Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.4:5.4 Conclusie
Stille getuigen 2015/5.4
5.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ehrm beoordeelt of een goede reden heeft bestaan voor het zijn uitgebleven van een ondervragingsgelegenheid. Daarbij is van belang of een reden heeft bestaan die dat uitblijven in het algemeen rechtvaardigt (relevant reason), of die reden op grond van de feiten en omstandigheden van het concrete geval mag worden aangenomen (sufficient reason) en of had kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende beperking van het ondervragingsrecht dan het geheel afwijzen van het getuigenverzoek.
De benadering van het Wetboek van Strafvordering is in essentie gelijk aan die van het ehrm: er moet een goede reden bestaan om een getuigenverzoek te mogen afwijzen. Ten aanzien van het noodzakelijkheidscriterium van onder andere artikel 315 Sv is de benadering enigszins afwijkend, aangezien het daarbij gaat om de vraag of de oproeping van een getuige noodzakelijk is en niet om de vraag of de afwijzing van het verzoek noodzakelijk is. Aangezien de gronden voor afwijzing die onder andere in artikel 264 Sv zijn genoemd, ook worden gebruikt ter afwijzing van getuigenverzoeken op grond van het noodzakelijkheidscriterium, kan echter niet worden gesteld dat de benadering fundamenteel verschillend is.
De afwijzingsgronden die het Wetboek van Strafvordering kent, zijn niet allemaal expliciet als goede redenen genoemd in de ehrm-jurisprudentie. Zo komt de grond dat niet te verwachten is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen, daarin niet voor. Deze grond is echter een ‘verzamelgrond’: in veel verschillende gevallen kan worden aangenomen dat deze grond zich voordoet (getuige is overleden, ziek, onvindbaar, etc.). In alle specifieke gevallen waarin de Hoge Raad een afwijzingsgrond heeft aangenomen, kan ook volgens de ehrm-jurisprudentie in het algemeen een goede grond worden aangenomen voor afwijzing van getuigenverzoeken (relevant reason).
Bij de toepassing van de afwijzingsgronden in specifieke gevallen (sufficient reason) kunnen wel enige verschillen worden vastgesteld tussen de Hoge Raad en het ehrm. De Hoge Raad heeft zo nu en dan de vaststelling door een gerechtshof dat een getuige onvindbaar was niet onbegrijpelijk geacht, hoewel de officier van justitie of rechter niet alle mogelijkheden had benut om de getuige te traceren. Met betrekking tot de vraag of een zich in het buitenland bevindende getuige had kunnen worden opgespoord, neemt de Hoge Raad redelijk snel genoegen met de vaststelling dat de getuige onvindbaar was, ook in gevallen waarin internationale rechtshulp wellicht uitkomst had kunnen bieden. De Hoge Raad is van oordeel dat alleen wanneer de verdediging expliciet heeft verzocht om inschakeling van internationale rechtshulp, de rechter deze mogelijkheid in aanmerking hoeft te nemen. Het ehrm lijkt de lijn te volgen dat – voor zover het een belangrijke getuige betreft en de verdachte een hoge straf riskeert – de autoriteiten er alles aan moeten doen om een ondervragingsgelegenheid te bieden wanneer een getuigenverzoek is gedaan. Wanneer de getuige zich (vermoedelijk) in het buitenland bevindt, zullen de autoriteiten uit eigen beweging actie moeten ondernemen om een getuigenverhoor mogelijk te maken. Dit kan vertraging van de strafrechtelijke procedure opleveren. De Hoge Raad lijkt daarbij aan het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn soms iets te veel gewicht toe te kennen. Hoewel ook het ehrm dat recht soms betrekt bij de beoordeling van de afwijzing van getuigenverzoeken, meent het ehrm tegelijk dat vertraging van de procedure niet onaanvaardbaar is wanneer de verdediging een belangrijke getuige wenst te ondervragen.
Wanneer een getuige niet bereid is gevolg te geven aan een oproeping, is de reden daarvoor van belang. Zo is het mogelijk dat de getuige de kosten van de reis niet kan of wil betalen, bijvoorbeeld wanneer hij uit het buitenland moet komen. De wettelijke regeling van reis- en verblijfkosten vormt echter bepaald geen stimulans voor getuigen om aan een oproeping te voldoen. De kosten van getuigenverhoren op verzoek van de verdediging komen voor rekening van de verdediging. Uit de jurisprudentie van het ehrm kan echter worden afgeleid dat het gebrek aan bereidheid van de overheid om die kosten te dragen kan bijdragen aan de vaststelling dat geen goede reden heeft bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt niet welke rol het al dan niet vergoeden van reiskosten speelt bij de toepassing van het criterium dat niet te verwachten is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen.
Tot aan NJ 2010, 509 stelde de Hoge Raad te lage eisen aan oordelen van gerechtshoven dat de ondervraging van een (minderjarig) slachtoffer van een zedendelict te ingrijpend was. In het arrest Bocos-Cuesta stelde het ehrm – mede op grond van het onvoldoende onderbouwd zijn van de afwijzing van de getuigenverzoeken door het gerechtshof – een schending van het ondervragingsrecht vast. Tegenwoordig eist ook de Hoge Raad een zorgvuldige onderbouwing van de afwijzing van een getuigenverzoek, waaruit blijkt dat de feiten en omstandigheden van de concrete zaak de afwijzing van het getuigenverzoek rechtvaardigen.
Ten aanzien van het overwegen van verhooralternatieven laat de jurisprudentie van de Hoge Raad nog te wensen over. De Hoge Raad is van opvatting dat de verdediging de verhooralternatieven moet aandragen. Het ehrm daarentegen ziet een ambtshalve verplichting voor de rechter om verhooralternatieven te overwegen. Pas wanneer alle redelijke alternatieven zijn overwogen, maar geen soelaas hebben geboden, magworden geconcludeerd dat iedere vorm van ondervraging onmogelijk of onwenselijk was.
Hoewel ten aanzien van bepaalde aspecten kan worden geconcludeerd dat het ehrm iets hogere eisen stelt dan de Hoge Raad, zullen verreweg de meeste beslissingen tot afwijzing van getuigenverzoeken waarmee de Hoge Raad instemt, ook door het ehrm worden aanvaard.