HR, 07-01-2014, nr. 12/03413
ECLI:NL:HR:2014:29
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-01-2014
- Zaaknummer
12/03413
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:29, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑01‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2250
ECLI:NL:PHR:2013:2250, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 05‑11‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:29
- Vindplaatsen
Uitspraak 07‑01‑2014
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO. Ambtshalve: strafoplegging art. 197 (oud) Sr en terugkeerrichtlijn. HR stelt ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:705 voorop. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. HR vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging.
Partij(en)
7 januari 2014
Strafkamer
nr. 12/03413
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 februari 2012, nummer 23/005304-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1.
In zijn arrest van 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3151, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr, zich ervan dient te vergewissen dat de stappen van de in de terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen en daarvan in de motivering van zijn beslissing dient blijk te geven. De Hoge Raad heeft aanleiding gezien in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen vóór 21 mei 2013 de naleving van deze regels ambtshalve te onderzoeken (vgl. HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:705).
3.2.
Wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr is de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.
3.3.
Nu de cassatieschriftuur vóór 21 mei 2013 bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen, zal de Hoge Raad het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging ambtshalve vernietigen.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2014.
Conclusie 05‑11‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO. Ambtshalve: strafoplegging art. 197 (oud) Sr en terugkeerrichtlijn. HR stelt ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:705 voorop. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. HR vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging.
Nr. 12/03413
Mr. Wortel
Zitting 5 november 2013
conclusie inzake
[verdachte]
1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 7 februari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij behoudens de strafoplegging en de motivering daarvan is bevestigd een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam, waarbij is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feiten die zijn gekwalificeerd als (1) “diefstal”, (2) “poging tot diefstal” en (3) “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”. Ter zake van die feiten heeft het Hof de verdachte drie maanden gevangenisstraf opgelegd.
1.2 Door middel van een als “cassatierekest” aangeduide cassatieschriftuur heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, overigens zonder in de schriftuur met zoveel woorden te vermelden dat de verdachte haar tot het indienen daarvan bepaaldelijk heeft gemachtigd (ook in de aanbiedingsbrief is dat niet te vinden), middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het de in eerste aanleg gedane uitspraak ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd, faalt omdat die beslissing, op zichzelf beschouwd, geen nadere of afzonderlijke motivering behoeft.
3. Het tweede middel faalt omdat daarin de bewezenverklaring ter zake van het onder 1, primair tenlastegelegde wordt bestreden met louter stellingen van feitelijke aard, die in cassatie geen voorwerp van onderzoek kunnen zijn.
4. Het derde middel faalt om dezelfde reden en voorts omdat het gewag maakt van een (betrouwbaarheids-) verweer waarvan uit de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet blijkt dat het ter terechtzitting in hoger beroep is gevoerd.
5. Het vierde middel faalt omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar niet méér is aangevoerd, met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen op de grond “De verdachte zou niet terug kunnen keren naar Algerije”. Aldus is niet het met concrete feiten en omstandigheden onderbouwde verweer gevoerd dat de verdachte al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om Nederland te verlaten. Tot een nadere motivering van zijn oordeel dat de beslissingen van de eerste rechter kunnen worden bevestigd, ook wat betreft de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde feit, was het Hof daarom niet gehouden.
6.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
6.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G