Het systeem van sanctionering van fiscale fraude
Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.4.1:4.4.1 Inleiding
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.4.1
4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270125:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Iedere bewuste frustratie van de fiscale waarheidsvinding.
Ook wordt terug gekomen op het onderdeel frustratie, al bleek uit de § 4.3. dat het frustreren zich ook vertaalt naar de gedragingen die fiscale fraude opleveren.
Zie § 4.4.2.
Zie § 4.4.3.
Art. 67a t/m 67ca AWR, zie § 3.4.2.4.
Art. 67d t/m 67f AWR.
Zie § 3.3.2.1.
HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431, NJ 1916/681 (Melk en waterarrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in deze paragraaf wordt ingegaan op een onderdeel van de definitie van fiscale fraude zoals aangelegd in paragraaf 4.2,1 in dit geval op de bewustheid (van het frustreren van de fiscale waarheidsvinding).2 Ondanks het feit dat in de definitie voor de term bewustheid is gekozen, gaat deze paragraaf, aldus de titel, over de intentie van een belastingplichtige bij fiscale fraude. Dit is geen juridische term, maar dekt alle onderwerpen die in de deelparagrafen binnen deze paragraaf aan bod komen.
Bewustheid, als bedoeld in de aangelegde fraudedefinitie, vertaalt zich naar de subjectieve bestanddelen van de delicten die in de vorige paragraaf het uitgangspunt vormden. Hiervan wordt eerst een overzicht gegeven.3 Ook wordt ingegaan op de betekenis van subjectieve bestanddelen in fiscale fraudezaken.4 Daarbij bestaat aandacht voor de gradaties van verwijtbaarheid, omdat bewustheid zich in verschillende sterkten kan manifesteren. De inspecteur moet in het huidige systeem van wettelijke sancties ten aanzien van belastingfraude volgens de bepalingen inzake verzuimboeten5 enkel aannemelijk maken dat het beboetbare verzuim is begaan, terwijl hij bij vergrijpboeten6 bovendien aannemelijk moet maken dat sprake is van opzet of grove schuld. Ditzelfde geldt voor de rechter in geval van stafrechtelijke overtredingen (volgens de wettelijke bepaling is geen opzet of schuld vereist) enerzijds en misdrijven anderzijds, hoewel bij de strafrechtelijke misdrijven opzet en niet grove schuld de ondergrens is. In het AAFD-Protocol wordt een vermoeden van opzet vereist wil strafrechtelijke vervolging überhaupt in beeld komen.7
Nu is het zo dat – in de definitie die voor dit onderzoek wordt gebruikt – het onderdeel bewust niet tussen haakjes is geplaatst, terwijl Hertoghs dit wel deed. Wat hem betreft kon van fiscale fraude kennelijk ook sprake zijn in geval van onbewust handelen. Deze gedachte is niet overgenomen, omdat onwetend handelen – getuige het Melk en Waterarrest van de Hoge Raad8 – niet kan worden aangemerkt als frustrerend handelen. In het woord ‘frustreren’ zit met andere woorden een vorm van bewustheid ingebakken.