van geïndiceerde aardbevingen. Naast de specifieke ontwerprichtlijnen krijgt men te maken met extra maatregelen in de uitvoering en
met de toepassing van andere materialen/bouwmethoden. Deze werken kostenverhogend ten opzichte van de dezelfde woning elders gebouwd in Nederland.(…)Richtlijnen en extra maatregelenHet ingenieursbureau Goudstikker-de Vries is door de NAM gevraagd in maart 2015 om een leidraad op te stellen voor aardbevingsbestendig bouwen.De ontwerprichtlijnen zijn in het leidraad vastgesteld en hiermee kan zowel de deskundige als de leek in zijn of haar bouwkundig advies ontwerp rekening houden met de volgende onderdelen: (…)Renovatie of ver/herbouw pand [a-straat 1] [A]
Het zal duidelijk zijn dat het pand, met deels een fundament uit begin/midden 1800, niet aan de huidige aardbevingsbestendige eisen en richtlijnen voldoet en dat ook een geplande grote renovatie hier geen verandering in zal brengen rekening houdend met de geldende richtlijn.Het pand ligt binnen de 0,1 PGA-contour en komt voor herstel en versteviging in aanmerking. Hoewel de aangeschafte materialen als kozijnen in opslag staan en de stenen voor de buitenmuur als ook de pannen voor het dak inmiddels al jaren in de tuin staan, kan men nog steeds niet zonder meer beginnen met de destijds geplande verbouwing indien deze aardbevingsbestendig moet worden.Voortschrijdend inzicht doet ons inzien dat alleen een betonnen plaatfundering niet voldoende is om mijnbouwschade te voorkomen, maar ook niet om aan de aardbevingsbestendige bouwnorm te voldoen met alle nare gevolgen van dien in de toekomst.Hoewel een betonplaat was gepland als ‘de’ oplossing om mijnbouwschade te beperken zal er voor aardbevingsbestendig bouwen een grotere meer ingrijpende renovatie, ver-/herbouw moeten plaatsvinden. Dit ook om de te verwachten terugkerende schade te voorkomen. Hierin kan dan direct de gepande versteviging van dit type panden worden aangepakt, waar de NAM dit in een later stadium had gepland.(…)Bij het nu afgeronde (her)ontwerp is het uitgangspunt geweest de realisatie van een sterk en tegelijkertijd ductiel pand met behoud van bijna alle karakteristieke eigenschappen dat bewegingen tijdens aardbevingen kan opvangen zonder dat het bezwijkt en daarbij is gebouwd volgens de laatste geldende normen.Na de uitgevoerde sonderingsactiviteiten (tot 30 meter) en berekeningen van Ingenieursbureau Goudstikker-de Vries adviseren zij een massief houten constructie (HSB) en een versterkte fundering op heipalen of kelder die maken dat de woning bestand is tegen de uitzonderlijke en door Ingenieursbureau Goudstikker-de Vries in de aangepaste bouwtekeningen doorberekende krachten (near collapse) die tijdens een aardbeving vrijkomen.(…)
Nu de kosten van het formaat, de hoeveelheid, de lengte en het plaatsen van de heipalen in dit geval in verhouding duurder is gebleken dan het graven van een complete kelder is er door de eigenaar van het pand voor een kelder gekozen waarbij de betonnen dekplaat/begane grondvloer zorgt dat er bij een aardbeving de krachten nog beter verdeeld en opgevangen kunnen worden.(…)
Constructie berekeningen
Van de volledig onderkelderde woning met houtskeletbouwconstructie zijn door Goudstikker-de Vries de constructieberekeningen gemaakt volgens de nu geldende normen NPR 9998.Extra kostenIn het algemeen zijn kostenverhogende aspecten die een woning in Groningen aardbevingsbestendig maken onder andere (…). De uitgesplitste meerkosten voor renovatie, ver/herbouw van het pand [a-straat 1] te [A] zullen door de aannemer moeten worden berekend”
2.9
Goudstikker - de Vries heeft op verzoek van [appellant] op 5 mei 2017 een statische berekening opgesteld. In de inleiding van dit rapport schrijft Goudstikker - de Vries:“Het werk betreft de nieuwbouw van een woonboerderij aan de [a-straat 1] te [A] in opdracht van Dhr. [appellant] (…).”2.10 Het rapport bevat een groot aantal bijlagen, waaronder een funderingsadvies van Wiertsema van 2 mei 2017, waarin onder meer het volgende is vermeld (blz. 4):“(…) Het funderingsadvies is opgesteld in verband met het voorgenomen plan aardbevingsbestendig versterken volgens NPR 9998 van een woning. In dit rapport wordt ten behoeve van de ontwerpfase, inzicht gegeven in de toelaatbare draagkracht op funderingsniveau en het bijbehorend zettingsgedrag waarbij rekening is gehouden met het mogelijk optreden van geïndiceerde bevingen. In dit rapport wordt conform opgave van de opdrachtgever uitgegaan van de grenstoestand NC (near collapse) en een indeling van het bouwwerk in gevolgklasse CC1.In voorliggend advies is gebruik gemaakt van de NPR 9998:2015 (van december 2015) waarbij tevens is uitgegaan van de tot op heden opgedane ervaringen.”In de slotopmerking onder 8 van het rapport wordt het volgende opgemerkt (blz. 15):“Zoals blijkt uit het voorliggend advies kan het pand aan de [a-straat 1] te [A] aardbevingsbestendig versterkt worden (conform NPR 9998) middels een plaatfundering met volledige onderkeldering en paalfundering. Wij adviseren het pand middels een plaatfundering met volledige onderkeldering te funderen.Zoals blijkt uit de berekeningen kan een aardbevingsbestendige funderingen worden gerealiseerd door het toepassen van meewerkende strookbreedtes variërend van 2,65 m tot 2,85 m. Omdat de fundering uit één grote funderingsplaat bestaat wordt de minimaal vereiste meewerkende breedte behaald, mits de plaat voldoende stijf is zodat de minimaal vereiste meewerkende breedte te mobiliseren is in de funderingsplaat. (…)”
2.11
In een brief van 11 februari 2019 aan [appellant] heeft Goudstikker - de Vries het volgende geschreven:"In dit schrijven een korte samenvatting van het proces met betrekking tot het aardbevingsbestendig herbouwen van de woonboerderij aan de [a-straat 1] te [A] .
