Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.4.5
4.4.5 Een hoofdzaak naar Duits recht versus een hoofdzaak naar Nederlands recht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644772:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verheul & Verstijlen (2016), p. 100.
BGHZ 03 maart 1956 - IV ZR 334/55, Rn 59; Zie hierover Hoofdstuk 2, §2.2.4.
Wichers (2002), p. 132.
Zie: Deel 4 BW, hoofdstuk 9.
Verheul & Verstijlen (2016), p. 95.
Art. 3:86 lid 1: “Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.”
Zwitser, WPNR 1996/6210, p. 87-91.
MünchKomm-BGB/Füller 2013, §947 BGB, Rn 6; Staudinger/Wiegand 2011, §947 BGB, Rn 7.
Zie Inleiding, 2.
Zie Hoofdstuk 3, §3.2.4.
Over de iura tollendi in het huidige recht zie hierna §4.8. Zoals uit het hieronder geschrevene zal blijken, kan de beperkt gerechtigde door de afscheiding het eigendomsrecht van de zaak terugkrijgen.
In Nederland is natrekking zonder hoofdzaak een “hoge uitzondering”.1 Wanneer twee of meer zaken met elkaar worden verbonden, wordt snel een hoofdzaak aangenomen. Dit is een wezenlijk verschil tussen het Duitse en Nederlandse recht. Naar Duits recht luidt immers de hoofdregel dat na verbinding mede-eigendom ontstaat. Van een hoofdzaak is slechts sprake „wenn die übrigen Bestandteile fehlen konnten, ohne daß das Wesen der Sache dadurch beeinträchtigt würde.“2 Een hoofdzaak wordt bij uitzondering aangenomen, zodat zoveel mogelijk eigendomsverlies door natrekking wordt voorkomen. Zoals reeds in het deel over het Duitse recht is besproken, hebben sommige juristen kritiek op deze regel. Wichers onderschrijft deze kritiek en stelt:
“In ons recht bestaat voor een vergelijkbare beperkte interpretatie [van het begrip ‘hoofdzaak’, toevoeging JCTF] geen grond. De inhoudelijke vormgeving van de regeling in de wet is afgestemd op voorwaarden die een soepel verloop van het handelsverkeer zoveel mogelijk bevorderen. Het gaat om het verminderen van complexiteit in de rechtsmacht over een zaak. Tegelijkertijd wordt de rechtszekerheid voor derden met deze inhoudelijke keuze gediend. Door een ruime werking toe te kennen aan art. 5:14 lid 1 BW leidt de bepaling ook daadwerkelijk in de regel tot de meest eenvoudige oplossing.”3
Met het beroep op een soepel verloop van het handelsverkeer en de rechtszekerheid van derden stelt Wichers dat het gerechtvaardigd is art. 5:14 lid 1 BW ruim te interpreteren, dat wil zeggen dat na de verbinding snel het ontstaan van een hoofdzaak moet worden aangenomen. Maar ís het handelsverkeer hierbij gebaat? In een tijd waarin het ideaal van de “circulaire economie” steeds meer op de voorgrond treedt, is dat nog maar de vraag.4 De leverancier onder eigendomsvoorbehoud, de lessor of de verhuurder van bijvoorbeeld een zonnepaneel of een (vliegtuig)motor, heeft geen baat bij het snel aannemen van een hoofdzaak, aangezien dat voor hem eigendomsverlies betekent.5 Hetzelfde kan gelden voor de huurder die de onderhoudskosten niet voor zijn rekening wil nemen. De leveranciers e.d. zullen bovendien aanvullende zekerheid willen zodat zij zich tegen (de gevolgen van) eigendomsverlies kunnen indekken. Dit brengt kosten mee. Daarentegen zal een leverancier die zijn eigendom na de verbinding behoudt over het algemeen instemmen met een verkoop van de zaak waarin zijn geleverde zaak is verwerkt.6 Uit de opbrengst kan zijn vordering immers worden voldaan. Dit zal hij ook doen als hij mede-eigenaar is geworden. Een grote verandering voor het handelsverkeer zal dat niet inhouden.
Wat betreft de rechtszekerheid en de positie van derden: de wet kent derdenbescherming als een roerende zaak wordt verkocht door een vervreemder die niet (geheel) beschikkingsbevoegd is.7 Inderdaad zijn bij het niet snel aannemen van een hoofdzaak gevallen denkbaar waarin derden geen bescherming krijgen, bijvoorbeeld als de zaak bij de vervreemder is gebleven, maar is dat een reden om snel een hoofdzaak aan te nemen met eigendomsverlies tot gevolg? Daarbij komt dat onder het huidige recht het eigendomsverlies al intreedt zonder dat een “derde” in beeld is. De leverancier van een zaak verliest immers zijn eigendom reeds op het ogenblik van verbinding en niet pas op het ogenblik dat een koper (derde) de eenheidszaak heeft gekocht. Dit komt omdat de regels van natrekking van dwingend recht zijn. De inleiding van Zwitser in zijn artikel over deze materie is veelzeggend:
“Natrekking, (oneigenlijke) vermenging en zaaksvorming leiden hier te lande, mede gelet op het recht in buurlanden, onredelijk vaak tot ontneming van een zakelijk recht aan de rechthebbende.”8
Een restrictieve uitleg van het begrip hoofdzaak is bij onze oosterburen een “grundrechtsorientierte Auslegung” ter voorkoming van eigendomsverlies door natrekking.9 Dit vertrekpunt overtuigt en voldoet ook aan het grondbeginsel van ons zakenrecht10: de bescherming van zakelijke rechten.
Het Nederlandse recht kende oorspronkelijk een zekere bescherming tegen eigendomsverlies door natrekking, al was zij een andere dan in het Duitse. Zoals in hoofdstuk 3 over het OBW naar voren is gekomen, deed onder het oude burgerlijke recht de verbinding van zaken slechts een vermoeden rijzen dat sprake was van natrekking.11 Dit vermoeden was weerlegbaar. De partij die zaken leverde onder eigendomsvoorbehoud bleef eigenaar, mits hij dit voorbehoud kon bewijzen en mits de afscheiding kon geschieden zonder dat de zaken werden beschadigd. Hetzelfde gold onder het OBW voor de beperkt gerechtigde, zoals de vruchtgebruiker, de beklemde meijer en de erfpachter, die in de uitoefening van hun recht hun zaken verbond met de zaken van een ander. Zij behielden hun eigendom en waren gerechtigd om de zaken af te scheiden. Ook een tijdelijke verbinding had in beginsel geen eigendomsverlies tot gevolg. De zaak bleef toebehoren aan de oorspronkelijke eigenaar en derhalve mocht hij ze losmaken.12 In al deze gevallen was een derde nog niet in beeld. Het eigendomsrecht ging definitief teniet als vervolgens een derde (te goeder trouw) de zaak in bezit verkreeg. Onder het huidige recht verliest de rechthebbende echter direct zijn zakelijke recht.