Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.3.3
3.2.3.3 Aan de hand van een verkrijgingsverwachting
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471941:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/20; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/98; Hijma & Olthof 2014/138 en Potjewijd 2002, p. 12.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402.
Vgl. Potjewijd 1998, p. 105.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/307.
Vgl. HR 19 september 2003, NJ 2003/631 (Mesman/De Boo).
Asser/Hijma 7-I* 2013/184. Zie ook W. Snijders 1999, p. 560.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314; Asser/Hijma 7-I* 2013/187; en W. Snijders 1999, p. 565. Zie ook Meijers 1958, p. 85, over het bedongen optierecht als een overdraagbaar subjectief recht.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314. Zie verder Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/102. Vgl. art. 3:83 lid 1 en 2 BW.
Vgl. Asser/Hijma 7-I* 2013/187; en W. Snijders 1999, p. 565. Vgl. art. 3:83 lid 1 en 2 BW.
Zie ook W. Snijders 1999, p. 565, die deze mogelijkheid noemt ter mitigatie van een eventuele beperkte overdraagbaarheid van het optierecht als zodanig.
Zie over deze variant op het ABC-contract onder anderen Bartels 2004, p. 22, 47 en 114.
Art. 3:83 lid 1 en 2 BW.
Vgl. art. 7A:1576h lid 1 BW voor huurkoop.
HR 28 april 1989, NJ 1990/252 (Puinbreekinstallatie).
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/968.
Vgl. Vriesendorp 1985, p. 88-90; Kortmann 1992, p. 203-205 en 206-207; en Wibier & Smid 2009.
Vgl. onder anderen Faber 2007, p. 52-58; Verstijlen 2007, p. 825-827; H.J. Snijders 2006; en Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/550. Een enkele schrijver kent de koper onder eigendomsvoorbehoud een andersoortig overdraagbaar vermogensrecht toe. Vgl. Zwitser 1993, p. 528-529 en Scheltema 2003, p. 327 e.v. (een beperkt recht); en Nieuwenhuis 1980, p. 53-54 (een aandeel in een gemeenschap).
Zie hierover Baur/Stürner 2009, § 59, nr. 32-48.
Zie Rb. Amsterdam 2 april 2003, JOR 2003/181, m.nt. N.S.G.J. Vermunt (ING/Wifac), en (in hoger beroep) Hof Amsterdam 30 maart 2006, JOR 2006/142 (ING/Wifac); Rb. Leeuwarden 12 mei 2004, JOR 2004/183 (Van der Spek q.q./Graphic Lease), en (in hoger beroep) Hof Leeuwarden 26 oktober 2005, JOR 2006/54, m.nt. S.E. Bartels (Van der Spek q.q./Graphic Lease); Rb. Den Haag 12 september 2012, JOR 2012/377, m.nt. W.J.M. van Andel (Reuser/Rabobank Zuid-Holland Midden), en (in hoger beroep) Hof ’s-Gravenhage 2 september 2014, JOR 2015/53, m.nt. W.J.M. van Andel & M.E. ten Brinke (Rabobank Zuid-Holland Midden/Reuser).
49. De verwachting of hoop dat een persoon goederen zal verkrijgen, komt terug in enkele definities van toekomstige goederen.1 In de toelichting op art. 3:97 BW wordt als synoniem voor een toekomstig goed ook wel gesproken van “een goed, dat iemand hoopt te verkrijgen”.2 Verwachtingen of hoop gericht op de verkrijging van goederen in de toekomst vormen echter geen verdere inperking van het begrip toekomstige goederen. Zouden de, al dan niet gerechtvaardigde, inschattingen van een persoon over de toekomstige ontwikkeling van zijn vermogen van belang zijn, dan leidt dat tot het merkwaardige gevolg dat een optimist meer toekomstige goederen heeft – en daarmee ruimere mogelijkheden om te beschikken over de toekomstige bestanddelen van zijn vermogen – dan een pessimist. Het moge duidelijk zijn, dat een dergelijk onderscheid geen enkel nuttig doel dient.
De aanwezigheid van hoop of verwachtingen over de toekomstige verkrijging van goederen kan uiteraard wel een belangrijke beweegreden vormen om over een toekomstig goed te beschikken.3 Daarbij valt te denken aan verwachtingen ten aanzien van bepaalde toekomstige goederen, zoals de goederen die een persoon reeds heeft gekocht (of ten aanzien waarvan men een koopoptie heeft). Deze goederen worden mogelijk reeds voor de verkrijging (door)verkocht en geleverd. De verwachtingen omtrent de toekomstige ontwikkeling van het vermogen van een persoon, zullen daarnaast invloed hebben op de bereidheid van een partij om krediet te verlenen tegen verkrijging van (onder meer) zekerheid op diens toekomstige vermogensbestanddelen. Met de afbakening van het begrip toekomstige goederen heeft dit alles echter niets van doen.
– Verwachtingsrechten
50. Een (sterke) verwachting ten aanzien van de verkrijging van een bepaald goed brengt nog niet met zich dat het goed als reeds verkregen heeft te gelden. Niettemin kan wel de vraag rijzen of een bepaalde verkrijgingsverwachting op zichzelf als een (reeds bestaand) goed kan worden aangemerkt (een “verwachtingsrecht”). Een blote verwachting omtrent de verkrijging van een goed levert nog geen zelfstandig (overdraagbaar) goed op.4 Van een verwachtingsrecht kan echter sprake zijn indien de uiteindelijke verkrijging van een goed zodanig door het recht is geborgd, dat de positie van de verwachter als een vermogensrecht kan worden beschouwd. Het begrip vermogensrecht is voldoende open om bepaalde verwachtingen omtrent (mogelijk) stoffelijk voordeel daaronder te scharen.5 Aan een kwalificatie als vermogensrecht hoeft bovendien niet af te doen dat de uiteindelijke verkrijging afhankelijk is van de vervulling van een voorwaarde en dat deze vervulling een zekere inspanning van de verwachter vereist.6
Een verwachtingsrecht kan zich in allerlei vormen voordoen. Ik volsta hier met een illustratie aan de hand van een koop. De verscheidene gradaties van verwachting van een (potentiële) koper omtrent de verkrijging van het (potentiële) object van de koop kunnen reeds voordat het goed wordt verkregen op zichzelf een vermogensrecht opleveren.