In eerste instantie is Adviesbureau Ab Nanninga betrokken bij de constructieve beoordeling van de aardbevingsschade van de bestaande boerderij. In het constructieve advies tot herstel is aangegeven de onderbouw te herstellen met een beton-op-zandvloer uitgevoerd met vingerlassen in de bestaande fundering. In de bovenbouw zal de gebintconstructie aangepakt moeten worden in combinatie met het herstellen van de gemetselde wanden en versterken van vloerschijven. Dit traject heeft zich afgespeeld voordat wij zijn betrokken bij het project.
In maart 2016 zijn wij door Rolf Feikens Ontwerp & Advies benaderd voor de constructieve
engineering van de herbouw van de woonboerderij aan de [a-straat 1] te [A] . Het verzoek was om de boerderij seismisch te ontwerpen volgens de destijds vigerende NPR9998:2015. Bij de aangeleverde documenten waren reeds de sonderingen en het funderingsadvies van Wiertsema & Partners aanwezig. In dit funderingsadvies was nog geen seismische toets uitgevoerd.
Na opdrachtverstrekking hebben wij aangegeven dat eerst de seismische beoordeling van de
fundering een vereiste was. Beoordeling van verweking kan consequenties hebben op de
draagkracht van de vaste grondslag. Uit dit aanvullende funderingsadvies met seismische toets bleek dat de bovenste minder compacte zandlagen onderhevig waren aan verweking. Er ontstond een beslismoment voor het uitwerken van het definitieve funderingsadvies; een volledig op palen
gefundeerde betonplaat met kelder of de deels onderkelderde woonboerderij omzetten tot een geheel
onderkelderde woonboerderij zonder funderingspalen. In overleg met de opdrachtgever is dit laatste gekozen.
Voor de bovenbouw hebben wij geadviseerd een lichte constructie toe te passen.Houtskeletbouw is bij uitstek een beproefd bouwsysteem in seismische gebieden. De constructie is ductiel en naast de berekende grenstoestand Near Collapse is een houten draagconstructie schadebeperkend.
In de besluitvorming omtrent herbouw of herstel (i.c.m. versterken) hebben wij niet geadviseerd, in basis is onze rol geweest om de herbouw seismisch te ontwerpen. Ons inziens is het besluit voor herbouw wel een passend besluit geweest. Herstel in combinatie met versterken (op basis van de conservatievere NPR9998:2015 met inachtneming van de aanwezige verwekingsgevoelige lagen) zal een ingrijpende en kostbare oplossing geven. Deze oplossing zal niet bijdragen aan schadebeperking en het energetisch verbeteren van de woning, zoals de herbouwde woonboerderij wel doet."
2.12
In een e-mailbericht van 12 februari 2019 heeft Nanninga geschreven:"(…) Ik ben destijds door u ingeschakeld, omdat u uw woning wilde renoveren maar wei wilde dat de woning bestand was tegen de aardbevingen. De plannen die u toen had waren mijns inziens onvoldoende om de woning daaraan te laten voldoen.
Het was een oudere goed onderhouden woning die inmiddels veel aardbevingsschade vertoonde waaronder scheuren dwars door het fundament. Wanneer u niets zou doen, zou deze bij een of meerdere aardbevingen zomaar kunnen instorten. De geplande renovatie zou u daar toen ook niet mee helpen en daarom heb ik toen de constructie doorgerekend en heb ik een betonplaat geadviseerd, zodat de woning met de kennis van toen aardbevingsbestendig zou worden.
Als ik dat niet had gedaan, zou de woning niet voldoen aan de normen die daar toen voor golden en mij bekend waren."2.13 De boerderij is inmiddels afgebroken en er is een begin gemaakt met nieuwbouw.
3. De vordering en de beslissing daarop in eerste aanleg
3.1
[appellant] heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis NAM veroordeelt tot betaling van € 142.776,63, subsidiair tot herstel van de schade aan de boerderij conform de aanbevelingen van Van Duinen, Wiertsema en Boelens en tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 2.842,00, althans € 2.521,80, te vermeerderen met wettelijke rente en tot betaling van de proceskosten met wettelijke rente en de nakosten. Aan zijn vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat NAM verplicht is de kosten te vergoeden die gemoeid zijn met zodanig herstel van de boerderij dat het risico op toekomstige schade wordt geminimaliseerd. Het aanbrengen van een betonplaat, zoals geadviseerd door Van Duinen, Wiertsema en Nanninga, is een redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van toekomstige schade als bedoeld in artikel 6:184 BW, meent [appellant] .
3.2
NAM heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens haar is de schade vergoed. NAM betwist dat het aanbrengen van een betonplaat een redelijke maatregel in de zin van artikel 6:184 BW is. Deze maatregel is ook niet ingegeven door dreigende toekomstige aardbevingsschade, maar door de verbouwingsplannen van [appellant] . In dat verband wijst
NAM erop dat in geen van de deskundigenrapporten naar aanleiding van de geconstateerde schade wordt geconcludeerd dat sprake is van een veiligheidsrisico.
3.3
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank is - in het kort - van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aanbrengen van een betonplaat een redelijke maatregel in de zin van artikel 6:184 BW is.
