Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.3.3.2
2.3.3.2 Functiescheiding is geen binair begrip
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972037:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor alle duidelijkheid: ik gebruik de term ‘beursvennootschap’ hier in brede zin. Ook andere verschijningsvormen van vennootschappen waarvan de aandelen vrij verhandeld worden, kunnen hiermee worden gelijkgesteld. Ik wijs bijvoorbeeld op vennootschappen wiens aandelen zijn toegelaten tot een multilaterale handelsfaciliteit of over the counter (buitenbeurs) worden verhandeld.
Zie over de kenmerken van familievennootschappen ook Tervoort 2017, p. 5 e.v.
Zie ook mijn annotatie bij Hof Amsterdam (OK) 24 augustus 2021, JOR 2021/296 m.nt. P.L. Hezer (Allure).
Zie ook Handboek 2013, nr. 48. Een uitzondering is de commanditaire vennootschap, zie voetnoot 32 bij par. 1.2.3 hiervoor.
In andere rechtsstelsels worden vergelijkbare rechtsfiguren erkend. In Raaijmakers 1991 verwijst Raaijmakers zelf naar de Amerikaanse closed corporation en de Britse quasi partnership. Zie bijvoorbeeld ook Andersson 2023, p. 172 e.v., over de toepassing van het Britse concept van een quasi partnership in Scandinavische rechtsstelsels.
Zie Raaijmakers 1991; en Raaijmakers 1994.
Zie Raaijmakers 1991, p. 210; en Raaijmakers 1994, p. 79.
Zie par. 2.5.4 hierna.
Zie Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, par. 2.2.1 met verwijzingen aldaar.
Artikel 2:24b BW.
Als gezegd, is functiescheiding geen binair begrip. In open verhoudingen zal doorgaans sprake zijn van een sterke functiescheiding. Beursvennootschappen met een gespreid aandelenbezit dienen in deze studie als referentiekader voor open verhoudingen.1 Hun aandeelhouders zijn veelal wisselende anonieme beleggers met relatief kleine kapitaalbelangen die zij in de regel betrekkelijk eenvoudig kunnen vervreemden. Deze beleggers staan op afstand van de vennootschap en zijn – anders dan als kapitaalverschaffer – niet betrokken bij de vennootschap of de aan haar verbonden onderneming. In die gevallen is sprake van een duidelijke scheiding tussen kapitaal en leiding.
In besloten verhoudingen is niet altijd sprake van een duidelijke functiescheiding. Ik wijs bijvoorbeeld op joint ventures, waarin de aandeelhouders in het algemeen nauw betrokken zijn bij de onderneming en derhalve sprake is van een minder sterke functiescheiding. Dat geldt ook voor familievennootschappen, waarin bovendien veelal sprake is van een groot onderling vertrouwen vanwege de familiebanden.2 Er zijn echter ook voorbeelden van besloten verhoudingen waarin juist wel sprake is van een duidelijke scheiding tussen kapitaal en leiding. Ik denk dan bijvoorbeeld aan portfoliomaatschappijen van private equity-investeerders, die veelal een meer toezichthoudende rol op zich nemen en de leiding laten aan daartoe aangetrokken professionele bestuurders.
De mate waarin kapitaal en leiding van elkaar gescheiden zijn, hangt aldus af van de aard van de vennootschap. Aandeelhouders kunnen in wisselende mate betrokken zijn bij de onderneming zelf. In zeer besloten samenwerkingsverbanden kan sprake zijn van een zwakke – of zelfs non-existente – scheiding tussen kapitaal en leiding. Ik illustreer dit aan de hand van twee voorbeelden van samenwerkingsverbanden die worden gekenmerkt door een zwakke functiescheiding: zogeheten ‘quasi-VOFs’ en concernverhoudingen.
i. Quasi-VOF3
Anders dan kapitaalvennootschappen, kennen personenvennootschappen strikt genomen geen functiescheiding.4 Het komt voor dat kapitaalvennootschappen zodanig zijn ingericht en functioneren, dat zij in belangrijke mate overeenkomen met klassieke personenvennootschappen. In die gevallen is weliswaar formeel sprake van een kapitaalvennootschap, maar zal feitelijk amper nog sprake zijn van een scheiding tussen kapitaal en leiding.
Ik spreek in dit verband over de ‘quasi-VOF’, een term die in de Nederlandse doctrine5 is gemunt door Raaijmakers.6 Raaijmakers neemt daarbij – terecht – als uitgangspunt dat de betrokken aandeelhouders ook onderdeel uitmaken van het bestuur.7 Omdat de betrokken aandeelhouders veelal langs die weg reeds toegang zullen hebben tot (bepaalde) informatie van de vennootschap,8 zal in dergelijke gevallen slechts een beperkte rol toekomen aan de informatierechten van deze aandeelhouders. Voor de strekking van dit onderzoek, doel ik met deze term daarom met name op de situatie waarin een aandeelhouder niet (meer) in het bestuur van ‘zijn’ vennootschap is vertegenwoordigd of daarin zitting neemt, maar wel (nog) nauw betrokken en verknocht is aan de onderneming. In veel gevallen zal tussen de betrokkenen ook sprake zijn van een mate van gelijkwaardigheid in hun samenwerking. De onderneming is dan weliswaar formeel ondergebracht in een kapitaalvennootschap, maar in feite wordt deze gedreven als een personenvennootschap.
ii. Concernverhoudingen
Onder een ‘concern’ wordt verstaan een samenstel van juridisch zelfstandige rechtspersonen onder centrale leiding.9 Tussen die zelfstandige rechtspersonen bestaat een organisatorische verbondenheid en zij vormen gezamenlijk een economische eenheid.10 Aangenomen wordt dat op het groepshoofd een concernleidingsplicht rust, die zelfs onder omstandigheden kan nopen tot ingrijpen bij zijn concerngenoten. Dit laat onverlet dat die concerngenoten juridisch zelfstandig zijn en een autonoom bestuur hebben.
Inherent aan het concern is een zwakke scheiding tussen kapitaal en leiding. Concernleiding veronderstelt immers dat het groepshoofd – als (indirect) aandeelhouder – betrokken is bij, en invloed kan uitoefenen op, de leiding van de betrokken concerngenoot. De mate van die betrokkenheid en invloed zal echter afhangen van de inrichting en aard van het concern. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een concern dat bestaat uit min of meer zelfstandige bedrijfsonderdelen een minder sterke centrale concernleiding zal hebben dan een concern met een uitgesproken en uniforme concernstrategie. In het eerste geval is de scheiding tussen kapitaal en leiding waarschijnlijk sterker aanwezig dan in het tweede geval.