Procestaal: Portugees.
HvJ EU, 29-07-2024, nr. C-298/22
ECLI:EU:C:2024:638
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
29-07-2024
- Magistraten
E. Regan, Z. Csehi, I. Jarukaitis
- Zaaknummer
C-298/22
- Conclusie
A. Rantos
- Roepnaam
Banco BPN/BIC Português e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:638, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑07‑2024
ECLI:EU:C:2023:738, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑10‑2023
Uitspraak 29‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Mededingingsregelingen — Aantasting van de mededinging — Verbod van mededingingsregelingen — Artikel 101 VWEU — Overeenkomsten tussen ondernemingen — Mededingingsbeperking naar strekking — Uitwisseling van informatie tussen kredietinstellingen — Informatie over commerciële voorwaarden en productiehoeveelheden — Strategische informatie
E. Regan, Z. Csehi, I. Jarukaitis
Partij(en)
In zaak C-298/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal) bij beslissing van 3 mei 2022, ingekomen bij het Hof op 4 mei 2022, in de procedure
Banco BPN/BIC Português SA,
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA, filiaal in Portugal,
Banco Português de Investimento SA (BPI),
Banco Espírito Santo SA, in liquidatie,
Banco Santander Totta SA,
Barclays Bank plc,
Caixa Económica Montepio Geral — Caixa Económica Bancária SA,
Caixa Geral de Depósitos SA,
Unión de Créditos Inmobiliários SA, Establecimiento Financiero de Crédito, Sucursal em Portugal,
Caixa Central de Crédito Agrícola Mútuo CRL,
Banco Comercial Português SA
tegen
Autoridade da Concorrência,
in tegenwoordigheid van:
Ministério Público,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, Z. Csehi en I. Jarukaitis, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Banco BPN/BIC Português SA, vertegenwoordigd door C. Amorim, M. Gorjão-Henriques, F. Marques de Azevedo en A. Saavedra, advogados,
- —
Banco Português de Investimento SA (BPI), vertegenwoordigd door M. de Abreu Castelo Branco, A. Lucena e Vale en C. Pinto Correia, advogados,
- —
Banco Santander Totta SA, vertegenwoordigd door T. L. Faria, M. Lopes Martins, G. Neves Lima en N. Salazar Casanova, advogados,
- —
Barclays Bank plc, vertegenwoordigd door S. Estima Martins en L. Seifert Guincho, advogados,
- —
Caixa Económica Montepio Geral — Caixa Económica Bancária SA, vertegenwoordigd door D. N. Brito, P. Gouveia e Melo en J. Vieira Peres, advogados,
- —
Caixa Geral de Depósitos SA, vertegenwoordigd door G. Banha Coelho, C. Homem Ferreira Morais, L. D. Silva Morais en L. Tomé Feteira, advogados,
- —
Unión de Créditos Inmobiliários SA, Establecimiento Financiero de Crédito, Sucursal em Portugal, vertegenwoordigd door T. L. Faria, M. Lopes Martins en G. Neves Lima, advogados,
- —
Caixa Central de Crédito Agrícola Mútuo CRL, vertegenwoordigd door C. Coutinho da Costa en N. Mimoso Ruiz, advogados,
- —
Banco Comercial Português SA, vertegenwoordigd door R. Bordalo Junqueiro, N. Carrolo dos Santos en B. de Melo Alves, advogados,
- —
Autoridade da Concorrência, vertegenwoordigd door A. Cruz Nogueira en S. Parodi, advogadas,
- —
Ministério Público, vertegenwoordigd door P. Vieira, procurador,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, C. Chambel Alves en S. Ramos Moura als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits als gemachtigde,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Caselli, avvocato dello Stato,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi, P. Caro de Sousa en M. Domecq als gemachtigden,
- —
de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, vertegenwoordigd door M.-M. Joséphidès, M. Sánchez Rydelski en C. Simpson als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 oktober 2023,
het navolgende
Arrest
1
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen verschillende kredietinstellingen en de Autoridade da Concorrência (mededingingsautoriteit, Portugal) (hierna: ‘AdC’) over het besluit van de AdC om deze instellingen te beboeten omdat zij inbreuk hadden gemaakt op de nationale mededingingsbepalingen en artikel 101 VWEU door deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken de mededinging op de markt voor woningkrediet, de markt voor consumentenkrediet en de markt voor bedrijfskrediet te beperken via het uitwisselen van informatie over de huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name renteverschillen en risicovariabelen, en over de geïndividualiseerde productiecijfers van de deelnemers aan deze uitwisseling.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 3 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) draagt het opschrift ‘Verhouding tussen de artikelen [101] en [102 VWEU] en het nationale mededingingsrecht’ en bepaalt in lid 1:
‘Wanneer de mededingingsautoriteiten van de lidstaten of de nationale rechterlijke instanties nationaal mededingingsrecht toepassen op overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel [101], lid 1, [VWEU] welke de handel tussen de lidstaten in de zin van die bepaling kunnen beïnvloeden, passen zij tevens artikel [101 VWEU] toe op deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen. […]’
Portugees recht
4
Advies nr. 8/2009 van de Banco de Portugal (nationale bank van Portugal) werd gepubliceerd op 12 oktober 2009 (Diário da República, 2e serie, nr. 197, deel E).
5
Artikel 3, lid 1, van dit advies draagt het opschrift ‘Tarievenlijst’ en bepaalt:
‘Kredietinstellingen moeten een volledige tarievenlijst bijhouden, waarin de algemene voorwaarden met geldelijke gevolgen voor de afwikkeling van transacties en de financiële producten en diensten die aan het publiek worden aangeboden, worden vermeld.’
6
Artikel 4 van dat advies draagt het opschrift ‘Verplichting tot het verstrekken van informatie over de bekendmaking van de tarievenlijst’ en bepaalt in de leden 1 en 2:
‘1 — De onder deze handeling vallende kredietinstellingen moeten hun overeenkomstig het voorgaande artikel opgestelde tarievenlijst op alle kantoren en locaties waar zij het publiek bedienen, op een zichtbare en rechtstreeks toegankelijke plaats bewaren, op een wijze die een gemakkelijke en rechtstreekse raadpleging, met name langs elektronische weg, mogelijk maakt.
2 — Alle kredietinstellingen met een website moeten de volledige en bijgewerkte tarievenlijst op hun website beschikbaar stellen op een duidelijk zichtbare plaats, met directe toegang en op een gemakkelijk herkenbare manier, zonder dat geïnteresseerde partijen zich vooraf hoeven te registreren.’
7
Artikel 7 van advies nr. 8/2009 draagt het opschrift ‘Folder met rentevoeten’ en bepaalt in lid 1:
‘De informatie in de folder met rentevoeten zal worden bijgewerkt in overeenstemming met de marktomstandigheden en zal het publiek in staat stellen om met name de representatieve rentevoeten te kennen die door kredietinstellingen worden toegepast voor hun gebruikelijke transacties, onder de voorwaarden die zullen worden vastgesteld bij instructie van de Banco de Portugal.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8
Bij besluit van 9 september 2019 heeft de AdC bepaalde kredietinstellingen (hierna: ‘deelnemende kredietinstellingen’) beboet omdat zij hadden deelgenomen aan een ‘opzichzelfstaande’ uitwisseling van informatie, dat wil zeggen een uitwisseling waarvan niet werd gesteld dat zij bijkomstig was ten opzichte van onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot beperking van de mededinging. Deze uitwisseling betrof hun huidige en toekomstige commerciële voorwaarden voor kredieten, met name de renteverschillen (hierna: ‘spreads’) en risicovariabelen, alsmede de geïndividualiseerde productiecijfers van de kredietinstellingen die in strijd met artikel 101 VWEU en verschillende nationaalrechtelijke bepalingen aan die informatie-uitwisseling deelnamen.
9
Die mededingingsautoriteit heeft die conclusie gebaseerd op de overweging dat de betrokken informatie-uitwisseling een mededingingsbeperking naar strekking vormde, zodat zij de eventuele gevolgen van die uitwisseling voor de markt niet hoefde te onderzoeken. De AdC heeft daarentegen niet gesteld dat de deelnemende kredietinstellingen hadden deelgenomen aan een andersoortige mededingingsbeperkende praktijk waarmee de informatie-uitwisseling in verband kon of had kunnen worden gebracht, zoals een overeenkomst over de tarieven of het verdelen van de markten.
10
De meeste deelnemende kredietinstellingen hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal), de verwijzende rechter, waarbij zij hebben aangevoerd dat de aan de orde zijnde informatie-uitwisseling niet kon worden geacht op zichzelf voldoende schadelijk te zijn voor de mededinging. De gevolgen van die informatie-uitwisseling moeten dus worden onderzocht. Bovendien — zo stellen die kredietinstellingen — heeft de AdC nagelaten de economische, juridische en regelgevende context waarin die uitwisseling heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen, terwijl zij dat wel had moeten doen om tot de slotsom te kunnen komen dat er sprake was van een beperking naar strekking.
11
Op 28 april 2022 heeft de verwijzende rechter een tussenvonnis gewezen, waarin hij heeft aangegeven welke van de in het besluit van de AdC vermelde feiten als bewezen moesten worden geacht.
12
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de verwijzende rechter dat tussenvonnis samengevat door de beschrijving ervan onder te verdelen in vijf delen die respectievelijk gewijd zijn aan de aard van de uitgewisselde informatie, de vorm van de coördinatie, het ermee beoogde doel, de juridische en economische context, en de beweerde mededingingsbevorderende gevolgen.
13
Ten eerste had de uitgewisselde informatie betrekking op de markt voor woningkrediet, de markt voor consumentenkrediet en de markt voor bedrijfskrediet. Volgens de verwijzende rechter zijn er twee soorten informatie over die markten uitgewisseld, namelijk informatie over:
- —
huidige en toekomstige commerciële ‘voorwaarden’, te weten tabellen met de ‘spreads’, dat wil zeggen het verschil tussen enerzijds de rentevoet die door de kredietinstelling op een kredietnemer wordt toegepast en anderzijds de rentevoet waartegen de kredietnemer in beginsel zelf herfinanciert, alsmede de risicovariabelen op basis waarvan voor elk niveau van klantrisico — dat wordt bepaald aan de hand van factoren zoals het inkomen, de eigen inbreng of de prijs van het onroerend goed van de betrokken klant — een spread wordt toegekend die moet worden toegepast om dat risico te compenseren. Deze informatie was, gelet op de mate van volledigheid en systematisering van de uitgewisselde informatie, op het tijdstip van de uitwisseling niet openbaar toegankelijk.
- —
de ‘productiehoeveelheden’, dat wil zeggen overzichten waarin per deelnemende kredietinstelling het bedrag van de in de voorgaande maand verstrekte kredieten werd vermeld. Het ging daarbij om ‘niet-geaggregeerde’ gegevens, dit wil zeggen ten minste uitgesplitst in gedetailleerde subcategorieën, die op het tijdstip van de uitwisseling noch op een later tijdstip via een andere bron in die vorm beschikbaar waren.
14
In de samenvatting van het tussenvonnis wordt verder vermeld dat de betrokken informatie-uitwisseling op regelmatige en vertrouwelijke basis had plaatsgevonden zodat alleen de deelnemende kredietinstellingen ervan op de hoogte waren. Bovendien betrof deze uitwisseling strategische informatie die niet-openbaar en moeilijk toegankelijk was of moeilijk kon worden gesystematiseerd. Het ging daarbij namelijk om andere informatie dan de informatie die door de deelnemende kredietinstellingen aan de consument wordt verstrekt uit hoofde van hun informatieverplichting jegens die consument. Verder betrof de uitwisseling tussen deze instellingen niet-geaggregeerde en geïndividualiseerde informatie over huidige en toekomstige praktijken. In de uitgewisselde informatie werd meer bepaald verwezen naar voorgenomen wijzigingen in het strategische gedrag op korte termijn of in de bestaande commerciële voorwaarden.
15
Wat ten tweede de duur en de vorm van deze informatie-uitwisseling betreft, merkt de verwijzende rechter op dat deze uitwisseling heeft plaatsgevonden van mei 2002 tot maart 2013 via bilaterale of multilaterale contacten, waarbij de informatie werd uitgewisseld per telefoon of per e-mail, met volledig medeweten van de bedrijfsleiding van de deelnemende kredietinstellingen.
16
Ten derde wijst de verwijzende rechter erop dat de betrokken kredietinstellingen dankzij deze uitwisseling gedetailleerde, gesystematiseerde, geactualiseerde en nauwkeurige gegevens hebben kunnen verkrijgen over de offertes van hun aan de uitwisseling deelnemende concurrenten, en dat zij met deze uitwisseling beoogden de onzekerheid over elkaars strategische gedrag en dus het risico van commerciële druk van die concurrenten te verminderen.
17
Wat ten vierde de juridische en economische context betreft waarin de informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden, hebben de zes grootste kredietinstellingen in Portugal allemaal deelgenomen aan deze uitwisseling van informatie. In 2013 beheerden deze instellingen 83 % van de totale activa van de Portugese banksector.
18
Vanaf medio 2008 zijn — in afwijking van de ontwikkeling van de Euribor, te weten de index die de rentetarieven weergeeft waartegen banken elkaar leningen verstrekken binnen de eurozone, die destijds scherp was gedaald — de door de Portugese kredietinstellingen gehanteerde spreads voor nieuwe woningkredieten aanzienlijk gestegen, waardoor de daling van de rentetarieven voor de consumenten werd afgezwakt. Van 2010 tot en met minstens december 2014 zijn daarentegen de aan particulieren toegekende woningkredieten in volume afgenomen. Tegelijkertijd zijn de rentetarieven voor consumentenkredieten in 2010 en 2011 opnieuw gestegen, om begin 2012 uit te komen boven de in 2008 bereikte piek. Parallel daaraan hebben ook de spreads een sterke en aanhoudende stijging laten zien. In 2012 begonnen deze rentetarieven te dalen in lijn met de stabilisatie van de spreads en de daling van de Euribor. De spreads van de deelnemende kredietinstellingen zijn daarna evenwel teruggekeerd naar hogere niveaus dan in de perioden vóór 2012.
19
Wat ten vijfde het bestaan van potentieel mededingingsbevorderende of in elk geval ambivalente gevolgen betreft, zijn de deelnemende kredietinstellingen er niet in geslaagd aan te tonen dat de informatie-uitwisseling efficiëntieverbeteringen heeft opgeleverd, noch dat deze efficiëntieverbeteringen ten goede zijn gekomen aan de consument, noch dat de mededingingsbeperkingen in kwestie onontbeerlijk waren. Deze uitwisseling kon met name niet worden gelijkgesteld met een mededingingsanalyse (benchmarking) en de inhoud van de concreet uitgewisselde informatie leende zich niet ter voorkoming of oplossing van het probleem van de informatieasymmetrie in de relatie tussen de kredietgever en de kredietnemer (probleem van de adverse selectie), aangezien de inhoud geen betrekking had op het individuele risicoprofiel van de klanten, maar zich veeleer toespitste op kredietspreads en kredietproductiehoeveelheden zonder uitsplitsing naar onderneming of verband met individuele klanten.
20
De verwijzende rechter neemt weliswaar het standpunt in dat de betrokken uitwisseling er gelet op het voorgaande toe kan bijdragen dat de commerciële druk en de onzekerheid over het strategische gedrag van concurrenten op de markt vermindert, hetgeen zou kunnen neerkomen op informele coördinatie waardoor de mededinging wordt beperkt, maar hij acht het toch noodzakelijk om het Hof vragen te stellen over de toepassingsvoorwaarden van artikel 101 VWEU omdat er geen precedenten over opzichzelfstaande informele informatie-uitwisseling zijn.
21
De Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 101 VWEU […] eraan in de weg dat een grootschalige maandelijkse uitwisseling van informatie tussen concurrenten over commerciële voorwaarden (met name huidige en toekomstige kredietspreads en risicovariabelen) en over (maandelijkse, geïndividualiseerde en niet-geaggregeerde) productiecijfers betreffende het aanbod van woning-, bedrijfs- en consumentenkredieten, die in de retailbanksector in de context van een geconcentreerde markt met toetredingsdrempels regelmatig en op wederkerigheidsbasis heeft plaatsgevonden en zo op kunstmatige wijze de transparantie heeft verhoogd en de onzekerheden over het strategische gedrag van concurrenten heeft verminderd, wordt gekwalificeerd als een ‘mededingingsbeperking naar strekking’?