4. De eisvermeerdering
4.1
[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd, in zoverre dat hij nu vordert NAM te veroordelen tot betaling van € 316.074,68 inclusief btw, bestaande uit (het saldo van) de kosten voor de versterkingsmaatregelen, althans tot betaling van een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag. Ook vordert [appellant] in hoger beroep NAM te veroordelen tot betaling van (gevolg)schade ten bedrage van € 253.331,02, althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
4.2
NAM heeft zich verzet tegen de eisvermeerdering. Zij heeft in dat verband enkel inhoudelijke bezwaren tegen de gewijzigde eis aangevoerd.
4.3
Het betoog van NAM dat de gewijzigde vorderingen van [appellant] niet kunnen worden toegewezen zal het hof hierna behandelen, maar staat niet aan toelating van de vermeerdering van eis in de weg.
4.4
[appellant] heeft zijn eis tijdig - in het eerste inhoudelijke processtuk in hoger beroep - vermeerderd en NAM heeft de gelegenheid gehad en genomen om inhoudelijk op de gewijzigde eis te reageren. Het hof ziet ook overigens geen redenen voor het oordeel dat de vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal dan ook rechtdoen op de vermeerderde eis.
5. 5. De beoordeling van de grieven en de vordering
5.1
In eerste aanleg heeft [appellant] de kosten van herstel (versteviging) van de boerderij gevorderd. Inmiddels is de boerderij afgebroken en is herstel (versteviging) van de oude boerderij niet meer aan de orde. [appellant] vordert nu een deel van de nieuwbouwkosten. Daarnaast vordert hij gevolgschade. De feitelijke grondslag van de vorderingen in hoger beroep is daarmee een andere dan de door de rechtbank afgewezen feitelijke grondslag van de vordering in eerste aanleg. De grieven van [appellant] zijn - uiteraard - gericht tegen dat vonnis. Vanwege de grondslagwijziging heeft [appellant] , zoals zijn advocaat bij gelegenheid van de comparitie desgevraagd ook heeft aangegeven, slechts belang bij behandeling van de grieven voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gewijzigde vorderingen. Het hof zal daarom hierna de gewijzigde vorderingen bespreken en daarbij de grieven betrekken voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van het vonnis. Het hof zal de grieven dus niet afzonderlijk bespreken. Uiteraard dient het hof wel uit te gaan van niet door de grieven getroffen oordelen van de rechtbank voor zover die oordelen voor een beslissing op de gewijzigde vordering van belang zijn.De vordering tot vergoeding van immateriële schade (vanwege de aantasting van woongenot) heeft [appellant] ter comparitie ingetrokken, zodat die vordering niet behoeft te worden besproken.
5.2
[appellant] vordert, zoals hiervoor is vermeld, nu een deel van de kosten van nieuwbouw van de boerderij en gevolgschade. Aan deze vorderingen ligt, naar het hof begrijpt, de volgende - voor de duidelijkheid puntsgewijs weergegeven - redenering ten grondslag:a. [appellant] wilde zijn boerderij verbouwen. De verbouwing waarvoor hij een vergunning had aangevraagd en verkregen, zou in 2013 starten en in juni 2014 afgerond moeten zijn en bestond onder meer uit het aanleggen van een betonrand om de boerderij, het verbouwen van de binnenmuur tot een spouwmuur en de uitlijning en het isoleren van een dak. Dit plan wordt hierna plan A genoemd.b. Nadat in 2013 en in 2014 opnieuw schade door aardbevingen aan de boerderij was ontstaan, heeft [appellant] plan A stilgelegd. Hij heeft laten onderzoeken welke versterkingen nodig waren om de (conform plan A te verbouwen) boerderij aardbevingsbestendig te maken. Op basis van de rapporten van Wiertsema (rov. 2.6.7) en Nanninga (rov. 2.6.8) diende een betonnen plaat te worden aangebracht (plan B). De met deze aanpassing gemoeide kosten heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd.c. Uit de notitie van Goudstikker - de Vries/RF Ontwerp & Advies (rov. 2.8) en de rapporten van Goudstikker - de Vries en Wiertsema (rov. 2.9) volgt dat plan B niet volstaat om de boerderij aardbevingsbestendig te maken. Er is daarom een nieuw plan, plan C, ontwikkeld dat wel aan die eis voldoet. Dat plan voorziet in sloop van de oude boerderij en de bouw van een nieuwe, onderkelderde, boerderij die aardbevingsbestendig is.d. Voor rekening van NAM komt het verschil tussen de kosten van plan A en plan C, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat plan C niet alleen een versterking van de boerderij inhoudt, maar ook een aantal wijzigingen ten opzichte van plan A bevat. De kosten van het aardbevingsbestendig maken van de boerderij bij realisering van plan C komen geheel voor rekening van NAM. Van de overige bouwkosten van plan C komt niets, dan wel een deel voor rekening van NAM. [appellant] heeft per kostenpost aangegeven of deze post (gedeeltelijk) voor rekening van NAM komt. Dat laatste is afhankelijk van het antwoord op de vraag of en in hoeverre de kostenpost ziet op de geplande renovatie. Per saldo dient NAM van de totale nieuwbouwkosten van € 878.878,06 een deel van € 332.539,44 voor haar rekening te nemen. Daarnaast is NAM aansprakelijk voor gevolgschade, waaronder schade vanwege het vervallen van subsidies, de hogere btw, advieskosten, dubbele woonlasten en gederfde inkomsten.
5.3
Tussen partijen staat niet ter discussie dat NAM op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt door beweging van de bodem als gevolg van de gasproductie door NAM. Zij verschillen van mening over de vraag of dat ook betekent dat NAM de door [appellant] gevorderde kosten voor de herbouw van de boerderij dient te vergoeden.
