HR, 12-12-2023, nr. 21/04572
ECLI:NL:HR:2023:1737
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-12-2023
- Zaaknummer
21/04572
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1737, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:976
ECLI:NL:PHR:2023:976, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1737
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0216
Uitspraak 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Niet voldoen aan op vader rustende plicht er voor te zorgen dat zijn 17-jarige zoon staat ingeschreven op een school, terwijl verdachte wettig gezag over zijn zoon is verloren, art. 2.1 Leerplichtwet 1969. Bewijsklacht “niet aan zijn verplichting heeft voldaan” en beroep op art. 2.2 Lpw. Kan verdachte verantwoordelijk worden geacht voor schoolverzuim? Mede in licht van wat raadsvrouw (met beroep op art. 2.2 Lpw en onder verwijzing naar stukken die zij op voorhand aan hof had toegezonden) op tz. in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is bewezenverklaring v.zv. deze inhoudt dat verdachte “niet aan zijn verplichting heeft voldaan”, niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04572
Datum 12 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2021, nummer 21-003642-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte “niet aan zijn verplichting heeft voldaan”.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 te Goor, gemeente Hof van Twente, in elk geval in Nederland en of Tsjechië, telkens als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 2001 overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, te weten [A] te [plaats] , die volledig dagonderwijs, dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt en dat deze jongere deze school of instelling, waar deze stond ingeschreven, geregeld bezocht/bezoekt, zulks terwijl:a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, enb. de jongere geen startkwalificatie had behaald.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Leerplicht 1969, d.d. 13 september 2018 (pagina’s 1 tot en met 8) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant] :
Als verdachten zijn aangemerkt:
[verdachte] (vader), geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ;
[betrokkene 1] (zoon), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] .
Schooljaar: 01-08-2018/31-07-2019
relatief schoolverzuim, te weten Kwalificatieplicht
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het Zorgteam van [A] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal. Dit betreft de periode van 04-09-2018 tot en met 13-09-2018 zijnde 8 schooldagen.
Ik, [verbalisant] , leerplichtambtenaar in dienst van gemeente Hof van Twente, belast met de handhaving van de Leerplichtwet, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar nummer akte van beëdiging 6027421, standplaats Hof van Twente, heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat:
- De jongere zelf verantwoordelijk is voor het schoolverzuim;
- Vader is mede verantwoordelijk, omdat jongere vermoedelijk bij hem verblijft.
VRIJSTELLING
(kwalificatieplicht)
Tevens heb ik vastgesteld dat de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet is geëindigd, maar dat de jongere geen startkwalificatie heeft als bedoeld in art. 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Meldingen huidige schooljaar (op grond waarvan pv is opgemaakt)
Schooljaar: 2018 - 2019
1e melding
Periode: 04-09-2018 t/m 13-09-2018
Aantal dagen/uren: 8 schooldagen
Datum melding: 04-09-2018
Interventie leerplichtambtenaar met data: uitnodigen Leerplichtgesprek d.d. 13-09-2018.
Resultaat: Vader en [betrokkene 1] melden zich afzonderlijk af via de mail. Ik heb hen nogmaals aangespoord te verschijnen bij het geplande verhoor. Ik ben ook tweemaal aan de deur geweest; er deed niemand open. Het ziet er verlaten uit.
(...)
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullend proces-verbaal Leerplicht 1969 met bijlagen, d.d. 6 juli 2020 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant] :
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het Zorgteam van [A] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal. Dit betreft de periode van 04-09-2018 tot en met 20-10-2018. Dit is de dag waarop [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (vader) met [betrokkene 1] is aangehouden door politie.
Vader is het wettig gezag op 6-9-2018 kwijtgeraakt.
De feitelijke verzorging ligt bij: vader (is het vermoeden).
In bijlage 3 met mailverkeer tussen mij en vader valt op te maken dat [betrokkene 1] tenminste gedurende een aantal weken tot 20-10-2018 bij zijn vader was.
Bijlage 5 (mutatierapport):
Datum: 20 oktober 2018
Staandehouding voertuig. Bestuurder betrof de verdachte [verdachte] [geboortedatum] 1968. De verdachte aangehouden. In het voertuig zat als bijrijder de zoon van de verdachte [betrokkene 1] [geboortedatum] 2001.
