Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/3.3.3
3.3.3 Dossieronderzoek Franse rechter
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS299799:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Couchez 2004, p. 196 en de artikelen 4, 6 en 9 CPC. De mogelijkheid tot uitbreiding of verandering van de omvang van het geding bestaat in beginsel niet, maar kan nog door incidentele conclusies plaatsvinden, mits er maar een voldoende aanknopingspunt is met de eerder ingenomen stellingen.
Vgl. Cour de cassation 20 juni 1995, zk.nr. 93-15371.
Het lijkt alsof partijen hiermee een deel van hun autonomie wordt ontnomen. Hoewel dat niet geheel onjuist is, dient dit in zoverre te worden genuanceerd, dat de beoordeling door de rechter plaatsvindt in het kader van het partijdebat en dat partijen in voldoende mate moeten worden gehoord in de fase van de beoordeling van een niet-betwiste stelling (vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 603 (nr. 676), met verwijzingen).
Vgl. paragraaf 2.4.3 voor het Nederlandse debat met betrekking tot dit punt.
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 599-602 (nrs. 668-675); Boré & Boré 2008, p. 300 (nr. 64.111).
Vgl. Cour de cassation 20 november 1984, Le Dalloz 1985, p. 265; Cour de cassation 11 oktober 1977, Le Dalloz 1978, p. 87; Cour de cassation 19 juni 1929, Gaz. Pal. 1929, p. 312; Cour de cassation 3 februari 1904, Le Dalloz 1905, p. 315.
Vgl. Cour de cassation 29 november 2001, zk.nr. 99-18559; Cour de cassation 11 mei 2000, zk.nr. 98-18581. Zie tevens: Boré & Boré 2008, p. 301 (nr. 64.120); Couchez 2004, p. 201-202.
Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 604 (nr. 677). Ter illustratie: Cour de cassation 2B september 2004, JCP 2004, IV.B059.
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 605 (nr. 678).
Guinchard, Ferrand & Chainais (2008, p. 614 (nr. 693)) merken op dat de rechter hiermee aansluit bij “[le] veritable fondement juridique, [le] veritable qualification.” Vgl. Cour de cassation 16 maart 2004, Procédures 2004, C. 12B.
Overigens is een (her)kwalificatie niet mogelijk als dat leidt tot de toepasselijkheid van regels van de (hierna te bespreken) lorde public de protection. Die regels zouden dan namelijk de facto ambtshalve worden toegepast door de rechter, terwijl het kenmerk van die regels is dat partijen er een beroep op moeten doen. Artikel L-141-4 Code de la consommation vormt daarop een uitzondering: wanneer een (her)kwalificatie zou leiden tot toepasselijkheid van die regel, kan deze wel plaatsvinden. Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 615 (nr. 694).
Boré & Boré 2008, p. 249 (nr. B0.0B).
116.
Met de ingediende vordering en de daaraan ten grondslag gelegde gronden is door partijen het onderwerp van het civiele geding gegeven. De stellingen die partijen aan een vordering of verweer ten grondslag leggen, worden aangeduid als de “cause de la demande”.Hoewel het partijen natuurlijk vrijstaat om rechtsgronden aan de vordering of het verweer ten grondslag te leggen of bepaalde feitelijkheden te kwalificeren, wordt met de cause de la demande gedoeld op de stellingen van feitelijke aard die door partijen zijn aangevoerd. De partijen zijn verantwoordelijk voor het aandragen van de feiten, de rechter voor de kwalificatie van de feiten en het toepassen van de rechtsregels op de door partijen aangevoerde feiten.1 Artikel 6 CPC bepaalt het ook uitdrukkelijk: “(…) les parties ont la charge d’alléguer les faits propres (…).” Zij zijn ook belast met het bewijs van de door hen aangedragen stellingen, zo bepaalt artikel 9 CPC.2
In tegenstelling tot de Nederlandse en de Duitse civiele rechter, staat voor de Franse civiele rechter niet zonder meer vast dat hij niet-betwiste stellingen als vaststaand moet aanvaarden. Er is een tendens zichtbaar in de literatuur en de jurisprudentie naar een vrijheid voor de rechter om te beoordelen of hij nietbetwiste stellingen als vaststaand aanneemt. Bij deze beoordeling dient hij gebruik te maken van alle stellingen van partijen, het doel van de niet-betwiste stelling en de overige feiten uit het dossier.3 Met deze bevoegdheid komt het afdoen van zaken op de materiële waarheid in plaats van op de formele waarheid een stuk dichterbij, al wordt de vrijheid van partijen daarmee wel wat ingeperkt.4
117.
