Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.4.d
4.4.d Zaaksbehandeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608331:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië); zie ook bijv. EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk); EHRM 22 februari 1996, nr. 17358/90 (Bulut/Oostenrijk); EHRM (GK) 26 juli 2007, nr. 32911/96, 35237/97 & 34595/97 (Meftah e.a./Frankrijk); EHRM 2 juni 2009, nr. 34165/05, NJ 2010/326, m.nt. Buruma (R.H./Finland); zie over relevante factoren Plaisier 1999, p. 70-79.
Vgl. onder het IVBPR CRM 29 maart 2011, nr. 1758/2008 (Jessop/Nieuw Zeeland); CRM 28 juli 2009, nr. 1771/2008 (Gbondo Sama/Duitsland); General Comment 2007/32, nr. 28; Nowak, p. 325.
EHRM 12 november 2002, nr. 38978/97 (Salomonsson/Zweden) EHRM 26 augustus 2003 (ontv.) nr. 52793/99 (Pitkänen/Zweden); EHRM 18 november 2003 (ontv.), nr. 61365/00 (Aalto/Zweden); EHRM 23 maart 2004 (ontv.), nr. 11781/03 (Bjorklundh/Zweden); EHRM 10 januari 2006 (ontv.), nr. 67070/01 (Sali/Zweden); EHRM 14 juli 2007 (ontv.), nr. 18724/ 05 (Steen/Zweden); EHRM 13 oktober 2011, nr. 36801/06 (Fexler/Zweden); zie ook EHRM 2 februari 2006 (ontv.), nr. 5398/03 (Rippe/Duitsland) (civiel).
EHRM 12 November 2002, nr. 38978/97 (Salomonsson/Zweden).
EHRM 12 oktober 2002, nr. 28394/95 (Döry/Zweden); EHRM 27 maart 2012 (ontv.), nr. 21617/07 (Hillefors/Zweden).
Vgl. EHRM 12 oktober 2002, nr. 28394/95 (Döry/Zweden);
Van Lent 2008, p. 57-58; zie bijv. EHRM 21 september 1993, nr. 12350/86, NJ 1994/359, m.nt. Knigge (Kremzow/Oostenrijk).
EHRM 19 februari 1996, nr. 16206/90 (Botten/Noorwegen); zie ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 437.
EHRM 12 april 2012, nr. 60437/08 (Eriksson/Zweden).
Zie een voorbeeld met specifieke gronden in ECRM 12 maart 1998 (ontv.), nr. 35356/97 (Snowdon/Verenigd Koninkrijk).
Aldus EHRM 27 maart 2012 (ontv.), nr. 21617/07 (Hillefors/Zweden).
Paragraaf 2.5.
EHRM 7 mei 2002, nr. 77395/01 (Walczak/Polen); EHRM 19 mei 2005, nr. 29293/02 (Guz/ Polen). Het Poolse hooggerechtshof kan volgens een vereenvoudigde procedure strafzaken inhoudelijk beslissen indien “the Supreme Court considered, having examined the written submissions of the parties, that the cassation appeal had been manifestly ill-founded in that the alleged procedural shortcomings either had not occurred, or had not been substantiated, or that the shortcomings complained of had not fallen within the ambit of procedural irregularities which could be relied on in the cassation appeal proceedings”.
EHRM 22 februari 1996, nr. 17358/90 (Bulut/Oostenrijk); het andere argument betrof de aard van de bezwaren van de appellant; oordeel herhaald in onder meer ECRM 26 juni 1996 (ontv.), nr. 20713/92 (J.K./Oostenrijk); ECRM 26 juni 1996 (ontv.), nr. 22925/93 (König/Oostenrijk); EHRM 21 oktober 2001 (ontv.), nr. 42780/98 (I.H., Me.H., R.H. & Mu.H./Oostenrijk); zie ook ECRM 21 mei 1998 (ontv.), nr. 24430/95 (Lanz/Oostenrijk). Zie anders EHRM 2 juni 2009, nr. 34165/05, NJ 2010/326, m.nt. Buruma (R.H./Finland), waarin het EHRM een zitting wel nodig acht en dat in mijn lezing van de uitspraak vooral baseert op een legaliteitstoets: het voorliggende geval – zoals begrepen door het EHRM – kon reeds volgens het Finse recht niet zonder public hearing in hoger beroep worden berecht, vgl. namelijk EHRM 8 oktober 2013 (ontv.), nr. 28145/10 (Nomman/Finland).
EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk).
Vgl. Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 437, voetnoot 651, die onder verwijzing naar deze zaak zonder voorbehoud opmerken dat in leave to appeal proceedings geen zitting is vereist.