3. Een schriftelijk stuk, inhoudende de verklaring van verdachte door het hof op 19 oktober 2021 per e-mail ontvangen van de raadsvrouw van verdachte, voor zover inhoudende:
Ik vertrok maart 2018 naar Tsjechië. Mijn oudste zoon, [betrokkene 1] , kwam naar mij toe. En er was een internationaal opsporingsbevel gekomen, voor [betrokkene 1] . Hierdoor werd ik op 20 okt. (het hof begrijpt: 20 oktober 2018) gearresteerd.”
2.3.1
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van de raadsvrouw van 19 oktober 2021, gericht aan het hof, met daarbij gevoegd een aantal stukken, waaronder een plan van aanpak jeugdreclassering van 8 juni 2020 met betrekking tot [betrokkene 1] , de zoon van de verdachte. Dit plan van aanpak houdt onder meer in:
“ [betrokkene 1] is in maart 2018 gestopt met school. Hij gaf zelf aan dat zijn hoofd te vol zat door de problemen in de gezinssituatie waardoor hij zich niet kon concentreren en niets opnam in de les. Na overleg met de leerplichtambtenaar en de praktijkondersteuner van de huisarts heeft hij ontheffing van de leerplichtwet gekregen.
(...)
Dagbesteding/onderwijs/vrije tijd: [betrokkene 1] zijn hoofd zit zo vol dat hij niet in staat is om onderwijs of een andere vorm van dagbesteding te volgen.
(...)
Doel: [betrokkene 1] gaat weer naar school of heeft een andere vorm van dagbesteding.
Wie doet wat, wanneer: [betrokkene 1] gaat hierover in gesprek met de [betrokkene 3] en de jeugdreclasseerder. Dit wordt ingezet als [betrokkene 1] er toe in staat is.
Wanneer gerealiseerd: Einde jeugdreclasseringsmaatregel.
Resultaat: Niet behaaldVoortgang op doel: Dit doel vraagt de volledige proeftijd om te onderzoeken wat voor [betrokkene 1] mogelijk is op het gebied van onderwijs, werk en/of een vorm van dagbesteding. Door middel van gesprekken met de [betrokkene 3] [B] en de jeugdreclasseerder is en wordt hierop ingezoomd. Het is en blijft lastig om ergens naartoe te werken omdat [betrokkene 1] zelf niet weet wat hij wil of niet wil. Zijn hoofd blijft vol zitten met het zorg dragen voor zijn vader en zijn broertjes. [betrokkene 1] lijkt hierdoor stil te staan in zijn eigen ontwikkeling.”
2.3.2
Bij de hiervoor genoemde e-mail van de raadsvrouw is verder een verklaring gevoegd van [betrokkene 1] van 18 oktober 2021. Deze verklaring houdt in:
“Hierbij verklaar ik, [betrokkene 1] dat:
Ik op eigen initiatief naar mijn vader ben vertrokken. Ben daar ook altijd vrij geweest om te gaan en staan waar ik wilde, had op elk moment (als dat mijn wens geweest zou zijn) terug kunnen keren naar Nederland.
Dat ik mijn schoolgang beëindigd hebt, wegens persoonlijke omstandigheden. Mijn vader wilde mij graag op school hebben, maar hij, noch enige andere instantie (Jeugdzorg, Jeugdreclassering, etc.) heeft dat doel ooit weten te bereiken. Hij is tot op vandaag de dag een van de weinige die mij nog onderricht.”
2.3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren per e-mail stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw.
(...)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging.Het gaat om een bijzondere situatie, nu het ouderlijk gezag van de zoon bij de moeder ligt. Uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd. Het is niemand gelukt om hem naar school te sturen. Alleen de vader wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden, gelet op artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). Cliënt heeft zijn zoon altijd gemotiveerd om naar school te gaan. De verdediging meent dat sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 Lpw. Ik verzoek u daarom cliënt vrij te spreken.”
2.4
De volgende bepalingen van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw), zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit, zijn van belang.
- Artikel 2 leden 1 en 2:
“1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.”
- Artikel 4a leden 1 en 3:
“1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en
b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
(...)
3. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.”
2.5
Mede in het licht van wat de raadsvrouw – met een beroep op artikel 2 lid 2 Lpw en onder verwijzing naar stukken die zij op voorhand aan het hof had toegezonden – op de terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte “niet aan zijn verplichting heeft voldaan”, niet toereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2023.