Hoewel de rechter gebonden is aan de door partijen aangedragen feiten, betreft dat alle feiten en producties uit het dossier.5 Het reeds hiervoor aangehaalde artikel 7, lid 2 CPC bepaalt zulks uitdrukkelijk. Dit artikellid vormt de weerslag van vaste jurisprudentie van de Cour de cassation.6
De aan de rechter toekomende bevoegdheid van artikel 7 CPC kent een algemene beperking in het beginsel van hoor en wederhoor. Partijen moeten in de gelegenheid zijn geweest, of worden gesteld om over de voor de eindbeslissing gebruikte feiten het debat te voeren.7 Die eis geldt net zozeer de aan een vordering of verweer ten grondslag gelegde feiten als de overige feiten uit het dossier, maar zal sneller vervuld zijn met betrekking tot feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen, omdat partijen daarover zonder meer het debat zullen voeren. Als de rechter stuit op een zich in het dossier bevindend, of anderszins uit het proces voortvloeiend feit dat hij wenst te gebruiken, maar waarover partijen het debat niet (voldoende) hebben gevoerd, zal hij dat feit ambtshalve moeten opwerpen en moeten bezien of partijen dat punt wensen op te pakken. Willen zij het debat met betrekking tot dat punt niet voeren, dan zal de rechter daarin moeten berusten. Het staat hem dan niet vrij om dat aspect te gebruiken voor zijn eindbeslissing, tenzij er rechtsgevolgen tot stand zouden komen die niet ter vrije beschikking van partijen staan.8
118.
Artikel 8 CPC kent de Franse rechter nog een belangrijke bevoegdheid toe in de fase van de feitengaring: “Le juge peut inviter les parties a fournir les explications de fait qu’il estime nécessaires a la solution du litige.” De rechter kan partijen dus uitnodigen om aangevoerde stellingen nader toe te lichten, of ontbrekende feiten nog aan te vullen. Indien nodig heropent hij hiervoor het partijdebat. Partijen zijn overigens niet verplicht gevolg te geven aan de uitnodiging van de rechter, al vormen dergelijke vragen van de kant van de rechter wel een goede indicatie dat het feitencomplex nog niet geheel compleet is.9
Op het grensvlak van feit en recht bevindt zich de kwalificatie van feiten. Leidt een bepaald feitencomplex bijvoorbeeld tot de vaststelling dat sprake is van bepaald type contract, of juist niet? Deze kwalificatie van de feiten is aan de rechter overgelaten, zelfs als hij daarmee van de door partijen gekozen kwalificatie zou willen afwijken.10 Het is de rechter echter niet toegestaan om af te wijken van de vordering en de grondslag van de vordering, waardoor het door partijen gewenste resultaat niet kan worden veranderd met een door de rechter gekozen kwalificatie. Artikel 12, lid 2 CPC regelt de kwalificatie van feiten. Dat mag, mits de rechter daarmee niet afwijkt van de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde gronden en de rechter het beginsel van hoor en wederhoor respecteert.11 Wanneer partijen echter bewust hebben gekozen voor een bepaalde kwalificatie, kunnen zij de rechter op dat punt binden, mits het niet leidt tot rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan. Artikel 12, lid 3 CPC bepaalt dat uitdrukkelijk, al lijkt het vooral te moeten worden gelezen als dat partijen de vrijheid hebben om zelf te bepalen welke rechtshandeling zij aangaan.12
119.
Evenals in het Nederlandse, Duitse en Engelse civiele proces, zijn het de partijen die in het Franse civiele proces verantwoordelijk zijn voor het aandragen van de voor de eindbeslissing noodzakelijke feiten. De Franse rechter kan niet zelf op zoek gaan naar feiten. Aan de Franse rechter zijn echter wel bevoegdheden toegekend waarmee hij het feitencomplex dat hij kan gebruiken voor de eindbeslissing kan beïnvloeden. Zo behoeft hij zich niet te beperken tot feiten die partijen expliciet aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd, maar kan hij ook acht slaan op feiten uit processtukken of voortvloeiende uit bewijsverrichtingen. Voorwaarde voor het gebruik van deze feiten is dat partijen er voldoende over hebben kunnen debatteren en dat zij het debat over die feiten ook willen voeren. Met die bevoegdheid ligt de opstelling van de Franse civiele rechter in de lijn van de Nederlandse en Duitse civiele rechter. Alleen de Franse civiele rechter kan nog een stap verder gaan: hij behoeft zich niet zonder meer neer te leggen bij niet-betwiste stellingen, maar kan ze op de juistheid ervan onderzoeken. Ook dan dient hij partijen weer in voldoende mate te horen en dient het onderzoek binnen de grenzen van het partijdebat plaats te vinden. Net als in Nederland en Duitsland is dus ook in Frankrijk het beginsel van hoor en wederhoor maatgevend.