Zie Emmerson, Ashworth & Macdonald 2012, p. 892, die het antwoord op grond van m.i. onjuiste lezing van een andere EHRM-uitspraak zoeken in het – volgens de auteurs – juridische karakter van de verlofbeoordeling.
Bevestigd in onder meer ECRM 7 mei 1987 (ontv.), nr. 11816/85 (McWilliam/Verenigd Koninkrijk); EHRM 7 september 1999 (ontv.), nr. 40285/98 (Martin/Verenigd Koninkrijk).
Anders dan bij de meeste andere procedurele voorschriften, besteedt het EHRM in algemene bewoordingen aandacht aan de noodzaak van een openbare zitting bij verlofbeoordeling. In de zaak Hermi/Italië formuleert het Hof het beoordelingskader als volgt: “Leave-to-appeal proceedings and proceedings involving only questions of law, as opposed to questions of fact, may comply with the requirements of Article 6, although the appellant was not given an opportunity of being heard in person by the appeal or cassation court, provided that a public hearing was held at first instance.” Daar komt nog bij dat, ook als in beroep zowel de feitenvaststelling als de rechtsvinding worden gecontroleerd, niet altijd een openbare zitting nodig is, aldus het EHRM. “In order to decide this question, regard must be had, among other considerations, to the specific features of the proceedings in question and to the manner in which the applicant’s interests were actually presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the nature of the issues to be decided by it and of their importance to the appellant.” Aan deze catalogus van gezichtspunten koppelt het EHRM ter afsluiting één harde regel: “However, where an appellate court has to examine a case as to the facts and the law and make a full assessment of the issue of guilt or innocence, it cannot determine the issue without a direct assessment of the evidence given in person by the accused for the purpose of proving that he did not commit the act allegedly constituting a criminal offence.”1 / 2 In zak en over verlofbeoordeling werkt dit beoordelingskader vrijwel altijd hetzelfde uit: het EHRM stelt bijna nooit een schending vast. Deze conclusie wordt hier stapsgewijs geïllustreerd.
Veruit de meeste uitspraken over zaaksbehandeling en verlofstelsels betreffen Zweden, waar in bestuursrechtelijke procedures omtrent sociale zekerheid zowel in hoger beroep als voor het hooggerechtshof verlofbeoordeling aan de orde is. Het EHRM stelt doorgaans vast dat de Zweedse beroepsgerechten zich enkel hebben uitgelaten over de vraag of verlof moet worden verleend en daarom de zaak niet aan een “full examination” hebben onderworpen. De verlofvraag in hoger beroep en voor het hooggerechtshof “could be adequately resolved on the basis of the case file and the written submissions”, aldus het EHRM.3 In een zaak waarin wel verlof tot hoger beroep was verleend, achtte het EHRM juist wel een openbare zitting in appel nodig.4
Deze jurisprudentie over het Zweedse rechtsmiddelensysteem in administratieve zaken kan niet zonder meer op het strafrecht worden geprojecteerd. Daarvoor telt volgens mij onder meer dat aan de administratieve procedure bezwaar bij het bestuursorgaan vooraf gaat, dat in elk geval in eerste aanleg en hoger beroep in de Zweedse zaken in beginsel geen oral hearing plaatsvindt tenzij daar om wordt verzocht, en dat volgens het EHRM de geschillen over sociale zekerheid tamelijk technisch van aard zijn, doorgaans cijfermateriaal betreffen en samenhangen met het geschreven deskundigenoordeel van een arts, zodat deze geschillen dikwijls beter schriftelijk dan mondeling kunnen worden afgedaan.5 In strafzaken zijn deze omstandigheden niet zelden anders, bijvoorbeeld indien om een getuigenverhoor wordt verzocht,6 als het motief of de persoonlijkheid van de verdachte van belang zijn voor de schuld- of strafbeslissing,7 of indien de zaak draait om een strafbaarstelling met open zorgvuldigheidsnormen waarbinnen waardering van de feiten van belang is.8
Ondanks deze verschillen is het toch interessant dat het EHRM de verlofbeoordeling in de Zweedse bestuurszaken kwalificeert als beoordeling op “specific grounds”, niet inhoudende een “full examination” van de zaak.9 Kijkt men namelijk naar de Zweedse gronden voor verlof, dan valt daaraan vooral de openheid en het deels inhoudelijke karakter op.10 Het Zweedse hooggerechtshof verleent verlof indien “the case was a precedent case or if serious material or procedural mistakes were involved” en het appelgerecht indien “it was important for the guidance of the application of law that an appellate court consider the appeal, if reasons existed to amend the lower court’s conclusion, or if there were otherwise extraordinary reasons to entertain the appeal”.11 In het bijzonder de tweede verlofvoorwaarde in zowel appel als bij het hooggerechtshof zijn duidelijk op de inhoud van het beroep georiënteerd, zij het dat de voorwaarden het beroepsgerecht niet verplichten bij elke fout in de bestreden uitspraak in te grijpen. Opvallend is voorts dat de verlofgronden gelet op de formulering ervan niet duidelijk zijn beperkt tot questions of law, terwijl het EHRM daaraan in zijn vooropstellingen juist ook belang toekent. Cassatie vergt bijvoorbeeld in beginsel geen publieke zitting omdat de toetsing is beperkt tot juridische aspecten van de zaak. De Zweedse verlofbeoordeling is gelet op de verlofvoorwaarden in dit opzicht juist niet beperkt, maar toch is geen zitting vereist. Het lijkt er daarom op dat het EHRM geen publieke zitting vereist voor leave to appeal proceedings, onafhankelijk van het precieze karakter van de verlofmaatstaf.
