Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/2.2.4
2.2.4 Aanverwante figuren
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586344:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Suijling 1934/273, Heyning-Plate 1969, p. 27 en p. 256, Faber 2005/2, Dirix & De Corte 2006/542. Zie over retentie en verrekening ook par. 3.2.3.
Zie art. 6:127 lid 2 BW, dat vereist dat de prestatie die de schuldenaar te vorderen heeft beantwoordt aan zijn schuld (mijn cursivering).
Vgl. art. 17 van de Nederlandse expeditievoorwaarden (algemene voorwaarden van FENEX – Nederlandse Organisatie voor Expeditie en Logistiek), versie van 1 mei 2018, te raadplegen via https://www.fenex.nl/fenex-voorwaarden; art. 54 VOTOB condities 2014 (de algemene voorwaarden voor tankopslag in Nederland) te raadplegen via www.votob.nl/downloads; art. 23 (pandrecht) en art. 24 (retentierecht) AVC-Voorwaarden 2015, te raadplegen via www.sva.nl/avc. Zie over de gevolgen van uitwinning van de zaak door zo’n schuldeiser met dubbele hoedanigheid par. 5.3.
21. Het retentierecht heeft als opschortingsrecht sterke verwantschap met verrekening.1 Een beroep op opschorting kan ook wel worden gedaan als opmaat naar verrekening. Door een beroep op het retentierecht verrekent de retentor als het ware de prestatie die hij nog moet volbrengen (de afgifte van de zaak) met de uitgebleven prestatie van zijn wederpartij (het voldoen van de vordering van de retentor). Maar er zijn natuurlijk ook relevante verschillen tussen opschorting en verrekening. Anders dan voor verrekening is voor opschorting bijvoorbeeld niet vereist dat de prestaties gelijksoortig zijn.2
22. Verder heeft het retentierecht trekken van een vuistpandrecht. Het is kenmerkend voor het retentierecht dat de retentor macht uitoefent over zaken. Deze macht biedt hem zekerheid dat zijn vordering wordt voldaan. Maar voor het vestigen van een vuistpandrecht is – in tegenstelling tot het retentierecht – een geldige titel vereist (art. 3:98 jo. 3:84 BW). Aan het pandrecht ligt normaal gesproken een obligatoire overeenkomst ten grondslag, die verplicht tot het vestigen van een pandrecht. Het wettelijk pandrecht is een figuur die in het Nederlandse recht geen grote rol heeft. Ingeval een pandrecht ontstaat door zaaksvervanging ontstaat het op grond van de wet (art. 3:229 en art. 3:246 lid 5 BW), maar dit is zeldzaam. Het retentierecht ontstaat daarentegen van rechtswege. ‘Vestiging’ van het retentierecht is niet vereist; er moet ‘uitsluitend’ aan de wettelijke vereisten voor het ontstaan van de opschortingsbevoegdheid zijn voldaan. Het is ook mogelijk dat een schuldeiser een vuistpandrecht en een retentierecht heeft. Beide kunnen bijvoorbeeld in algemene voorwaarden zijn overeengekomen.3 Een vuistpandrecht ontstaat in dat geval relatief gemakkelijk: de algemene voorwaarden vormen de titel en de vestigingshandeling bestaat erin dat de zaken in de macht van de pandhouder of een derde worden gebracht. Anders dan voor het vestigen van een stil pandrecht is een (onderhandse of authentieke) akte niet vereist. Maar als er niets is overeengekomen, zal een vuistpandrecht niet uit kracht van de wet kunnen ontstaan en een retentierecht wel. Een ander verschil tussen beide is dat een pandrecht ook voor een toekomstige vordering kan worden gevestigd (art. 3:231 BW). Vanwege het opschortingskarakter van het retentierecht is het bestaan van een opeisbare vordering daarentegen in principe een vereiste voor het retentierecht.4
De vergelijking met het Duitse recht hierna in paragraaf 2.2.6 laat ook de verwantschap tussen het retentierecht en het vuistpandrecht zien. Anders dan in Nederland, zijn in Duitsland op verschillende plaatsen in het BGB specifieke wettelijke (vuist)pandrechten te vinden.