5.4
[appellant] baseert zijn vordering op artikel 6:184 BW. Op grond van lid 1 onder a van die bepaling vallen onder de schade waarvoor op grond van de artikelen 6:173 - 182 BW aansprakelijkheid bestaat ook de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die krachtens die artikelen voor vergoeding in aanmerking komt.Een op artikel 6:184 BW gebaseerde vordering is daarmee toewijsbaar wanneer sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging en de maatregel redelijk is. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat deze redelijkheidseis niet alleen ziet op het nemen van de maatregel zelf, maar ook op de daaraan verbonden kosten. De dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub a BW geldt dus ook voor artikel 6:184 lid 1 sub a BW, dat een uitwerking is van de eerstgenoemde bepaling. Het gaat er om of de te treffen maatregel in het licht van alle omstandigheden redelijk is. Daarbij spelen de aard en de ernst van de dreiging en de daardoor te verwachten schade, de aard van de maatregel (de effectiviteit ervan, de vraag of er een goedkoper alternatief is) en de kosten van de maatregel (mede in verhouding tot de te verwachten schade) een rol. Het hof is, met de rechtbank, bovendien van oordeel dat bij het antwoord op de vraag of sprake is van een redelijke maatregel niet alleen rekening dient te worden gehouden met financiële factoren. Ook het voorkomen van overlast, gelegen in een herhaalde confrontatie, schade en de afhandeling daarvan kan, zoals de rechtbank terecht overwoog, bijdragen aan de conclusie dat het redelijk is een maatregel te treffen.Het hof zal de vordering van [appellant] tegen deze achtergrond beoordelen.
5.5
NAM heeft betoogd dat de vordering tot vergoeding van een deel van de verbouwingskosten alleen al niet toewijsbaar is, omdat artikel 6:184 lid 1 sub a BW (net als artikel 6:96 lid 2 sub a BW) slechts een grondslag biedt voor de vergoeding van kosten van genomen maatregelen, niet voor nog te nemen maatregelen. Aan NAM kan worden toegegeven dat in artikel 6:184 lid 1 sub a BW gesproken wordt van de kosten van een maatregel die is genomen. Deze formulering sluit naar het oordeel van het hof niet uit dat de vordering ook toewijsbaar is wanneer de maatregel nog niet is genomen, maar het wel redelijk is de maatregel te nemen ter voorkoming of beperking van aardbevingsschade, nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging van dergelijke schade is ontstaan. De ratio van artikel 6:184 lid 1 sub a BW is, net als die van artikel 6:96 lid 2 sub a BW, dat het alleen redelijk is van de benadeelde te verlangen zijn schade te beperken - de bepalingen vormen het complement van de schadebeperkingsplicht - indien hij ervan op aan kan dat in het kader daarvan in redelijkheid gemaakte kosten vergoed zullen worden.
5.6
In dit geval heeft NAM aangegeven niet bereid te zijn de kosten van de door [appellant] noodzakelijk geachte versterkingsmaatregelen voor haar rekening te nemen. [appellant] kan er dan ook niet van op aan dat NAM deze kosten, wanneer de maatregelen door hem zijn genomen, zal vergoeden. Wanneer hij de maatregelen toch zou treffen, zou hij niet alleen de - zeker voor een particulier aanzienlijke - kosten moeten voorfinancieren, maarook het risico lopen dat NAM de kosten na het treffen van de maatregelen niet zou (hoeven te) vergoeden. Het is, gelet op de hiervoor omschreven ratio van artikel 6:184 lid 1 sub a BW, niet redelijk [appellant] dat risico te laten dragen, door aan de toewijsbaarheid van zijn vordering de eis te stellen dat de maatregelen al moeten zijn getroffen. Aan het door NAM aangevoerde bezwaar dat de kosten worden vergoed maar de maatregelen vervolgens niet worden getroffen, kan worden tegemoetgekomen door voorwaarden te verbinden aan de veroordeling tot betaling van de kosten van de maatregelen (bijvoorbeeld dat betaald moet worden aan een aannemer).
5.7
Het verweer van NAM dat artikel 6:184 BW niet voorziet in de vergoeding van de kosten van nog niet getroffen maatregelen faalt dan ook. Dat geldt ook voor het in hoger beroep, opnieuw, gevoerde verweer dat geen sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de boerderij zich bevindt in het gebied waar zich als gevolg van gaswinning aardbevingen hebben voorgedaan. Arcadis, de door NAM ingeschakelde deskundige, heeft vastgesteld dat sprake is van bevingsschade aan de boerderij (vgl. rov. 2.6.1 en 2.6.9). NAM voert nu aan dat op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten deze schades mogelijk ten onrechte als aardbevingsschades zijn aangemerkt. Omdat zij geen verklaring heeft gegeven voor het ontstaan van de door Arcadis vastgestelde scheuren, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. NAM voert aan dat op grond van nieuwe wetenschappelijke inzichten het risico op aardbevingsschade aan de boerderij van [appellant] gering is. Daargelaten dat de inzichten waar NAM zich op beroept, naar [appellant] heeft aangevoerd, niet boven iedere twijfel zijn verheven, geldt dat volgens die inzichten de seismische dreiging op de locatie van de boerderij 0,15g bedraagt. [appellant] heeft gewezen op rov. 8.27 van het arrest van dit hof van 23 januari 2018. Het hof heeft daar overwogen: "(…) Uit het laatste winningsplan van NAM (aangehaald in r.o. 4.5.3) volgt dat bij een grondversnelling vanaf 0,15 g schades kunnen ontstaan die kwalificeren als DS3 schades. Bij DS3 schades gaat het volgens de door NAM gehanteerde Damage State om “substantial to heavy damage (moderate structural damage, heavy non-structural damage)”, met als voorbeelden “cracks in columns and beam column joints of frames at the base and at joints of coupled