- 2)
Zo ja, staat artikel 101 VWEU aan een dergelijke kwalificatie in de weg wanneer geen efficiëntieverbeteringen of ambivalente of positieve effecten voor de mededinging als gevolg van die informatie-uitwisseling zijn vastgesteld of konden worden geïdentificeerd?’
Procedure bij het Hof
22
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen volgens de versnelde procedure.
23
Ter ondersteuning van zijn verzoek voert hij ten eerste aan dat ‘volgens een eerste berekening van het einde van de verjaringstermijn […] de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten [zullen] verjaren op 30 maart 2023, onverminderd de — concreet te beoordelen — oorzaken van schorsing of stuiting van de verjaring’. Ten tweede zijn er ‘redenen van algemene en bijzondere preventie die mede nopen tot een spoedige afdoening van deze zaak’, aangezien de feiten zich voorgedaan hebben tussen 2002 en 2013.
24
Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen om een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dit Reglement.
25
Op 14 juni 2022 heeft de president van het Hof, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, afwijzend beslist op het verzoek om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure.
26
Die beslissing was in de eerste plaats gebaseerd op het feit dat, zoals de verwijzende rechter zelf aangeeft, de afloop van de verjaringstermijn is vastgesteld op 30 maart 2023 ‘onverminderd de — concreet te beoordelen — oorzaken van schorsing of stuiting van de verjaring’. De verwijzende rechter heeft namelijk ook verklaard dat volgens hem moet worden aangenomen dat ‘de onderhavige verwijzing, die een schorsing van de behandeling inhoudt, een grond vormt voor schorsing van de lopende verjaringstermijn’.
27
In de tweede plaats is de spoedeisendheid van het geschil slechts relatief, aangezien de verwijzende rechter pas op 4 mei 2022 heeft beslist om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen, hoewel het hoofdgeding al sinds 22 oktober 2019 bij hem aanhangig was (zie naar analogie arrest van 11 november 2021, Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf, C-938/19, EU:C:2021:908, punt 44).
28
Overigens blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de enkele omstandigheid dat de verwijzende rechter om welke reden dan ook gehouden is te zorgen voor een snelle afdoening van de bij hem aanhangige zaak, op zichzelf niet voldoende is om de versnelde procedure op grond van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen (beschikking van de president van het Hof van 1 februari 2017, Air Serbia en Kondić, C-476/16, EU:C:2017:170, punt 8).
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
29
Verzoeksters in het hoofdgeding, te weten de deelnemende kredietinstellingen, hebben een groot deel van hun schriftelijke opmerkingen gewijd aan het betwisten van de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten van het hoofdgeding, waarbij zij zelfs zover gaan dat zij stellen dat het Hof die feitelijke hypothese zou moeten wijzigen teneinde deze rechter een nuttig antwoord te geven.
30
Volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, staat het evenwel niet aan het Hof, maar aan de nationale rechter om de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten vast te stellen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 35).
31
Hieruit volgt dat het Hof, dat uitsluitend bevoegd is om zich over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken, niet kan nagaan of de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten correct is en zich evenmin kan uitspreken over de gegrondheid van de stellingen van bepaalde partijen die de juistheid van de door deze rechter in zijn verzoek beschreven feitelijke hypothese betwisten.
32
Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft benadrukt, doet de uitlegging die het Hof aan een Unierechtelijke bepaling dient te geven in de door de verwijzende rechter beschreven feitelijke context, echter op geen enkele wijze het vermoeden ontstaan dat die feitelijke situatie inderdaad in het hoofdgeding aan de orde is. Het staat dus uiteindelijk steeds aan de verwijzende rechter om na te gaan of de feitelijke gegevens die hij aan het Hof heeft verstrekt, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie correct weergeven en of de gegevens met betrekking tot de nationale regeling volledig waren en op die situatie van toepassing waren.
33
Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de op de nationale rechter rustende verplichting — waaraan verzoeksters in het hoofdgeding refereren — om nauwkeurig de feitelijke context te omschrijven waarin de prejudiciële vragen worden gesteld, in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat wordt gekenmerkt door complexe feitelijke en juridische situaties (arrest van 3 maart 2021, Poste Italiane en Agenzia delle entrate — Riscossione, C-434/19 en C-435/19, EU:C:2021:162, punt 77).
34
Want hoewel het Hof aldus in staat moet worden gesteld om zich ervan te vergewissen dat het verzoek om een prejudiciële verwijzing niet niet-ontvankelijk is, neemt dit niet weg dat een dergelijk verzoek volgens vaste rechtspraak alleen dan niet-ontvankelijk is, wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen (arrest van 19 april 2007, Asemfo, C-295/05, EU:C:2007:227, punt 31), hetgeen in casu niet het geval is.
35
Aangezien de toetsing van de ontvankelijkheid van prejudiciële verzoeken dus beperkt is tot de kennelijke niet-inachtneming van de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, kan uit de verplichting van de nationale rechterlijke instanties om de feitelijke context van de prejudiciële vragen nauwkeurig te beschrijven, niet worden afgeleid dat het Hof dient na te gaan of het door de verwijzende rechter beschreven geval daadwerkelijk overeenkomt met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie. Bovendien blijkt in casu niet duidelijk uit het dossier waarover het Hof beschikt dat deze voorwaarden niet in acht zijn genomen.
36
Bijgevolg hoeft niet te worden ingegaan op het argument van verzoeksters in het hoofdgeding dat de feitelijke hypothese waarvan de verwijzende rechter in zijn vragen is uitgegaan onjuist is, en evenmin op hun verzoeken om de prejudiciële vragen te herformuleren, waarmee zij het Hof vroegen die feitelijke hypothese te wijzigen.
Eerste vraag
37
Vooraf moet worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing alsook uit de opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding blijkt dat het hoofdgeding voornamelijk betrekking heeft op de juridische kwalificatie van de mededingingsbeperking ‘naar strekking’.
38
Derhalve moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op markten die worden gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en toetredingsdrempels, en die ziet op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name de kredietspreads en risicovariabelen, alsook de geïndividualiseerde productiecijfers van de aan die uitwisseling deelnemende instellingen, als mededingingsbeperking naar strekking moet worden aangemerkt.
Voorwaarden waaronder een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een vereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen als een beperking naar strekking kunnen worden aangemerkt
39
Volgens artikel 101, lid 1, VWEU zijn onverenigbaar met de interne markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
40
Om in een bepaald geval te kunnen vaststellen dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, dient dan ook volgens de bewoordingen van die bepaling te worden aangetoond, ofwel dat deze ertoe strekken dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, ofwel dat zij zulks ten gevolge hebben (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 98; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 158, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 85).
41
In dit verband kan het bestaan van een precedent waarin een gelijksoortige informatie-uitwisseling in dezelfde sector als die in het hoofdgeding als een mededingingsbeperking naar strekking is aangemerkt, weliswaar het bewijs vergemakkelijken dat ook met deze laatste uitwisseling een mededingingsbeperking in het leven wordt geroepen, maar het ontbreken van een dergelijk precedent, wat volgens de verwijzende rechter hier het geval is, kan niet beletten dat de betrokken uitwisseling in voorkomend geval aldus wordt aangemerkt [zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Generics (UK)/Commissie, C-588/16 P, EU:C:2021:242, punt 79].
42
Voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU moet immers in een eerste fase de strekking van de overeenkomst tussen ondernemingen, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden onderzocht. Indien een dergelijk onderzoek uitwijst dat die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen een mededingingsverstorende strekking hebben, hoeven de gevolgen ervan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Het is dus enkel noodzakelijk om in een tweede fase die gevolgen te onderzoeken ingeval de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie niet kunnen worden geacht een dergelijke mededingingsverstorende strekking te hebben (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 99; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 159, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 86).
43
Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip ‘beperking naar strekking’, waarop de onderhavige prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft, strikt moet worden uitgelegd in die zin dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 101 en 102; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 161 en 162, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punten 88 en 89).
44
Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen een vorm van coördinatie zijn die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 105; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 165, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 92).
45
Om te beginnen moeten voor het onderzoek van de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie de verschillende aspecten ervan worden onderzocht om uit te maken of de betrokken afstemming zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, hetgeen met name het geval is wanneer coördinatie met dergelijke kenmerken juist wegens die kenmerken kan leiden tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C-286/13 P, EU:C:2015:184, punten 115 en 120).
46
Wat vervolgens de economische en juridische context van een gegeven overeenkomst, besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft, omvat het begrip ‘beperking naar strekking’ uitsluitend overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die deel uitmaken van een vorm van coördinatie die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, zodat het helemaal niet nodig is om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen teweegbrengen voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 106; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 166, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 93).
47
Dit sluit daarentegen niet uit dat rekening moet worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 106; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 166, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 93).
48
Bepaalde vormen van coördinatie, en dus ook daarvan deel uitmakende overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, kunnen mogelijkerwijs immers alleen als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging worden beschouwd als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In gevallen waarin een vorm van overeenkomst, besluit van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen naar zijn aard alleen onder bepaalde omstandigheden schadelijk is voor de mededinging, welke omstandigheden met name verband houden met de aard van de betrokken goederen of diensten, de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd, moet derhalve, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in wezen heeft gesteld, de economische en juridische context waarin deze vormen van coördinatie plaatsvinden, worden onderzocht om na te gaan of die omstandigheden aanwezig zijn. Het in aanmerking nemen van die context dient dus om ervoor te zorgen dat geen enkele bijzondere omstandigheid van de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie het vermoeden kan weerleggen dat de mededinging ongunstig wordt beïnvloed door de vorm van coördinatie waarvan zij deel uitmaken.
49
Wat ten slotte de doelstellingen van de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met deze overeenkomst, dat besluit of die gedragingen worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 107; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 167, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 94).
50
Bij het onderzoek van al deze aspecten moeten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom de betrokken overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat deze overeenkomst, dit besluit of deze gedragingen kunnen worden geacht ertoe te strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie in die zin arresten van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 108; 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 168, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 98).
Uitlegging van het begrip ‘beperking van de mededinging’ in het licht van de uitwisseling van informatie
51
Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, moet worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie tussen concurrenten, zelfs zonder een samenwerkingsovereenkomst, een mededingingsbeperking kan vormen, ook naar strekking, in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Zoals uit de punten 43 tot en met 49 van het onderhavige arrest blijkt, moet het bij deze uitwisseling immers gaan om een vorm van coördinatie die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging in het kader van die uitwisseling.
52
Wat de inhoud ervan betreft, betekent dit om te beginnen dat de informatie-uitwisseling zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die aanleiding geeft tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden van de betrokken markt overeenkomen.
53
De goede werking van normale mededinging op een markt veronderstelt echter een zekere transparantie van de situatie die momenteel op die markt heerst. Alleen onder deze voorwaarde kan een markt efficiënt functioneren. Zo heeft het Hof reeds erkend dat transparantie tussen marktdeelnemers — althans op een niet-oligopolistische markt — in beginsel de concurrentie tussen de aanbieders verscherpt (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C-194/99 P, EU:C:2003:527, punt 84).
54
Een markt kan evenwel slechts onder normale omstandigheden functioneren wanneer iedere ondernemer ten eerste verplicht is zelfstandig te bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C-286/13 P, EU:C:2015:184, punt 119) en ten tweede in het ongewisse verkeert over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop zijn concurrenten hun marktgedrag in de toekomst zullen aanpassen (zie in die zin arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C-8/08, EU:C:2009:343, punt 41, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C-883/19 P, EU:C:2023:11, punt 116).
55
Vervolgens is het met betrekking tot de context waarin de betrokken informatie-uitwisseling plaatsvindt noodzakelijk dat binnen die context elke coördinatie die kenmerken heeft welke vergelijkbaar zijn met die van die uitwisseling, slechts kan leiden tot mededingingsvoorwaarden die — gelet op de aard van de betrokken producten of verleende diensten, de feitelijke marktomstandigheden en de structuur van de markt — niet met de normale voorwaarden voor de werking van de betreffende markt overeenkomen (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, EU:C:1998:256, punt 87; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C-8/08, EU:C:2009:343, punt 33, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C-286/13 P, EU:C:2015:184, punt 120).
56
Wat ten slotte de ‘objectieve doelstellingen’ van die uitwisseling betreft, moet worden benadrukt dat dit begrip in de juridische zin ervan verwijst naar de voornaamste bestaansreden voor de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, dat wil zeggen naar de onmiddellijk en rechtstreeks door de coördinatie nagestreefde doelstellingen die de betrokken ondernemingen ertoe hebben gebracht eraan deel te nemen. Indien voor een informatie-uitwisseling, ook al lijkt zij formeel geen mededingingsverstorend doel na te streven, gelet op de vorm ervan en de context waarin zij plaatsvindt, geen andere verklaring kan worden gegeven dan het nastreven van een doel dat strijdig is met een van de wezenlijke bestanddelen van het beginsel van vrije mededinging, moet zij worden beschouwd als mededingingsbeperkend naar strekking.
57
Gelet op het voorgaande, en aangezien elke marktdeelnemer verplicht is zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren, moet een informatie-uitwisseling worden geacht zodanige kenmerken te vertonen dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die naar zijn aard moet worden beschouwd als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging, wanneer de inhoud ervan betrekking heeft op inlichtingen die, ongeacht of zij gevoelig of vertrouwelijk zijn, in de context waarin zij worden uitgewisseld ertoe kunnen leiden dat de partijen bij de uitwisseling, zo zij voldoende actief en commercieel redelijk zijn, zich stilzwijgend op dezelfde wijze gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
58
Bij een dergelijke beoordeling moet niet alleen rekening worden gehouden met de aard van de uitgewisselde informatie, maar ook met de economische context waarin de uitwisseling plaatsvindt. Weliswaar moet worden aangenomen dat de ondernemingen die aan een uitwisseling deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie (zie in die zin arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C-199/92 P, EU:C:1999:358, punten 161 en 162; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C-8/08, EU:C:2009:343, punten 51 en 52, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C-286/13 P, EU:C:2015:184, punten 126 en 127), maar dit neemt niet weg dat voldoende actieve en commercieel rationele ondernemingen zich slechts op dezelfde wijze zullen gedragen onder meer wanneer zij, gelet op de context waarin deze overeenkomst is gesloten, de reactie van hun huidige en potentiële concurrenten en van de consumenten niet hoeven te vrezen. Dit is in beginsel het geval wanneer de uitwisseling plaatsvindt tussen de belangrijkste spelers op een oligopolistische of althans sterk geconcentreerde markt en er drempels voor de toetreding tot die markt bestaan (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C-194/99 P, EU:C:2003:527, punten 86 en 87).
59
In dit verband moet, met name in laatstgenoemd geval, de omstandigheid dat de markt een zekere mate van concentratie en toetredingsdrempels vertoont, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beklemtoond, als relevant worden beschouwd.
60
Om aan te tonen dat een uitwisseling van informatie een beperking naar strekking vormt, hoeft evenwel niet altijd te worden aangetoond dat deze uitwisseling betrekking heeft op informatie van dien aard dat, in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers aan de uitwisseling er noodzakelijkerwijs toe worden gebracht om zich, zo zij voldoende actief en commercieel rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de betrokken markt tot stand komt, hetgeen in strijd is met de verplichting van iedere marktdeelnemer om zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren.
61
Zoals blijkt uit punt 54 van het onderhavige arrest, kan een markt slechts worden geacht onder normale omstandigheden te functioneren wanneer de marktdeelnemers niet alleen zelfstandig het beleid bepalen dat zij op de interne markt willen voeren, maar ook, en meer in het algemeen, in het ongewisse blijven over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers op die markt.
62
Bijgevolg kan een uitwisseling van informatie, wanneer zij het mogelijk maakt dat ongewisse karakter weg te nemen, worden beschouwd als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, zonder dat zelfs maar hoeft te worden aangetoond dat de uitgewisselde informatie in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers er noodzakelijkerwijs toe brengt om zich, zo zij voldoende actief en economisch rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt. Daartoe is het voldoende dat de uitgewisselde informatie zowel vertrouwelijk als strategisch is.
