HR, 10-04-2026, nr. 25/03924
ECLI:NL:HR:2026:566
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
25/03924
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:566, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2025:2508
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026041006
FutD 2026-0624
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Loonbelasting; artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 (tekst 2019) Wet LB 1964; artikel XIV Belastingplan 2019; artikel 10ec UBLB 1965; artikel 1 EP EVRM; artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM; artikel 26 IVBPR. Proefprocedures. Verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling, ook in gevallen waarin eerder een 30%-beschikking met een langere looptijd is gegeven. Zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/03924
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 september 2025, nrs. 23/1414 tot en met 23/14161., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 22/1734, 22/1735 en 22/1748) betreffende de afdracht van loonheffing over de tijdvakken augustus, september en oktober 2021 en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Smit, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
De middelen 2 en 3 falen. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar wat is overwogen in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, rechtsoverwegingen 4.1.2 tot en met 4.4.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in middel 1 beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Verzoek om schadevergoeding
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan onder de voorwaarde dat positief op het beroep in cassatie wordt beslist, dan wel de zaak in der minne wordt geschikt. Aangezien die voorwaarde niet is vervuld, zal de Hoge Raad dit verzoek niet in behandeling nemen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026