Rb. Zeeland-West-Brabant, 07-01-2022, nr. AWB- 18, 5115 en 18, 5226
ECLI:NL:RBZWB:2022:68
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
07-01-2022
- Zaaknummer
AWB- 18_5115 en 18_5226
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2022:68, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07‑01‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:403, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RBZWB:2020:6908, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31‑12‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑01‑2022
Inhoudsindicatie
WET
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 18/5115 WET en BRE 18/5226 WET
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaken tussen
[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , te [plaatsnaam] ,
eisers in de zaak met zaaknummer BRE 18/5115 WET,
derde partij in de zaak met zaaknummer BRE 18/5226 WET,
hierna samen in meervoud te noemen: [naam eisers] ,
en
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] ,
eiseres in de zaak met zaaknummer BRE 18/5226 WET,
derde partij in de zaak met zaaknummer BRE 18/5115 WET,
hierna te noemen: [naam eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.K. Boelens,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2017 (primair besluit) heeft het college [naam eisers] een tegemoetkoming in de planschade toegekend van € 20.500,-, vermeerderd met wettelijke rente. Daarvan wordt 70%, te weten een bedrag van € 14.350,-, verhaald op [naam eiseres] .
In het besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [naam eisers] en [naam eiseres] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
[naam eisers] en [naam eiseres] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 18 april 2019, tegelijk met de beroepen in de zaken BRE 18/5040 WET en BRE 18/5222 WET.
Nadat ter zitting is gebleken dat niet alle partijen over alle op hun zaken betrekking hebbende gedingstukken beschikten, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft de rechtbank ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2019 (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:1436) over een verzoek om tegemoetkoming in planschade van de eigenaar van een nabij het perceel van [naam eisers] gelegen perceel. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien de behandeling van deze beroepen aan te houden totdat de Afdeling einduitspraak heeft gedaan.
Het onderzoek ter zitting is hervat op de zitting van de rechtbank van 19 november 2020. De beroepen zijn behandeld tegelijk met de beroepen in de zaken BRE 18/5040 WET en BRE 18/5222 WET. Aanwezig waren [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiseres] samen met
mr. T.A.P. Langhout RT als deskundige en namens het college [naam vertegenwoordiger] . De gemachtigde van [naam eiseres] was niet aanwezig.
De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 31 december 2020 heropend om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De StAB heeft op 25 mei 2021 schriftelijk verslag uitgebracht.
Na ontvangst van het definitieve rapport van de StAB heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Alle partijen hebben daarvan gebruik gemaakt. [naam eiseres] en het college hebben naar voren gebracht dat zij geen op- of aanmerkingen hebben op het advies van de StAB. [naam eisers] hebben een aantal op- en aanmerkingen naar voren gebracht.
Voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van de rechtbank op 26 november 2021. [naam eiser 1] en [naam eiser 2] waren aanwezig. Verder zijn verschenen [naam eiseres] en namens het college [naam vertegenwoordiger] . De gemachtigde van [naam eiseres] was, met voorafgaand bericht, niet aanwezig.
Overwegingen
De heropeningsbeslissing
1. Voor een weergave van de feiten, het wettelijk kader en een bespreking van de beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de heropeningsbeslissing van 31 december 2020.
De heropeningsbeslissing is aangehecht aan deze uitspraak en maakt daar integraal onderdeel van uit.
Terugkomen op oordelen in heropeningsbeslissing?
2.1
[naam eisers] hebben aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank, inhoudende dat op hun aanvraag om toekenning van planschadevergoeding de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is, niet in stand kan blijven. Het verzoek moet worden beoordeeld met toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verder hebben zij gesteld dat de rechtbank het vrijstellingsbesluit ten onrechte niet heeft aangemerkt als een zelfstandige schadeoorzaak. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [naam eisers] ten onrechte geoordeeld dat opslag van kuilvoer onder het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 1] ” (het oude bestemmingsplan) tot de mogelijkheden behoorde. Ook het oordeel van de rechtbank over de mogelijkheid van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is niet juist. Tot slot heeft de rechtbank volgens [naam eisers] het percentage voor het normaal maatschappelijk risico ten onrechte op 4% bepaald.
De rechtbank overweegt dat over al deze onderwerpen in de tussenbeslissing een oordeel gegeven is. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden teruggekomen op een eerder in de procedure gegeven oordeel. In dit geval is er geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De feiten en omstandigheden die [naam eisers] na de heropeningsbeslissing hebben aangevoerd, zijn deels al eerder aangevoerd. Voor zover zij nu hebben gewezen op feiten en omstandigheden die zij niet eerder hebben aangevoerd, is er geen sprake van feiten of omstandigheden die niet al eerder in de procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dat betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om ten aanzien van deze onderwerpen terug te komen op het eerdere oordeel daarover.
2.2
[naam eisers] hebben daarnaast gesteld dat het college op grond van de Ruimte-voor-ruimteregeling in 2005 een voorbereidingsbesluit had moeten nemen. Het college heeft dat ten onrechte nagelaten. Had het college wel een voorbereidingsbesluit genomen, dan was dat het aanknopingspunt geweest voor het indienen van een planschadeverzoek. Het voorbereidingsbesluit vormde volgens [naam eisers] een schadeoorzaak in de zin van artikel 49 van de WRO. Dat planschadeverzoek zou vervolgens zijn beoordeeld met toepassing van de WRO.
[naam eisers] hebben dit ook voorafgaand aan het nemen van de tussenbeslissing aangevoerd en de rechtbank heeft hierover in de heropeningsbeslissing een oordeel gegeven. Ook hier geldt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om terug te komen op dit eerdere oordeel.
Conclusie in de heropeningsbeslissing
3. De rechtbank heeft in de heropeningsbeslissing geconcludeerd dat aan het advies van [naam adviseur] Adviseurs dat door het college aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd zodanige gebreken kleven, dat het college bij het nemen van een besluit op het verzoek om planschade niet van dat advies heeft mogen uitgaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding om nu op deze conclusie terug te komen. Dat betekent dat de beroepen van [naam eisers] en [naam eiseres] gegrond zijn. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
De StAB
4. Met het oog op finale geschilbeslechting heeft de rechtbank in de heropeningsbeslissing het onderzoek heropend om de StAB als deskundige te benoemen voor het instellen van onderzoek.
De StAB heeft de bevindingen van haar onderzoek neergelegd in een verslag van 25 mei 2021. Ten behoeve van het onderzoek heeft de StAB de situatie onder het oude regime verdeeld in vier gebieden, te weten:
gronden waarvoor op grond van het oude bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch doeleinden” met subbestemming (Akl) gold, met een aanduiding voor een bebouwingsvlak,
gronden waarvoor op grond van het oude bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch doeleinden” met subbestemming (Akl) gold, zonder aanduiding voor een bebouwingsvlak,
de gronden waarvoor op grond van het vrijstellingsbesluit van 6 december 2005, bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van in totaal vier woningen op de percelen [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] ,
de gronden waarop het projectbesluit van 14 april 2009 zag.
De StAB heeft de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van ieder van de gebieden, vergeleken met de mogelijkheden van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 2] ” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan).
De StAB is op basis van die vergelijking samengevat tot de conclusie gekomen dat er een mix bestaat van planologische voor- en nadelen. Per saldo is er, met name gelet op de situeringswaarde, sprake van een verslechtering.
De StAB heeft taxateur mr. H.J.J.M. Oldenkotte BRE RM RT ingeschakeld. Het taxatierapport is als bijlage bij het advies van de StAB opgenomen. De waarde van de woning direct voor de peildatum is getaxeerd op € 715.000,-. De waarde op de peildatum is getaxeerd op € 685.000,-. Er is volgens het taxatierapport dan ook sprake van een verschil van € 30.000,-.
Status StAB-adviezen
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat de rechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het door de StAB uitgebrachte verslag. Dat is slechts anders indien het verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
Ambtshalve: nieuwe gronden in strijd met de goede procesorde?