63
Onder ‘vertrouwelijke informatie’ moet worden verstaan alle informatie die niet reeds bekend is bij elke op de betrokken markt actieve speler, terwijl onder ‘strategische informatie’ moet worden verstaan informatie die, na eventueel te zijn gecombineerd met andere informatie die reeds bekend is bij de deelnemers aan een informatie-uitwisseling, licht kan werpen op de strategie die sommige van de deelnemers voornemens zijn ten uitvoer te leggen met betrekking tot een of meer parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C-883/19 P, EU:C:2023:11, punt 117).
64
Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 en 70 van zijn conclusie heeft gesteld, is bovendien elke informatie-uitwisseling over toekomstige tarieven of over sommige tariefbepalende factoren op zich mededingingsbeperkend, met name gelet op het risico van schade aan de mededinging dat zij met zich brengt. Het begrip ‘strategische informatie’ is echter ruimer en omvat alle gegevens die de marktdeelnemers nog niet bekend zijn en die in het kader van een dergelijke uitwisseling de onzekerheid van de deelnemers over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers kunnen verminderen met betrekking tot aspecten die wegens de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke omstandigheden op de markt en de structuur ervan, een of meer parameters vormen op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
65
Ten slotte moet, wanneer de uitgewisselde informatie geen betrekking heeft op intenties van deelnemers aan de uitwisseling om hun gedrag op de relevante markt te wijzigen, maar op een actuele of vroegere situatie, die informatie niettemin als strategisch worden beschouwd indien een deelnemer daaruit met voldoende nauwkeurigheid het toekomstige gedrag van de andere deelnemers aan die uitwisseling of hun reacties op een mogelijke strategische marktbeweging kan afleiden, met name op basis van de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke marktomstandigheden, de kostenstructuur of de productie- en beheermethoden van de deelnemers aan die uitwisseling.
Kwalificatie als een beperking naar strekking van een informatie-uitwisseling met de door de verwijzende rechter in zijn vraag vermelde kenmerken
66
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitwisseling een vorm van coördinatie tussen ondernemingen is die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, en om dienaangaande de nodige feitelijke vaststellingen te doen, kan het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing preciseringen geven om die rechter bij zijn uitlegging te leiden (zie in die zin arrest van 18 januari 2024, Lietuvos notarų rūmai e.a., C-128/21, EU:C:2024:49, punten 89 en 90).
67
In deze zaak heeft de verwijzende rechter in zijn vraag verwezen naar een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op sterk geconcentreerde markten met toetredingsdrempels en betrekking had op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, in het bijzonder kredietspreads en risicovariabelen, alsook op de geïndividualiseerde productiecijfers van ieder van hen.
68
Ten eerste blijkt uit de beschrijving van de verwijzende rechter dat de informatie over de kredietspreads, die vertrouwelijk tussen de deelnemende kredietinstellingen werd uitgewisseld, op het tijdstip van de uitwisseling niet even volledig en gesystematiseerd voor het publiek beschikbaar was en dat deze informatie hoofdzakelijk betrekking had op mogelijke toekomstige maatregelen. Meer in het bijzonder blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze informatie betrekking had op hun intenties om de commerciële voorwaarden op de betrokken markt te wijzigen, of althans op wijzigingen waartoe was besloten maar die nog niet waren toegepast.
69
Ten tweede verwijst het begrip ‘spread’ naar het verschil tussen de rentevoet die de kredietinstelling aan een kredietnemer aanrekent en de rentevoet waartegen de kredietinstelling zich in principe herfinanciert, en is deze tweede rentevoet in beginsel bekend, zodat een kredietspread informatie kan verstrekken over de rentevoeten die kredietinstellingen aan hun klanten aanbieden als uitgangspunt voor onderhandelingen.
70
Aangezien de spreads een van de parameters zijn op basis waarvan de mededinging op de drie in het hoofdgeding aan de orde zijnde markten tot stand komt, moet alle informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen om deze spreads te wijzigen, als strategische informatie worden beschouwd.
71
Hieruit volgt dat, gelet op de vaststellingen in punt 62 van dit arrest, een informatie-uitwisseling die, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beschreven, op vertrouwelijke basis plaatsvindt en betrekking heeft op de toekomstige intenties van kredietinstellingen met betrekking tot de kredietspreads die worden gebruikt om de aan hun klanten aangeboden rentevoet te bepalen, een vorm van coördinatie tussen ondernemingen is die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging en dus een mededingingsbeperkende strekking heeft in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
72
Hetzelfde geldt voor de informatie over toekomstige veranderingen in de risicoparameters die worden toegepast op de kredietspreads op basis van het individuele risicoprofiel van de cliënten, aangezien deze, in combinatie met de informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen met betrekking tot kredietspreads, de deelnemers aan de uitwisseling waarschijnlijk een nauwkeuriger beeld zal geven van de tariefstrategieën die de andere deelnemers van plan zijn toe te passen.
73
Wat de informatie over de ‘productiehoeveelheden’ betreft, zij erop gewezen dat dergelijke informatie in beginsel elk gedrag van een marktdeelnemer aan het licht kan brengen dat afwijkt van het evenwicht dat op de markt kan heersen, met name wanneer deze informatie, zoals in het hoofdgeding, door deze marktdeelnemers in niet-geaggregeerde en geïndividualiseerde vorm wordt verstrekt.
74
Het bestaan van een uitwisseling van dergelijke informatie kan dus in bepaalde omstandigheden een vorm van coördinatie — waarvan die uitwisseling een component vormt — aan het licht brengen die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging.
75
In het hoofdgeding blijkt evenwel uit de toelichting van de verwijzende rechter dat de AdC verzoeksters heeft verweten te hebben deelgenomen aan een ‘opzichzelfstaande’ uitwisseling van informatie en niet aan een uitwisseling die bijkomstig is ten opzichte van mededingingsbeperkende onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
76
In het geval van een ‘opzichzelfstaande’ uitwisseling van informatie, waarbij deze informatie, zoals in het onderhavige geval, betrekking heeft op verkoopvolumen in het verleden, is het evenwel onwaarschijnlijk dat deze informatie op zich en bij gebreke van bijzondere omstandigheden de toekomstige intenties van de betrokken kredietinstellingen kan onthullen of de deelnemers aan de uitwisseling die voldoende actief en economisch rationeel zijn, ertoe kan aanzetten zich stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een van de betrokken markten tot stand komt.
77
Bij de beoordeling van de schadelijkheid van een vorm van informatie-uitwisseling moet echter ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid om de verschillende categorieën van uitgewisselde informatie aan elkaar te koppelen.
78
Zo kan een ‘opzichzelfstaande’ uitwisseling van informatie, voor zover deze onder meer betrekking heeft op productiehoeveelheden, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, indien die informatie met name zou worden gecombineerd met andere soorten uitgewisselde informatie en, in voorkomend geval, met andere informatie die reeds vrij beschikbaar is, zodanig dat een onderneming die voldoende actief en economisch rationeel is, gelet op de aard, de feitelijke omstandigheden en de structuur van de relevante markten, de toekomstige intenties van de andere deelnemers zou kunnen afleiden of ertoe gebracht zou kunnen worden om zich stilzwijgend op dezelfde wijze als de andere deelnemers te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op die markten tot stand komt.
79
Hoe dan ook moet een uitwisseling van informatie zoals die welke de verwijzende rechter in zijn vraag beschrijft, worden beschouwd als een beperking naar strekking wanneer de uitgewisselde informatie onder meer betrekking heeft op toekomstige intenties van de deelnemers aan die uitwisseling om hun kredietspreads te wijzigen.
80
Deze conclusie kan worden bevestigd door de objectieve doelstellingen te onderzoeken die met de uitwisseling van dergelijke informatie worden nagestreefd, hetgeen, zoals blijkt uit punt 49 van dit arrest, eveneens relevant is voor de beoordeling van het bestaan van een beperking naar strekking. De uitwisseling van informatie over de toekomstige intenties van de deelnemers daaraan met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een markt tot stand komt, zoals kredietspreads, kan geen ander objectief doel nastreven dan de mededinging op die markt te vervalsen.
81
In de zaak in het hoofdgeding trachten verzoeksters niettemin met verschillende argumenten aan te tonen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie-uitwisseling geen mededingingsbeperkende strekking heeft.
82
In de eerste plaats zijn zij onderworpen aan verplichtingen van tarieftransparantie op grond van het consumentenrecht of — in overeenstemming met de boekhoudkundige en financiële regels die op hen van toepassing zijn of, in voorkomend geval, op grond van hun rechtsvorm als ondernemingen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt — aan verplichtingen om hun omzet, hun marktaandelen en hun gemiddelde kredietspreads bekend te maken. Als gevolg van deze verschillende wettelijke verplichtingen kon om het even welke speler op de markten in kwestie de commerciële voorwaarden van de deelnemende kredietinstellingen verzamelen door naar hun loketten te gaan of hun websites te bezoeken.
83
In dit verband moet stellig worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie waarvan de verstrekking overigens door een nationale regeling is voorgeschreven, geen inbreuk kan maken op artikel 101 VWEU, aangezien een dergelijke uitwisseling geen effect op de markt kan hebben dat verder gaat dan het effect dat reeds voortvloeit uit de naleving van die regeling, en de betrokken ondernemingen daarvoor niet aansprakelijk kunnen worden gesteld (zie naar analogie arresten van 11 november 1997, Commissie en Frankrijk/Ladbroke Racing, C-359/95 P en C-379/95 P, EU:C:1997:531, punt 33, en 9 september 2003, CIF, C-198/01, EU:C:2003:430, punten 52 en 53).
84
Een dergelijke situatie kan echter niet worden ingeroepen door de deelnemers aan de uitwisseling wanneer de uitgewisselde informatie verder gaat dan de informatie die elke kredietinstelling die op de drie betrokken markten actief is, krachtens haar wettelijke verplichtingen openbaar moet maken en wanneer deze informatie is uitgewisseld voordat deze verplichtingen die deelnemers dwongen om deze informatie openbaar te maken; het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
85
In de tweede plaats merken verzoeksters in het hoofdgeding op dat een informatie-uitwisseling die zoals in het hoofdgeding zeer sporadisch plaatsvindt, namelijk een of twee keer per jaar, geen beperking naar strekking kan vormen. Evenwel zij in herinnering gebracht dat een dergelijke frequentie op zich niet uitsluit dat een uitwisseling van informatie een mededingingsbeperkende strekking heeft. Een eenmalig contact kan volstaan om de onzekerheid tussen de partijen over het toekomstige gedrag van de andere betrokken ondernemingen op de relevante markt weg te nemen (zie in die zin arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C-8/08, EU:C:2009:343, punten 59 en 62).
86
In de derde plaats betwisten verzoeksters in het hoofdgeding dat een informatie-uitwisseling zoals die welke de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beschreven, kan worden gekwalificeerd als een vorm van coördinatie die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, aangezien deze uitwisseling op zich de activiteit van concurrentieanalyse (benchmarking) van de deelnemers aan deze uitwisseling kan vergemakkelijken door hen in staat te stellen hun respectieve aanbiedingen te vergelijken en tegelijkertijd de aan een dergelijke vergelijking verbonden kosten te verlagen, zodat de uitwisseling mogelijk mededingingsbevorderende gevolgen heeft.
87
De uitwisseling van informatie over de beste management- of productiemethoden kan zeker de mededinging bevorderen en kan daarom niet als een mededingingsbeperkende strekking worden beschouwd. Dit kan echter niet gelden voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie die specifiek betrekking heeft op de intenties van de deelnemers aan die uitwisseling met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de betrokken markt tot stand komt.
88
In de vierde plaats stellen verzoeksters in het hoofdgeding dat de kredietspreads niet de totale prijs van de aangeboden kredietverlening weergeven, maar slechts één van de bestanddelen ervan, met name omdat het bedrag van de commissies en andere kosten niet is vermeld. Bovendien komen, althans op de markt voor woningkredieten, de aan klanten aangeboden kredietrentevoeten die uit deze spreads blijken, niet overeen met de uiteindelijk aangerekende rentevoeten, maar veeleer met indicatieve rentevoeten die worden gebruikt als uitgangspunt voor individuele onderhandelingen met elke klant op basis van zijn specifieke risicoprofiel. Bijgevolg kan de uitwisseling van informatie, zelfs met betrekking tot de toekomstige intenties van de deelnemende kredietinstellingen, die betrekking heeft op kredietspreads, huns inziens niet worden beschouwd als een mededingingsbeperkende strekking.
89
Zoals de advocaat-generaal in de punten 74 en 75 van zijn conclusie heeft benadrukt, is het evenwel niet noodzakelijk dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen betrekking hebben op alle parameters op basis waarvan de mededinging op de markt tot stand komt, of, wat tariefinformatie betreft, op alle bestanddelen van de uiteindelijk toegepaste prijs, om onder het begrip ‘beperking naar strekking’ te vallen. Derhalve kan de informatie-uitwisseling, zelfs indien deze slechts één van deze parameters betreft, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van een normale mededinging (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C-883/19 P, EU:C:2023:11, punt 204).
90
De rentevoet die wordt gebruikt als uitgangspunt voor individuele onderhandelingen met de individuele klant op basis van zijn risicoprofiel, weerspiegelt een van de mededingingsparameters op de betrokken markten, aangezien potentiële klanten aan de hand van deze rentevoet een eerste selectie zullen maken uit de kredietaanbiedingen van kredietinstellingen om met bepaalde kredietinstellingen in onderhandeling te treden.
91
In de vijfde plaats betwisten verzoeksters in het hoofdgeding dat in de feiten van het hoofdgeding de meegedeelde informatie over de kredietspreads betrekking had op toekomstige gedragingen waarvan de kennis de deelnemers aan de informatie-uitwisseling had kunnen bevoordelen. Om te beginnen betrof deze informatie wijzigingen die op het punt stonden in werking te treden, hetzij op dezelfde dag, hetzij uiterlijk op de volgende werkdag indien de mededeling op vrijdag had plaatsgevonden. Vervolgens werden de rentetarieven die als uitgangspunt voor de onderhandelingen werden voorgesteld, kort na de uitwisseling van de wijzigingen van de kredietspreads of zelfs gelijktijdig op de website en in de kredietsimulatoren van de betrokken kredietinstelling weergegeven. Ten slotte had een kredietinstelling in ieder geval enkele weken nodig om haar eigen kredietspreads te wijzigen, zodat de deelnemers aan de uitwisseling niet onmiddellijk konden reageren op de informatie die zij ontvingen.
92
In dit verband zij eraan herinnerd dat het enkele feit dat informatie over de kredietspreads werd uitgewisseld voordat deze effectief of openbaar werden, echter voldoende is om aan te tonen dat deze uitwisseling de onzekerheid bij de deelnemers aan de informatie-uitwisseling over het toekomstige gedrag van de andere betrokken kredietinstellingen kon verminderen, ook al zou de onzekerheid die bij de andere concurrenten kan hebben bestaan, kort daarna zijn verdwenen. Zelfs als het voor de deelnemers aan een dergelijke uitwisseling onmogelijk zou zijn om deze informatie onmiddellijk in aanmerking te nemen om hun marktgedrag onmiddellijk te wijzigen, zou elke uitwisseling van toekomstige intenties die nog niet openbaar zijn gemaakt, deze deelnemers in ieder geval in staat stellen sneller te reageren dan bij een normale werking van de relevante markt mogelijk zou zijn.
93
In de zesde plaats stellen verzoeksters in het hoofdgeding dat het bij het Hof ingediende dossier geen enkel geval bevat waarin een van de deelnemende kredietinstellingen haar tarieven heeft gewijzigd nadat zij ervan op de hoogte was gebracht dat de kredietspreads van een andere deelnemer gewijzigd gingen worden. Een dergelijke omstandigheid kan echter niet als relevant worden beschouwd, aangezien voor de toepassing van het begrip ‘beperking naar strekking’ op een informatie-uitwisseling niet vereist is dat concrete gevolgen van de betrokken informatie-uitwisseling voor de betreffende markt worden aangetoond noch dat de deelnemers aan de uitwisseling daadwerkelijk met de informatie rekening hebben gehouden.
