Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.1
4.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483383:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel); FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge), § 44. In gelijke zin EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 45.
Zie o.m. EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge), § 45: ‘Although not specifically mentioned in Article 6 of the Convention, there can be no doubt that the right to remain silent under police questioning and the privilege against self-incrimination are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6 (…).’ (cursivering toegevoegd).
Het Hof rept in zijn rechtspraak over ‘coercion or oppression’. In het vervolg zal ik kortheidshalve het begrip ‘dwang’ gebruiken.
Zie onder meer EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 69: ‘The right not to incriminate oneself is primarily concerned (…) with respecting the will of an accused person to remain silent.’
Zie de vorige noot.
De rechtspraak van de toenmalige ECRM komt in het vervolg slechts aan de orde als dat van belang is voor een adequate duiding van de samenloopproblematiek. Datzelfde geldt voor de zogenoemde negatieve jurisprudentie van het EHRM. Zie daarover uitgebreid Myjer 2009, p. 399 e.v.
Zie hierover nader het document ‘Explanation of Importance Level & Case Reports’ (via www.echr.coe.int).
Naast de in art. 6 EVRM vastgelegde rechten, heeft het EHRM daarin enkele rechten gelezen. In zijn arrest in de zaak Funke leest het EHRM voor het eerst het recht van de verdachte om zichzelf niet te hoeven belasten.1 Dit recht vormt volgens het Hof de kern van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een behoorlijk strafproces.2 Het valt uiteen in een zwijgrecht (‘the right to remain silent’) en een meeromvattend niet-meewerkrecht (‘the right not to incriminate oneself’). Wat dit (terminologische) onderscheid behelst, volgt niet uit Funke en evenmin uit de daaropvolgende zaak John Murray. Enige duidelijkheid geeft het Hof in de zaak Saunders, wanneer het overweegt dat de op een verdachte uitgeoefende dwang of pressie3 om te verklaren, de meest verstrekkende inbreuk op het recht tegen gedwongen zelfbelasting is.4 Dit betreft het zwijgrecht. Het niet-meewerkrecht concentreert zich op de verkrijging van materiaal. Anders dan geldt voor verklaringen, is eigen aan (bepaald) materiaal dat het een bestaan kan hebben los van (de wil of persoon van) de verdachte.5 Dit maakt dat de nemo tenetur-problematiek met betrekking tot materiaal minder (snel) speelt.
In de zojuist genoemde en andere zaken waarin het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan de orde is, geeft het Hof verder invulling aan het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht en krijgt het onderscheid tussen beide meer reliëf. Hierna zal ik de voor deze studie relevante zaken beschrijven. Om beter zicht te krijgen op de (graduele) ontwikkeling van de opvattingen van het Hof, kies ik voor een beschrijving in chronologische volgorde.
Zeker in vergelijking met de overige rechtspraak van het Hof betreffende de in art. 6 EVRM vastgelegde of belichaamde rechten, is het aantal zaken waarin het recht tegen gedwongen zelfbelasting centraal staat, vrij gering (circa twintig). Ik zal niet al deze zaken behandelen; al was het maar omdat een aantal ervan niet werkelijk nieuwe elementen bevat ten opzichte van eerdere zaken. Tegelijk zal ik mij niet (kunnen) beperken tot die zaken waarin de samenloop van het recht tegen gedwongen zelfbelasting met een (met sancties bedreigde) fiscale meewerkplicht aan de orde was. Andere zaken waarin een niet-fiscale meewerkplicht speelt, verdienen zeker ook aandacht.
Van minder belang zijn de nemo tenetur-zaken waarin geen met sancties bedreigde (wettelijke) meewerkplicht in het geding is, maar waarin de autoriteiten bewijs afdwingen met miskenning van de fysieke integriteit van de verdachte (zoals de onmenselijke behandeling in Jalloh), de overheid misleidend of stiekem optreedt (zoals het uitlokken van een drugstransactie in Texeira de Castro) of buiten de wettelijke waarborgen om (zoals het plaatsen van een informant bij Allan in de politiecel). Deze zaken komen hierna enkel aan de orde wanneer die verder inzicht in de in § 1.8 uiteengezette samenloopproblematiek geven.6
Ik merk nog op dat het Hof een interpretatiewaarde aan door hem behandelde zaken toekent.7 De classificatie ‘Case Reports’ betreft het hoogste niveau (toegekend aan de dadelijk te bespreken zaken Heaney & McGuinness, J.B., Allen, Allan, Jalloh, O‘Halloran en Francis), gevolgd door ‘importance level 1’ (Funke, John Murray, Saunders, Quinn en Shannon), ‘importance level 2’ (Serves, Weh en Chambaz) en ten slotte ‘importance level 3’ (Van Weerelt). Bijzonderheden zijn vooral te vinden in zaken die zijn ingedeeld in de twee hoogste categorieën (Case Reports, importance level 1).