6. [naam eisers] hebben er in reactie op het advies van de StAB op gewezen dat er in het plangebied bomen stonden. Het moet ervoor worden gehouden dat als gevolg van de aanwezigheid van de bomen onder het oude regime ontwikkelingen ter plaatse met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk niet konden plaatsvinden. Voor zover ontwikkelingen mogelijk waren, zouden deze door de bomen aan het zicht werden onttrokken. [naam eisers] hebben daarnaast gesteld dat de StAB ten onrechte heeft nagelaten om het gewicht van de schadefactoren uitzicht, privacy, hinder, situeringswaarde en bezonning gemotiveerd inzichtelijk te maken.
[naam eisers] hebben deze beroepsgronden niet eerder aangevoerd, terwijl niet aannemelijk is geworden dat deze beroepsgronden niet eerder had kunnen worden ingediend. In het eerdere, door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van [naam adviseur] Adviseurs was immers ook geen rekening gehouden met de aanwezigheid van bomen en was het gewicht van de verschillende schadefactoren ook niet gekwalificeerd. Als [naam eisers] zich daarmee niet konden verenigen had het op hun weg gelegen dit in een eerder stadium naar voren te brengen. [naam eisers] hebben dat nagelaten, waarna de StAB het onderzoek overeenkomstig de onderzoeksopdracht op dezelfde uitgangspunten heeft gebaseerd als eerder door [naam adviseur] Adviseurs zijn gehanteerd.
Een afweging van de proceseconomie en de processuele belangen over en weer brengt mee dat het indienen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet in de beoordeling betrekken.
StAB-advies onzorgvuldig tot stand gekomen?
7.1
[naam eisers] hebben aangevoerd dat zij in reactie op het conceptadvies van de StAB een aantal opmerkingen hebben gemaakt, waarop de StAB ten onrechte niet heeft gereageerd. Zo hebben [naam eisers] de StAB erop gewezen dat het vrijstellingsbesluit als een zelfstandige schadeoorzaak moet worden aangemerkt, dat onder het oude regime opslag van voer tot de perceelsgrens niet mogelijk was en dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bebouwingsvlak slechts mogelijk waren tot een hoogte van maximaal één meter.
Dat de StAB niet inhoudelijk op deze opmerkingen van [naam eisers] heeft gereageerd, betekent niet dat het advies van de StAB niet zorgvuldig tot stand gekomen is. Zoals de StAB ook heeft opgemerkt was de StAB voor de uitgangspunten van het advies gebonden aan de opdracht van de rechtbank en aan heropeningsbeslissing.
7.2
[naam eisers] hebben er daarnaast op gewezen dat de StAB hun reactie op het conceptrapport ten onrechte niet heeft voorgelegd aan de taxateur. Volgens de opdrachtbevestiging van de StAB aan de taxateur zal ook de taxateur worden gevraagd om te reageren op reacties van partijen op het concept.
In de opdrachtbevestiging van de StAB aan de taxateur is vermeld dat indien de reacties van partijen betrekking hebben op het taxatierapport aan de taxateur wordt gevraagd om daarop te reageren. De reactie van [naam eisers] zag niet op het taxatierapport, maar alleen op de uitgangspunten die bij de taxatie in aanmerking genomen moeten worden. Het vaststellen en omschrijven daarvan is niet aan de taxateur. Dat de StAB de reactie van [naam eisers] niet aan de taxateur heeft voorgelegd, betekent dan ook niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
7.3
[naam eisers] hebben verder gesteld dat het kaartmateriaal op pagina 31 van het advies suggestief is, omdat daarin van de percelen aan de [adres 4] alleen het perceel van [naam eiseres] aan de [adres 5] is aangeduid en niet ook de percelen aan de [adres 6] , terwijl die ook van invloed zijn.
Zoals de StAB in reactie hierop heeft medegedeeld is het perceel van [naam eiseres] voorzien van een markering, omdat [naam eiseres] ook partij is in dit geschil. Daarom is haar perceel, net zoals het perceel van [naam eisers] voorzien van een markering. In het licht van deze toelichting valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de markering suggestief zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de tekst van het advies in voldoende mate blijkt dat ook de percelen aan de [adres 6] in aanmerking zijn genomen.
Planvergelijking: nadelige effecten nieuwe regime gebied 2 onderschat?
8. [naam eisers] hebben gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 30 augustus 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:3775) en gesteld dat ook daarin sprake is van een vergelijking tussen de mogelijkheid van opslag van voer tot aan de erfgrens onder het oude regime, en wonen in het nieuwe regime.
Blijkens die uitspraak heeft de StAB in het beroep dat aan de rechtbank Noord-Nederland ter beoordeling voorlag gesteld dat de privacy in behoorlijk grote mate was afgenomen. Er was daarom naar het oordeel van de StAB sprake van zwaar planologisch nadeel. Ten aanzien van de situeringswaarde was er in die zaak volgens de StAB sprake van middelzware tot zware schade.
De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat volgens [naam eisers] de StAB ten aanzien van gebied 2 de gevolgen van de wijziging naar een woonbestemming heeft onderschat en dat ook in hun situatie het planologische nadeel als gevolg van de verminderde privacy en situeringswaarde als zwaar tot middelzwaar moet worden gekwalificeerd.
Dat in de zaak die aan de rechtbank Noord-Nederland ter beoordeling voorlag sprake was van een vergelijking tussen de mogelijkheid van opslag van voer tot aan de erfgrens onder het oude regime, en wonen in het nieuwe regime, betekent niet dat in die zaak sprake was van een situatie die exact gelijk is aan de situatie van [naam eisers] Onderbouwing daarvan ontbreekt. Ook als de situatie in die uitspraak overeenkomsten vertoont met de situatie in het beroep van [naam eisers] vormt het enkele feit dat de kwalificatie van de schadeoorzaken door de StAB in dit beroep afwijkt van de kwalificatie daarvan in het beroep bij de rechtbank Noord-Nederland geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de volledigheid en juistheid van het advies van de StAB. De rechtbank overweegt daarbij dat iedere situatie op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Daarnaast kunnen ook bij situaties die gelijkenis vertonen nieuwe informatie en inzichten aanleiding vormen om een beoordeling op andere uitgangspunten te baseren.
Taxatie
9. De StAB heeft taxateur mr. H.J.J.M. Oldenkotte BRE RM RT ingeschakeld. Hij heeft de waarde van de woning direct voor de peildatum getaxeerd op € 715.000,-. De waarde op de peildatum is getaxeerd op € 685.000,-. Er is volgens het taxatierapport dan ook sprake van een verschil van € 30.000,-.
[naam eisers] hebben erop gewezen dat de waardevermindering van de woning aan de [adres 7] 6,1% bedroeg. De StAB had hier tot een vergelijkbaar schadepercentage moeten komen, gelet op de gelijkenis tussen de percelen. De rechtbank heeft in de onderzoeksopdracht ook niet bepaald dat de StAB voor de planvergelijking en het schadepercentage geen aansluiting mocht zoeken bij de lijn die daarover bij het planschadeverzoek van de eigenaar van de [adres 7] is gevolgd.
De rechtbank overweegt dat iedere situatie op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. In de zaak van de bewoner van de [adres 7] zijn andere uitgangspunten gehanteerd dan in het onderzoek voor de woning van [naam eisers] Bovendien zag dat verzoek om planschade op drie schadeoorzaken, terwijl het verzoek van [naam eisers] slechts op één schadeoorzaak ziet. Dat de waardedaling in het geval van [naam eisers] afwijkt van de waardedaling van de [adres 7] betekent dan ook niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen. De StAB heeft de taxatie met betrekking tot de [adres 7] op goede gronden buiten beschouwing gelaten.
Conclusie ten aanzien van StAB-advies
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de inhoud van het StAB-advies aan de beoordeling ten grondslag zal leggen.
Conclusie ten aanzien van tegemoetkoming
11.1
Uitgaande van een waardedaling van de woning van € 30.000,- en een percentage van 4% van € 715.000,- voor het normaal maatschappelijk risico wat op de waardedeling in mindering moet worden gebracht, resteert een tegemoetkoming in de planschade van € 1.400,-.
De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen, de tegemoetkoming te bepalen op € 1.400,- en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
11.2
[naam eisers] hebben verzocht om toekenning van wettelijke rente over de tegemoetkoming met ingang van 6 december 2005 als datum van het vrijstellingsbesluit.