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Leerplichtwet. Middel klaagt o.m. dat hof niet heeft gereageerd op u.o.s. dat de in art. 2 lid 2 Lpw opgenomen uitzonderingsgrond van toepassing is. De klacht slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04572
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij mondeling arrest van 20 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichting niet nakomen" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 te Goor, gemeente Hof van Twente, in elk geval in Nederland en of Tsjechië, telkens als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere [betrokkene 1] , geboren 28 juni 2001 overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, te weten S.G. [betrokkene 2] te [plaats] , die volledig dagonderwijs, dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt en dat deze jongere deze school of instelling, waar deze stond ingeschreven, geregeld bezocht/bezoekt, zulks terwijl: a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald.”
5. Het mondeling arrest van het hof is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Die aantekening houdt onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Leerplicht 1969, d.d. 13 september 2018 (pagina’s 1 tot en met 8) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [betrokkene 3] :
Als verdachten zijn aangemerkt:
[verdachte] (vader), geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
[betrokkene 1] (zoon), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats]
Schooljaar: 01-08-2018/31-07-2019
Relatief schoolverzuim, te weten Kwalificatieplicht
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het [betrokkene 2] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel I van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal.
Dit betreft de periode van 04-09-2018 tot en met 13-09-2018 zijnde 8 schooldagen.
Ik, [betrokkene 3] , leerplichtambtenaar in dienst van gemeente Hof van Twente, belast met de handhaving van de Leerplichtwet, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar nummer akte van beëdiging 6027421, standplaats Hof van Twente, heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat:
- De jongere zelf verantwoordelijk is voor het schoolverzuim
- Vader is mede verantwoordelijk, omdat jongere vermoedelijk bij hem verblijft.
VRIJSTELLING
(kwalificatieplicht)
Tevens heb ik vastgesteld dat de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet is geëindigd, maar dat de jongere geen startkwalificatie heeft als bedoeld in art. 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Meldingen huidige schooljaar (op grond waarvan pv is opgemaakt)
Schooljaar: 2018 - 2019
1e melding
Periode: 04-09-2018 t/m 13-09-2018
Aantal dagen/uren: 8 schooldagen
Datum melding: 04-09-2018
Interventie leerplichtambtenaar met
data: uitnodigen Leerplichtgesprek d.d. 13-09-2018.
Resultaat: Vader en [betrokkene 1] melden zich afzonderlijk af via de mail. Ik heb hen nogmaals
aangespoord te verschijnen bij het geplande verhoor. Ik ben ook tweemaal aan de deur geweest: er deed niemand open. Het ziet er verlaten uit.
[ABSENTIEOVERZICHT (…)]
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullend proces-verbaal Leerplicht 1969 met bijlagen, d.d. 6 juli 2020 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [betrokkene 3] :
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het [betrokkene 2] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal. Dit betreft de periode van 04-09-2018 tot en met 20-10-2018. Dit is de dag waarop [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (vader) met [betrokkene 1] is aangehouden door politie.
Vader is het wettig gezag op 6-9-2018 kwijtgeraakt.
De feitelijke verzorging ligt bij: vader (is het vermoeden).
In bijlage 3 met mailverkeer tussen mij en vader valt op te maken dat [betrokkene 1] tenminste gedurende een aantal weken tot 20-10-2018 bij zijn vader was.
Bijlage 5 (mutatierapport):
Datum: 20 oktober 2018
Staandehouding voertuig.
Bestuurder betrof de verdachte [verdachte] [geboortedatum] 1968. De verdachte aangehouden. In het voertuig zat als bijrijder de zoon van de verdachte [betrokkene 1] [geboortedatum] 2001.
3. Een schriftelijk stuk, inhoudende de verklaring van verdachte door het hof op 19 oktober 2021 per e-mail ontvangen van de raadsvrouw van verdachte, voor zover inhoudende:
Ik vertrok maart 2018 naar Tsjechië. Mijn oudste zoon, [betrokkene 1] , kwam naar mij toe. En er was een internationaal opsporingsbevel gekomen, voor [betrokkene 1] . Hierdoor werd ik op 20 okt. (het hof begrijpt: 20 oktober 2018) gearresteerd.”
