NJB 2025/12:Verstoring van de orde op de terechtzitting door de verdachte: op grond van art. 273 lid 3 Sv kan de voorzitter van de rechtbank of het hof bevelen dat de verdachte die na een eerdere, vergeefse waarschuwing de orde op de terechtzitting opnieuw verstoort, uit de zittingszaal wordt verwijderd. Toepassing van deze bevoegdheid is in beginsel niet onverenigbaar met het recht op een eerlijk proces in art. 6 EVRM. Wel kan het daaruit voortvloeiende recht van de verdachte om aanwezig te zijn bij zijn berechting en een effectieve verdediging te voeren, meebrengen dat het bevel tot verwijdering wordt beperkt tot bepaalde onderdelen van het onderzoek op de terechtzitting of tot het moment waarop de verdachte is gekalmeerd. Ook kan dit meebrengen dat de rechter, voordat hij het onderzoek sluit, onderzoekt of de verdachte kan terugkeren in de zittingszaal. Als de verdachte op de terechtzitting niet wordt bijgestaan door een raadsman, is de rechter in beginsel tot zo’n onderzoek gehouden. In casu blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet dat het hof heeft onderzocht of de verdachte – die niet werd bijgestaan door een raadsman – kon terugkeren in de zittingszaal en evenmin waarom het zo’n onderzoek niet nodig achtte. De daartegen gerichte cassatieklacht slaagt.