Indien het bestuursorgaan een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro toekent, vergoedt het daarbij gelet op artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Wro ook de wettelijke rente, te rekenen met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag. Deze bepaling is dwingendrechtelijk van aard, zodat daarvan niet kan worden afgeweken. De rechtbank zal het verzoek om wettelijke rente daarom toewijzen met ingang van 19 oktober 2016, de datum van ontvangst van de aanvraag.
Griffierecht en proceskosten
[naam eisers]
12.1.1
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan [naam eisers] het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
[naam eisers] hebben de rechtbank verzocht het college te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het griffierecht, als het griffierecht niet binnen twee weken aan hen is betaald.
Artikel 8:74 van de Awb vormt de basis voor de vergoeding van het griffierecht door het college. In dit artikel is geen aanknopingspunt te vinden voor toewijzing van het verzoek van [naam eisers] van rente over griffierecht. De regeling van het griffierecht in artikel 8:74 van de Awb heeft een exclusief en limitatief karakter, zodat evenmin ruimte bestaat om dit verzoek toe te wijzen als een vorm van schadevergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
12.1.2
[naam eisers] hebben daarnaast verzocht om vergoeding van € 1.500,- aan “buitengerechtelijke en procedurewerkzaamheden [naam eisers] ”.
De vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure kan slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank begrijpt dit verzoek van [naam eisers] als een verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Die kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als de rechtsbijstand beroepsmatig en door een derde is verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu [naam eisers] alle proceshandelingen zelf hebben verricht. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
12.1.3
[naam eisers] hebben tot slot verzocht om het college te veroordelen tot terugbetaling van het drempelbedrag.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 6.4, vierde lid, van de Wro dwingend volgt dat het college het drempelbedrag terugbetaalt, wanneer er geheel of gedeeltelijk positief op de aanvraag wordt beslist. Een veroordeling daartoe is daarom niet nodig.
[naam eiseres]
12.2.1
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan [naam eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
12.2.2
[naam eiseres] heeft verzocht om vergoeding van proceskosten, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
[naam eiseres] is ook eiseres in de zaak met zaaknummer BRE 18/5222 WET, waarin de rechtbank haar beroep heden ook gegrond verklaart. Vast staat dat de door [naam eiseres] ingestelde beroepen en bezwaren op dezelfde zitting van de rechtbank en de adviescommissie voor de bezwaarschriften zijn behandeld. Rechtsbijstand is in deze zaken verleend door dezelfde persoon. De door haar verrichte werkzaamheden konden voor elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. De beroep- en bezwaarschriften in de twee zaken zijn ook voor het overgrote deel identiek. De rechtbank merkt de zaken voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding daarom aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tijdens de beroepsprocedure stelt de rechtbank vast op een totaalbedrag van € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,-, en wegingsfactor 1). Dit bedrag zal worden verdeeld over de twee beroepen, wat neerkomt op een bedrag van € 379,50 per beroepszaak.
Omdat in deze zaak het primaire besluit wordt herroepen, zal ook een vergoeding van de proceskosten in bezwaar worden toegekend, tot een bedrag van € 541,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1). Dit bedrag zal worden verdeeld over de twee beroepen, wat neerkomt op een bedrag van € 270,50 per beroepszaak.
12.2.3
[naam eiseres] heeft daarnaast verzocht om vergoeding van proceskosten, bestaande uit de kosten van een deskundige. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft zij facturen overgelegd van [naam betrokkenen] . In deze facturen wordt voor een tijdsbesteding van 47,75 uur een bedrag van € 7.513,51 inclusief BTW in rekening gebracht. [naam eiseres] heeft in dit beroep vergoeding van de helft van dat bedrag verzocht.
De rechtbank stelt vast dat bij de facturen een specificatie van de werkzaamheden ontbreekt. Daar komt bij dat het rapport van [naam betrokkenen] van 9 juli 2018 grotendeels een herhaling vormt van zijn eerdere advies. De rechtbank zal het aantal uren daarom in redelijkheid vaststellen op 21 uur. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 134,04 per uur. Dat betekent dat een bedrag van in totaal € 2.814,84 voor vergoeding in aanmerking komt. In dit beroep zal het college worden veroordeeld tot vergoeding van de helft van dat bedrag (€ 1.407,42).
12.2.4
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het college veroordelen in de proceskosten van [naam eiseres] tot een bedrag van € 2.057,42 (€ 379,50 + € 270,50 +
€ 1.407,42).
Beslissing
De rechtbank:
in de zaken met zaaknummers BRE 18/5115 WET en BRE 18/5226 WET,
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, stelt de tegemoetkoming in de planschade op € 1.400,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 oktober 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
in de zaak met zaaknummer BRE 18/5115 WET,
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eisers te vergoeden;
- wijst het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht af;
- wijst het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen af;
in de zaak met zaaknummer BRE 18/5226 WET,
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.057,42.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzitter, en mr. L.P. Hertsig en
mr. T. Peters, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 7 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak 31‑12‑2020
Inhoudsindicatie
WET
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 18/5115 WET en BRE 18/5226 WET
beslissing van de meervoudige kamer van 31 december 2020 tot heropening van het onderzoek in de zaken tussen
[naam eisersub1] en [naam eisersub2] , te [plaatsnaam] ,
eisers in de zaak met zaaknummer BRE 18/5115 WET,
derde partij in de zaak met zaaknummer BRE 18/5226 WET,
hierna samen in meervoud te noemen: [naam eisersub1] c.s.,
en
[naam eisersub3] , te [plaatsnaam] ,
eiseres in de zaak met zaaknummer BRE 18/5226 WET,
derde partij in de zaak met zaaknummer BRE 18/5115 WET,
hierna te noemen: [naam eisersub3] ,
gemachtigde: mr. S.K. Boelens,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2017 (primair besluit) heeft het college [naam eisersub1] c.s. een tegemoetkoming in de planschade toegekend van € 20.500,-, vermeerderd met wettelijke rente. Daarvan wordt 70%, te weten een bedrag van € 14.350,-, verhaald op [naam eisersub3] .
In het besluit van 18 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [naam eisersub1] c.s. en [naam eisersub3] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
[naam eisersub1] c.s. en [naam eisersub3] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 18 april 2019, tegelijk met de beroepen in de zaken BRE 18/5040 WET en BRE 18/5222 WET.
Nadat ter zitting is gebleken dat niet alle partijen over alle op hun zaken betrekking hebbende gedingstukken beschikten, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Vervolgens heeft de rechtbank ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2019 (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:1436) over een verzoek om tegemoetkoming in planschade van de eigenaar van een nabij het perceel van [naam eisersub1] c.s. gelegen perceel. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien de behandeling van deze beroepen aan te houden totdat de Afdeling einduitspraak heeft gedaan.
Het onderzoek ter zitting is hervat op de zitting van de rechtbank van 19 november 2020. De beroepen zijn behandeld tegelijk met de beroepen in de zaken BRE 18/5040 WET en BRE 18/5222 WET. Aanwezig waren [naam eisersub1] , [naam eisersub2] , [naam eisersub3] samen met
mr. T.A.P. Langhout RT als deskundige en [naam vertegenwoordiger verweerder] namens het college. De gemachtigde van [naam eisersub3] was niet aanwezig.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
1. [naam eisersub1] c.s. zijn sinds 24 december 1996 eigenaar van het perceel plaatselijk bekend [straat1] 12 te [plaatsnaam] en de daarop gelegen woning. Het perceel grenst aan de zuidkant aan een gebied dat oorspronkelijk onbebouwd was.
Op 30 september 2010 heeft de raad van de gemeente Dongen het bestemmingsplan "Zuid en West [plaatsnaam] " vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 25 december 2010 in werking getreden en is op 25 april 2012 onherroepelijk geworden.
[naam eisersub1] c.s. hebben op 18 oktober 2016, door het college ontvangen op 19 oktober 2016, een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de planschade. Daaraan is -samengevat- ten grondslag gelegd dat door de planologische verandering als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan de waarde van hun woning is verminderd.
Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht BV (hierna: Tonnaer Adviseurs). Dit heeft geresulteerd in een advies van mr. Y. Schönfeld en mr. I. Voncken van Tonnaer Adviseurs, neergelegd in een rapport van 7 november 2017.
Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag van [naam eisersub1] c.s. onder verwijzing naar en met overneming van het advies van Tonnaer Adviseurs toegewezen en een tegemoetkoming toegekend van € 20.500,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2016. Daarvan wordt 70%, te weten € 14.350,-, verhaald op [naam eisersub3] .
[naam eisersub1] c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Ook [naam eisersub3] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij is eigenaresse van het perceel, plaatselijk bekend als [straat2] 11 te [plaatsnaam] . Met het bestemmingsplan “Zuid en West [plaatsnaam] ” is realisatie van een vrijstaande woning op dat perceel planologisch mogelijk gemaakt. Het college heeft in verband daarmee met [naam eisersub3] een planschadeovereenkomst als bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gesloten.
De bezwaren zijn toegelicht tijdens de hoorzitting van de adviescommissie voor de bezwaarschriften van 24 mei 2018.
Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van [naam eisersub1] c.s. en [naam eisersub3] onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de adviescommissie ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
2. Het college heeft het verzoek in navolging van het advies van Tonnaer Adviseurs beoordeeld op basis van de Wro.
Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomstenderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is: een bepaling van een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.
Het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt dat in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.
Het vierde lid bepaalt dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, d, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop de oorzaak, bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.
Artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Wro bepaalt dat indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, burgemeester en wethouders daarbij tevens de wettelijke rente vergoeden, te rekenen met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.
Planologische maatregelen en vergunningen; een opsomming
3.1
Het oude bestemmingsplan
Op grond van het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” vastgesteld op 16 oktober 1997, (hierna: het oude bestemmingsplan) gold op de gronden ten zuiden van de [straat1] de bestemming “Agrarische doeleinden” en de subbestemming “Agrarisch kernrandgebied met landschappelijke waarden (Akl)”, zonder de nadere aanduidingen (iv), (it) of (k).
3.2
Het vrijstellingsbesluit en bouwvergunningen
Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het oude bestemmingsplan verleend voor het realiseren van in totaal twaalf woningen in [plaatsnaam] , twee aan de [straat3] 1 en 1a en tien aan de [straat2] (een aantakking aan de oostkant van de [straat3] ). Dit besluit zal hierna worden aangeduid als het vrijstellingsbesluit. De locatie waarop het vrijstellingsbesluit zag, ligt volledig in het plangebied van het bestemmingsplan "Zuid en West [plaatsnaam] " van 2010.
Bij besluit van 9 december 2005, 23 februari 2006 en 6 juni 2016 heeft het college bouwvergunningen verleend voor het bouwen van achtereenvolgens twee woningen op de percelen [straat3] 1 en 1a, één woning op het perceel [straat2] 2 en één woning op het perceel [straat2] 6. Deze bouwvergunningen zijn onherroepelijk geworden met uitspraken van de Afdeling van 12 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG4089 en ECLI:NL:RVS:2008:BG4088) en 2 juni 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM6472).
3.3
Het projectbesluit
Op 14 april 2009 heeft het college een projectbesluit genomen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro. Met dit projectbesluit heeft het college medewerking verleend aan de aanleg van de ontsluitingsweg [straat2] , inclusief keerlus, parkeervoorzieningen, bermen en beplantingen (hierna: het projectbesluit). Het projectbesluit is met de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM6465) onherroepelijk geworden.
3.4
Het nieuwe bestemmingsplan
Op 30 september 2010 heeft de raad van de gemeente Dongen het bestemmingsplan "Zuid en West [plaatsnaam] " vastgesteld (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Op grond van dit nieuwe bestemmingsplan, dat op 25 december 2010 in werking is getreden, geldt, voor zover thans van belang, op de gronden rondom de [straat2] te [plaatsnaam] de bestemming “Wonen” en ter plaatse van de [straat2] de bestemming “Verkeer-verblijfsgebied”. Het nieuwe bestemmingsplan is op 25 april 2012 onherroepelijk geworden.
De beroepsgronden samengevat
4.1
Volgens [naam eisersub1] c.s. is de toegekende tegemoetkoming in de planschade op een te laag bedrag vastgesteld.
Ter onderbouwing daarvan hebben [naam eisersub1] c.s., samengevat, aangevoerd:
- dat het college het besluit niet heeft mogen baseren op het advies van Tonnaer Adviseurs, omdat het advies niet zorgvuldig tot stand gekomen is;
- dat het verzoek ten onrechte is beoordeeld met toepassing van de Wro, omdat het verzoek had moeten worden beoordeeld met toepassing van de WRO;
- dat in de beoordeling niet alle schadeveroorzakende mutaties zijn betrokken;
- dat de door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde planvergelijking door Tonnaer Adviseurs niet juist en niet volledig is, omdat het oude regime niet (alleen) bestond uit het oude bestemmingsplan, maar (ook) uit het bestemmingsplan [plaatsnaam] Buitengebied uit 2009;
- dat het college het percentage voor het normaal maatschappelijk risico ten onrechte heeft bepaald op 3,5%. Het percentage had bepaald moeten worden op 0% of 2%.
Daarnaast hebben [naam eisersub1] c.s. aangevoerd dat ten onrechte geen wettelijke rente is toegekend met ingang van 6 december 2005, als de datum van het vrijstellingsbesluit.
4.2
[naam eisersub3] heeft gesteld dat de aan [naam eisersub1] c.s. toegekende tegemoetkoming in de planschade juist te hoog is vastgesteld.
Zij heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, het volgende aangevoerd:
- de door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde planvergelijking door Tonnaer Adviseurs is niet volledig, omdat:
- Tonnaer Adviseurs in de maximale mogelijkheden onder het oude regime ten onrechte niet heeft betrokken:
- de planologische mogelijkheden op grond van het vrijstellings- en projectbesluit;
- de mogelijkheid van opslag van voer;
- de mogelijkheid van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
- het college heeft het percentage voor het normaal maatschappelijk risico ten onrechte bepaald op 3,5%. Het percentage had bepaald moeten worden op 5%.
De beroepsgrond, inhoudende dat de planvergelijking door Tonnaer Adviseurs niet juist is omdat in het oude planologische regime ten onrechte niet de mogelijkheid van de realisatie van een sleufsilo buiten het bouwvlak is betrokken, heeft [naam eisersub3] ter zitting ingetrokken.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
5. Besluitvorming gebaseerd op advies
Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op het advies van Tonnaer Adviseurs.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als uit een advies van een door een bestuursorgaan ingeschakelde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat Tonnaer Adviseurs als onafhankelijk deskundige op het gebied van planschade te beschouwen is. Tussen partijen is dit overigens ook niet in geschil.
5.1
Beoordeling op basis van de Wro of WRO?
Het college heeft het verzoek van [naam eisersub1] c.s. ontvangen op 19 oktober 2016. Tonnaer Adviseurs heeft het verzoek daarom beoordeeld met toepassing van de Wro.
Artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro bepaalt, voor zover thans van belang, dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (1 juli 2008) van toepassing blijft ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Op grond van de Invoeringswet Wro is, gelet op de datum van ontvangst van het verzoek door het college, de Wro van toepassing op het verzoek van [naam eisersub1] c.s.
[naam eisersub1] c.s. hebben aangevoerd dat het verzoek desondanks met toepassing van de WRO had moeten worden beoordeeld. Zij hebben ter onderbouwing aangevoerd dat met het overgangsrecht niet is voldaan aan het vertrouwensbeginsel, de redelijkheid en billijkheid en de rechtszekerheid. Ter zitting is toegelicht dat met name het handelen van het college niet aan deze beginselen voldoet. Het college had volgens [naam eisersub1] c.s. op grond van de Ruimte-voor-ruimteregeling in 2005 een voorbereidingsbesluit moeten nemen. Het college heeft dat ten onrechte nagelaten. Had het college wel een voorbereidingsbesluit genomen, dan was dat het aanknopingspunt geweest voor het indienen van een planschadeverzoek. Het voorbereidingsbesluit vormde volgens [naam eisersub1] c.s. een schadeoorzaak in de zin van artikel 49 van de WRO. Dat planschadeverzoek zou vervolgens zijn beoordeeld met toepassing van de WRO. In de WRO was geen drempel opgenomen voor het normaal maatschappelijk risico. Doordat het college heeft nagelaten een voorbereidingsbesluit te nemen, heeft het college [naam eisersub1] c.s. de mogelijkheid ontnomen om onder de WRO een planschadeverzoek te kunnen indienen. [naam eisersub1] c.s. achten dit onrechtmatig. Er kon niet op grond van het vrijstellingsbesluit een verzoek om planschade worden ingediend, want dat vrijstellingsbesluit is nooit onherroepelijk geworden, aldus [naam eisersub1] c.s.