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voorts onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):
“De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren per e-mail stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw. (…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging.
Het gaat om een bijzondere situatie, nu het ouderlijk gezag van de zoon bij de moeder ligt. Uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd. Het is niemand gelukt om hem naar school te sturen. Alleen de vader wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden, gelet op artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw). Cliënt heeft zijn zoon altijd gemotiveerd om naar school te gaan. De verdediging meent dat sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 Lpw. Ik verzoek u daarom cliënt vrij te spreken. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van cliënt merk ik op dat zijn situatie ongewijzigd is gebleven. Hij leeft van een minimale uitkering in Tsjechië.
Bewezenverklaring
Door voormelde wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. (…)”
De verplichtingen van de Leerplichtwet
“1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer zijn vermeld. Bij gebrek aan een burgerservicenummer wordt zo mogelijk het onderwijsnummer van de jongere overgelegd. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.”
8. Artikel 4a van de Leerplichtwet houdt voor zover relevant in:
“1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling, vavo-student of mbo-student bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, of 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een onderwijsprogramma dat is vormgegeven volgens een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100, eerste lid, of 2.109, derde lid, van die wet verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en
b. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
(…)
3. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.”
9. Op grond van de Leerplichtwet zijn jongeren tussen de vijf en zestien jaar leerplichtig.1.Degene die het gezag over de jongere uitoefent en degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere heeft belast, dient of dienen er blijkens artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet voor te zorgen dat de jongere, zodra die leerplichtig wordt, als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.2.
10. Voor jongeren tussen de zestien en achttien jaar die nog geen startkwalificatie – (minimaal) een diploma havo, vwo of mbo (niveau 2 of hoger) – hebben behaald, geldt dat zij op grond van artikel 4a lid 1 van de Leerplichtwet kwalificatieplichtig zijn. Ook in die gevallen dient degene die het gezag over de jongere uitoefent, dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging heeft belast, ervoor te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.
11. In artikel 2 lid 2 van de Leerplichtwet is een uitzonderingsgrond opgenomen: de verplichting uit artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet geldt niet als de voor inschrijving of voor schoolbezoek verantwoordelijke persoon kan aantonen dat hij of zij voor het niet nakomen van de door de Leerplichtwet op hem gelegde verplichtingen niet verantwoordelijk kan worden geacht. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt deze bepaling de bewijslast van het Openbaar Ministerie om te keren. Dat wil zeggen dat een gedagvaarde betrokken persoon zonder nader bewijs verantwoordelijk kan worden geacht voor naleving van de verplichtingen uit de Leerplichtwet. Beroept hij zich echter op de uitzonderingsgrond dan zal hij zélf moeten kunnen aantonen dat hij voor een en ander niet verantwoordelijk is.3.
De bespreking van het middel
12. De stellers van het middel klagen, als gezegd, dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
13. Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan in cassatie van de volgende, door de verdediging niet betwiste, feiten en omstandigheden worden uitgegaan.
i. Naar aanleiding van melding van ongeoorloofd schoolverzuim is een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim van de zoon van de verdachte in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018.
ii. Op 6 september 2018 is de verdachte het wettige gezag over zijn zoon kwijtgeraakt.
iii. De verdachte wordt voor het schoolverzuim van zijn zoon mede verantwoordelijk gehouden omdat zijn zoon, zo “is het vermoeden”, bij hem verblijft (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop dit vermoeden/deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd).
iv. De leerplichtambtenaar heeft verklaard dat uit mailverkeer tussen hem en de verdachte volgt dat de zoon van de verdachte tot 20 oktober 2018 “tenminste gedurende een aantal weken” bij de verdachte (in Tsjechië) verbleef (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd en zonder nadere specificatie van de bedoelde weken).
v. De verdachte heeft een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat hij in maart 2018 naar Tsjechië is gegaan en dat “zijn zoon naar hem toe is gekomen” (zonder nadere specificatie van de dag waarop dat is gebeurd).
vi. Op 20 oktober 2018 zijn de verdachte en zijn zoon in Tsjechië aangehouden.
14. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 niet aan de op hem rustende verplichtingen uit de Leerplichtwet heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, die zich op dat moment met de feitelijke verzorging van zijn zeventienjarige en tevens kwalificatieplichtige zoon had belast, er niet voor gezorgd dat zijn zoon de school waar hij stond ingeschreven ook geregeld bezocht.