Deze conclusie over de openbaarheid van toegangsbeoordeling wordt ondersteund door beslissingen van het EHRM over vereenvoudigde inhoudelijke beslissing op het beroep. Waar verlofbeoordeling volgens de in dit boek gehanteerde definities ziet op de ontvankelijkheid van het beroep,12 komt het daarnaast voor dat de inhoudelijke beslissing of de bestreden uitspraak moet worden vernietigd in een verkorte procedure wordt genomen. Dit kan uitmonden in de uitspraak ‘(kennelijk/evident) ongegrond’ en lijkt materieel sterk op een inhoudelijk verlofstelsel. De beoordeling is vergelijkbaar, de uitspraak verschilt. Ook in dergelijke vereenvoudigde inhoudelijke beoordeling (summary proceedings) acht het EHRM een zitting niet per se noodzakelijk. Uitspraken over Poolse strafzaken illustreren dit,13 maar nog duidelijker zet het EHRM zijn goedkeuring uiteen in uitspraken over het Oostenrijkse strafrecht. Deze zaken draaien om de bevoegdheid van het Oostenrijkse hooggerechtshof om als eerste appelinstantie in strafzaken het beroep ongegrond te verklaren indien het unaniem oordeelt dat aan het beroep evident elke grond ontbreekt. Het EHRM oordeelt in de zaak Bulut/Oostenrijk dat “the nature of the review [in de summary proceedings, GP] can therefore be compared to that of proceedings for leave to appeal” en acht mede daarom een zitting niet nodig.14
Zowel uitspraken van het EHRM over verlofbeoordeling in Zweedse bestuurszaken als uitspraken over vereenvoudigde inhoudelijke behandeling in Poolse en Oostenrijkse strafzaken duiden erop dat voor verlofstelsels in strafzaken geen openbare behandeling is vereist, ongeacht het karakter van de toegangsvoorwaarden. Die conclusie wordt tot slot nog verder ondersteund door de zaak Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk. Zoals eerder uiteengezet draait de zaak om het hoger beroep dat de verdachten hebben ingesteld tegen hun veroordelingen in eerste aanleg (beide tot meer dan drie jaar gevangenisstraf voor misdrijven). Voor inhoudelijke behandeling van het beroep is verlof vereist van een raadsheer uit het appelcollege of een kamer van drie raadsheren uit het hof. Verlof is afhankelijk van het antwoord op de volgende inhoudelijke toegangsvoorwaarden: “firstly, whether the grounds as drafted are capable of constituting grounds for appeal and, secondly, whether they have any merit”.15 Verlof wordt aan beide verdachten geweigerd, en voorts wordt bevolen dat een periode van detentie voorafgaand aan de beslissing op het verlofverzoek niet meetelt als onderdeel van de strafexecutie (de zogeheten loss of time order). Beide beslissingen zijn genomen zonder dat een openbare zitting plaatsvond. Opvallend is hoe weinig woorden het EHRM nodig heeft voor de klacht over de schriftelijke behandeling van het verlofverzoek. Het Hof stelt eenvoudigweg vast dat het beperkte karakter van de verlofbeoordeling op zichzelf niet een publieke zitting vergt.16 Waarin dit beperkte karakter schuilt, legt het Hof niet uit, terwijl dit gelet op de ruime, inhoudelijke toegangsvoorwaarde niet zonder meer duidelijk is.17 Uitgebreide aandacht gaat vervolgens uit naar de vraag of de loss of time order zonder openbare zitting mocht worden gegeven. Gelet op tal van omstandigheden van het geval is ook dat geoorloofd.18