Los van de vraag of het betoog van [naam eisersub1] c.s. op juridisch juiste uitgangspunten is gebaseerd, kan dit betoog er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat het college het verzoek van [naam eisersub1] c.s. met toepassing van de WRO had moeten beoordelen. De Invoeringswet Wro biedt daarvoor geen ruimte.
5.2
Wat is de schadeoorzaak?
Bij de beoordeling van het verzoek heeft Tonnaer Adviseurs alleen de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan aangemerkt als schadeoorzaak in de zin van artikel 6.1 van de Wro.
[naam eisersub1] c.s. hebben aangevoerd dat zij niet eerder dan in 2012, na het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan, in de gelegenheid zijn geweest om een verzoek om planschade in te dienen, omdat er eerder geen sprake was van een schadeoorzaak als genoemd in de WRO of Wro. Daarom moeten nu ook de Ruimte-voor-ruimteregeling en het vrijstellingsbesluit als schadeoorzaak in aanmerking worden genomen. Wanneer dat nu niet zou gebeuren, zouden [naam eisersub1] c.s. immers een deel van de hen toekomende vergoeding van planschade missen.
De rechtbank volgt [naam eisersub1] c.s. hierin niet. Allereerst staat vast dat [naam eisersub1] c.s. in hun verzoek om een tegemoetkoming uitsluitend de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan als schadeoorzaak in de zin van artikel 6.1 van de Wro hebben genoemd. Daar komt bij dat [naam eisersub1] c.s. met de stelling dat de Ruimte-voor-ruimteregeling en het vrijstellingsbesluit nu als schade-oorzaak moeten worden betrokken omdat dat geen op zichzelf staande schade-oorzaken in de zin van de Wro of WRO vorm(d)en, miskennen dat er eerst aanleiding kan zijn voor het toekennen van een tegemoetkoming, wanneer er sprake is van een schade-oorzaak als genoemd in de Wro of WRO. Wanneer een regeling of besluit niet als schade-oorzaak in de Wro of WRO is genoemd, kan er daarvoor geen tegemoetkoming in planschade in de zin van artikel 6.1 van de Wro, en eerder artikel 49 van de WRO, worden toegekend. Het limitatieve karakter van de opsomming van schadeoorzaken staat daaraan in de weg. Voor zover de Ruimte-voor-ruimteregeling en het vrijstellingsbesluit wel op zichzelf staande schadeoorzaken in de zin van de Wro of WRO vorm(d)en, was er evenmin aanleiding om de regeling en het besluit te betrekken in de beoordeling van de aanvraag van 19 oktober 2016. Uit artikel 6.2, vierde lid, van de Wro volgt dat een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van een schadeoorzaak moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop de schadeoorzaak onherroepelijk is geworden. Met name ten aanzien van het vrijstellingsbesluit was de termijn van vijf jaar ruimschoots verstreken ten tijde van de aanvraag op 19 oktober 2016.
5.3
Advies zorgvuldig tot stand gekomen?
[naam eisersub1] c.s. hebben in beroep aangevoerd dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, doordat het college Tonnaer Adviseurs ten onrechte niet volledig heeft geïnformeerd. In het planschadeverzoek van de eigenaar van het perceel aan de [straat1] 14 heeft de deskundige -Thorbecke- geadviseerd een normaal maatschappelijk risico van 2% in aanmerking te nemen. Het normaal maatschappelijke risico was daarnaast ook onderwerp van een beroepsprocedure in die zaak. Het college had Tonnaer Adviseurs hierover moeten informeren. Daarnaast heeft het college nagelaten Tonnaer Adviseurs te informeren over het feit dat in die beroepsprocedure ook de vraag speelde of éénmaal of tweemaal rekening gehouden moest worden met het normaal maatschappelijk risico, aldus [naam eisersub1] c.s.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies van Tonnaer Adviseurs, en in het verlengde daarvan aan het besluit van het college. Ieder verzoek om een tegemoetkoming moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. Dat een deskundige niet op de hoogte is van standpunten van een andere deskundige in een ander verzoek of standpunten van partijen in een andere procedure, rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat er moet worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van het advies. Daarvoor is te minder aanleiding als, zoals hier het geval is, het andere verzoek ziet op schade-oorzaken waarop het verzoek van [naam eisersub1] c.s. niet ziet. Het verzoek van de eigenaar van de [straat1] 14 zag op drie schade-oorzaken (het vrijstellingsbesluit, het projectbesluit en het nieuwe bestemmingsplan), terwijl het verzoek van [naam eisersub1] c.s. ziet op één schade-oorzaak.
5.4
Planvergelijking: bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009) onderdeel oude regime?
[naam eisersub1] c.s. hebben in beroep aangevoerd dat op het plangebied direct vóór de peildatum geen bestemmingsplan meer van toepassing was. Ter zitting hebben zij toegelicht dat zij daarmee bedoeld hebben te stellen dat er met het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” uit 2009 ter plaatse een nieuw bestemmingsplan was gekomen. Het perceel van [naam eisersub3] lag direct voor de peildatum niet meer in het plangebied van het oude bestemmingsplan ( [plaatsnaam] Buitgebied 1997), maar in het plangebied van het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009). Ter onderbouwing daarvan hebben [naam eisersub1] c.s. gewezen op een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009). De door Tonnaer Adviseurs gemaakte planvergelijking is volgens [naam eisersub1] c.s. onjuist omdat de vergelijking daarin is gebaseerd op het uitgangspunt dat direct voor de peildatum het oude bestemmingsplan gold.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Uit de verbeelding bij bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009) (kaartblad 3) volgt dat het plangebied, waarvoor op grond van het nieuwe bestemmingsplan de bestemming “Wonen” en “Verkeer-verblijfsgebied” geldt, geen onderdeel uitmaakt van het plangebied van het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009). Ook het perceel van [naam eisersub3] maakt daar geen onderdeel van uit. Dat betekent dat direct voor de peildatum op het plangebied nog steeds het oude bestemmingsplan gold. Tonnaer Adviseurs heeft het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009) terecht niet in de planvergelijking betrokken.
5.5
Planvergelijking: vrijstellings- en projectbesluit onderdeel oude regime?
[naam eisersub3] heeft aangevoerd dat Tonnaer Adviseurs de planologische mogelijkheden van het vrijstellingsbesluit en het projectbesluit ten onrechte niet (volledig) in de planvergelijking heeft betrokken.
Het vrijstellingsbesluit
Tonnaer Adviseurs heeft in het advies gesteld dat het oude regime alleen uit het oude bestemmingsplan bestaat en dat het vrijstellingsbesluit daar geen onderdeel van uitmaakt. Het vrijstellingsbesluit zag op twaalf woningen, en er is voor maar één woning, te weten de woning aan de [straat2] 6, uiteindelijk ook een bouwvergunning verleend. Die woning is gelegen op een afstand van circa 107 meter van de woning van [naam eisersub1] c.s. en is in zoverre niet relevant voor de vergelijking. Met de vergunningverlening voor de [straat2] 6 is het vrijstellingsbesluit uitgewerkt. Ter onderbouwing daarvan is in het advies gewezen op rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9516), waaruit volgt dat een vrijstellingsbesluit niet kan worden hergebruikt voor een ander plan dan waarvoor de vrijstelling is verleend, ook niet als dat andere plan wel in de vrijstelling zou passen. Het vrijstellingsbesluit heeft geen verandering gebracht in het oude bestemmingsplan. Het oude regime bestaat dus alleen uit het oude bestemmingsplan, aldus het advies van Tonnaer Adviseurs.