94
In de zevende plaats betogen verzoeksters in het hoofdgeding dat het begrip ‘risicovariabele’, zoals het door de verwijzende rechter wordt gebruikt, verwijst naar ratingtabellen waarin een bepaalde categorie klanten wordt ingedeeld in een risicoklasse op basis van factoren zoals hun inkomen, het bedrag van de eigen inbreng of de prijs van het onroerend goed, hetgeen gepaard gaat met de toepassing van een kredietspread ter compensatie van dit risico. Zoals volgens hen uit de in het tussenvonnis weergegeven getuigenverklaringen blijkt, zijn deze factoren die aan de respectieve risicoklasse ten grondslag liggen, tijdens de informatie-uitwisseling echter op geen enkele wijze bekendgemaakt, zodat de uitwisseling van deze tabellen geen uitwisseling van strategische informatie kon vormen.
95
Dienaangaande staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in een dergelijke tabel vervatte informatie, met name gelet op de gegevens waarover de deelnemers aan de uitwisseling beschikten en de methode die doorgaans wordt gebruikt om dergelijke tabellen op te stellen, voldoende begrijpelijk was om hen in staat te stellen om, na deze te hebben gecombineerd met de kredietspreads op basis waarvan aan cliënten een rentevoet als uitgangspunt voor de onderhandelingen werd aangeboden, en met de behaalde productiehoeveelheden, hun onzekerheid over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers aan deze uitwisseling te verminderen met betrekking tot aspecten die wegens de aard van de betrokken diensten, de feitelijke omstandigheden op de markt en de structuur ervan, een of meer parameters vormen op basis waarvan de mededinging op de relevante markten tot stand komt.
96
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op markten die worden gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en toetredingsdrempels, en die ziet op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name de kredietspreads en risicovariabelen, alsook de geïndividualiseerde productiecijfers van de aan die uitwisseling deelnemende instellingen, moet worden aangemerkt als mededingingsbeperking naar strekking, althans voor zover de aldus uitgewisselde kredietspreads de spreads zijn die deze instellingen voornemens zijn in de toekomst toe te passen.
Tweede vraag
97
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
98
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op markten die worden gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en toetredingsdrempels, en die ziet op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name de kredietspreads en risicovariabelen, alsook de geïndividualiseerde productiecijfers van de aan die uitwisseling deelnemende instellingen, moet worden aangemerkt als mededingingsbeperking naar strekking, althans voor zover de aldus uitgewisselde kredietspreads de spreads zijn die deze instellingen voornemens zijn in de toekomst toe te passen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑07‑2024
Conclusie 05‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Mededingingsregelingen — Artikel 101 VWEU — Overeenkomsten tussen ondernemingen — Mededingingsbeperking naar strekking — Uitwisseling van informatie tussen kredietinstellingen — Informatie over commerciële voorwaarden en productiehoeveelheden
A. Rantos
Partij(en)
Zaak C-298/221.
Banco BPN/BIC Português, SA,
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA, filiaal in Portugal,
Banco Português de Investimento SA (BPI),
Banco Espírito Santo SA, in liquidatie,
Banco Santander Totta SA,
Barclays Bank Plc,
Caixa Económica Montepio Geral — Caixa Económica Bancária, SA,
Unión de Créditos Inmobiliários, SA, Establecimiento Financiero de Crédito, Sucursal em Portugal,
Caixa Geral de Depósitos, SA,
Caixa Central de Crédito Agrícola Mútuo CRL,
Banco Comercial Português SA
tegen
Autoridade da Concorrência,
in tegenwoordigheid van:
Ministério Público
[verzoek van de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU en de voorwaarden waaronder een uitwisseling van informatie tussen concurrerende ondernemingen kan worden gekwalificeerd als een ‘mededingingsbeperking naar strekking’.
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen verschillende bankinstellingen en de Autoridade da Concorrência (mededingingsautoriteit, Portugal; hierna: ‘AdC’), verweerster in het hoofdgeding, over het besluit van deze laatste om aan die instellingen een geldboete op te leggen omdat zij inbreuk zouden hebben gemaakt op het nationale mededingingsrecht en artikel 101 VWEU door deel te nemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de vorm van informele coördinatie tussen concurrenten via de uitwisseling van gevoelige en strategische informatie.
3.
Het bijzondere aan deze zaak is dat de AdC, zonder te hebben vastgesteld dat er sprake was van een kartel, een ‘opzichzelfstaande’ uitwisseling van informatie heeft gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking; een juridische kwalificatie die wordt betwist door de betrokken bankinstellingen, die stellen dat bij die informatie-uitwisseling de voor die kwalificatie vereiste mate van schadelijkheid ontbrak, zodat behalve de strekking van die uitwisseling ook de gevolgen ervan in ogenschouw moesten worden genomen. Aangezien de verwijzende rechter van oordeel is dat er in de rechtspraak van het Hof geen precedenten zijn die nuttige richtsnoeren kunnen opleveren voor de beslechting van de onderhavige zaak, heeft hij het Hof op dat punt vragen gesteld.
4.
Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak inzake de beoordeling van informatie-uitwisseling tussen concurrenten vanuit het oogpunt van artikel 101, lid 1, VWEU, verder uit te diepen. Het Hof zal zich dus wederom kunnen buigen over het begrip mededingingsbeperking naar strekking, waar weliswaar al heel veel woorden aan zijn gewijd, maar dat nog steeds interpretatievragen doet rijzen omdat er nog een groot grijs gebied is.
II. Toepasselijke bepalingen
5.
De verwijzende rechter noemt Lei n.o 19/2012 que aprova o novo regime da concorrência (wet nr. 19/2012 tot goedkeuring van een nieuw rechtskader voor de mededinging) van 8 mei 2012 (hierna: ‘mededingingswet’)2., die in de plaats is gekomen van Lei n.o 18/2003 tot vaststelling van het rechtskader voor de mededinging van 11 juni 20033.. Artikel 9 van de mededingingswet, met het opschrift ‘Overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen’ (alsmede het voormalige artikel 4 van wet nr. 18/2003, met het opschrift ‘Verboden praktijken’), stemt inhoudelijk in wezen overeen met artikel 101 VWEU.
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
6.
Bij besluit van 9 september 2019 heeft de AdC verzoeksters in het hoofdgeding beboet omdat zij in strijd met artikel 101 VWEU en de overeenkomstige nationale bepalingen zouden hebben deelgenomen aan een opzichzelfstaande (‘standalone’)4. uitwisseling van informatie.
7.
Die mededingingsautoriteit heeft die conclusie gebaseerd op de overweging dat de betrokken informatie-uitwisseling een mededingingsbeperking naar strekking vormde, zodat zij de eventuele gevolgen ervan voor de markt niet hoefde te onderzoeken. Voorts heeft die autoriteit de betrokken ondernemingen niet verweten te hebben deelgenomen aan een andersoortige mededingingsbeperkende praktijk waarmee de informatie-uitwisseling in verband kon worden gebracht, zoals een overeenkomst over de prijzen of over het verdelen van de markten.
8.
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal), de verwijzende rechter, waarbij zij hebben aangevoerd dat de betrokken informatie-uitwisseling niet kon worden geacht op zichzelf dermate schadelijk te zijn dat een onderzoek naar de gevolgen ervan achterwege kon blijven. De AdC zou met name hebben nagelaten de economische, juridische en regelgevende context waarin die uitwisseling heeft plaatsgevonden, in aanmerking te nemen, terwijl zij dat wel had moeten doen om tot de slotsom te kunnen komen dat er sprake was van een mededingingsbeperking naar strekking.
9.
Op 28 april 2022 heeft de verwijzende rechter een bijna 2000 bladzijden tellend tussenvonnis gewezen, waarin hij heeft aangegeven welke van de in het besluit van de AdC vermelde feiten bewezen moesten worden geacht. In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft hij dat vonnis samengevat door zijn beschrijving onder te verdelen in vijf rubrieken die respectievelijk gewijd zijn aan de aard van de uitgewisselde informatie, de vorm van de coördinatie, het beoogde doel, de juridische en economische context, en de beweerde mededingingsbevorderende gevolgen.
10.
Wat ten eerste de aard van de uitgewisselde informatie betreft, staat in de verwijzingsbeslissing te lezen dat deze informatie betrekking had op de markt voor woningkrediet, de markt voor consumentenkrediet en de markt voor bedrijfskrediet. Er zouden twee soorten informatie over die markten zijn uitgewisseld, namelijk informatie over
- —
huidige en toekomstige commerciële ‘voorwaarden’, te weten tabellen met de renteverschillen (spreads), leencapaciteit van klanten en risicoparameters, die, gelet op de mate van volledigheid en systematisering van de uitgewisselde informatie, op het tijdstip van de uitwisseling niet openbaar toegankelijk waren, en over
- —
‘productiehoeveelheden’, te weten overzichten waarin per bankinstelling het bedrag van de in de voorgaande maand verstrekte kredieten werd vermeld. Het zou daarbij zijn gegaan om niet-geaggregeerde gegevens, die op het tijdstip van de uitwisseling noch op een later tijdstip via een andere bron in die vorm beschikbaar waren.
11.
Wat ten tweede de duur en de vorm van de informatie-uitwisseling betreft, merkt de verwijzende rechter op dat deze uitwisseling in de periode van mei 2002 tot maart 2013 heeft plaatsgevonden via geïnstitutionaliseerde bilaterale of multilaterale contacten, waarbij de informatie werd uitgewisseld per telefoon of per e-mail, met volledig medeweten van de bedrijfsleiding.
12.
Wat ten derde het doel van de informatie-uitwisseling betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de betrokken banken dankzij deze uitwisseling gedetailleerde, gesystematiseerde, geactualiseerde en nauwkeurige gegevens hebben kunnen verkrijgen over de offertes van hun concurrenten en dat zij met deze uitwisseling dus beoogden de onzekerheid over elkaars strategische gedrag te verminderen teneinde het risico van commerciële druk te verkleinen.
13.
Wat ten vierde de juridische en economische context betreft waarin de informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de zes grootste kredietinstellingen in Portugal, die allemaal aan deze uitwisseling hebben deelgenomen, in 2013 83 % van de totale activa van de Portugese banksector beheerden. Voorts zouden vanaf medio 2008 — in afwijking van de ontwikkeling van de Euribor, de index die de rentetarieven weergeeft waartegen banken elkaar leningen verstrekken binnen de eurozone, die destijds scherp was gedaald — de door de kredietinstellingen gehanteerde spreads voor nieuwe woningkredieten aanzienlijk zijn gestegen, waardoor de daling van de rentetarieven voor de consumenten zou zijn afgezwakt.5. Eveneens onder de kop ‘Juridische en economische context’ wordt in de samenvatting van het tussenvonnis verder vermeld dat de betrokken informatie-uitwisselingen op regelmatige basis en tussen een besloten kring van personen hebben plaatsgevonden en dat de informatie die werd uitgewisseld, strategische informatie was die niet-openbaar of moeilijk toegankelijk of systematiseerbaar was. Het zou daarbij namelijk om andere informatie zijn gegaan dan de informatie die door kredietinstellingen wordt verstrekt uit hoofde van hun informatieverplichting jegens de consument.
14.
Wat ten vijfde het bestaan van potentieel mededingingsbevorderende of in elk geval ambivalente gevolgen betreft, wordt in die samenvatting vermeld dat de betrokken banken niet hebben aangetoond of aangegeven dat i) de informatie-uitwisselingen efficiëntieverbeteringen hebben opgeleverd; ii) deze efficiëntieverbeteringen ten goede zijn gekomen aan de consument, en iii) de mededingingsbeperkingen onontbeerlijk waren.
15.
Tot slot stelt de verwijzende rechter weliswaar zelf vast dat de betrokken uitwisseling ertoe kan bijdragen dat de commerciële druk en de onzekerheid over het strategische gedrag van concurrenten op de markt vermindert, hetgeen zou kunnen neerkomen op informele coördinatie waardoor de mededinging wordt beperkt, maar acht hij de onderhavige prejudiciële verwijzing niettemin gerechtvaardigd omdat het Hof zich niet eerder over een zaak als de onderhavige heeft gebogen.
16.
In deze omstandigheden heeft de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 101 VWEU […] eraan in de weg dat een grootschalige maandelijkse uitwisseling van informatie tussen concurrenten over commerciële voorwaarden (met name huidige en toekomstige kredietspreads en risicovariabelen) en over (maandelijkse, geïndividualiseerde en niet-geaggregeerde) productiecijfers betreffende het aanbod van woning-, bedrijfs- en consumentenkredieten, die in de retailbanksector in de context van een geconcentreerde markt met toegangsbelemmeringen regelmatig en op wederkerigheidsbasis heeft plaatsgevonden en zo op kunstmatige wijze de transparantie heeft verhoogd en de onzekerheden over het strategische gedrag van concurrenten heeft verminderd, wordt gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking?
- 2)
Zo ja, staat artikel 101 VWEU aan een dergelijke kwalificatie in de weg wanneer geen efficiëntieverbeteringen of ambivalente of positieve effecten voor de mededinging als gevolg van die informatie-uitwisseling zijn vastgesteld of konden worden geïdentificeerd?’
17.
Verzoeksters, de AdC en het Ministério Público hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof. Er zijn ook schriftelijke opmerkingen ingediend door de Portugese, de Griekse, de Italiaanse en de Hongaarse regering, alsmede door de Europese Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA. Ter terechtzitting van 22 juni 2023 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoeksters, de AdC, de Portugese en de Griekse regering, alsmede door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie.
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
18.
Vooraf zij opgemerkt dat vrijwel alle verzoeksters een groot deel van hun schriftelijke opmerkingen hebben gewijd aan het betwisten van de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten van het hoofdgeding, waarbij zij zelfs zover gaan dat zij stellen dat het Hof die feitelijke hypothese zou moeten wijzigen teneinde deze rechter een nuttig antwoord te geven.6.
19.
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, niet aan het Hof, maar aan de nationale rechter staat om de aan het geding ten grondslag liggende feiten vast te stellen.7. Hieruit volgt dat het Hof, dat uitsluitend bevoegd is om zich over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken, niet kan nagaan of de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten correct is en zich evenmin kan uitspreken over de gegrondheid van de beweringen van bepaalde partijen die de juistheid van de door deze rechter in zijn verzoek beschreven feitelijke hypothese betwisten.
20.
De uitlegging die het Hof aan een Unierechtelijke bepaling dient te geven in de door de verwijzende rechter beschreven feitelijke context, doet echter op geen enkele wijze het vermoeden ontstaan dat die feitelijke situatie inderdaad in het hoofdgeding aan de orde is. Het staat dus uiteindelijk steeds aan de verwijzende rechter om na te gaan of de feitelijke gegevens die hij aan het Hof heeft verstrekt, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie correct weergeven.
21.
Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de op de nationale rechter rustende verplichting — waaraan verzoeksters refereren — om nauwkeurig de feitelijke context te omschrijven waarin de prejudiciële vragen worden gesteld. Want hoewel het Hof aldus in staat moet worden gesteld om zich ervan te vergewissen dat het verzoek om een prejudiciële verwijzing niet niet-ontvankelijk is, neemt dit niet weg dat een dergelijk verzoek volgens vaste rechtspraak alleen dan niet-ontvankelijk is, wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen8., hetgeen in casu niet het geval is.
22.
Bijgevolg hoeft niet te worden ingegaan op het argument van verzoeksters dat de verwijzende rechter is uitgegaan van een onjuiste feitelijke hypothese. Hetzelfde geldt voor de verzoeken om de prejudiciële vragen te herformuleren, waarmee verzoeksters het Hof vragen de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten (opnieuw) te onderzoeken en de feiten opnieuw te kwalificeren, terwijl dit uitsluitend de taak van deze rechter is.
23.