De enkele verwachting of intentie omtrent de toekomstige verkrijging van een goed door een koop levert geen vermogensrecht op. Deze verwachting of intentie wordt al wat sterker indien de potentiële koper een optie tot koop bedingt. Een koopoptie is een contractueel of anderszins verleend wilsrecht van vermogensrechtelijke aard, dat aan de gerechtigde voor een bepaalde of onbepaalde tijd de bevoegdheid geeft om een goed te kopen tegen een meestal vooraf vastgelegde prijs. Door de enkele uitoefening van de optie door de gerechtigde komt de koopovereenkomst tot stand.7 De koopoptie moet in de regel worden beschouwd als een onherroepelijk aanbod tot het sluiten van een koopovereenkomst.8 Het optierecht wordt aangemerkt als een zelfstandig vermogensrecht.9 De koopoptie vormt naar mijn mening een recht op naam dat op de voet van art. 3:94 BW kan worden geleverd. Daarmee is nog niet uitgemaakt dat het optierecht overdraagbaar is. Deze overdraagbaarheid hangt in de eerste plaats af van de overdraagbaarheid van het uiteindelijk in het leven te roepen recht.10 Daarnaast kan het persoonlijke karakter van de optie eraan in de weg staan dat zij, zonder instemming van de optieverlener, vatbaar is voor overdracht.11 De bestaande koopoptie moet uiteraard nog altijd worden onderscheiden van de toekomstige goederen die de gerechtigde door middel van uitoefening van het optierecht zal verkrijgen. Deze goederen zal hij voor de uitoefening en afwikkeling van de optie slechts bij voorbaat kunnen leveren.12
De verkrijgingsverwachting groeit met de koop van het goed. Met het sluiten van de koopovereenkomst wordt het gekochte goed echter nog niet verkregen. De koop vormt slechts een titel voor de overdracht van het goed aan de koper. Het goed zal eerst aan de koper geleverd moeten worden door een beschikkingsbevoegde vervreemder, alvorens het goed tot zijn vermogen gaat behoren.13 Totdat deze vereisten zijn voltooid, blijft het gekochte goed een toekomstig goed van de koper. Niettemin ontstaat met het sluiten van de koopovereenkomst in het vermogen van de koper een vorderingsrecht tot levering van het gekochte goed.14 De koper kan dit vorderingsrecht overdragen aan een derde.15 Overigens kan de overdraagbaarheid van een vordering tot levering zijn uitgesloten of beperkt op grond van haar persoonlijke aard dan wel op grond van een afspraak tussen schuldeiser en schuldenaar.16
De verkrijging van het gekochte goed kan verder worden uitgesteld door het goed te leveren onder eigendomsvoorbehoud. Een eigendomsvoorbehoud wordt vermoed een verbintenis in het leven te roepen voor de verkoper tot overdracht onder opschortende voorwaarde van voldoening van de prestatie van de koper (art. 3:92 BW).17 Een levering ter uitvoering van deze verbintenis leidt tot een overdracht onder opschortende voorwaarde. De vereisten voor de overdracht zijn voldaan, maar haar werking is uitgesteld tot het tijdstip dat de opschortende voorwaarde is vervuld. De koper verkrijgt hierdoor het gekochte en geleverde goed eerst en van rechtswege bij de betaling van de vorderingen waarvoor het voorbehoud is bedongen. Het geleverde goed behoort tot de vervulling van de voorwaarde tot het vermogen van de verkoper die als zodanig over het goed kan blijven beschikken.18 De verkrijging door de koper is nog enkel afhankelijk van de vervulling van de aan de overdracht verbonden voorwaarde. Tot deze vervulling is het geleverde goed een toekomstig goed van de koper, ongeacht of hem contractueel de beschikkingsbevoegdheid over het goed is verleend. Hoewel de koper hangende de vervulling van de voorwaarde geen rechthebbende is van het goed, is het onmiskenbaar dat hij reeds een (goederenrechtelijk) beschermde positie met betrekking tot het onder eigendomsvoorbehoud geleverde goed inneemt.19 Zijn aanspraak bestaat eruit dat de verkrijging nog slechts afhankelijk is van de vervulling van de voorwaarde en zelfs niet doorkruist kan worden door het tussentijdse faillissement van de verkoper. Ten aanzien van de typering van deze aanspraak van de koper bestaan verscheidene visies. Lange tijd werd de positie van de koper beschouwd als een loutere verwachting ten aanzien van een vooralsnog toekomstig goed.20 Thans wordt het recht onder opschortende voorwaarde van de koper in de literatuur in overwegende mate gezien als een bestaand zelfstandig (en overdraagbaar) vermogensrecht.21 Dit recht is te vergelijken met de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud naar Duits recht, die hangende de vervulling van de opschortende voorwaarde een overdraagbaar goederenrechtelijk recht (Anwartschaftsrecht) wordt toegekend.22 De rechtspraak lijkt echter vooralsnog huiverig om de positie van de koper als een vermogensrecht aan te merken.23