Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.9.1
4.9.1 Inhoud 403-verklaring bepalend voor de omvang van de aansprakelijkheid van de consoliderende rechtspersoon
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648718:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De consoliderende rechtspersoon kan derhalve zelf bepalen wanneer haar aansprakelijkheid aanvangt en eindigt en waarvoor zij aansprakelijkheid aanvaardt (reeds bestaande schulden, toekomstige schulden of beide?). Verbintenisrechtelijk houdt dit stand. Vgl. OK 28 februari 2007, JOR 2007/145, m.nt. Van der Zanden (Malex c.s.). De vraag of bij een ‘vrije redactie’ de vrijstelling ook terecht wordt toegepast, is een andere.
Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/145, r.o. 3.3.
Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/145, r.o. 3.2.
Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/145.
De aansprakelijkheid van de consoliderende rechtspersoon wordt niet gebaseerd op de wet, maar op de afgegeven 403-verklaring. Voorop staat dat de consoliderende rechtspersoon zelf de redactie van deze aansprakelijkheidsverklaring bepaalt.1
Los van artikel 2:403 lid 1 sub f BW, geldt op basis van het verbintenissenrecht dat de consoliderende rechtspersoon zelf bepaalt hoeveel aansprakelijkheid zij aanvaardt. Dit brengt zij tot uitdrukking in de aansprakelijkheidsverklaring. Illustratief in dit verband zijn onder meer twee uitspraken van de Ondernemingskamer:
“De (rechts)persoon die zich in verband met het bepaalde in art. 2:403 BW of in enig ander verband, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden van een ander en daartoe een verklaring aflegt, kan bepalen hoever hij zijn hoofdelijk schuldenaarschap wil doen uitstrekken en heeft dus de vrijheid om de reikwijdte van zijn aansprakelijkheid – in duur of aan de andere kant – te bepalen en – dus ook – te beperken. Een derde die op zo een verklaring afgaat en daarop een beroep doet heeft geen verdere rechten dan uit de inhoud van de verklaring kan volgen, bij uitleg waarvan overigens in het geval als het onderhavige belangrijke betekenis toekomt aan de bewoordingen van die verklaring en hoe deze in redelijkheid door een derde kunnen of dienen te worden begrepen.”2
“Dienaangaande geldt in de eerste plaats dat een rechtspersoon die zich in verband met het bepaalde in art. 2:403 BW hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden van een andere rechtspersoon en daartoe een verklaring aflegt, kan bepalen hoever hij zijn hoofdelijk schuldenaarschap wil doen uitstrekken en de vrijheid heeft om de reikwijdte van zijn aansprakelijkheid – in duur of aan de andere kant – te bepalen en – dus ook – te beperken. Een derde die op zo een verklaring afgaat en daarop een beroep doet heeft geen verdere rechten dan uit de inhoud van de verklaring kan volgen, bij uitleg waarvan overigens belangrijke betekenis toekomt aan de bewoordingen van die verklaring en hoe deze in redelijkheid door een derde kunnen of dienen te worden begrepen.”3
Of een consoliderende rechtspersoon wel de juiste hoeveelheid aansprakelijkheid heeft aanvaard in de afgelegde verklaring die is bedoeld als een 403-verklaring om de vrijstelling te mogen gebruiken, is een heel andere vraag. In dat kader merkt Van der Zanden in zijn noot bij de uitspraak van de Ondernemingskamer van 28 februari 2007 op:4
“Geconcludeerd kan worden dat de OK er vanuit gaat dat beperking in de hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk is door dit in de verklaring tot uitdrukking te brengen. In hoeverre dan nog sprake is van een verklaring die recht op vrijstelling van inrichting en deponering geeft, is volgens de OK een vraag van andere orde zoals blijkt in r.o. 3.5 van de beschikking van 1 februari 2007. Naar mijn oordeel is een mogelijke consequentie indien de aansprakelijkheidsverklaring niet aan de vereisten voldoet dat ten onrechte de deponering achterwege is gebleven en bij een faillissement op grond van art. 2:248 lid 2 BW de bestuurders en medebeleidsbepalers (de consoliderende rechtspersoon?) aansprakelijk worden voor het tekort in het faillissement.”