In het conceptadvies was een standpunt van dezelfde strekking opgenomen. Het college heeft in een reactie op het conceptadvies gesteld dat Tonnaer Adviseurs ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in het verleden bestaande faseringsmogelijkheid om op basis van één vrijstellingsbesluit meerdere, afzonderlijke bouwvergunningen te verlenen. In het definitieve rapport is vermeld dat Tonnaer Adviseurs in die zienswijze geen aanleiding heeft gezien tot een inhoudelijke wijziging van het advies.
Die mededeling laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat Tonnaer Adviseurs in reactie op de zienswijze van het college heeft erkend dat er op basis van het vrijstellingsbesluit niet slechts één, maar meerdere bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van in totaal vier woningen. Daarnaast heeft Tonnaer Adviseurs in reactie op de zienswijze gesteld dat het ondanks de faseringsmogelijkheid op de peildatum (25 december 2010) niet langer meer mogelijk was om op basis van het vrijstellingsbesluit een bouwvergunning te verlenen, omdat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking was getreden. Ten opzichte van de eerdere onderbouwing vormt deze onderbouwing van het standpunt dat het vrijstellingsbesluit geen onderdeel uitmaakt van het oude regime naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk andere onderbouwing.
Door enerzijds geen inhoudelijke wijziging aan te brengen in het advies, maar anderzijds wel een andere onderbouwing te geven voor het standpunt dat het vrijstellingsbesluit geen onderdeel uitmaakt van de planologische vergelijking, is het advies naar het oordeel van de rechtbank niet eenduidig onderbouwd. Het college heeft het advies daarom niet zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.
Vast staat dat op basis van het vrijstellingsbesluit drie bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van vier woningen. Deze bouwvergunningen zijn onherroepelijk geworden. Als gevolg van de concentratie van rechtsbescherming is in het verlengde daarvan ook het vrijstellingsbesluit onherroepelijk geworden voor zover het de vier woningen betreft. Het vrijstellingsbesluit moet naar het oordeel van de rechtbank in zoverre in de planvergelijking worden betrokken als onderdeel van het oude regime. Dat het vrijstellingsbesluit in de planvergelijking moet worden betrokken, betekent overigens niet dat planologische verslechtering voor het perceel van [naam eisersub1] c.s. daardoor per definitie afneemt. De woning aan de [straat2] 6 is van deze vier woningen het dichtst bij de woning van [naam eisersub1] c.s. gelegen. Zoals door Tonnaer Adviseurs is gesteld bedraagt de afstand tussen beide woningen circa 107 meter.
Voor de overige acht woningen is de door Tonnaer Adviseurs genoemde rechtspraak inhoudende dat een vrijstellingsbesluit niet kan worden hergebruikt, naar het oordeel van de rechtbank hier niet relevant. Ten aanzien van die acht woningen is het vrijstellingsbesluit nooit gebruikt, zodat er geen sprake was van het hergebruiken van de vrijstelling. Hoewel ook voor de overige acht woningen op basis van het vrijstellingsbesluit bouwvergunningen verleend hadden kunnen worden, staat vast dat deze bouwvergunningen nimmer verleend zijn. Als gevolg daarvan was het vrijstellingsbesluit voor zover dat zag op de overige acht woningen op de peildatum niet onherroepelijk. Het vrijstellingsbesluit maakt naar het oordeel van de rechtbank in zoverre dan ook geen onderdeel uit van het oude regime. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2030).
Het projectbesluit
Hoewel het projectbesluit wel is genoemd in het rapport van Tonnaer Adviseurs, blijkt daaruit niet dat het als onderdeel van het oude regime in de planvergelijking is betrokken. Onderbouwing van die keuze ontbreekt. In het rapport is weliswaar opgemerkt dat het planschadeverzoek niet meer op het projectbesluit kan zien, omdat de mogelijkheid voor het indienen van een verzoek inmiddels is verjaard, maar dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het projectbesluit direct voorafgaand aan de peildatum onherroepelijk was en dus onderdeel uitmaakte van het planologisch regime. Naar het oordeel van de rechtbank had het projectbesluit daarom als onderdeel van het oude regime in de planvergelijking moeten worden betrokken. Ook ten aanzien van het projectbesluit geldt dat het feit dat dit besluit in de planvergelijking moet worden betrokken, niet automatisch betekent dat de planologische verslechtering voor [naam eisersub1] c.s. daardoor afneemt.
5.6
Planvergelijking: mogelijkheid (kassen)bouw onderdeel oude regime?
Tonnaer Adviseurs heeft in de planvergelijking onder het oude regime de mogelijkheid van bebouwing op een afstand van circa 50 meter ten zuidwesten van de woning van [naam eisersub1] c.s. in aanmerking genomen. Tonnaer Adviseurs heeft het bestaan van deze mogelijkheid gebaseerd op artikel 13 van de planregels.
Op de gronden rustte de bestemming “agrarische doeleinden” met subbestemming “Akl”, zonder de nadere aanduidingen (iv) “intensieve veehoudering”, (it) “intensieve tuinbouw in gebouwen” of (k) “kassenbedrijven”.
Artikel 13 van de planregels bij het oude bestemmingsplan luidde als volgt:
1. De gronden met de bestemming agrarische doeleinden zijn bestemd voor:
d. ter plaatse van de subbestemming Akl:
- grondgebonden agrarische bedrijven met een uitbouwmogelijkheid voor kassen en niet-grondgebonden agrarische activiteiten;
- (…)
3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:
i. voor gronden met de subbestemming Al, Ak of Akl gelden tevens de volgende bepalingen:
- voor gronden die niet zijn voorzien van de nadere aanwijzing (iv): de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij mag per agrarisch bedrijf ten hoogste 1.000 m2 bedragen;
- voor gronden die niet zijn voorzien van de nadere aanwijzing (it): de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van intensieve tuinbouw in gebouwen mag per agrarisch bedrijf ten hoogste 500 m2 bedragen;
- voor gronden die niet zijn voorzien van de nadere aanwijzing (k): de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van kassen mag per agrarisch bedrijf ten hoogste 3.000 m2 bedragen
[naam eisersub1] c.s. hebben gesteld dat Tonnaer Adviseurs in de planvergelijking in het oude regime ten onrechte de mogelijkheid van kassenbouw in aanmerking heeft genomen. Volgens [naam eisersub1] c.s. staat het gelet op de belangen van andere, omliggende bestemmingen niet vast dat er op deze percelen ook daadwerkelijk kon worden meegewerkt aan uitbouw, uitbreiding, omschakeling of nieuwvestiging. Ter onderbouwing daarvan hebben zij gewezen op de toelichting bij het bestemmingsplan.
De rechtbank volgt [naam eisersub1] c.s. daarin niet. Volgens vaste rechtspraak zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende planregels bepalend voor het antwoord op de vraag welk gebruik ter plaatse is toegelaten. Omwille van de rechtszekerheid moeten de planregels letterlijk worden uitgelegd. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft slechts in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.
Artikel 13 van de planregels is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk. Uit het derde lid, aanhef en onder i, vloeit voort dat op de gronden gebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij, intensieve tuinbouw of kassen mochten worden opgericht tot een bepaald, in die bepaling vermeld maximaal oppervlak. Omdat de planregel duidelijk is, is er geen aanleiding om de toelichting te betrekken bij de uitleg van de planregel.
Tonnaer Adviseurs heeft naar het oordeel van de rechtbank in de planvergelijking onder het oude regime terecht de mogelijkheid van bebouwing in aanmerking genomen.
Ter informatie merkt de rechtbank op dat het feit dat de kassenbouw terecht in de planvergelijking is betrokken moet worden onderscheiden van de vraag of de mogelijkheid van kassenbouw ook een waardedrukkend effect had op de woning van [naam eisersub1] c.s. Bij beantwoording van die vraag dient onder meer de afstand tussen de woning en het bouwvlak te worden betrokken.
5.7
Planvergelijking: mogelijkheid opslag voer onderdeel oude regime?
[naam eisersub3] heeft aangevoerd dat Tonnaer Adviseurs in de planvergelijking onder het oude regime ten onrechte niet de mogelijkheid van opslag van voerbalen tot aan de erfgrens en tot een hoogte van zes meter heeft betrokken.