walls. Spalling of concrete cover, buckling of reinvorced rods. Large cracks in partition and infill walls, failure of individual infill panels.”Volgens datzelfde winningsplan zullen DS1 en DS2 schades blijven optreden. Die schades hebben volgens het plan meer een maatschappelijk dan een levensbedreigend effect. Het hof tekent daarbij aan dat het bij DS2 schades volgens de Damage State gaat om “moderate damage (slight structural damage, moderate non-structural damage)”, met als voorbeelden “cracks in columns and beams of frames and in structural walls. Cracks in partition and infill walls; fall of brittle cladding and plaster. Falling mortar from the joints of wall panels.” Uit het eigen winningsplan van NAM volgt dan ook dat ook bij een seismische dreiging van 0,15g nog sprake is van een risico op substantiële schade, zeker bij een oude boerderij die al schade heeft. Ook als de dreiging door de verminderde gaswinning zal afnemen - daarover verschillen overigens de wetenschappelijke inzichten, zoals uit rov. 8.24 van genoemd arrest volgt, nog daargelaten dat ondanks de verminderde gaswinning op 24 mei 2019 nog een aardbeving met een kracht van 3.4 op de schaal van Richter plaatsvond en op 9 juni 2019 een van 2,5 op de schaal van Richter -, staat niet vast dat het dreigingsniveau ter plaatse van de boerderij minder dan 0,15g zal gaan bedragen. Ten slotte acht het hof van belang dat tussen partijen niet ter discussie staat dat in het gebied waarin de boerderij is gelegen de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 9998 van toepassing is. Gelet op wat hierna zal worden overwogen over de bedoeling van deze richtlijn, vormt de toepasselijkheid van de richtlijn op de (in het aardbevingsgebied gelegen) boerderij een extra argument voor de juistheid van de stelling van [appellant] dat ten aanzien van de boerderij sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging.
5.8
[appellant] heeft voor het antwoord op de vraag of een versterkingsmaatregel een redelijke maatregel is verwezen naar de genoemde NPR 9998 voor aardbevingsbestendig bouwen. De NPR 9998 is, nadat in februari 2015 een ontwerprichtlijn was vastgesteld, in december 2015 voor het eerst vastgesteld. De NPR 9998 is in 2017 en 2018 aangepast. Volgens NAM is de NPR niet de juiste toetssteen om te beoordelen of een maatregel redelijk is. De NPR heeft slechts betrekking op de constructieve veiligheid van gebouwen bij aardbevingsbelastingen. Bepaalde typen scheurvorming in de bouwconstructie en overmatige scheefstand of verzakking door aardbevingsbelastingen worden in de NPR beperkt tot niet beschouwd, indien deze de menselijke veiligheid niet in gevaar brengen, aldus NAM.
5.9
Het hof volgt NAM niet in dit betoog. De NPR 9998 geeft richtlijnen om te beoordelen of nieuw te bouwen gebouwen voldoende aardbevingsbestendig zijn, bestaande gebouwen voldoende aardbevingsbestendig zijn, en bestaande gebouwen na versterking voldoende aardbevingsbestendig zijn. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is gebleken dat wanneer in het aardbevingsgebied een verbouwing of nieuwbouw (daaronder begrepen herbouw) plaatsvindt, de NPR 9998 wordt toegepast en dat de meerkosten als gevolg van de toepassing van de NPR 9998 veelal door NAM worden voldaan, al dan niet op grond van een door de Nationaal Coördinator Groningen vastgestelde regeling. Toepassing van de richtlijnen van de NPR 9998 kan meebrengen dat voor de constructieve veiligheid van een gebouw in het aardbevingsgebied maatregelen moeten worden genomen die voor eenzelfde gebouw, maar dan buiten het aardbevingsgebied gelegen, niet hoeven te worden genomen. Deze extra maatregelen worden getroffen vanwege de belastingen die kunnen optreden door aardbevingen als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen. Het hof verwijst in dit verband, gezien het voorgaande ten overvloede, naar de Integrale Toelichting op artikel 2.5b van het Bouwbesluit 2012, welke bepaling voorziet in het stellen van extra voorschriften aan gebouwen in het aardbevingsgebied op basis van de richtlijnen van de NPR 9998. Naar het oordeel van het hof zijn de op grond van de NPR 9998 bij een verbouw of nieuwbouw te treffen maatregelen in beginsel maatregelen in de zin van artikel 6:184 lid 1 sub a BW. Het betreft immers maatregelen die zijn gebaseerd op een, minst genomen, in de bouwpraktijk gezaghebbende richtlijn en die worden getroffen om schade aan de constructie van gebouwen vanwege (de ernstige en onmiddellijke dreiging van) belastingen door bodembewegingen als gevolg van de aardgaswinning - schade waarop artikel 6:184 BW juist ziet - te voorkomen of te beperken. Maatregelen die op grond van de NPR 9998 bij de verbouwing of de nieuwbouw van een gebouw worden genomen zijn, gelet op wat hiervoor is overwogen over de status en de toepassing van de NPR 9998, in beginsel redelijk. Dat kan anders zijn, indien de kosten van de te treffen maatregel niet in een redelijke verhouding staan tot de kosten van verbouw of nieuwbouw.Dat het treffen van maatregelen op basis van NPR 9998 scheurvorming en scheefstand niet voorkomt, betekent niet dat deze maatregelen niet redelijk zouden zijn. Het betekent hooguit dat naast de op basis van NPR 9998 te treffen maatregelen aanvullende maatregelen, gericht op het voorkomen van scheurvorming en scheefstand als gevolg van de bodembeweging, getroffen moeten worden. Omdat [appellant] stelt dat de maatregelen waarvan hij de kosten vordert, gebaseerd zijn op de richtlijnen van de NPR 9998, kan de vraag of daarnaast andere maatregelen noodzakelijk zijn, waarvan NAM dan op grond van artikel 6:184 BW de kosten zou moeten dragen, buiten beschouwing blijven.
