Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.3.1
8.2.3.1 Inleiding
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971908:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie mijn noot onder JOR 2023/2 (Intercont), par. 8. Aldus ook Rb. Amsterdam (vzr.) 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7409, r.o. 4.6.
Zie onder meer Van der Korst 2022, p. 1083; Van der Korst (diss.) 2007, p. 176, De Groot & Bakker, p. 258 e.v.; Assink/Slagter 2013, p. 705. Vgl. Rb. Amsterdam (vzr.) 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7409, r.o. 4.6.
Zie Van der Korst (diss.) 2007, p. 176; Van der Korst 2022, p. 1083; en Assink/Slagter 2013, p. 705.
Zie Van der Korst 2022, p. 1083; Van der Korst (diss.) 2007, p. 176; Wijers & Haasjes 2006, p. 52; Van Veersen 2006, p. 9. Terughoudender lijken De Groot & Bakker 2011, p. 260-261.
Zie Assink/Slagter 2013, p. 704; De Groot & Bakker 2011, p. 252; Van der Korst 2022, p. 1083; Van der Korst (diss.) 2007, p. 175-176; en Handboek 2013, nr. 203.1.
Een informatierecht kan voorts worden aangewend om via andere wegen toegang te krijgen tot informatie van de vennootschap. Ik spreek in dit verband van subsidiaire grondslagen, omdat zij slechts bestaan vanwege het ‘primaire’ informatierecht. Anders gezegd: de subsidiaire grondslagen bieden geen zelfstandig recht op informatie van de vennootschap, maar dienen slechts om een reeds bestaand informatierecht te effectueren, anders dan via een nakomingsvordering. Gezien de mogelijkheid om rechtstreeks nakoming te vorderen van het informatierecht, is het strikt genomen niet noodzakelijk om een informatievordering (mede) op deze subsidiaire grondslagen te baseren.1 Niettemin kunnen er strategische overwegingen zijn om daar toch voor te kiezen.
In de literatuur zijn als mogelijke grondslagen voor een dergelijke vordering genoemd (i) een exhibitievordering uit hoofde van artikel 843a respectievelijk 22 en 162 Rv;2 (ii) het voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 Rv;3 (iii) de vordering tot openlegging van de administratie uit hoofde van artikel 3:15j BW;4 en (iv) de onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW.5 Ik zal deze grondslagen hierna behandelen.