In reactie op dit ook in de zienswijze door [naam eisersub3] naar voren gebrachte standpunt heeft Tonnaer Adviseurs gesteld dat het algemeen gebruiksverbod uit het oude bestemmingsplan in de weg stond aan dergelijke opslag. Ter onderbouwing daarvan heeft Tonnaer Adviseurs gewezen op het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB), uitgebracht in de zaak over het verzoek om een tegemoetkoming van de eigenaar van de [straat1] 14 en op de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:384). Daarin is geoordeeld dat de opslag van grasbalen niet kan worden aangemerkt als inherent aan het op het perceel toegelaten agrarisch gebruik.
Ook [naam eisersub1] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat opslag ter plaatse niet mogelijk was. Ter onderbouwing daarvan hebben zij gewezen op de planregels en toelichting bij het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam eisersub3] terecht aangevoerd dat Tonnaer Adviseurs de mogelijkheid van opslag van voerbalen ten onrechte niet in de planvergelijking heeft betrokken.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat de planregels en toelichting bij het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009) niet relevant zijn, aangezien het hier relevante plangebied geen onderdeel uitmaakte van dat bestemmingsplan. Bepalend zijn de mogelijkheden uit het oude bestemmingsplan ( [plaatsnaam] Buitengebied 1997). Ook in het verzoek om een tegemoetkoming in de planschade van de eigenaar van de woning aan de [straat1] 14 lag de vraag voor of opslag van voer onder het oude bestemmingsplan was toegestaan. In die zaak heeft de Afdeling in de tweede tussenuitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:876) geoordeeld dat nu uit de bestemming voortvloeit dat agrarisch gebruik van de gronden was toegestaan en de opslag van kuilvoer buiten het bouwvlak onder agrarisch grondgebruik valt, het oude bestemmingsplan er niet aan in de weg stond dat gedurende het hele jaar tot op de perceelsgrenzen tot een hoogte van vier meter kuilvoer kon worden opgeslagen. De Afdeling heeft daarbij gewezen op de uitspraak van 12 juli 2019 (ELCI:NL:RVS:2019:1892).
Ook hier geldt dat de rechtbank in deze zaak niet gebonden is aan dit oordeel van de Afdeling over de mogelijkheden van opslag. Ook hier ziet de rechtbank echter geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling. De rechtbank neemt daarbij niet alleen voormelde uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2019 in aanmerking, maar ook de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:772), waarin de Afdeling heeft overwogen dat uit de eerdere uitspraak van 17 februari 2016 niet volgt dat de opslag van balen met gras dat van hetzelfde perceel afkomstig is in geen geval is toegestaan.
Tonnaer Adviseurs had naar het oordeel van de rechtbank in de planvergelijking onder het oude regime de mogelijkheid van opslag van kuilvoer tot aan de perceelsgrens en in ieder geval tot een hoogte van vier meter moeten betrekken.
[naam eisersub3] heeft gesteld dat opslag tot een hoogte van zes meter in aanmerking had moeten worden genomen. Dat, zoals [naam eisersub3] ter zitting desgevraagd heeft verklaard, in de rechtspraak van de Afdeling in andere zaken is uitgegaan van een hoogte van zes meter, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat een dergelijke hoogte ook hier is toegestaan. Bovendien rijst de vraag of een hoogte van zes meter nog met reguliere agrarische bedrijfsvoertuigen kan worden bereikt. De rechtbank ziet dan ook aanleiding zich op dat punt nader te laten voorlichten.
5.8
Planvergelijking: mogelijkheid (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen onderdeel oude regime?
[naam eisersub3] heeft eerst in beroep aangevoerd dat onder het oude planologische regime tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk waren. Onder tijdelijk moet daarbij een periode van minder van zes maanden per jaar worden verstaan. Hoewel op grond van de aanvullende werking van de Bouwverordening voorzieningen tot een hoogte van vijftien meter mogelijk waren, acht [naam eisersub3] een hoogte van maximaal vijf meter realistisch voor teeltondersteunende voorzieningen. Tonnaer Adviseurs heeft deze mogelijkheid volgens [naam eisersub3] ten onrechte niet in de planvergelijking betrokken.
Tonnaer Adviseurs heeft in haar advies geen standpunt ingenomen over de vraag of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de planvergelijking betrokken moeten worden. Het college heeft daarover ook geen reactie aan Tonnaer Adviseurs gevraagd. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit het advies van Tonnaer Adviseurs wel volgt dat op grond van het oude bestemmingsplan buiten het bouwvlak bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van twee meter mogelijk waren. De rechtbank begrijpt dat volgens het college tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met die hoogte mogelijk waren.
[naam eisersub1] c.s. hebben dat bestreden. Ter onderbouwing daarvan hebben zij gewezen op de planregels en toelichting bij het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009).
De rechtbank stelt daarbij voorop dat ook hier de planregels en toelichting bij het bestemmingsplan “ [plaatsnaam] Buitengebied” (2009) niet relevant zijn. Bepalend zijn de mogelijkheden uit het oude bestemmingsplan ( [plaatsnaam] Buitengebied 1997). Over die mogelijkheden heeft de StAB, in het advies uitgebracht in de zaak van de eigenaar van de [straat1] 14, geconcludeerd dat buiten het bouwvlak alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde waren toegestaan die noodzakelijk waren voor het agrarisch gebruik aldaar. De gronden waren bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Volgens de StAB bestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde in geval van vollegrondstuinbouw bijvoorbeeld uit tijdelijke niet-menstoegankelijke kassen, schaduwdoeken of overkappingen, omdat die naar hun aard alleen functioneel zijn ter plaatse van de agrarische productie in de volle grond. Teeltondersteunende voorzieningen zoals verhoogde kweekstellingen met regenkappen voldoen niet aan de voorwaarde dat gebruik wordt gemaakt van de volle grond en waren dan ook niet toegestaan, aldus de StAB.
Volgens de StAB waren ter plaatse tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk, voor zover die naar hun aard functioneel waren ter plaatse van de agrarische productie in de volle grond. De rechtbank ziet geen aanleiding om over het bestaan van die mogelijkheid anders te oordelen. Anders dan door [naam eisersub3] bepleit komt naar het oordeel van de rechtbank aan de Bouwverordening geen aanvullende werking toe. Op grond van artikel 3 van de planregels in combinatie met de verbeelding bedroeg de hoogte van die tijdelijke teeltondersteunende maatregelen naar het oordeel van de rechtbank maximaal drie meter voor overkappingen en twee meter voor alle overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
De rechtbank is van oordeel dat Tonnaer Adviseurs in de planvergelijking in de mogelijkheden onder het oude regime deze mogelijkheden van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen had dienen te betrekken.
5.9
Normaal maatschappelijk risico
Het college heeft het normaal maatschappelijke risico in navolging van Tonnaer Adviseurs bepaald op 3,5%. Tonnaer Adviseurs heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vrijstaande woningen passen binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en dat de locatie kan worden aangemerkt als een overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Gelet op het feit dat negen van de twaalf woningen ten tijde van het vrijstellingsbesluit onder de Ruimte-voor-ruimte regeling vielen, lag de ontwikkeling volgens Tonnaer Adviseurs al geruime tijd in de lijn der verwachtingen.
Zowel [naam eisersub1] c.s. als [naam eisersub3] kunnen zich daarmee niet verenigen.