15. In de eerste plaats klagen de stellers van het middel dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet dekken omdat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich in de periode van “4 september 2018 tot en met 13 september 2018” met de feitelijke verzorging van zijn zoon heeft belast.
16. Met de stellers van het middel meen ik dat een substantieel deel van de door het hof bewezen verklaarde periode van dit voortdurend omissiedelict, te weten de periode van 7 tot en met 13 september 2018, niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt immers dat de verdachte het wettige gezag over zijn zoon op 6 september 2018 is verloren, terwijl uit de bewijsmiddelen inderdaad niet kan worden afgeleid wie zich gedurende de daaropvolgende dagen met de feitelijke verzorging van de jongere heeft belast. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
17. Naast de periode van 7 tot en met 13 september 2018 omvat de bewezenverklaring echter tevens de dagen van 4 en 5 september 2018. Nu de verdachte in deze dagen wel (mede) het wettige gezag over zijn zoon had, en de bewezenverklaring verwijst naar (de verplichtingen van) “een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid” (van – naar ik begrijp – de Leerplichtwet), is de bewezenverklaring slechts in zoverre gedekt.
18. In de tweede plaats klagen de stellers van het middel dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer waarin zij een beroep heeft gedaan op de in artikel 2 lid 2 van de Leerplichtwet opgenomen uitzonderingsgrond en om vrijspraak heeft verzocht. Ter onderbouwing van dat beroep heeft zij er onder andere op gewezen dat “uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd; het niemand is gelukt om hem naar school te sturen; de verdachte zijn zoon altijd heeft gemotiveerd om naar school te gaan”.
19. Het hof heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, niet gereageerd op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht. Het hof heeft het verweer kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekte om op de voet van artikel 2 lid 2 van de Leerplichtwet "aan te tonen" dat de verdachte er niet verantwoordelijk voor kon worden gehouden dat zijn zoon de school waar hij stond ingeschreven niet bezocht. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk.4.Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging nadrukkelijk een beroep heeft gedaan op genoemde bepaling en voorafgaand aan de zitting per e-mail verschillende stukken aan het hof heeft overgelegd om haar standpunt te onderbouwen. Ik wijs daarbij in het bijzonder nog op een overgelegde verklaring van de zoon van de verdachte waarin hij schrijft dat zijn vader hem graag naar school wilde hebben, maar dat hij, noch enige andere instantie dat doel ooit heeft weten te bereiken. Nu het hof in het geheel niet heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, schiet de motivering van de bewezenverklaring tekort. Ook in zoverre slaagt het middel.
20. Ten slotte klagen de stellers van het middel dat het bewezen verklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als het in het arrest gekwalificeerde delict.
21. De bewezenverklaring van het hof houdt, voor zover relevant, in dat de verdachte (onderstrepingen mijnerzijds) “als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere (…) overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a. van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, (…) zulks terwijl: a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald”.
22. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als (onderstrepingen mijnerzijds) “als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichting niet nakomen”.
23. De stellers van het middel beogen kennelijk te klagen dat het hof, nu het slechts bewezen heeft verklaard “artikel 2, eerste lid”, het bewezen verklaarde onjuist heeft gekwalificeerd. Op grond van het voorgaande, de onder randnummer 8 geciteerde bepaling in het bijzonder, faalt de klacht dat het bewezen verklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als het in het arrest gekwalificeerde delict, evident.
Slotsom
24. Het middel slaagt.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
Vgl. ook HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3033.
Kamerstukken II 1992/93, 22 900, nr. 3, p. 20-21. Vgl. ook de conclusie van A-G Spronken van 24 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:506, onder randnr. 5.15.
Vgl. in dit verband HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0399, NJ 2015/277 m.nt. Mevis. In die zaak achtte de Hoge Raad het niet onbegrijpelijk dat het hof hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren was gebracht niet had opgevat als een voldoende onderbouwd beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2 lid 2 van de Leerplichtwet. De Hoge Raad nam daarbij onder meer in aanmerking dat de verdachte werd bijgestaan door een raadsman die, anders dan in het onderhavige geval, géén beroep had gedaan op genoemde bepaling.