5.10
Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat [appellant] in beginsel aanspraak heeft op de kosten van realisering van plan C die het gevolg zijn van maatregelen die op grond van NPR 9998 moeten worden genomen om de te herbouwen boerderij aardbevingsbestendig te maken. NAM lijkt dat ook niet te betwisten (vgl. randnummer 13 MvA en randnummer 18 akte uitlating deskundigenbericht, zij het dat NAM steeds verwijst naar de Nieuwbouwregeling). Die meerkosten kunnen worden begroot door de bouwkosten van plan C te vergelijken met de bouwkosten van plan C in de situatie dat de richtlijnen van de NPR 9998 niet toegepast zouden hoeven worden.vordert echter niet deze meerkosten, maar (een deel van) het verschil tussen de bouwkosten van plan C en de kosten van plan A. Hij voert daartoe aan dat herbouw conform plan A niet voldoet aan de richtlijnen van de NPR 9998 en dat ook de herbouw met versterkingen conform plan B de toets van de NPR 9998 niet zal kunnen doorstaan. Om die reden is hij wel gedwongen tot herbouw (conform plan C) over te gaan. Zijn standpunt komt erop neer dat nieuwbouw in dit geval een redelijke maatregel is ter voorkoming of beperking van (aardbevings)schade in de zin van artikel 6:184 lid 1 BW is.
5.11
Het standpunt van [appellant] is niet per definitie onjuist. Indien de eigenaar van een gebouw dat wil renoveren, maar renovatie (technisch of financieel) niet mogelijk is vanwege de maatregelen die moeten worden genomen om het gebouw aardbevingsbestendig (genormeerd naar de NPR 9998) te maken, kan nieuwbouw (herbouw) onder omstandigheden - het hof verwijst naar wat het in rov. 5.4 heeft overwogen over het toetsingskader - worden gezien als een redelijke maatregel in de zin van artikel 6:184 BW. De met nieuwbouw gemoeide meerkosten komen in dat geval in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De overige kosten die met de nieuwbouw gemoeid zouden zijn geweest blijven uiteraard voor rekening van de eigenaar. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het voordeel dat de eigenaar heeft doordat nieuwbouw in plaats van renovatie heeft plaatsgevonden, zeker wanneer het nieuw te bouwen gebouw verschilt van het met de renovatie te realiseren gebouw. In de berekening van [appellant] van de schade lijkt met dat voordeel rekening te zijn gehouden doordat [appellant] de algemene bouwkosten niet of gedeeltelijk - dat verschilt per kostenpost - als schade aanmerkt. De kosten die gemoeid zijn met het versterken van de constructie komen in de berekening van [appellant] geheel voor rekening van NAM.
5.12
NAM heeft in de eerste plaats het realiteitsgehalte van plan A ter discussie gesteld. Als [appellant] al van plan was plan A te realiseren - NAM bestrijdt dat -, zou hij dit plan niet hebben kunnen uitvoeren zonder de bestaande minimale fundering te versterken. Hij zou dan (los van de aardbevingsdreiging) ook kosten hebben moeten maken ter versterking van het gebouw. NAM wijst er ook op dat de NPR 9998 pas in 2015 is ontwikkeld, zodat niet valt in te zien waarom plan A, dat dateert van 2011, zou moeten voldoen aan de richtlijnen van de NPR 9998.
5.13
Het hof acht, gelet op de gedetailleerde en grotendeels niet weersproken stellingen van [appellant] over zijn bedoelingen met de boerderij en over de stappen die hij heeft gezet om die bedoelingen te realiseren (het aanleggen van terrassen, herstellen van een boomgaard, bouwen van schuren en aanschaffen van agrarische gebruiksvoorwerpen) aannemelijk dat [appellant] in 2011 concrete plannen had om de boerderij conform plan A te verbouwen. Plan A paste in de bedoelingen van [appellant] . Bovendien heeft [appellant] , gelet op het feit dat hem begin 2012 leges voor een omgevingsvergunning in rekening is gebracht, een omgevingsvergunning aangevraagd. Het in rekening brengen van leges wijst er ook op dat de vergunning daadwerkelijk is verleend. Het hof volgt NAM dan ook niet in het betoog dat [appellant] plan A niet heeft willen realiseren.
5.14
Het hof acht ook aannemelijk dat [appellant] , die toen nog niet met de verbouwing was begonnen, zijn oorspronkelijke verbouwingsplannen heeft heroverwogen toen in 2013, en later in 2014, na enkele aardbevingen in de omgeving van de boerderij zichtbare schade aan de boerderij was ontstaan. Deze schade werd ook door de door NAM ingeschakelde schade-expert Arcadis als aardbevingsschade aangemerkt. In het in rov. 2.6 aangehaalde e-mailbericht van [appellant] aan NAM van 10 september 2013 wordt al melding gemaakt van de noodzaak van het aanbrengen van een betonnen plaat. Uit de daaropvolgende correspondentie over de schade-afhandeling volgt dat [appellant] de in zijn e-mailbericht van 10 september 2013 geuite noodzaak tot het aanbrengen van een betonnen plaat in de discussie met NAM en met behulp van de door hem inmiddels ingeschakelde deskundigen Wiertsema en Nanninga in 2014 en de eerste helft van 2015 heeft uitgewerkt tot plan B. Het in rov. 2.12 aangehaalde e-mailbericht van Nanninga wijst ook in die richting. Nadat de op plan B gebaseerde vordering in eerste aanleg door de rechtbank was afgewezen, is begin 2017 plan C ontwikkeld.5.15 Uit het voorgaande volgt dat toen [appellant] plan A ontwikkelde en voor dat plan een vergunning aanvroeg (en verkreeg), de NPR 9998 nog niet van toepassing was, maar dat de NPR 9998 toch betekenis kreeg voor plan A, omdat dat plan door niet aan [appellant] toe te rekenen omstandigheden nog niet was gerealiseerd toen de NPR 9998 in 2015 werd ontwikkeld. Het feit dat de NPR 9998 in 2011/2012 nog niet van toepassing was, zodat plan A niet aan de normen van de NPR hoefde te voldoen, staat dan ook niet in de weg aan het aannemen van causaal verband tussen de vervanging van plan A door (uiteindelijk) plan C en de noodzaak om te renoveren overeenkomstig de normen van de NPR 9998.
