Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.9.1
4.9.1 De circulaire bouw
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644813:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bv. Van der Plank, TBR 2019/89; Backes/Boeve/Koolhoven/Versteeg, Circulair Bouwen, Preadvies VBR (2018); Tweehuysen, WPNR 2017/7157; Chao-Duivis, TBR 2017/154; Vermeulen (2020).
Zie https://ec.europa.eu/growth/content/new-circular-economy-action-plan-shows-way-climate-neutral-competitive-economy-empowered_nl. hierover; Zie ook: Vermeulen (2020), p. 11.
Heyman, WPNR 2016/7095, p. 145.
Heyman, WPNR 2016/7095, p. 145.
Zie Inleiding, 5.
Zie voetnoot 389.
Zie Inleiding, 5.
Zie: https://www.rau.eu/portfolio/gemeentehuis-brummen/ en https://www.bambouwentechniek.nl/projecten/her-en-verbouw-gemeentehuis-brummen (beide webpagina’s laatst geraadpleegd op 9-11-2020).
Op de webpagina van de architect Thomas Rau is te lezen: “In Brummen is door een samenwerking tussen de gemeente, BAM, RAU en Turntoo het eerste gebouw als grondstoffendepot gerealiseerd. De gemeente Brummen zocht een semi-permanente huisvesting met een levensduur van minimaal 20 jaar. Omdat RAU geen concessies wilde doen aan de kwaliteit van het tijdelijke gebouw en de werkomgeving is gezocht naar nieuwe manier van ontwerpen én bouwen. De oplossing is gevonden door het gebouw te ontwerpen als een grondstoffendepot. Tijdens het ontwerpproces hebben de architect, aannemer BAM, Turntoo en verschillende toeleveranciers meegedacht hoe na de geplande gebruiksperiode het gebouw weer uit elkaar gehaald zou kunnen worden. De waardevolle grondstoffen en bouwelementen worden na gebruik door hun leveranciers en fabrikanten teruggenomen. Uiteindelijk is ruim 90 procent van het ontwerp demontabel opgeleverd. De verschillende gebouwdelen zijn gegroepeerd rondom het monument, waarbij een continue interactie tussen oud en nieuw mogelijk is. Het transparante publieke binnengebied is gevormd door de ruimte die tussen oud en nieuw is ontstaan.” Zie: https://www.rau.eu/portfolio/gemeentehuis-brummen/ (laatst geraadpleegd op 30 januari 2022).
Zie: Vermeulen (2020), p. 30; Streep, AA 2018/07, p. 616-617.
Hartlief, NJB 2019/25, p. 1429.
Niet wordt hier ingegaan op de theoretische oplossing van “de gemeenschap”, waar de producent/verhuurder en de huurder gezamenlijk eigenaar worden van de eenheidszaak. Deze mogelijkheid is niet te beschouwen als een reële oplossing. Nog los van de grote (overdrachts)kosten die het vormen van een gemeenschap met zich brengt, biedt de gemeenschap aan de producent niet de mogelijkheid om de door hem toegevoegde zaak “op eigen houtje” in eigendom te herkrijgen. Hij kan slechts verdeling van de gemeenschap vorderen. De verdeling heeft tot gevolg dat een of meer deelgenoten een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen (art. 3:182 BW). Dit betekent doorgaans dat de producent/deelgenoot zijn aandeel in de eigendom zal moeten overdragen aan een of meer deelgenoten, waarna hij geldelijke compensatie kan krijgen. Een zakelijk afscheidingsrecht verkrijgt hij niet. Dat een verdeling wordt aangevraagd is, de woorden van de Romeinse jurist Paulus indachtig, niet ondenkbaar. Deze stelde immers al: “(…) Zodoende komt de zaak meestal wegens eindeloze meningsverschillen tot verdeling” (D. 8, 2, 26 (Paulus): “(…) itaque propter immensas contentiones plerumque res ad divisionem pervenit.”). De gemeenschap is derhalve geen oplossing voor de zakenrechtelijke continuïteitsproblemen in de circulaire bouw. Zie over de gemeenschap en de circulaire bouw: Vermeulen (2020), p. 38 e.v.
In de inleiding van dit proefschrift is verwezen naar het feit dat de vraag naar continuïteit in het zakenrecht aan actualiteit en urgentie heeft gewonnen door de klimaatverandering. In dit kader zijn pleidooien hoorbaar voor een “circulaire” of “modulaire” economie. Deze “circulaire economie” of kringloopeconomie is de tegenhanger van de thans gevoerde “lineaire-economie”.1 In 2050 moet laatstgenoemde economie getransfor- meerd zijn in een circulaire economie om zo de gestelde klimaatdoelen te halen.2
In een “circulaire economie” worden zaken duurzaam gebruikt. Deze duurzaamheid wordt onder meer bereikt doordat zaken voor langere of zelfs onbepaalde tijd productief blijven. Dit gebeurt mede door zaken zo te fabriceren, dat zij gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd om op een andere plaats hergebruikt te worden. Is het einde van de levensduur van een zaak bereikt, dan moeten de onderdelen weer gebruikt worden (circulair) en niet, zoals thans in een lineaire economie gebruikelijk is, vernietigd worden.3 Als zaken worden gerecycled in plaats van worden vernietigd, dan brengt dat mee dat de eigendom van deze zaken vaker dan in een lineaire economie bij een ander dan bij de gebruiker komt te liggen. De eigenaar zal zijn zaak bijvoorbeeld liever verhuren en zo tegen een periodieke betaling haar ter beschikking stellen aan de gebruiker/huurder, dan dat hij haar in eigendom zal overdragen.4
“Gebruik” wint aan belang ten koste van “eigendom”. Deze verschuiving in het handelsverkeer raakt het zakenrecht.5 De vraag is of het huidige zakenrecht de transformatie naar een circulaire economie en de daarmee gepaard gaande veranderingen in het handelsverkeer ondersteunt of juist afremt. Met name het leerstuk van de natrekking is in dit verband onder een vergrootglas komen te liggen. Dit leerstuk is de laatste jaren veelvuldig besproken in het kader van het circulaire bouwen.6 In de circulaire bouw worden steeds vaker circulaire onderdelen van het gebouw via huur- of leasecontracten geleverd.7 Een voordeel hiervan is dat een groter publiek toegang krijgt tot deze zaken. Een huiseigenaar voor wie de aanschaf van zonnepanelen financieel niet mogelijk is, kan deze huren en zo duurzame energie opwekken. Bijkomend voordeel van een huurconstructie is dat de onderhoudskosten bij de verhuurder liggen (tenzij anders afgesproken) en een huurder gebruik kan maken van goed functionerende producten die indien nodig vervangen kunnen worden. De verhuurder kan de materialen vervolgens aan een ander aanbieden en zo hergebruiken.