[naam eisersub1] c.s. hebben gesteld dat het college een te hoog percentage in aanmerking heeft genomen. In het verzoek om een tegemoetkoming van de eigenaar van het perceel aan de [straat1] 14 is een percentage van 2% in aanmerking genomen. De rechtbank heeft dat percentage in de uitspraak van 9 februari 2018 voldoende gemotiveerd geacht. Het college heeft zich daar niet tegen verzet, want het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Door aan [naam eisersub1] c.s. wél tegen te werpen dat sprake was van Ruimte-voor-ruimte woningen, maar niet aan de eigenaar van de [straat1] 14, en als gevolg daarvan voor [naam eisersub1] c.s. een percentage van 3,5% in aanmerking te nemen, in plaats van 2%, handelt het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Dat het college hier anders handelt dan in de zaak van de [straat1] 14, kan volgens [naam eisersub1] c.s. niet worden verklaard uit het feit dat er tussen het verzoek van de eigenaar van de [straat1] 14 enerzijds, en het verzoek van [naam eisersub1] c.s. anderzijds tijd is verstreken en dat de rechtspraak over dit onderwerp sindsdien is veranderd. Voor zover Tonnaer Adviseurs ter onderbouwing van het percentage van 3,5% heeft verwezen naar rechtspraak, gaat de vergelijking tussen de situatie van [naam eisersub1] c.s. en de situatie in die uitspraken om verschillende redenen niet op. In die uitspraken lag de ontwikkeling al langdurig in de lijn der verwachtingen. Hier was niet voldaan aan de voorwaarden uit de Ruimte-voor-ruimte regeling en paste de ontwikkeling niet in het Uitwerkingsplan Stedelijke regio en in de Structuurvisie PLUS. Als gevolg daarvan lag de ontwikkeling pas sinds anderhalf jaar in de lijn der verwachtingen. Bovendien kon na de inwerkingtreding van de Wabo geen gebruik meer worden gemaakt van het vrijstellingsbesluit. Ook past de ontwikkeling niet in de ruimtelijke structuur en omgeving. Tot slot bedraagt de schade 6,5%, hetgeen als zwaar moet worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande kan woningbouw ter plaatse niet als een normaal maatschappelijk risico worden aangemerkt en moet het normaal maatschappelijk risico volgens [naam eisersub1] c.s. op 0% worden gesteld. Ook als het verzoek wordt beoordeeld met toepassing van de Wro, valt niet in te zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Subsidiair hebben [naam eisersub1] c.s. gesteld dat het percentage op 2% moet worden bepaald.
[naam eisersub3] heeft bepleit dat het normaal maatschappelijk risico op 5% moet worden bepaald. Ter onderbouwing daarvan heeft zij aangevoerd dat het gebied ten onrechte als overgangsgebied is aangemerkt. In het uitwerkingsplan voor de Stedelijke Regio van 21 december 2004 is het gebied aangemerkt als “zoekgebied verstedelijking, transformatie afweegbaar”. Daarnaast volgt uit het vrijstellings- en projectbesluit dat het gebied vanaf 2005 bestaand stedelijk gebied of een inbreidingslocatie was. Daarvoor is niet vereist dat een locatie aan alle zijden al is omgeven door woningbouw. Voor zover de locatie terecht als overgangsgebied zou zijn aangemerkt, staat dat tot slot niet in de weg aan het hanteren van een percentage van 5%, aldus [naam eisersub3] .
De rechtbank stelt voorop dat artikel 6.2, tweede lid, van de Wro dwingendrechtelijk van aard is. Dat betekent dat in ieder geval een drempel van 2% moet worden gehanteerd.
In het besluit op het verzoek van de eigenaar van het perceel aan de [straat1] 14 heeft het college een percentage van 2% gehanteerd. Dit percentage is aangevochten in beroep en hoger beroep. In de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:876) heeft de Afdeling zelf de omvang van het normaal maatschappelijk risico bepaald op 4%. Daarvoor acht de Afdeling allereerst van belang dat de mogelijk gemaakte woningbouw op een locatie als deze een normale maatschappelijke ontwikkeling is die naar haar aard en omvang past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. Voorts is van belang dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afstand tussen de woning aan de [straat1] 14 en de planologische ontwikkeling niet dermate kort is dat dit als een bijzondere omstandigheid moet worden beschouwd die een verdere verlaging van het normaal maatschappelijk risico rechtvaardigt. Evenmin is sprake van een zo uitzonderlijk hoge schade in verhouding tot de waarde van de woning aan de [straat1] 14 dat dit maakt dat het normaal maatschappelijk risico op een lager percentage moet worden vastgesteld dan 4% van de waardevermindering van de woning. Een percentage van 5% heeft de Afdeling niet passend geacht, omdat het college met de verwijzing naar het vrijstellings- en projectbesluit niet aannemelijk had gemaakt dat de planologische ontwikkeling paste binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid.
Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in afwijking van het bestreden besluit ook in deze zaak voor het normaal maatschappelijk risico een percentage van 4% moet worden gehanteerd.
Voor zover [naam eisersub3] een percentage van 5% heeft bepleit, overweegt de rechtbank dat in de zaak die nu ter beoordeling voorligt geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht ter onderbouwing van het standpunt dat de ontwikkeling wel binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde beleid zou passen. De rechtbank acht daarom ook hier niet aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Er is daarom geen aanleiding om [naam eisersub3] te volgen in het standpunt dat het percentage op 5% zou moeten worden bepaald. De rechtbank overweegt daarbij dat pas een percentage van 5% mag worden gehanteerd als de planologische ontwikkeling past binnen de ruimtelijke structuur én binnen het gedurende jaren gevoerde ruimtelijke beleid.
[naam eisersub1] c.s. hebben aangevoerd dat hun zaak niet kan worden vergeleken met de zaak rondom de [straat1] 14, omdat in die zaak niet aan de orde is gesteld dat de ontwikkeling niet paste binnen de Ruimte-voor-ruimte regeling. De rechtbank volgt [naam eisersub1] c.s. hierin niet. De Afdeling heeft immers overwogen: “Dat de ontwikkeling in een reeks van jaren gevoerd beleid past, heeft het college evenwel niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft het college zijn stelling dat deze ontwikkeling past bij de in het Streekplan opgenomen regeling Ruimte voor Ruimte niet onderbouwd, waardoor niet duidelijk is of, en zo ja, in hoeverre dat zo is.” Gelet hierop heeft de Afdeling meegewogen dat geenszins vast staat dat de ontwikkeling paste in de mogelijkheden van de Ruimte-voor-ruimte regeling.
Ook de stelling van [naam eisersub1] c.s. dat in de procedure over de woning aan de [straat1] 14 vooral de woning van [naam eisersub3] de schade veroorzaakte, terwijl in hun procedure de schade door alle woningen wordt veroorzaakt, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank daarom niet kan aansluiten bij het door de Afdeling vastgestelde percentage. De rechtbank merkt daarbij op dat de Afdeling de beoordeling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico niet heeft beperkt tot de woning van [naam eisersub3] , maar daarbij woningbouw in het hele plangebied heeft betrokken. Ook de stelling dat de rechtbank geen aansluiting mag zoeken bij het door de Afdeling gehanteerde percentage, omdat de schade in geval van [naam eisersub1] c.s. uitzonderlijk hoog is, gaat tot slot niet op. [naam eisersub1] c.s. hebben verklaard dat de schade als percentage van de waarde van hun woning nagenoeg gelijk is aan het percentage in geval van de [straat1] 14.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de omvang van het normaal maatschappelijk risico bepalen op een percentage van 4% van de waarde van de woning.
5.10
Conclusie
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat aan het advies van Tonnaer Adviseurs gebreken kleven, zodanig dat het college bij het nemen van een besluit op het verzoek om een tegemoetkoming in planschade niet van dat advies heeft mogen uitgaan.
Heropening ten behoeve van benoeming deskundige
6. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de StAB als deskundige ook in deze zaak onderzoek verricht en daarvan schriftelijk verslag uitbrengt. De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen en op grond van artikel 8:47, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de StAB opdragen onderzoek te verrichten, overeenkomstig de onderzoeksopdracht.
Verzoeken om vergoeding van deskundigenkosten en proceskosten
7. [naam eisersub1] c.s. en [naam eisersub3] hebben gevraagd om vergoeding van deskundigenkosten en proceskosten. [naam eisersub1] c.s. hebben daarnaast verzocht om een vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 februari 2006, de terugbetaling door het college van het drempelbedrag en vergoeding door het college van het betaalde griffierecht, inclusief rente.
Nu het onderzoek wordt heropend, kan de rechtbank over deze verzoeken nu nog geen beslissing nemen.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- bepaalt dat de StAB als deskundige zal worden opgedragen onderzoek te verrichten overeenkomstig de onderzoeksopdracht en om daarvan schriftelijk verslag uit te brengen.
Deze beslissing is genomen door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzitter, en mr. T. Peters en
mr. L.P. Hertsig, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 31 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de uitspraak in deze zaak.