5.16
De boerderij had een minimale fundering. Plan A voorzag niet in versterking van die fundering. Volgens NAM was plan A om die reden sowieso niet uitvoerbaar. Ook wanneer de boerderij niet in het aardbevingsgebied zou zijn gelegen, zou [appellant] kosten hebben moeten maken voor een deugdelijke fundering en constructie van de boerderij. Die kosten komen niet voor rekening van NAM, aldus NAM. Indien, zoals NAM aanvoert, plan A los van het risico op - kort gezegd - aardbevingsschade niet kon worden gerealiseerd, omdat de constructie (fundering) tekortschoot, heeft [appellant] geen aanspraak op vergoeding van de kosten die gemoeid zijn met verbetering van de constructie. Van causaal verband tussen deze kosten en het risico op aardbevingsschade is dan geen sprake. Dat is anders voor de meerkosten, de extra kosten die gemoeid zijn om de constructie ook te laten voldoen aan de NPR 9998. [appellant] vordert echter, zoals hiervoor is overwogen, niet slechts vergoeding van de meerkosten van de constructie, maar van de volledige kosten.
5.17
Het hof acht, gelet op dit verweer van NAM, een onderzoek door deskundigen noodzakelijk naar de vraag of plan A, afgezien van aardbevingsrisico’s en de daarvoor op grond van de NPR 9998 te treffen voorzieningen, gerealiseerd kon worden en, indien dit niet het geval was, welke maatregelen getroffen hadden moeten worden en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn geweest. Naar het oordeel van het hof wordt die vraag met de overgelegde rapporten niet beantwoord. Het hof volgt NAM vooralsnog niet in het betoog dat een onderzoek naar deze vraag niet zinvol is, omdat vanwege de sloop van de oorspronkelijke boerderij niet meer kan worden vastgesteld of plan A uitvoerbaar was. Het is aan de te benoemen deskundigen om te beoordelen of zij over voldoende informatie beschikken om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij mag van [appellant] verwacht worden dat hij alle beschikbare informatie over de oorspronkelijke boerderij en de inhoud van plan A (bouwtekeningen en verleende vergunningen) aan de deskundigen ter beschikking stelt. In dit verband overweegt het hof dat NAM in haar laatste akte naar voren heeft gebracht dat zij ermee bekend is dat Wiertsema een verklaring heeft opgesteld. [appellant] dient ook deze verklaring - als deze inderdaad is afgegeven - aan de deskundigen ter hand te stellen.
5.18
Partijen verschillen ook van mening over het antwoord op de vraag welke aanpassingen noodzakelijk zijn om plan A aan te passen aan de normen van de NPR 9998, en in het verlengde daarvan of aanpassing van plan A gelet op de daarmee gemoeide kosten een redelijke keuze is. De overgelegde rapporten geven, mede gezien het door NAM gevoerde verweer, geen overtuigende antwoorden op deze vragen. In dit verband overweegt het hof dat in de in rov. 2.8 aangehaalde notitie van Goudstikker - de Vries en Feikens slechts wordt ingegaan op één mogelijke aanpassing, het aanbrengen van een betonnen fundatieplaat (plan B), maar dat mogelijke andere alternatieven niet worden besproken. Bovendien blijkt uit de in rov. 2.11 aangehaalde brief van Goudstikker - de Vries dat Goudstikker - de Vries niet is betrokken bij plan B of andere plannen van aanpassing van plan A. Goudstikker - de Vries heeft ook niet geadviseerd in de besluitvorming over versterking of herbouw, maar is slechts betrokken geweest bij de advisering over plan C. De stelling van Goudstikker - de Vries aan het slot van de brief, dat aanpassing van plan B een ingrijpende en kostbare oplossing zou zijn geweest, berust dan ook niet op eigen onderzoek van Goudstikker - de Vries.
Het in rov. 2.9 aangehaalde funderingsadvies van Wiertsema betreft plan C en kan dus evenmin bijdragen aan de conclusie dat aanpassing van plan A een redelijke optie was.Ook op dit punt is een deskundigenonderzoek noodzakelijk.
5.19
Van belang is ook dat in kaart wordt gebracht welk deel van de kosten van plan C betrekking heeft op maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de NPR 9998. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellant] immers in beginsel aanspraak op vergoeding van deze meerkosten, overigens ook indien niet aan de vereisten van de Nieuwbouwregeling is voldaan. Het deskundigenonderzoek dient ook dit aspect te betreffen.
5.20
Ten slotte dienen de verschillen tussen de boerderij na realisering van plan A en na realisering van plan C in kaart te worden gebracht en dient te worden nagegaan welke kosten met deze verschillen zijn gemoeid, dit om te kunnen beoordelen of en in hoeverre [appellant] ook voordeel heeft bij het bouwen conform plan C.