Welke zakenrechtelijke gevolgen heeft een vereniging van zonnepanelen met het huis van een ander? Goed denkbaar is dat de producent die deze zonnepanelen verhuurt zijn eigendomsrecht kwijt raakt als de panelen worden nagetrokken door het huis nadat ze op het dak zijn geplaatst. Blijft over een (contractuele) vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen de huiseigenaar. Als laatstgenoemde geen (schade)vergoeding kan betalen, dan heeft de producent weinig middelen voorhanden om gecompenseerd te worden. Hij zal hierdoor geneigd zijn om de zonnepanelen te verkopen in plaats van te verhuren. Zijn afzetmarkt is dan kleiner en dit zal resulteren in minder gebruik van zonnepanelen.
Een ander voorbeeld waarin de natrekkingsregels een belangrijke rol spelen is het circulaire bouwproject in Brummen. Het plaatselijke gemeentebestuur was op zoek naar een semipermanente huisvesting voor een periode van minimaal 20 jaar. Het oude gemeentehuis, een monumentale villa uit 1890, bood (tijdelijk) niet de gewenste ruimte en voldeed niet aan de moderne eisen waaraan een gemeentehuis moet voldoen. Als oplossing hiervoor werd de villa gerenoveerd en in een u-vorm werd een uitbreiding om het monumentale pand geplaatst en tevens daarmee verenigd. Deze uitbreiding is voor 90 procent demontabel. De architecten, de aannemer en verschillende leveranciers hebben tijdens het ontwerpproces samengewerkt zodat het gebouw na de gebruiksperiode uit elkaar kan worden gehaald en de materialen hergebruikt kunnen worden. De glaskap, het groene dak, de inbouw, de houtconstructies en de gevels zijn onderdelen van de aanbouw die allemaal aan verschillende leveranciers toebehoorden. De waardevolle grondstoffen en bouwelementen worden na gebruik teruggenomen door deze leveranciers.8 De kans is groot dat de materialen na de afscheiding afzonderlijk moeten worden overgedragen, aangezien deze als bestanddeel van de grond dan wel van het gebouw worden gezien. Er is immers sprake van een feitelijke, voortdurende (duurzame) vereniging met de grond. Bovendien oogt de oude villa met de uitbreiding als één geheel, ondanks het zichtbare verschil tussen het moderne en oude gedeelte.9 De uitbreidingen worden nagetrokken door de grond/het gebouw, mede door de ruime uitleg van art. 5:20 jo art. 3:3 BW.10 De leveranciers verliezen hun eigendomsrechten en beschikken bovendien niet over een (zakelijk) afscheidingsrecht/ius tollendi.
De voorbeelden van het gemeentehuis Brummen en de zonnepanelen tonen aan dat het snel aannemen van natrekking onwenselijk is in een tijd waarin gestreefd wordt naar een klimaat-neutrale economie. Met name in de circulaire bouw zorgen de strenge natrekkingsregels voor problemen. De technische ontwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op, terwijl de juridische veranderingen traag en stroperig op gang komen.11 In een circulaire bouw, waarin de eigenaar van het gebouw onderdelen (gevel, zonnepaneel, dak) huurt, wil de producent/verhuurder de eigendom van verhuurde zaken behouden. Als behoud van eigendom niet mogelijk is, dan wil de producent een afscheidingsrecht verkrijgen waarmee hij de zaken kan losmaken en vervolgens weer in eigendom terug verkrijgt. Kortom, hij wil dan een actie zoals de actio ad exhibendum.
In het kader van die circulaire bouw zijn in de literatuur diverse oplossingen aangedragen om het zakenrecht “bij de tijd” te houden en zo te zorgen dat het recht niet een sta-in-de-weg is voor nieuwe technologische ontwikkelingen. Bij deze oplossingen dient men rekening te houden met de beginselen van het zakenrecht en dan met name het eenheidsbeginsel (op één zaak rust één eigendomsrecht) en de motieven die hieraan ten grondslag liggen, namelijk het waardemotief (een zaak is meer waard dan haar onderdelen afzonderlijk) en de rechtszekerheid. Hieronder worden eerst enkele oplossingen uit de literatuur besproken en hun voor- en nadelen.12 Daarna wordt een alternatief voorstel aangedragen.