Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene, met nummer 14/03636, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
HR, 02-02-2016, nr. 14/03638
ECLI:NL:HR:2016:167
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-02-2016
- Zaaknummer
14/03638
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:167, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑02‑2016; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2598, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:2598, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑12‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:167, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. HR: art. 81.1 RO. Compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegepast in de eveneens bij de HR aanhangige hoofdzaak.
Partij(en)
2 februari 2016
Strafkamer
nr. S 14/03638 P
SG/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juni 2014, nummer 21/008669-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 14/03636, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
3.3.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016.
Conclusie 15‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. HR: art. 81.1 RO. Compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegepast in de eveneens bij de HR aanhangige hoofdzaak.
Nr. 14/03638 P Zitting: 15 december 2015 | Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] 1. |
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 26 juni 2014 de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,-.
2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de motivering van het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan dragen.
4. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 26 juni 2014 (parketnummer 21-008382-13) ter zake van (onder andere) medeplegen van moord veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 15.000,- (vijftienduizend euro). Het hof komt als volgt tot deze schatting:
De medepleger [betrokkene 1] heeft erkend dat hij deze moord heeft gepleegd in opdracht van veroordeelde. [betrokkene 1] heeft bij de politie als volgt verklaard:
1.0 een proces-verbaal, nr. 2012068332, d.d. 30 augustus 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, het welk - zakelijk weergegeven - inhoudt:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2498 tot en met 2502):
V: waaruit bestond die klus?
A: Dat die man dood moest.
V : Wie heeft jou gevraagd die klus te doen?
A: Dat was [betrokkene]. Als ik praat over [betrokkene] dan bedoel ik [betrokkene].
V: Wat zou die klus je opleveren?
A: Dat geld. Zijn zwager zou [betrokkene] € 30.000,- betalen. Met zwager bedoel ik de zwager van het slachtoffer. Het was eerst € 20.000,-. En tien voor [betrokkene]. Ik moest alles zelf regelen. Omdat [betrokkene] meegegaan is met de auto werd het € 15.000,-. Daarna ging benzinegeld en dergelijke er nog af. Na vijf dagen tot een week kwam [betrokkene] bij mij langs en toen gaf hij mij de helft van het geld. Dat was € 14.000,- en een beetje.
Uit het vorenstaande leidt het hof af en stelt vast dat veroordeelde € 15.000,- heeft ontvangen voor het medeplegen van de moord.”
5. Voorop gesteld kan worden dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te bezigen dat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij daarvoor van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering.2.
6. Voorts geldt dat op de ontnemingsprocedure het strafvorderlijk bewijsrecht niet onverkort van toepassing is. Zo zijn de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.3.
7. Gelet op het voorafgaande, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts op één bewijsmiddel heeft doen steunen. Het hof heeft zijn oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit het (onder 1. primair) bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 15.000,- toereikend gemotiveerd. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de medeveroordeelde [betrokkene 1] volgt dat de zwager van het slachtoffer aan de betrokkene een bedrag van € 30.000,- zou betalen en dat € 15.000,- daarvan voor [betrokkene 1] was bestemd. Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt voorts dat de betrokkene vijf dagen tot een week na het misdrijf bij hem langs ging en het deel van [betrokkene 1] heeft uitbetaald. Uit deze verklaring heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de betaling door de zwager van het bedrag van € 30.000,- aan de betrokkene had plaatsgevonden. Uit de inhoud van het bewijsmiddel kan voorts worden afgeleid dat het voordeel van de betrokkene € 15.000,- heeft bedragen. Het bedrag van € 30.000,- is daartoe verminderd met het deel van het geld dat bestemd was voor [betrokkene 1] en met het deel dat als vergoeding van kosten kon worden aangemerkt. Het hof heeft in zijn arrest in de strafzaak, dat gelijktijdig is gewezen met de onderhavige ontnemingsuitspraak, gemotiveerd uiteen gezet waarom het hof de belastende verklaring van [betrokkene 1] betrouwbaar acht. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden, mede in aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte bij de behandeling van het hoger beroep in dit verband heeft volstaan met de stelling dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat geen veroordeling in de hoofdzaak zou kunnen volgen.4.
8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
9. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
10. Namens de betrokkene is op 2 juli 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 mei 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu het cassatieberoep in de hoofdzaak gelijktijdig met de onderhavige ontnemingsprocedure wordt behandeld, kan de compensatie worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.
11. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2015
HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1671.
HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648, NJ 2008/406 m.nt. M.J. Borgers.
Zie de pleitnota voor de terechtzitting van 12 juni 2014, p. 23.