5.21
Met inachtneming van het bovenstaande, en rekening houdend met de suggesties van partijen over de vraagstelling, liggen de volgende vragen ter beantwoording voor:a. Kunt u aangeven wat in 2011/2012 de algehele bouwkundige toestand van deboerderij was?b. Voldeed de boerderij in 2011/2012 aan het destijds geldende Bouwbesluit?c. Kon de verbouwing waarvoor in 2011/2012 een vergunning werd aangevraagd(en verkregen), plan A, toen worden uitgevoerd op basis van de destijds aanwezigeconstructie?d. Indien u vraag c ontkennend beantwoordt:Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2011/2012 nodig om plan Auit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit enwelke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?e. Kon plan A in 2015 worden uitgevoerd in overeenstemming met het toen geldendeBouwbesluit en de NPR 9998:2015?f. Indien u vraag e ontkennend beantwoordt:Welke aanpassingen aan de constructie waren in 2015 nodig om plan Auit te kunnen voeren in overeenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en deNPR 9998:2015?Welke kosten waren daarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?g. Indien u vraag c en e ontkennend beantwoordt:Welke van de door u bij uw antwoord op vraag f vermelde maatregelen komen ookal voor in uw antwoord op vraag d en betreffen dus ten opzichte van het in 2011geldende Bouwbesluit aanvullende maatregelen om ook aan het in 2015geldende Bouwbesluit en aan de NPR 9998:2015 te voldoen en welke kosten zijndaarmee gemoeid (gespecificeerd per maatregel)?h. Hoe beoordeelt u in het licht van uw antwoord op de vragen e en f de in plan Bgenomen maatregelen? Waren deze maatregelen nodig om te kunnen bouwen inovereenstemming met het toen geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2015?i. Indien u het tweede deel van vraag h bevestigend beantwoordt:Welke kosten waren in 2015 in redelijkheid met deze maatregelen gemoeid en hoeverhouden deze kosten zich tot het in de offerte van Bouwbedrijf Boelens van28 februari 2015 (productie 13 inleidende dagvaarding) als stelpost opgenomenbedrag van € 105.255,- exclusief btw?j. Welke in plan C genomen maatregelen/voorzieningen zijn het gevolg van toepassingvan de NPR 9998:2018, in die zin dat de maatregelen/voorzieningen niet getroffenzouden hoeven zijn/worden, indien de NPR 9998:2018 niet van toepassing zou zijngeweest?En, welke kosten zijn met deze maatregelen gemoeid?k. Welke wijzigingen heeft plan C ten opzichte van plan A?l. Welke van deze wijzigingen zijn niet het gevolg van, of hangen samen met, dewijziging van de constructie vanwege de toepasselijkheid van enerzijds het in 2018geldende Bouwbesluit en de NPR 9998:2018 en anderzijds het in 2011/2012geldende Bouwbesluit?m. Zijn de in uw antwoord op vraag l vermelde wijzigingen een verbetering tenopzichte van plan A en, zo ja, waarom?n. Wilt u, per wijziging, aangeven welke kosten daarmee zijn gemoeid?o. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?
5.22
Het hof merkt ten aanzien van de door [appellant] voorgestelde vragen op dat enkele van deze vragen de deskundigen uitlokken tot een juridisch oordeel. Dat oordeel is echter niet aan de deskundigen, maar aan het hof, waarbij het hof zich heeft te verhouden tot het aan hen gevraagde oordeel over de feiten.
5.23
Het komt het hof, gelet op de complexiteit en het belang van de zaak, zinvol voor om twee deskundigen te benoemen, met de opdracht de hiervoor vermelde vragen tezamen te beantwoorden.Beide partijen hebben deskundigen ter benoeming voorgedragen. Zij zijn niet met een eensluidende voordracht gekomen. Het hof heeft het voornemen uit de door partijen voorgedragen deskundigen twee deskundigen te benoemen (één door [appellant] voorgedragen en één door NAM voorgedragen), met de opdracht de hiervoor vermelde vragen eensluidend te beantwoorden. Het betreft ir [B] van EBMC Nederland BV en ing. [C] te [D] . Beiden hebben aangegeven een eventuele benoeming te zullen aanvaarden en bereid te zijn het onderzoek met de ander te verrichten.
5.24
De (mogelijk te benoemen) deskundigen hebben op basis van de hiervoor vermelde vragen een inschatting gemaakt van de omvang van het door hen te verrichten onderzoek en van de daarmee gemoeide kosten. Zij hebben aangegeven dat deze kosten naar verwachting ongeveer € 80.000,- zullen bedragen en onder welke voorwaarden zij het onderzoek willen verrichten. Het hof heeft de kostenopgave en de voorwaarden ter kennis gebracht aan partijen. Partijen hebben laten weten daarmee niet (zonder meer) in te stemmen.
5.25
Het hof zal om die reden in dit arrest nog geen deskundigen benoemen, maar partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over het voornemen van het hof genoemde deskundigen te benoemen. Partijen krijgen zo de gelegenheid om met een - bij voorkeur gezamenlijk - alternatief voorstel te komen. Mogelijk zien partijen in het tussenarrest aanknopingspunten elkaar alsnog (op deelonderwerpen) te vinden, waardoor een deskundigenonderzoek niet langer noodzakelijk is, of beperkt kan blijven.
5.26
Als het tot een deskundigenonderzoek komt over de hiervoor vermelde vragen, zal het hof partijen ieder met de helft van het voorschot belasten. Daartoe is redengevend dat op [appellant] weliswaar stelplicht en bewijslast rusten ten aanzien van de omvang van de door
hem gevorderde schade, maar dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat NAM in elk geval
aansprakelijk is voor de kosten van de maatregelen die nodig zijn om plan C te laten voldoen aan de NPR 9998:2018. Het deskundigenonderzoek is mede nodig om die kosten te kunnen begroten.
5. De beslissing
Het hof, voordat het verder beslist:
verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2019 voor uitlating partijen conform r.o. 5.25;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. I.F. Clement en mr. D.J. Keur en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019, in aanwezigheid van de griffier.