HR, 25-01-2022, nr. 20/03495
ECLI:NL:HR:2022:66
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-01-2022
- Zaaknummer
20/03495
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:66, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑01‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1260
ECLI:NL:PHR:2021:1260, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:66
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0022
Uitspraak 25‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. weigeren medewerking te verlenen aan ademonderzoek, art. 163.2 WVW 1994. Dubbel verstek. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Had afschrift van dagvaarding in hoger beroep moeten worden verzonden naar het in volmacht tot instellen van h.b. opgegeven adres (art 36g.1 Sv)? De vermelding van het adres in het als schriftelijke volmacht aangemerkte faxbericht van raadsvrouw kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van art. 36g.1 Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding in h.b. aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending o.g.v. art. 36g.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de tz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. (Vgl. HR:2012:BX4736.) Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03495
Datum 25 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2020, nummer 22-002218-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte. Het klaagt in het bijzonder dat is verzuimd een afschrift te sturen naar het adres dat de raadsvrouw van de verdachte had opgegeven in de schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep.
2.2
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:a. een akte van hoger beroep van 29 mei 2019 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] , [plaats] ;b. een aan de appelakte gehecht - door de griffier als schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangemerkt - faxbericht van 29 mei 2019 van de raadsvrouw van de verdachte, waarin is vermeld dat het adres [b-straat 1] , [plaats] wordt opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding;c. een akte van uitreiking die inhoudt dat die dagvaarding op 1 september 2020 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] , [plaats] en vervolgens op 10 september 2020 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, waarna op die datum een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dat adres in [plaats] ;d. een informatiestaat SKDB-persoon van 10 september 2020 die inhoudt dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd en vanaf 13 april 2018 is ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [plaats] ;e. het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat inhoudt dat de verdachte daar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend, waarna het hof de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
2.3
De vermelding van het adres [b-straat 1] , [plaats] in het als schriftelijke volmacht aangemerkte faxbericht van de raadsvrouw kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2.4
Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van het derde lid van artikel 36g Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. Het cassatiemiddel slaagt daarom. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736.)
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.
Conclusie 30‑11‑2021
Inhoudsindicatie
volgt
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03495
Zitting 30 november 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 oktober 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.
4. De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Het hof heeft de verdachte met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
5. De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: a. een akte van hoger beroep van 29 mei 2019 waarin als adres van de verdachte is vermeld: “[a-straat 1] , [plaats]”;b. een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 1 onder b Sv die aan die akte is gehecht waarin als adres is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding: “[b-straat 1] te [plaats]”. c. een akte van uitreiking die aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep is gehecht en die inhoudt dat die appeldagvaarding op 1 september 2020 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats] , dat een bericht van aankomst is achtergelaten, de appeldagvaarding op de afhaallocatie niet is afgehaald en retour is gezonden naar de afzender; d. dat de appeldagvaarding na verificatie van het BRP-adres op 10 september 2020 is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan en dat een afschrift is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats] ; d. het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat inhoudt dat de verdachte daar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.
6. De vermelding van het adres [b-straat 1] te [plaats] in de schriftelijke volmacht kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
7. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van het derde lid van artikel 36g Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
8. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden