Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.7.2.0
4.7.2.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498268:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Beslagsyllabus augustus 2012, p. 10-11.
Teuben gaat hierbij uit van een ‘ruime’ betekenis van het begrip binding. Deze gaat verder dan de ‘enge’ betekenis, welke inhoudt dat slechts sprake is van binding wanneer een bepaalde regel altijd moet worden toegepast en hier niet van mag worden afgeweken. De – ook door mij – gehanteerde ruime betekenis van binding houdt in dat indien het recht ‘enigerlei’ consequentie aan een regel verbindt, dit onder het begrip binding kan vallen. Er is derhalve sprake van een gradatie van binding, van sterk tot zwak. Zie ook in deze zin: Teuben 2004, p. 8-9.
In het voorgaande is gebleken dat in de literatuur door een aantal auteurs vraagtekens wordt geplaatst bij de invloed die rechtersregelingen hebben op de vrijheid die de rechter heeft bij rechtspraak in individuele gevallen. Voor het verkrijgen van inzicht in de mate van invloed is relevant om nader in te gaan op de (mate van) verbindendheid die aan rechtersregelingen kan worden toegeschreven. Hoe stringenter de rechter verplicht is om een rechtersregeling te volgen, des te sterker zal de inperking van de rechterlijke onafhankelijkheid zich doen voelen. Ofwel: in hoeverre kunnen rechters gebonden worden geacht aan de inhoud van een rechtersregeling bij de beoordeling van een individuele zaak, is deze vrij om, indien hiertoe aanleiding is, van de regeling af te wijken? Welke zijn de consequenties indien een rechtersregeling niet wordt toegepast, of is toepassing vrijblijvend? In termen van de Beslagsyllabus kan de vraagstelling als volgt worden geformuleerd: is de voorzieningenrechter bijvoorbeeld verplicht om, indien door de beslaglegger verzocht wordt om een termijnverlenging voor het instellen van de eis in hoofdzaak, die slechts in het belang van de beslaglegger is, slechts eenmaal een verlenging van 14 dagen toe te staan, of kan hij van deze regel naar bevind van zaken afwijken?1 De volgende vraag die zich aandient is of een beslagene in een dergelijke situatie een beroep kan doen op de betreffende bepaling uit de Beslagsyllabus, indien de voorzieningenrechter geen gevolgen verbindt aan de afwezigheid van toestemming van de beslagene voor verlenging van de termijn. Hier wordt relevant dat het predicaat rechtersregeling (overigens steeds zonder wettelijke bevoegdheid daartoe tot stand gekomen) nog niet vanzelfsprekend betekent dat er ook sprake is van (juridische) binding van de rechter of derden aan die regeling. Voor het verbinden van rechtsgevolgen aan een rechtersregeling blijkt meer te zijn vereist dan de uitsluitende bedoeling van de samenstellers of een goedkeurend orgaan om een rechtersregeling vast te stellen.
Het (theoretische) vraagstuk van de verbindendheid van rechtersregeling vormt het hoofdthema in het proefschrift van Teuben. Het is daarom dat met name de visie van deze auteur een belangrijke rode draad vormt bij de bespreking van de verbindendheid in het navolgende.2