Tot slot moet worden opgemerkt dat door de wijze waarop de verwijzende rechter de prejudiciële vragen heeft geformuleerd, lijkt te worden gesuggereerd dat de tweede vraag slechts beantwoording behoeft in het geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag. Ik meen evenwel dat in een zaak als die in het hoofdgeding, waarin de hamvraag is of een uitwisseling van informatie met de in casu vastgestelde kenmerken een mededingingsbeperking naar strekking vormt, de met die twee prejudiciële vragen aan de orde gestelde aspecten samen moeten worden behandeld. De in de tweede prejudiciële vraag genoemde efficiëntieverbeteringen of beweerde mededingingsbevorderende gevolgen zullen dus relevant zijn voor de analyse van de juridische en economische context waarin de informatie-uitwisseling moet worden beoordeeld om uit te maken of deze uitwisseling een mededingingsbeperking naar strekking vormt.
B. Eerste en tweede prejudiciële vraag
24.
De twee prejudiciële vragen van de verwijzende rechter gaan over de juridische kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking van een informatie-uitwisseling met de in de punten 10 tot en met 14 van deze conclusie beschreven kenmerken.
25.
In dit verband zij eraan herinnerd dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU de rol van het Hof beperkt is tot het uitleggen van de Unierechtelijke bepalingen waarover het een vraag krijgt, in casu artikel 101, lid 1, VWEU. Bijgevolg is het niet aan het Hof, maar aan de verwijzende rechter om definitief te beoordelen of de betrokken overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken, gelet op alle relevante gegevens van de situatie in het hoofdgeding en de economische en juridische context ervan.9. Niettemin kan het Hof in een prejudiciële beslissing op basis van de stukken waarover het beschikt, preciseringen geven om de verwijzende rechter bij zijn uitlegging te leiden, opdat die het geding kan beslechten.10.
26.
Alvorens over te gaan tot de behandeling van de gestelde vragen, lijkt het mij dan ook nuttig om de contouren van het begrip ‘beperking naar strekking’ in herinnering te brengen en een en ander te verduidelijken over de toepassing van dit begrip op informatie-uitwisselingen.
1. Begrip mededingingsbeperking naar strekking
a) In de rechtspraak van het Hof geformuleerde algemene beginselen
27.
Overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vallen slechts onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU indien zij ‘ertoe strekken of ten gevolge hebben’ dat de mededinging binnen de interne markt merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst.11. In dit verband zij eraan herinnerd dat de mededingingsbeperkende strekking en gevolgen van een overeenkomst geen cumulatieve, maar alternatieve voorwaarden zijn om te beoordelen of deze overeenkomst onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt. Uit het feit dat het hier gaat om alternatieve voorwaarden — wat blijkt uit het voegwoord ‘of’ — volgt dat eerst moet worden gelet op de strekking van de overeenkomst.12.
28.
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen de goede werking van de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht. Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen worden geacht naar hun aard schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging.13.
29.
Bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat deze overeenkomst of dit besluit kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te hebben, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context.14.
30.
Benadrukt moet echter worden dat het begrip mededingingsbeperking naar strekking restrictief dient te worden uitgelegd. Dit betekent dat wanneer uit de analyse van een vorm van coördinatie tussen ondernemingen niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, de gevolgen ervan moeten worden onderzocht en dit gedrag slechts kan worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging is beperkt.15.
31.
Tot slot zij eraan herinnerd dat er in wezen geen verschil is tussen het gedrag van ondernemingen dat na een onderzoek van de gevolgen ervan en het gedrag van ondernemingen dat na een onderzoek van de strekking ervan als mededingingsbeperkend wordt aangemerkt, aangezien het betrokken gedrag in beide gevallen verboden is op grond van artikel 101, lid 1, VWEU. Het onderscheid tussen mededingingsbeperking naar strekking en mededingingsbeperking naar gevolg is immers vooral een procedureel instrument dat de mededingingsautoriteit moet helpen te bepalen welke analyse zij op grond van artikel 101, lid 1, VWEU moet uitvoeren en welke middelen zij naargelang van de omstandigheden van elke zaak moet inzetten.16.
b) ‘Solide en betrouwbare ervaring’ als vereiste om een praktijk te kunnen kwalificeren als een mededingingsbeperking naar strekking
32.
Een van de door de verwijzende rechter in het kader van zijn eerste prejudiciële vraag aan de orde gestelde kwesties betreft de solide en betrouwbare ervaring, in de zin van de rechtspraak van het Hof, die vereist is om een ‘opzichzelfstaande’ informatie-uitwisseling als die in het hoofdgeding te kunnen kwalificeren als een mededingingsbeperking naar strekking. De verwijzende rechter wenst met andere woorden te vernemen of er per se een precedent moet bestaan om een bepaald soort gedrag als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken.
33.
Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
34.
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat uit de bewoordingen van artikel 101, lid 1, VWEU en in het bijzonder uit de term ‘met name’ blijkt dat deze bepaling geen uitputtende opsomming geeft van overeenkomsten die ‘ertoe strekken’ of ‘ten gevolge hebben’ dat de mededinging wordt beperkt. De kwalificatie beperking ‘naar strekking’ kan dus ook worden gebruikt voor andere soorten overeenkomsten, wanneer deze kwalificatie mogelijk is overeenkomstig de vereisten die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof.17.
35.
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat het Hof weliswaar in verschillende van zijn arresten — waaronder met name het arrest van 11 september 2014, CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204; hierna: ‘arrest CB/Commissie’), en het arrest Budapest Bank — inderdaad heeft benadrukt dat er voldoende solide en betrouwbare ervaring moet zijn om aan te nemen dat een overeenkomst naar haar aard schadelijk is voor de goede werking van de mededinging en dus een mededingingsbeperking naar strekking vormt18., maar tegelijkertijd ook duidelijk heeft erkend dat het feit dat de Commissie in het verleden niet heeft vastgesteld dat een bepaald soort overeenkomst mededingingsbeperkend naar strekking was, haar op zich niet belet om dat in de toekomst na een individueel en uitgebreid onderzoek van de litigieuze praktijken wel te doen.19. Elke andere uitlegging zou een beletsel vormen voor de toepassing van een Verdragsbepaling die zodanig is geformuleerd dat daaronder ook nieuwe categorieën mededingingsbeperkingen vallen die zich in de toekomst zouden kunnen voordoen.
36.
Er kan dan ook niet worden ingestemd met het door sommige verzoeksters aangevoerde argument dat er solide en betrouwbare ervaring moet zijn opgedaan om een praktijk te kunnen aanmerken als mededingingsbeperkend naar strekking en dat de rechterlijke instanties of de nationale mededingingsautoriteiten dus noodzakelijkerwijs het bestaan van een precedent moeten aantonen om bepaald marktgedrag te kunnen kwalificeren als een mededingingsbeperking naar strekking.20.
37.
In de derde plaats zij eraan herinnerd dat het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU heeft, samenvalt met de vraag of deze overeenkomst of gedraging op zichzelf de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht.21.
38.
Overeenkomsten of praktijken die vergelijkbaar zijn met gedragingen of soorten gedragingen waarvan gelet op de opgedane ervaring buiten kijf staat dat zij de mededinging schaden, zullen in beginsel eerder aan dat criterium voldoen. Wanneer er sprake is van solide en betrouwbare ervaring met betrekking tot de schadelijkheid van een mededingingsbeperkende praktijk, ‘vergroot’ dit de kans dat een praktijk met dezelfde kenmerken als een andere praktijk die eerder als mededingingsbeperkend naar strekking is aangemerkt, ook als zodanig wordt gekwalificeerd.22. Maar zoals ik in punt 34 van deze conclusie heb opgemerkt, vormt het ontbreken van precedenten voor de mededingingsautoriteiten geen beletsel om overeenkomsten die na een individueel en uitgebreid onderzoek schadelijk voor de mededinging blijken te zijn, als mededingingsbeperkend naar strekking te kwalificeren.
39.
Voorts betekent het feit dat een door een mededingingsautoriteit onderzochte overeenkomst niet in alle opzichten identiek is aan een praktijk die eerder als een mededingingsbeperking naar strekking is gekwalificeerd, niet dat er geen sprake is van voldoende solide en betrouwbare ervaring met betrekking tot die overeenkomst. Als alle kenmerken van de betrokken overeenkomsten volledig met elkaar zouden moeten overeenstemmen (ook wat de relevante markten betreft), zoals sommige verzoeksters lijken te beweren, zou de werkingssfeer van het begrip beperking naar strekking immers op ongerechtvaardigde wijze worden ingeperkt en zou het voor de mededingingsautoriteiten bijzonder moeilijk worden om dit begrip toe te passen.
40.
Dit laat onverlet dat het begrip mededingingsbeperking naar strekking restrictief moet worden uitgelegd en dat praktijken zonder precedent dus weliswaar als mededingingsbeperkingen naar strekking kunnen worden gekwalificeerd, maar dat deze kwalificatie uitsluitend mag worden gebruikt voor gevallen waarin het mededingingsbeperkende karakter van een overeenkomst of praktijk buiten kijf staat of waarin voor de betrokken praktijken geen andere geloofwaardige verklaring kan worden gegeven dan dat daarmee wordt beoogd de mededinging op de markt te beperken.23.
c) Inaanmerkingneming van de juridische en economische context bij de beoordeling of er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, en verschil met het onderzoek naar de mededingingsbeperkende gevolgen
41.
Een tweede belangrijke kwestie in deze zaak betreft het in aanmerking nemen van de juridische en economische context bij de beoordeling of er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, en het onderscheid dat bij de beoordeling of de mededinging wordt beperkt, moet worden gemaakt tussen het in aanmerking nemen van de context en het onderzoek naar de gevolgen.
42.
Ten eerste zij eraan herinnerd dat het in aanmerking nemen van de juridische en economische context bij de beoordeling of er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, primair tot doel heeft om de aanvankelijke vaststelling dat een bepaalde praktijk ertoe strekt de mededinging te beperken, die is gedaan op basis van andere specifieke kenmerken van die praktijk, te bevestigen of te ontkrachten.
43.
In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof in zijn arrest Budapest Bank heeft verwezen naar de conclusie in die zaak van advocaat-generaal Bobek, die erop heeft gewezen dat een onderzoek in twee stappen moet worden uitgevoerd om vast te stellen of er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking.24. De mededingingsautoriteiten moeten eerst nagaan of de overeenkomst wegens haar inhoud en doelstellingen binnen een categorie van overeenkomsten valt waarvan op basis van betrouwbare en solide ervaring is aangetoond (of waarvan evident is) dat zij schadelijk zijn voor de mededinging.25. Vervolgens moeten die autoriteiten ‘een algemene toetsing aan de realiteit’ verrichten teneinde na te gaan of er geen specifieke, tot de juridische en economische context van de betrokken overeenkomst behorende omstandigheden zijn die twijfels kunnen doen rijzen over het vermeende schadelijke karakter van die overeenkomst.26.
44.
Met het onderzoek van de juridische en economische context wordt beoogd te vermijden dat ‘vals-positieve’ conclusies worden getrokken op basis van een formele analyse van een overeenkomst, die losstaat van de ‘economische realiteit’ en van het juridische en regelgevende landschap waarin die overeenkomst voorkomt. De strekking van een overeenkomst dient immers niet in abstracto te worden beoordeeld, maar concreet in het licht van de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert, rekening houdend met alle relevante factoren.27. Preciezer gezegd weerspiegelt die benadering de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof en de verschuiving van een ruime en formalistische uitlegging van het begrip mededingingsbeperking naar strekking naar een restrictievere uitlegging van dit begrip, die gebaseerd is op de economische context en de opgedane ervaring.28.
45.
Ten tweede mag de analyse van de economische context waarin de praktijk wordt toegepast, niet worden verward met een analyse van de gevolgen, aangezien deze laatste een extra bewijslast en een gedetailleerder onderzoek naar de uitwerking van de overeenkomst op de markt impliceert om het bestaan van een mededingingsbeperking aan te tonen. Anders zou het onderscheid tussen een beperking ‘naar strekking’ en een beperking ‘naar gevolg’ geen enkele zin meer hebben.
46.
Hoewel dat onderscheid in theorie misschien vrij eenvoudig lijkt, is de toepassing ervan in de praktijk toch complexer. Het in aanmerking nemen van de economische en juridische context van een overeenkomst kan het namelijk in bepaalde gevallen bijzonder onduidelijk maken waar het onderzoek naar de strekking van de overeenkomst eindigt en het onderzoek naar de gevolgen ervan begint. Voorts kan het verwarrend zijn dat het Hof zich in zijn rechtspraak op het standpunt stelt dat ter beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst of praktijk in het licht van artikel 101 VWEU, net als met het oog op de vaststelling dat er sprake is van een beperking naar strekking, rekening moet worden gehouden met het concrete kader waarvan de betrokken overeenkomst of praktijk deel uitmaakt, met name met de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten en de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd29..
47.
Het verschil tussen de twee soorten mededingingsbeperkingen zit hem in wezen in de grondigheid waarmee die beperkingen moeten worden onderzocht. Indien de mededingingsbeperkende strekking eenvoudig is vast te stellen, dient de analyse van de economische en juridische context van de betrokken praktijk beperkt te blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de uit het onderzoek van de inhoud en de doelstellingen van die praktijk voortvloeiende conclusie dat er sprake is van schadelijkheid en van een mededingingsbeperkende strekking, te bevestigen of te ontkrachten.30. Een dergelijke analyse kan bijgevolg in beginsel niet, door de potentiële gevolgen van de betrokken maatregelen aan te tonen, compenseren dat in feite geen mededingingsverstorende strekking is vastgesteld.31.
48.
Om tot de slotsom te kunnen komen dat een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking heeft, moet — zoals ik in punt 28 van deze conclusie in herinnering heb gebracht — kunnen worden vastgesteld dat die overeenkomst de mededinging kan beperken zonder dat de gevolgen ervan hoeven te worden onderzocht. Dit betekent dat de analyse van de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst slechts moet ‘verschuiven’ naar een analyse van de mededingingsbeperkende gevolgen van die overeenkomst wanneer blijkt dat ondanks een analyse van alle relevante intrinsieke en contextuele elementen onmogelijk kan worden vastgesteld dat die overeenkomst de mededinging kan beperken.32. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn indien de analyse van de juridische en economische context twijfel doet rijzen over het (tijdens de eerste fase van het onderzoek) vastgestelde bijzonder schadelijke karakter van een overeenkomst of wanneer daaruit blijkt dat de gevolgen van deze overeenkomst op zijn minst tweeledig zijn.
49.
Ten derde moet worden opgemerkt dat, zoals het Hof onlangs in het arrest HSBC33. in herinnering heeft gebracht, wanneer de partijen bij een overeenkomst zich beroepen op de mededingingsbevorderende gevolgen van die overeenkomst, met deze gevolgen voor de kwalificatie ervan als ‘beperking naar strekking’ naar behoren rekening moet worden gehouden als aspecten van de context van die overeenkomst, aangezien zij de algehele beoordeling van de mate waarin de collusie de mededinging nadelig heeft beïnvloed, en bijgevolg de kwalificatie ervan als beperking naar strekking, op de helling kunnen zetten.34. De enkele niet-bewezen bewering dat er bij een litigieuze overeenkomst sprake is van mededingingsbevorderende gevolgen, volstaat evenwel niet om de kwalificatie ‘beperking naar strekking’ uit te sluiten.35. Gesteld al dat die gevolgen bewezen, relevant en specifiek voor de betrokken overeenkomst zijn, dan nog moeten zij groot genoeg zijn om redelijkerwijs in twijfel te kunnen trekken dat de betrokken overeenkomst de mededinging in voldoende mate nadelig beïnvloedt en dus mededingingsbeperkend naar strekking is.36.
50.
Ten vierde zijn beweerde efficiëntieverbeteringen of mededingingsbevorderende gevolgen weliswaar aspecten van de juridische en economische context waarin de informatie-uitwisseling moet worden beoordeeld, maar moet worden verduidelijkt dat deze fase van de analyse verschilt van de analyse die wordt uitgevoerd op grond van artikel 101, lid 3, VWEU, die erop gericht is om na te gaan of een vastgestelde mededingingsbeperking voldoet aan de vrijstellingscriteria.37. De mededingingsbevorderende gevolgen worden immers niet in aanmerking genomen met het doel om de kwalificatie als beperking van de mededinging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU uit te sluiten, maar om de objectieve ernst van de betrokken praktijk te vatten en bijgevolg de bewijsregels ervan af te bakenen.38.
2. Toepassing van het begrip mededingingsbeperking naar strekking op informatie-uitwisselingen
51.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de in artikel 101, lid 1, VWEU gebezigde begrippen ‘overeenkomst’, ‘besluiten van ondernemersverenigingen’ en ‘onderling afgestemde feitelijke gedraging’ volgens vaste rechtspraak van het Hof in subjectief opzicht samenspanningsvormen van dezelfde aard omvatten, die enkel verschillen in de intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren.39. De in de rechtspraak van het Hof geformuleerde criteria om te beoordelen of een gedraging ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, gelden dus ongeacht of het gaat om een overeenkomst, een besluit dan wel een onderling afgestemde feitelijke gedraging.40.
52.
Voorts heeft het Hof met betrekking tot de definitie van een onderling afgestemde feitelijke gedraging geoordeeld dat het daarbij gaat om een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's van de mededinging welbewust vervangt door feitelijke samenwerking.41. Bovendien wordt sinds het arrest van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie (40/73–48/73, 50/73, 54/73-56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punt 288), aanvaard dat informatie-uitwisselingen een autonome inbreuk in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU kunnen vormen.
53.
Uit artikel 101, lid 1, VWEU blijkt dat het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging, behalve de afstemming tussen de betrokken ondernemingen, een daaropvolgend marktgedrag en een causaal verband tussen beide vereist. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, moet worden vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld.42.
54.
Als strijdig met artikel 101, lid 1, VWEU worden derhalve beschouwd informatie-uitwisselingen die de onzekerheid over de werking van de betrokken markt verminderen of wegnemen en als gevolg daarvan de mededinging tussen ondernemingen beperken.43. De mededingingsvoorschriften van het VWEU impliceren immers dat ondernemers zelfstandig moeten opereren. Deze zelfstandigheidseis ontneemt ondernemers weliswaar niet het recht om hun beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van hun concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan ieder al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het eigen marktgedrag.44.
55.
Het Hof heeft dan weliswaar meermaals moeten onderzoeken of informatie-uitwisselingen verenigbaar waren met artikel 101, lid 1, VWEU, maar het heeft niet altijd duidelijk gepreciseerd of de criteria waaraan het heeft gerefereerd, en dan met name het criterium inzake het verminderen of het wegnemen van de onzekerheid over de werking van de markt, betrekking hebben op het begrip beperking in het algemeen, uitsluitend gelden voor beperkingen naar gevolg, dan wel tevens kunnen worden gebruikt om een mededingingsbeperkende strekking vast te stellen.45. Het is echter niet verrassend dat dat criterium zowel wordt toegepast om het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking als om het bestaan van een mededingingsbeperking naar gevolg vast te stellen. Zoals ik in punt 31 van deze conclusie heb opgemerkt, heeft het onderscheid tussen een mededingingsbeperking naar strekking en een mededingingsbeperking naar gevolg vooral te maken met de bewijslast.
56.
Ik wijs er echter op dat het Hof in sommige van de arresten waarin in de context van een informatie-uitwisseling is gesproken van een beperking naar strekking, heeft getracht de omstandigheden waarin een dergelijke uitwisseling moet worden gekwalificeerd als mededingingsbeperkend naar strekking, nader te verduidelijken. Meer bepaald heeft het Hof geoordeeld dat een uitwisseling van informatie die de onzekerheid van de betrokkenen kan wegnemen over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop de betrokken ondernemingen hun marktgedrag zullen aanpassen, moet worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken46. — en dus rechtstreeks van invloed kan zijn op de commerciële strategie van de concurrenten of de normale werking van de mededinging op de markt kan aantasten47.. Dit is met name het geval wanneer de informatie-uitwisseling betrekking heeft op gegevens die vanuit mededingingsoogpunt bijzonder gevoelig zijn, zoals toekomstige prijzen of een van de bestanddelen van die prijzen, zoals het geval was in de arresten T-Mobile en Dole, of recenter in het arrest HSBC.
57.
Wanneer de informatie-uitwisseling daarentegen betrekking heeft op gegevens die vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt minder gevoelig zijn, of wanneer de mededingingsbeperkende strekking niet duidelijk blijkt uit de analyse van de inhoud, de doelstellingen en de juridische en economische context van die uitwisseling, moeten volgens het Hof de gevolgen van die uitwisseling worden onderzocht. Voor deze oplossing is bijvoorbeeld gekozen in de zaak ASNEF, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de uitwisseling van bepaalde gegevens tussen banken met het oog op de invoering van een bankregister, gelet op de kenmerken ervan, er niet toe strekte de mededinging te beperken, en de gevolgen ervan dus dienden te worden geanalyseerd.48. Voorts heeft het Hof in diezelfde zaak geoordeeld dat, gelet op bepaalde maatregelen die de betrokken banken hadden genomen ter voorkoming dat gevoelige gegevens openbaar werden gemaakt, de onder hen uitgewisselde databanken geen inzicht konden geven in de marktpositie of de commerciële strategie van concurrenten.49.
58.
Naar aanleiding van het bovenstaande moet het volgende worden opgemerkt.
59.
In de eerste plaats moet worden benadrukt dat niet elke informatie-uitwisseling tussen concurrenten kan worden geacht de mededinging te beperken. Informatie-uitwisselingen zijn immers een gemeenschappelijk kenmerk van tal van concurrerende markten. Bovendien blijkt uit de economische theorie dat transparantie tussen ondernemers de concurrentie kan doen toenemen, informatie-asymmetrie kan verhelpen en verschillende soorten efficiëntieverbeteringen kan opleveren, waardoor de markten efficiënter worden.50.
60.
In de tweede plaats blijkt uit de in punt 54 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof dat het verminderen of wegnemen van de onzekerheid over het strategische gedrag van een concurrent op de markt het beslissende criterium is om te beoordelen of het uitwisselen van informatie tussen concurrenten in strijd is met artikel 101, lid 1, VWEU.
61.
Of aan dat criterium is voldaan, hangt in belangrijke mate af van de aard van de tussen concurrenten uitgewisselde informatie. Alleen de uitwisseling van strategische (of commercieel gevoelige) informatie kan immers de onzekerheid op de markt verminderen en de besluitvormingsautonomie van de partijen aantasten, en daarmee de concurrentie doen afnemen. Hoewel er geen precieze definitie van het begrip strategische (of commercieel gevoelige) informatie bestaat, wordt in beginsel aanvaard dat informatie inzake prijzen en hoeveelheden strategisch het belangrijkst is, gevolgd door informatie over kosten en vraag.51. Het strategische nut van de uitgewisselde gegevens kan daarnaast afhangen van een aantal andere factoren, zoals de concentratiegraad van de betrokken markt, de mate van aggregatie van de gegevens, de ouderdom ervan, en de frequentie van de uitwisselingen.52.
62.
In de derde plaats kan een uitwisseling van informatie weliswaar onder artikel 101, lid 1, VWEU vallen, maar betekent het feit dat een dergelijke uitwisseling betrekking heeft op strategische gegevens die de onzekerheid op de markt verminderen, niet automatisch dat die uitwisseling moet worden gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking.
63.
Aangezien het begrip mededingingsbeperking naar strekking restrictief moet worden uitgelegd, kan een informatie-uitwisseling slechts als zodanig worden gekwalificeerd wanneer duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat die uitwisseling, gelet op de kenmerken ervan en zonder dat de gevolgen ervan hoeven te worden onderzocht, voldoet aan het criterium dat de onzekerheid op de markt wordt verminderd of weggenomen, zodat zij rechtstreeks van invloed kan zijn op de commerciële strategie van concurrenten, die in staat worden gesteld hun marktgedrag aan te passen. Zoals ik in punt 56 van deze conclusie heb opgemerkt, zal aan dat criterium worden geacht te zijn voldaan wanneer de informatie-uitwisseling betrekking heeft op gegevens die cruciaal zijn voor de mededinging, zoals capaciteit en toekomstige prijzen.
64.
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat een informatie-uitwisseling een mededingingsbeperking naar strekking kan vormen wanneer uit de analyse van de inhoud, de doelstellingen en de juridische en economische context ervan blijkt dat die uitwisseling in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging. Voorts kan de omstandigheid dat die uitwisseling ‘op zichzelf staat’, in die zin dat zij niet plaatsvindt in het kader van een kartel waarvan het bestaan is vastgesteld, niet afdoen aan de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking, mits die uitwisseling voldoende schadelijk is.53.
3. Beoordeling van de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking in het onderhavige geval
a) Opmerkingen vooraf
65.
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens de verwijzingsbeslissing de betrokken uitwisselingen, gelet op de in de punten 10 tot en met 14 van deze conclusie beschreven kenmerken ervan, betrekking hadden op actuele en toekomstige gegevens die vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt van strategisch belang waren. Die uitwisselingen zouden verzoeksters in staat hebben gesteld om nauwkeurige informatie te verkrijgen over de offertes van hun concurrenten, waardoor zij de onzekerheid over elkaars strategische gedrag konden verminderen en elkaar konden volgen dankzij informele coördinatie.
66.
Deze beschrijving wordt echter betwist door verzoeksters, die in tegenstelling tot de AdC en de verwijzende rechter van mening zijn dat de uitgewisselde informatie niet van dien aard was dat zij een dergelijke coördinatie op de markt mogelijk maakte.54.
67.
In dit verband moet echter in herinnering worden gebracht dat het ten eerste niet de taak van het Hof is om na te gaan of de verwijzende rechter de feiten correct heeft weergegeven55., en dat het ten tweede aan de verwijzende rechter staat om definitief te beoordelen of de betrokken informatie-uitwisseling ertoe strekte de mededinging te beperken, gelet op alle relevante gegevens van de situatie in het hoofdgeding en de economische en juridische context ervan56..
68.
Na deze verduidelijkingen stel ik voor om eerst de uitwisseling van informatie over de commerciële voorwaarden van de aangegane leningen (met name die betreffende de spreads) te onderzoeken, vervolgens in te gaan op de uitwisseling van informatie over de productiehoeveelheden, en tot slot na te gaan onder welke voorwaarden een en dezelfde uitwisseling van die twee soorten informatie, in onderlinge samenhang beoordeeld, als mededingingsbeperkend naar strekking zou kunnen worden aangemerkt.
b) Informatie over de ‘commerciële voorwaarden’
1) Inhoud van de uitgewisselde informatie
69.
Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat volgens de verwijzingsbeslissing de ‘spreads’ waarover de banken informatie hebben uitgewisseld, een essentieel bestanddeel van de prijs vormen.57. Uit diezelfde beslissing blijkt voorts dat verzoeksters, door elkaar als concurrenten op de hoogte te houden van een van de componenten van de prijs die zij in rekening zouden gaan brengen, hebben bijgedragen aan het verhogen van de transparantie op de markt door de onzekerheid over hun actuele of toekomstige strategie te verminderen. Elk van de deelnemende banken zou daardoor in staat zijn gesteld om die informatie te gebruiken bij het bepalen van haar commerciële strategie, en om op elk moment haar concurrenten te volgen dankzij informele coördinatie.
70.
In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat uit de in punt 56 van deze conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof volgt dat een uitwisseling met dergelijke kenmerken kan worden gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking. Anders dan sommige verzoeksters betogen, moet dan ook worden vastgesteld dat dergelijke uitwisselingen met betrekking tot toekomstige prijzen (of bepaalde bestanddelen daarvan) op basis van een voldoende solide en betrouwbare ervaring als inherent mededingingsbeperkend kunnen worden beschouwd, met name wegens het bijzonder hoge collusierisico dat zij inhouden, zodat zij als mededingingsbeperkend naar strekking kunnen worden gekwalificeerd.
71.
Tevens zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een uitwisseling van informatie tussen concurrenten moet worden beoordeeld in het licht van de aan de mededingingsvoorschriften van het Verdrag ten grondslag liggende gedachte dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt zal voeren58.. Het uitwisselen van informatie tussen concurrenten over factoren die relevant zijn voor de prijsvorming, staat haaks op deze zelfstandigheidseis, met name wanneer die informatie betrekking heeft op prijsvoornemens, waardoor ondernemingen in staat worden gesteld te anticiperen op de commerciële strategie van een concurrent en om zich daaraan aan te passen door de concurrentiedruk op de markt te verminderen.
72.
Voorts moet worden vastgesteld dat afgezien van het feit dat de informatie over de spreads vertrouwelijk is op het tijdstip van de uitwisseling, deze informatie ook bijzonder relevant is voor het bepalen van de door banken aan hun klanten uitgebrachte kredietoffertes. Hoewel de bankmarkt streng gereguleerd is, beschikken de banken over een beslissingsmarge met betrekking tot de vaststelling van de spreads, die een strategische differentiatie van elke bank waarborgt en dus een belangrijke factor voor de concurrentie tussen die instellingen is.59.
73.
De inhoud van die uitwisseling is dus op zichzelf voldoende schadelijk voor de mededinging en kan worden geacht naar zijn aard schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, zodat alleen al op grond daarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er sprake is van een gedraging die het mededingingsproces op de relevante markten verstoort.60.
74.
Anders dan sommige verzoeksters betogen, is het bovendien niet vereist dat een onderlinge afgestemde feitelijke gedraging betrekking heeft op alle mededingingsfactoren. Een dergelijke gedraging kan ook een mededingingsbeperkende strekking hebben wanneer zij slechts betrekking heeft op één van die factoren, zoals de spreads.61. Het feit dat de uiteindelijke prijs ook andere componenten bevat die eventueel niet (allemaal) het voorwerp zijn geweest van een informatie-uitwisseling, doet niet af aan de vaststelling dat er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking.
75.
Dat het bij de uitgewisselde gegevens om strategische en commercieel gevoelige informatie ging, kan overigens zelfs niet in twijfel worden getrokken indien zou blijken dat, zoals sommige verzoeksters betogen, bepaalde informatie-uitwisselingen noch betrekking hadden op de uiteindelijk door de banken toegepaste prijzen, noch op de daadwerkelijk door hen gehanteerde spreads, maar veeleer op een reeks indicatieve tarieven die werden gebruikt als uitgangspunt voor de individuele onderhandelingen met elke klant, afhankelijk van diens specifieke risicoprofiel. De openbaarmaking van dergelijke gegevens kan immers volstaan om de strategische intenties met betrekking tot toekomstig prijsgedrag te onthullen en daarmee collusie tussen concurrerende ondernemingen vergemakkelijken.62.
2) Doel van de informatie-uitwisseling
76.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, om te kunnen vaststellen of een overeenkomst of een uitwisseling van informatie onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt, met name worden gelet op de objectieve oogmerken ervan.63. Deze objectieve oogmerken, die duidelijk uit de betrokken praktijken naar voren moeten komen, mogen niet worden verward met de subjectieve bedoelingen om al dan niet de mededinging te beperken, of met de door de betrokken ondernemingen eventueel nagestreefde legitieme doeleinden. Verder staat vast dat een overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking kan hebben, ook al worden daarmee andere, legitieme doeleinden nagestreefd.64.
77.
In dit verband zij eraan herinnerd dat de AdC zich op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op de aard van de informatie waarop de uitwisseling betrekking had, deze uitwisseling geen ander doel kon hebben dan de mededinging te beperken. Deze vaststelling wordt betwist door verzoeksters, die stellen dat de informatie-uitwisseling een informeel middel was om de benchmarking-activiteit van de banken te vergemakkelijken: de banken zouden daardoor in staat worden gesteld om hun respectieve offertes met elkaar te vergelijken65., terwijl de aan een dergelijke vergelijkingsoperatie kosten werden verminderd, hetgeen bevorderlijk kon zijn voor de mededinging66., zodat de informatie-uitwisseling niet inherent mededingingsbeperkend was.
78.
Dit argument lijkt niet erg geloofwaardig en moet dan ook van de hand worden gewezen.
79.
Hoewel een uitwisseling van informatie inderdaad efficiëntieverbeteringen kan opleveren en ertoe kan leiden dat ondernemingen beter presteren, met name doordat zij in staat worden gesteld hun respectieve praktijken met elkaar te vergelijken en daarmee zowel hun interne efficiëntie als hun positie op de markt te verbeteren, spreekt het vanzelf dat initiatieven als benchmarkinggeen rechtvaardiging kunnen vormen voor praktijken die op zichzelf mededingingsverstorend zijn, zoals het uitwisselen van uit mededingingsrechtelijk oogpunt vertrouwelijke en strategische informatie, zoals informatie over het voorgenomen prijsbeleid van ondernemingen.
80.
Bovendien vind ik de redenering van de banken met betrekking tot het doel van de betrokken informatie-uitwisseling lastig te volgen. Er kunnen namelijk vraagtekens worden geplaatst bij het nut van een dergelijke uitwisseling, aangezien volgens verzoeksters de uitgewisselde informatie niet alleen tegelijkertijd met (of onmiddellijk na) de betrokken uitwisseling door de banken openbaar zou worden gemaakt, maar bovendien, gelet op de interne procedures die binnen de banken van toepassing zijn, niet in aanmerking kon worden genomen met het oog op een wijziging van de spreads. Afgezien van het feit dat die bewering door de AdC wordt betwist en geen steun vindt in de verwijzingsbeslissing, zou een dergelijke informatie-uitwisseling iedere commerciële logica ontberen. Er is dan ook reden om zich af te vragen waarom verzoeksters een mededingingsrechtelijk gezien niet te verwaarlozen risico zouden hebben willen lopen teneinde informatie te verkrijgen die volgens hen geen werkelijk commercieel belang heeft.
3) Juridische en economische context
81.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeksters de AdC verwijten geen rekening te hebben gehouden met de economische, juridische en regelgevende context van de banksector gedurende de inbreukperiode. Verzoeksters zijn namelijk van mening dat wanneer de betrokken informatie-uitwisseling was beoordeeld in de relevante juridische en economische context, had moet worden vastgesteld dat die uitwisseling daadwerkelijk gunstig voor de mededinging was. In elk geval zou een dergelijke beoordeling twijfels hebben moeten doen rijzen over de schadelijkheid van die uitwisseling, waardoor de vaststelling dat er sprake was van een mededingingsbeperking naar strekking, op losse schroeven zou zijn komen te staan.67.
82.
Voorts zij eraan herinnerd dat, zoals ik in punt 47 van deze conclusie heb opgemerkt, wanneer de mededingingsbeperkende strekking eenvoudig is vast te stellen, zoals het geval lijkt te zijn bij de uitwisseling van informatie over de spreads, de analyse van de economische en juridische context van de betrokken praktijk beperkt dient te blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is om na te gaan of er specifieke omstandigheden zijn die twijfels kunnen doen rijzen over het vastgestelde schadelijke karakter van die praktijk. Hieruit volgt dat enkel de elementen die werkelijk relevant zijn voor de analyse van de juridische en economische context, door een mededingingsautoriteit hoeven te worden onderzocht en dat een dergelijke autoriteit niet verplicht is om in te gaan op argumenten die puur hypothetisch zijn of niets van doen hebben met de juridische en economische context van de betrokken informatie-uitwisseling of gedraging.68.
83.
Verzoeksters betwisten in de eerste plaats de beoordelingen van de AdC en de verwijzende rechter met betrekking tot de concentratiegraad (en de marktaandelen) van de verschillende deelnemers gedurende de periode waarin de betrokken informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden, alsmede het feit dat deze uitwisseling zou hebben plaatsgevonden binnen een ‘besloten kring’.
84.
Hoewel het niet aan het Hof staat om zich in de plaats van de verwijzende rechter te stellen wat de beoordeling van de door de AdC gevolgde methode en van de juistheid van de door deze autoriteit gemaakte analyse betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de concentratiegraad een van de factoren is die relevant kunnen blijken voor de beoordeling of de mededinging wordt beperkt.69. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat op een markt met een hoge concentratiegraad de uitwisseling van bepaalde informatie, met name naargelang van de soort uitgewisselde informatie, ondernemingen de mogelijkheid kan bieden de positie en de commerciële strategie van hun concurrenten op de markt te kennen, waardoor de rivaliteit op deze markt wordt vervalst en de kans op collusie wordt vergroot of collusie zelfs wordt vergemakkelijkt.70.
85.
Afgezien van het feit dat die uitwisseling zou kunnen leiden tot collusie, houdt de omstandigheid dat de uitwisseling plaatsvindt binnen een besloten kring, ook het risico in dat banken die niet aan die uitwisseling deelnemen en dus niet beschikken over dezelfde gegevens om de bestaande en toekomstige voorwaarden op de relevante markt te beoordelen, worden uitgesloten. Een dergelijke uitwisseling tussen een beperkte groep deelnemers zou de komst van nieuwe deelnemers op de markt kunnen bemoeilijken71., met name wanneer die markt de door de verwijzende rechter genoemde kenmerken heeft.72.
86.
Voorts sluit de door verzoeksters aangevoerde omstandigheid dat de informatie-uitwisselingen over de spreads — in tegenstelling tot die over de productiehoeveelheden, die regelmatig plaatsvonden — een sporadisch karakter hadden, op zich niet uit dat die uitwisselingen een mededingingsbeperkende strekking hadden. Het Hof heeft immers geoordeeld dat, afhankelijk van de structuur van de betrokken markt, een eenmalig contact kan volstaan opdat de ondernemingen hun gedrag afstemmen.73.
87.
Verzoeksters stellen in de tweede plaats dat het betrokken gedrag, gelet op de kenmerken van de Portugese bankmarkt, op geen enkele wijze gevolgen kon hebben voor de mededinging en dus evenmin tot collusie kon leiden.74. Meer bepaald zouden de kredietinstellingen wegens de interne procedures die zij moesten volgen om hun offertes te wijzigen, niet onmiddellijk op dergelijke informatie kunnen reageren.
88.
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, behoudens door de partijen te leveren tegenbewijs75., moet worden vermoed dat ondernemingen, wanneer zij op de betrokken markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld76., vooral wanneer de afstemming gedurende een lange periode en met een zekere regelmaat heeft plaatsgevonden77..
89.
Het komt mij voor dat verzoeksters dat vermoeden trachten te weerleggen door aan te voeren dat het voor hen ‘feitelijk onmogelijk’ was om met de uitgewisselde informatie rekening te houden teneinde hun gedrag op de markt aan te passen en te wijzigen. Zelfs als dat het geval zou zijn (wat niet blijkt uit de verwijzingsbeslissing), dan nog zou een dergelijk argument op zichzelf echter niet volstaan om de vaststelling dat er sprake was van een mededingingsbeperking naar strekking, te ontkrachten.
90.
Ten eerste is artikel 101 VWEU, zoals ook de overige mededingingsregels van het Verdrag, immers niet uitsluitend bedoeld om de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consumenten te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen. Bijgevolg hoeft niet vast te staan dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen rechtstreeks verband houden met de door de eindgebruiker betaalde prijzen om te kunnen vaststellen dat zij een mededingingsbeperkende strekking hebben.78. Zelfs gedragingen die kunnen leiden tot een zekere verlaging van de prijs van de betrokken producten of diensten (of waarvan het effect op de mededinging neutraal is), kunnen dus onder bepaalde omstandigheden worden geacht inherent mededingingsverstorend te zijn.79.
91.
Ten tweede doet de omstandigheid dat de spreads kort na de betrokken uitwisselingen openbaar zouden worden gemaakt, niets af aan het feit dat die informatie vertrouwelijk en niet openbaar toegankelijk was op het moment waarop zij daadwerkelijk werd uitgewisseld. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat die informatie betrekking had op prijsvoornemens van de betrokken banken en dus vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt strategisch en bijzonder gevoelig was.
92.
Gesteld al dat het door verzoeksters aangevoerde argument gegrond was, dan nog zou het naar mijn mening op zichzelf niet kunnen afdoen aan de vaststelling dat er sprake is van een inbreuk die een mededingingsbeperking naar strekking vormt, maar zou het slechts in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de geldboete en, in voorkomend geval, kunnen leiden tot een verlaging van de opgelegde boete.
93.
Verzoeksters voeren in de derde plaats argumenten aan die zijn ontleend aan de specifieke kenmerken van de banksector. Zij stellen in dit verband dat de betrokken informatie-uitwisseling efficiëntieverbeteringen kon opleveren en mededingingsbevorderende gevolgen kon hebben die gunstig waren voor de consument, doordat de onzekerheid op de markt erdoor werd verminderd.
94.
In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals ik in punt 49 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, de eventuele aanwezigheid van de door verzoeksters aangevoerde mededingingsbevorderende gevolgen niet afdoet aan de conclusie dat een bepaalde overeenkomst een mededingingsbeperking naar strekking vormt, tenzij de betrokken gevolgen niet alleen bewezen, relevant en specifiek voor die overeenkomst zijn, maar ook voldoende groot om de vaststelling dat de informatie-uitwisseling inherent schadelijk is voor de mededinging, te ontkrachten.
95.
Hoewel verzoeksters op algemene en eerder theoretische wijze melding maken van bepaalde vermeende mededingingsbevorderende aspecten van de betrokken informatie-uitwisseling, lijken zij niet in staat te zijn die gevolgen te bewijzen. Niets in het dossier wijst er namelijk op dat die informatie-uitwisseling het mogelijk heeft gemaakt de werking van de markt te verbeteren of de tekortkomingen ervan te verhelpen.80. Maar gesteld al dat de betrokken banken bepaalde voordelen hebben doorgegeven aan hun klanten — wat overigens niet blijkt uit de verwijzingsbeslissing — dan nog zou dit het mededingingsverstorende karakter van hun gedrag niet uitsluiten.81.
96.
Gelet op het bijzonder gevoelige karakter van de informatie over de spreads, zoals beschreven in de punten 71 tot en met 74 van deze conclusies, is het bovendien weinig waarschijnlijk dat op basis van de door verzoeksters aangevoerde mededingingsbevorderende aspecten redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de nadelige uitwerking van de betrokken uitwisseling op de mededinging.82.
97.
Verzoeksters stellen in de vierde plaats dat de stijging van de rentevoeten, anders dan de verwijzende rechter vaststelt, niet het gevolg was van de betrokken informatie-uitwisseling, maar haar verklaring vond in andere factoren die verband hielden met de wereldwijde financiële crisis in 2008 en met de bezuinigingsmaatregelen die Portugal naar aanleiding van die crisis heeft doorgevoerd.
98.
Om soortgelijke redenen als die welke in punt 90 van deze conclusie reeds zijn uiteengezet, ben ik van mening dat ook een dergelijk argument faalt.83. Bovendien moet worden vastgesteld dat uit de verwijzingsbeslissing weliswaar blijkt dat de betrokken informatie-uitwisseling gedurende de periode van de economische crisis intensiever is geworden, maar dat dit niet wegneemt dat die uitwisseling is begonnen in 2002, dat wil zeggen ruim vóór het uitbreken van de financiële crisis en de latere interventies van de regulerende instanties in verband met deze crisis.
99.
Wat in de vijfde plaats het regelgevend kader betreft waarin de informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden, verwijten verzoeksters de verwijzende rechter dat hij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de op de Portugese banksector toepasselijke wet- en regelgeving een reeks bepalingen bevat die een bepaalde mate van transparantie op de markt beogen te waarborgen om systeemcrises te voorkomen. Die bepalingen zijn volgens verzoeksters overigens ingevoerd door de Unieregels voor consumentenbescherming.
100.
Dit argument kan naar mijn mening evenmin slagen, aangezien uit de verwijzingsbeslissing duidelijk blijkt dat de tussen verzoeksters uitgewisselde informatie verschilde van en verder reikte dan de informatie die door de bankinstellingen wordt meegedeeld in het kader van hun wettelijke verplichtingen. Bovendien moet worden opgemerkt dat, anders dan sommige verzoeksters stellen, geen enkel Unierechtelijk voorschrift van banken zou kunnen verlangen dat zij informatie als die over de spreads met elkaar uitwisselen.84.
c) Informatie over de ‘productiehoeveelheden’
101.
Hoewel het niet nodig is het ‘klassieke’ analytische schema te herhalen voor de vaststelling dat er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, waarbij achtereenvolgens de inhoud, de doelstellingen en de juridische en economische context van een overeenkomst worden onderzocht, lijkt het mij van belang enkele verduidelijkingen aan te brengen met betrekking tot de uitwisseling van informatie over de productiehoeveelheden, aangezien sommige van de partijen in het hoofdgeding van mening lijken te zijn dat de uitwisseling van die informatie op zichzelf (en los van de analyse van de informatie-uitwisseling over de spreads) een mededingingsbeperking naar strekking kan vormen.
102.
Ten eerste moet worden opgemerkt dat de gegevens betreffende de productiehoeveelheden in beginsel vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt strategische en gevoelige informatie kunnen vormen, mits de kenmerken van de uitgewisselde informatie en de context waarin de uitwisseling plaatsvindt, de onzekerheid over het strategische gedrag van een concurrent op de markt kunnen verminderen.85.
103.
Ten tweede moet worden vastgesteld dat de betrokken informatie-uitwisseling, in tegenstelling tot de uitwisseling van informatie over de spreads, geen betrekking heeft op toekomstige praktijken, maar op gegevens van de voorgaande maand. Hoewel het de taak is van de verwijzende rechter om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden op de betrokken bankmarkt, een definitief oordeel te vellen over de temporele eigenschappen van die informatie, zij eraan herinnerd dat de uitwisseling van historische gegevens vermoedelijk niet tot collusie zal leiden en mededingingsrechtelijk gezien minder schadelijk is, aangezien het onwaarschijnlijk is dat het toekomstige gedrag van de concurrenten hieruit kan worden afgeleid of dat deze uitwisseling aanleiding zal geven tot kartelvorming op de markt.86.
104.
In dit verband moet worden opgemerkt dat er geen vaste grens is vanwaaraf gegevens historisch worden, dat wil zeggen oud genoeg om geen mededingingsrisico meer in te houden. Of gegevens echt historisch zijn, hangt namelijk af van de bijzondere kenmerken van de relevante markt en met name van de frequentie van prijsonderhandelingen in de sector.87. Het is dus weliswaar weinig waarschijnlijk, maar tegelijkertijd niet uitgesloten dat ook een uitwisseling van informatie over het verleden een mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101 VWEU kan vormen. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer dankzij de uitwisseling van recente geïndividualiseerde informatie over strategische variabelen tendensen naar voren komen waarvan de kennis de onzekerheid van de partijen over hun voornemens op de markt verminderen of wegnemen, in welk geval een dergelijke uitwisseling op één lijn zou kunnen worden gesteld met de uitwisseling van informatie die betrekking heeft op de toekomst.
105.
Ten derde wordt erkend dat de uitwisseling van echt geaggregeerde gegevens, dat wil zeggen gegevens waaruit niet eenvoudig informatie op het niveau van de individuele onderneming kan worden afgeleid, veel minder snel tot een beperking van de mededinging leidt dan de uitwisseling van gegevens op ondernemingsniveau. Het risico dat de uitwisseling van strategische informatie de onzekerheid op de markt vermindert en dus de mededinging beperkt, is dus groter in het geval van niet-geaggregeerde informatie.88.
106.
Ten vierde volstaat de omstandigheid dat de informatie-uitwisseling verder ging dan de wettelijke verplichtingen van de betrokken banken en betrekking had op gegevens die niet beschikbaar waren voor het publiek, op zichzelf niet om die uitwisseling als mededingingsverstorend aan te merken. Er moet ook worden vastgesteld dat dankzij de informatie-uitwisseling de onzekerheid op de markt is verminderd of weggenomen (en dit moet duidelijk en ondubbelzinnig worden vastgesteld om te kunnen spreken van een mededingingsbeperking naar strekking).
107.
Hoewel dus niet valt uit te sluiten dat de uitwisseling van recente en niet-geaggregeerde gegevens over productiehoeveelheden een strategisch karakter kan hebben en mededingingsrechtelijk gezien gevoelig kan liggen, met name wanneer die uitwisseling heeft plaatsgevonden op een sterk geconcentreerde markt en met een hoge frequentie, bevat de verwijzingsbeslissing geen enkel gegeven op grond waarvan conform het vereiste van een restrictieve uitlegging van het begrip mededingingsbeperking naar strekking duidelijk kan worden vastgesteld dat de betrokken uitwisseling bijzonder schadelijk was voor de mededinging en (op zichzelf) de strategische onzekerheid over het toekomstige marktgedrag van de deelnemers heeft kunnen verminderen.89.
d) Gezamenlijke analyse van de uitgewisselde informatie
108.
Uit de voorgaande analyse blijkt dat het door de verwijzende rechter beschreven deel van de informatie-uitwisseling dat betrekking heeft op de spreads, kan worden geschaard onder een van de categorieën overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als mededingingsbeperkend naar strekking, maar dat dit niet even duidelijk kan worden vastgesteld met betrekking tot de uitwisseling van de productiegegevens, indien deze uitwisselingen afzonderlijk en los van elkaar worden onderzocht.
109.
Zowel uit het oorspronkelijke besluit van de AdC als uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat hoewel de verwijzende rechter onderscheid heeft gemaakt tussen de twee soorten uitgewisselde informatie, hij zich niet op het standpunt heeft gesteld dat elk van die uitwisselingen op zich mededingingsbeperkend naar strekking was, maar heeft gemeend dat die uitwisselingen onderdeel waren van een en dezelfde uitwisseling die is gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking. Voorts moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitwisseling op basis van hetgeen de verwijzende rechter zelf heeft vastgesteld met betrekking tot de intrinsieke schadelijkheid ervan voor de mededinging90., een mededingingsbeperking naar strekking kan vormen. Voor een dergelijke juridische kwalificatie moet echter ook zijn voldaan aan twee andere voorwaarden, die niet duidelijk blijken uit het dossier van de onderhavige zaak.
110.
Ten eerste is het vanuit rechtszekerheidsoogpunt van belang om ervoor te zorgen dat duidelijk is op basis van welke schadetheorie een mededingingsverstorende praktijk door een mededingingsautoriteit wordt veroordeeld, met name wanneer het erom gaat de mededingingsbeperkende strekking van een dergelijke praktijk vast te stellen.91.
111.
Ten tweede moet de wisselwerking tussen de uitwisselingen van die twee soorten informatie, aan de hand waarvan de door een mededingingsautoriteit gekozen schadetheorie kan worden gestaafd, ondubbelzinnig blijken uit de door die autoriteit verrichte analyse. Die autoriteit moet dus een voldoende nauw verband tussen de uitwisselingen van die twee soorten informatie aantonen, en uitleggen waarom uitwisselingen met dergelijke kenmerken voldoende schadelijk zijn voor de mededinging om de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking te rechtvaardigen. De mededingingsautoriteit zal met andere woorden moeten aantonen waarom die uitwisselingen, tezamen beschouwd, onderdeel zijn van een ‘plan’ dat er duidelijk op gericht is de mededinging te beperken, en de betrokken banken in staat stellen hun gedragingen op elkaar af te stemmen.92.
V. Conclusie
112.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een uitwisseling van informatie tussen concurrenten over commerciële voorwaarden (met name kredietspreads en huidige en toekomstige risicovariabelen) en over productiehoeveelheden met betrekking tot het aanbod van woning–, bedrijfs- en consumentenkredieten in de banksector wordt gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking, wanneer een dergelijke praktijk op kunstmatige wijze de transparantie heeft verhoogd en de onzekerheid over de werking van de markt heeft verminderd.
- 2)
Artikel 101 VWEU staat niet aan een dergelijke kwalificatie in de weg wanneer geen efficiëntieverbeteringen of ambivalente of positieve effecten voor de mededinging als gevolg van die informatie-uitwisseling zijn vastgesteld of konden worden geïdentificeerd.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑10‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
Diário da República, serie I, nr. 89 van 8 mei 2012, blz. 2404–2427.
Diário da República, serie I-A, nr. 134 van 11 juni 2003, blz. 3450–3461.
De term ‘opzichzelfstaand’ wordt door de AdC gebruikt om aan te geven dat haar onderzoek zich richt op de betrokken informatie-uitwisseling en dat die uitwisseling niet bijkomstig is ten opzichte van ander vermeend problematisch gedrag, zoals kartelvorming.
De spreads zijn teruggekeerd naar hogere niveaus dan in de perioden vóór 2012.
Die partijen stellen meer in het bijzonder dat de uitgewisselde informatie over de spreads niet als informatie over de toekomst kon worden aangemerkt, aangezien i) de betrokken besluiten inzake prijzen reeds waren genomen en werden uitgevoerd; ii) de informatie één werkdag voor de inwerkingtreding van de besluiten werd meegedeeld, en iii) die korte tijdspanne elke vorm van aanpassing aan de ontvangen informatie onmogelijk maakte, gelet op de interne procedures die binnen de banken moeten worden gevolgd voor een wijziging van de spreads. Dezelfde partijen maken voorts bezwaar tegen het feit dat de informatie over de productiehoeveelheden als ‘actueel’ wordt gekwalificeerd, aangezien deze informatie volgens hen als informatie ‘over het verleden’ of als ‘historische’ informatie moet worden aangemerkt.
Zie arresten van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a. (C-377/20, EU:C:2021:998, punt 35), en 12 februari 2009, Cobelfret (C-138/07, EU:C:2009:82, punt 23).
Arrest van 19 april 2007, Asemfo (C-295/05, EU:C:2007:227, punt 31).
Zie arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise (C-306/20, EU:C:2021:935, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Visma’).
Zie arrest Visma (punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Visma (punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Visma (punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Visma (punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 16 juli 2015, ING Pensii (C-172/14, EU:C:2015:484, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punt 30).
Arrest van 2 april 2020, Budapest Bank e.a. (C-228/18, EU:C:2020:265, punt 63; hierna: ‘arrest Budapest Bank’).
Zie arrest Budapest Bank (punt 76) en conclusie van advocaat-generaal Bobek bij dit arrest (C-228/18, EU:C:2019:678, punten 63–73).
Zie arresten van 25 maart 2021, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C-586/16 P, EU:C:2021:241, punt 86), en 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, EU:C:2021:243, punt 130).
In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof in punt 86 van het arrest van 25 maart 2021, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C-586/16 P, EU:C:2021:241), uitdrukkelijk het door sommige verzoeksters in de onderhavige zaak aangevoerde argument heeft afgewezen dat uit punt 51 van het arrest CB/Commissie volgt dat de rechterlijke instanties of autoriteiten moeten aantonen dat er specifieke ‘ervaring’ is opgedaan met het verbieden van bepaalde praktijken als mededingingsbeperkend ‘naar strekking’. Zie in die zin eveneens punt 66 van het arrest van 25 maart 2021, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C-586/16 P, EU:C:2021:241).
Zie de punten 28 en 30 van deze conclusie.
Mits er aan die praktijk geen specifieke elementen zitten, waaronder met name de economische en juridische context waarin zij wordt toegepast, die aan die vaststelling kunnen afdoen. Zie in die zin de punten 43 en 44 van deze conclusie.
Zie arrest van 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, EU:C:2021:243, punt 131).
Arrest Budapest Bank (punt 76) en conclusie van advocaat-generaal Bobek bij dit arrest (C-228/18, EU:C:2019:678, punten 41–43). Deze benadering is ook gevolgd door advocaat-generaal Emiliou in verband met de kwalificatie van de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie als een mededingingsbeperking naar strekking [zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de zaak HSBC Holdings e.a./Commissie (C-883/19 P, EU:C:2022:384, punten 83 en 84)].
Zie de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Budapest Bank e.a. (C-228/18, EU:C:2019:678, punt 42).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Budapest Bank e.a. (C-228/18, EU:C:2019:678, punten 43, 48 en 49).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 158), de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punt 41) en de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Budapest Bank e.a. (C-228/18, EU:C:2019:678, punt 46).
Rechtspraak die is ontwikkeld in de zaak CB/Commissie en nadien is bevestigd en verfijnd in een reeks arresten van het Hof, met name in het arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija (C-345/14, EU:C:2015:784), het arrest Budapest Bank en het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52).
Zie arrest Visma (punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie (C-373/14 P, EU:C:2016:26, punt 29).
Conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punt 44).
Zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:28, punt 164).
Arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C-883/19 P, EU:C:2023:11; hierna: ‘arrest HSBC’).
Arrest HSBC (punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie (C-591/16 P, EU:C:2021:243, punt 137).
Arrest HSBC (punt 197 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie mijn conclusie in de zaak International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2022:988, punt 93).
Zie arrest HSBC (punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C-8/08, EU:C:2009:343, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest T-Mobile’).
Arrest T-Mobile (punt 24).
Zie arrest T-Mobile (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie (C-286/13 P, EU:C:2015:184, punten 126 en 127; hierna: ‘arrest Dole’).
Arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie (C-7/95 P, EU:C:1998:256, punt 90), en 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado (C-238/05, EU:C:2006:734, punt 51; hierna: ‘arrest ASNEF’), en de arresten T-Mobile (punt 35) en Dole (punt 121).
Arrest Dole (punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Dit punt is overigens door verzoeksters aangevoerd om de kwalificatie, door de AdC, van de litigieuze informatie-uitwisseling als mededingingsbeperking naar strekking aan te vechten, aangezien het betrokken criterium volgens verzoeksters enkel kan worden gebruikt om vast te stellen dat er sprake is van een beperking naar gevolg.
Arresten T-Mobile (punt 41), Dole (punt 122) en HSBC (punt 116).
Arrest van 26 september 2018, Philips en Philips France/Commissie (C-98/17 P, EU:C:2018:774, punt 37).
Arrest ASNEF (punt 48).
Arrest ASNEF (punt 59).
Zie punt 57 van de richtsnoeren van de Commissie inzake de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op horizontale samenwerkingsovereenkomsten (PB 2011, C 11, blz. 1; hierna: ‘richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten’).
Zie punt 86 van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten.
Zie de punten 86 en 91 van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten.
Hoewel de kwalificatie ‘mededingingsbeperking naar strekking’ in de rechtspraak van het Hof hoofdzakelijk is gebruikt voor informatie-uitwisselingen die hebben plaatsgevonden in het kader van een kartel, blijkt uit die rechtspraak geenszins dat alleen dergelijke uitwisselingen als mededingingsbeperkend naar strekking kunnen worden aangemerkt.
Zie punt 18 van deze conclusie.
Zie de punten 19–21 van deze conclusie.
Zie punt 25 van deze conclusie.
De spreads vormen namelijk een component van de prijs die de klant aan de bank zal betalen voor de financiering, en de marge die de bank zal verdienen door het krediet toe te kennen.
Zie punt 54 van deze conclusie.
Een bank met kennis over de spreads van haar concurrenten is immers beter in staat om de hoogte van de (uiteindelijke) offertes van die concurrenten nauwkeuriger te bepalen.
Hetzelfde geldt mijns inziens voor de uitwisseling van informatie over andere commerciële voorwaarden, zoals de leencapaciteit van klanten en de risicoparameters, voor zover deze betrekking hebben op essentiële onderdelen van de overeenkomst en relevant zijn voor de prijsvorming. De uitwisseling van dergelijke informatie kan immers collusie tussen de betrokken ondernemingen vergemakkelijken en in de hand werken.
Zie arrest HSBC (punt 204).
Zie ook punt 90 van deze conclusie, over het met het mededingingsrecht van de Unie nagestreefde doel om de structuur van de markt te beschermen.
Arrest T-Mobile (punt 27).
Zie conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:1958, punt 117).
Die partijen betogen in dat verband dat de verkregen informatie bedoeld was om de offertes van de banken met elkaar te kunnen vergelijken en om de verkoopnetwerken van de banken te ondersteunen bij het verhandelen van de producten, waarbij de voordelen van de producten van de bank en de nadelen van die van de concurrenten werden benadrukt.
Dit argument zal worden onderzocht in de punten 93–96 van deze conclusie, die zijn gewijd aan de analyse van de juridische en economische context.
Zie in dit verband punt 25 van deze conclusie.
Een mededingingsautoriteit kan dus niet worden verweten niet te zijn ingegaan op elementen die van geen enkel nut zijn voor het onderzoek van de genoemde context.
Opgemerkt moet worden dat de concentratiegraad slechts een van de gegevens is waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of de mededinging wordt beperkt, en dat op basis van dat gegeven op zich niet kan worden vastgesteld dat een informatie-uitwisseling een mededingingsbeperkende strekking heeft. Uit geen enkel element van het dossier blijkt evenwel dat de AdC of de verwijzende rechter zich uitsluitend op die concentratiegraad heeft gebaseerd om de betrokken uitwisseling als een mededingingsbeperking naar strekking aan te merken.
Wat het in aanmerking nemen van de concentratiegraad betreft, lijkt er in de rechtspraak van het Hof geen onderscheid te worden gemaakt tussen informatie-uitwisselingen die als een mededingingsbeperking naar strekking en informatie-uitwisselingen die als een mededingingsbeperking naar gevolg zijn aangemerkt. De concentratiegraad wordt dus in aanmerking genomen als een van de bijkomende factoren aan de hand waarvan een mededingingsbeperking kan worden vastgesteld, ongeacht hoe die beperking wordt gekwalificeerd. Zie in die zin de arresten ASNEF (punt 58) en T-Mobile (punt 34).
Arrest ASNEF (punt 60).
Die markt wordt door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag namelijk beschreven als een ‘geconcentreerde markt met toegangsbelemmeringen’.
Zie arrest T-Mobile (punten 59 en 62).
Zie voetnoot 6 van deze conclusie.
Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een onderneming duidelijk heeft aangegeven dergelijke informatie niet te willen ontvangen. Zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie (C-199/92 P, EU:C:1999:358, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Dole (punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest T-Mobile (punt 51).
Zie arresten Dole (punten 123–125) en HSBC (punten 120 en 121).
Zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C-307/18, EU:C:2020:52, punten 109 en 110).
De verwijzende rechter merkt in zijn tweede prejudiciële vraag op dat ‘niet is vastgesteld of aangetoond dat die informatie-uitwisseling efficiëntieverbeteringen heeft opgeleverd of ambivalente of positieve gevolgen voor de mededinging heeft gehad’.
Volgens de in punt 90 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak is het mededingingsrecht van de Unie immers niet uitsluitend bedoeld om de rechtstreekse belangen van de consumenten te beschermen, maar ook om de structuur van de markt veilig te stellen.
Zie in die zin arrest HSBC (punten 199–205).
Want zelfs al zou de verhoging van de rentevoeten niet zijn toe te schrijven aan de betrokken informatie-uitwisseling, maar aan externe factoren (zoals de financiële crisis), dan nog volgt uit de in punt 90 van deze conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak dat om vast te stellen dat een bepaalde gedraging een mededingingsbeperkende strekking heeft, het niet nodig is dat er een onmiddellijk en rechtstreeks verband bestaat tussen die gedraging en een stijging van de door de eindgebruiker betaalde prijzen.
Elke andere uitlegging zou erop neerkomen dat wordt aanvaard dat de mededingingsregels principieel anders worden toegepast op de banksector dan op andere sectoren, hetgeen duidelijk niet het geval is, zoals blijkt uit de talrijke zaken die recent door nationale mededingingsautoriteiten en de Commissie aanhangig zijn gemaakt.
Zelfs als dat het geval was, zou dat nog niet automatisch betekenen dat de uitwisseling moet worden gekwalificeerd als een mededingingsbeperking naar strekking, zoals ik in punt 62 van deze conclusie heb uitgelegd.
Zie punt 90 van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten.
Zie punt 90 van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten.
Zie punt 89 van de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten.
Zie punt 56 van deze conclusie.
Zie punt 15 van deze conclusie.
Arrest Budapest Bank (punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Onder voorbehoud van de vaststellingen die op dit punt moeten worden gedaan door de verwijzende rechter, lijkt dat verband in de onderhavige zaak te zijn aangetoond, aangezien zo te zien uit de elementen die de AdC in haar besluit in aanmerking heeft genomen blijkt dat met de uitwisseling van de informatie over de productiehoeveelheden werd beoogd het opsporen van afwijkingen te vergemakkelijken en de collusie tussen verzoeksters te versterken.